Is Ratzinger een Ariaanse ketter?

Wie is Jezus?

Voor velen die zich tegenwoordig Rooms-Katholiek noemen is het antwoord op deze vraag – ten onrechte, meent de redactie – niet zo eenvoudig. Ze zijn gaan twijfelen. Of ze willen de oude, niet mis te verstane wijze van uitdrukken, aanpassen aan ‘de moderne mens’. In het volgende artikel verkent Prof. Dr. W. Siebel[1] het antwoord van een eigentijds theoloog als (toen dit artikel werd geschreven) kardinaal Ratzinger op deze vraag.

Het besproken boek van J. Ratzinger verscheen ondanks alle falen en feilen in 2007 – Ratzinger geeft zich dan uit als ‘paus’ – nog ongewijzigd.

Prof. Dr. W. Siebel: Is Ratzinger een Arianer?

I Inleiding

Zoals in verschillende bijdragen van SAKA-Informationen werd uiteengezet, is er in de Rooms-Oecumenische Kerkgemeenschap een groot aantal bisschoppen die in hun leer Ariaanse stellingen innemen[2]. Ze geloven niet oprecht in de christelijke leer dat Jezus Christus ware God van eeuwigheid af aan is. Voor hen is Jezus alleen maar een voortreffelijke mens, die door zijn leven en sterven bewezen heeft dat hij in nauwe betrekking tot God stond, bijgevolg de godheid tot uitdrukking bracht, en uiteindelijk beloond werd met de godheid.

Die bisschoppen behouden de bewoording van de christelijke geloofsuitspraken, maar ze geven er een nieuwe betekenis aan, die de christelijke leer ten diepste tegenspreekt, ja, zelfs de grondslag van het christelijk geloof probeert op te heffen. De vraag werpt zich op hoe het mogelijk was, dat priesters, die er zulke theologische opvattingen op na houden, überhaupt bisschop konden worden. Had men dan niet met gemak in hun geschriften kunnen vaststellen, dat zij de ware godheid van onze Schepper en Verlosser Jezus Christus ontkennen?

Voor zo’n onderzoek zou de Romeinse Congregatie voor de Geloofsleer bevoegd geweest zijn, waarvan Joseph Kardinaal Ratzinger (° 1927) de prefect is.[3] Op zijn minst de benoeming van Walter Kasper tot bisschop van Rottenburg-Stuttgart valt onder de verantwoordelijkheid van Ratzinger. Heeft Ratzinger op dit punt geweigerd om controle uit te oefenen? 0f staat Ratzinger misschien zelf in nauwe betrekking met het moderne Arianisme? Valt hij wellicht zowaar zelf als Arianist te beschouwen? Deze vraag dringt zich op na de tot nu toe verzamelde resultaten van wetenschappelijk onderzoek. En dit niet ten laatste daarom, omdat Ratzinger een van de meest invloedrijke vertegenwoordigers van de Rooms-Oecumenische Kerkgemeenschap is. Na vijfentwintig jaren docentschap[4] werd hij in 1977 benoemd tot aartsbisschop van München-Freising, en in 1981 werd hij onder Johannes-Paulus II aangesteld tot prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer.

De vraag naar Ratzingers verhouding tot het Arianisme behoort in de eerste plaats beantwoord te worden aan de hand van zijn boek Einführung in das Christentum. Vorlesungen über das Apostolische Glaubensbekenntnis[5]. Vervolgens, echter, ook aan de hand van zijn latere geschriften en van een verklaring van de Congregatie voor de Geloofsleer.

II Een boek ter Inleiding in het Christendom

A Een onverdachte getuige

Ratzingers boek Einführung in das Christentum is, zoals vermeld in het voorwoord, ontstaan uit hoorcolleges die Ratzinger in het zomersemester van 1967 heeft gehouden voor toe­hoorders van alle faculteiten in Tübingen. Zelf plaatst hij zijn boek in een bijzondere beteke­nislijn, en wel aan de kant van de grote rechtgelovige dogmaticus Karl Adam, die met zijn boek Das Wesen des Katholizismus[6][7] zéér verdienstelijk is geweest voor de verdediging van de waarheid van de katholieke leer.

 De betekenis van Ratzingers boek is door een onverdachte getuige uitgewerkt in een boekrecensie: Besprechung von ‘Das Wesen des Christlichen’ von J. Ratzinger[8]De schrijver daarvan is Walter Kasper. Hij schrijft: ‘

‘In Ratzingers “Einführung” is de klemtoon op de geloofsbelijdenis zoals bij Karl Adams “Wesen des Katholizismus” volledig overwonnen.[9] Daarmee is een vijftig jaar geleden nog amper vermoede theologische en kerkelijke vooruitgang van het oecumenische gesprek gesignaleerd. Daarmee is, ja zeker, tevens aangeduid, dat de kwestie vandaag niet meer primair draait om de probleemstelling katholiek – protestant, maar veeleer om de kwestie geloof – ongeloof. Terwijl Karl Adams “Wesen des Katholizismus” allereerst ecclesiologisch[10] georiënteerd was, interpreteert Ratzinger antropologisch.[11] (…) Ratzinger wil helpen het geloof nieuw te begrijpen als: het mogelijk maken van waarachtig mens zijn in onze huidige wereld.’

 Over Ratzingers verhouding tot het geloof schrijft Kasper:

‘Van de behoudsgezinde lezer worden zowaar vele, aanzienlijk van de traditionele geloofsvoorstellingen afwijkende interpretaties geëist. Wat Ratzinger in de hoofdstukken over Christus’ afdaling naar het voorge­borchte, Verrijzenis, Hemelvaart, wederkomst en de verrijzenis van het lichaam schrijft, moet niet in het geringste onderdoen voor welke ontmythologiseringtheologie[12] dan ook, en men vraagt zich af waarom hij meermaals zich zo eenzijdig krijgshaftig afmaakt van het ontmythologiseringprogramma.’

 Over Ratzingers christologie[13] leest men bij Kasper:

‘Veel interpretaties van Ratzinger werken gewoonweg bevrijdend. Men stemt des te liever met ze in, omdat ze niet voeren tot een oppervlakkige vrijzinnigheid in de godsdienst, maar, integen­deel, leiden tot echte geestelijke diepgang, en christelijk en theologisch verrijkend zijn. Dit geldt vooral voor de beide christologische hoofdstukken en hun voornamelijk aan Karl Barth ge­oriënteerde poging om functionele[14] en ontologische[15] christologie te presenteren. Ratzinger is hier geslaagd in een geldige nieuwe uitleg van het christologisch dogma van de Oude Kerk.’

 De evangelische theoloog Karl Barth heeft, zoals bekend, het modalisme aange­hangen. Barth belijdt liever ‘drie manieren waarop God er is’, dan ‘drie Personen’, omdat hij onder de indruk is van de moderne filosofen[16].

Opmerkenswaard is vooral Kaspers vaststelling, dat het bij Ratzingers christologie om een nieuwe uitleg gaat. Maar Kasper heeft ook reserves tegen Ratzingers geloofsbegrip:

‘In aansluiting bij Paul Hacker doet Ratzinger, tegen Maarten Luther in, gelden, dat als de liefde wordt losgekoppeld van het geloof, het resultaat is: secularisatie. Secularisatie sluit al het uitwendige uit van het bereik van het christelijke geloof en brengt het geloof terug tot de loutere innerlijkheid van de subjectiviteit. Echter, ook hier geldt, dat de uitersten elkaar raken! Ratzinger maakt van Geloof en Liefde één, ja, zijn verklaring: ‘Liefde is Geloof’, moet, als je ze logisch tot het einde toe doordenkt, evengoed leiden tot secularisatie, tot het samenvallen van aanbidding en broederlijkheid. Dat maakt het geloof in laatste consequentie tot niet meer dan een ideologische en heilshistorische bovenbouw over de medemenselijkheid heen, ook al verklaart Ratzinger dat hij het tegenovergestelde bedoelt.’

Methodisch brengt Kasper hiertegen in:

‘Ratzingers beschrijving is eerder meditatief en intuïtief dan argumenterend en reflecterend. Ratzinger draait om zijn onderwerp heen, speelt met de diverse motieven en brengt ze dan op veelal verrassende wijze tot een synthese. (…) Op deze manier ontwerpt hij een indrukwekkend beeld, maar de strenge omtrekken van de logische gedachtegang vallen niet altijd gemakkelijk te ontdekken.’

Kasper besluit:

‘Zo is Ratzingers werk een noodzakelijk en hulpvaardig boek, dat men niet zonder erg veel theologisch en geestelijk voordeel zal lezen. Echter, een totaal doordacht theolo­gisch ontwerp kan het nog niet zijn. Zijn Ratzingers grondslagen niet nog te onopgehelderd, zijn conclusies te tweeslachtig en in tegenspraak met de theologische traditie vóór hem?’

 Dat het theoretische doorwerken van problemen in Ratzingers boek ontbreekt, zou wel eens een van de redenen ervoor geweest kunnen zijn, dat W. Kasper kort nadien (1972) zijn Einführung in den Glauben publiceerde. Ongetwijfeld heeft hij een meer systematisch en in zich meer logisch consequent werk gepresenteerd. In ieder geval kan Ratzingers nieuwe visie, die de functionele en ontologische christologie overdraagt, voor Kasper een aansporing betekend hebben.

Ratzinger heeft stelling genomen tegen Kaspers kritiekwaarop Kasper antwoordde dat Ratzinger uiteindelijk het laatste woord had.[17] Beiden hebben in deze discussies steeds sterker bewijzen geleverd van hun weten­schappelijke kwaliteit en, zodoende, de basis gelegd voor hun latere samenwerking.[18]

 

 B Het geloof als ontmoeting met de mens Jezus

Uit Ratzingers Einführung in das Christentum moet enkel zijn christologie behandeld worden, al is er op details veel kritisch aan te merken. Ratzingers christologie wordt al heel duidelijk als je kijkt naar wat hij verstaat onder geloof. Voor hem is het christelijk geloof:

‘… ontmoeting met de mens Jezus, en in zo’n ontmoeting ervaar je de zin van de wereld als persoon. In Jezus’ leven uit de Vader, in de direct en intiem biddende, ja, ziende manier waarop Jezus met de Vader omgaat, is Hij de getuige van God, door Wie heen de Onaantastbare tastbaar, de Verre nabij is geworden. En meer: Jezus is niet alleen maar de getuige, van Wie wij geloven, wat Hij gezien heeft in een bestaan, dat werkelijk de verandering voltrokken heeft van een onoprecht oppervlakkig antwoord naar de diepte van de totale waarheid. Nee, Hij is de aanwezigheid van de Eeuwige Zelf in de wereld.’[19]

Volgens Ratzinger gaat het bij geloof dus om een ‘ontmoeting met de mens Jezus’. Deze zou een ‘verandering voltrokken hebben van een onoprecht oppervlakkig antwoord naar de diepte van de totale waarheid.’ Jezus is op de manier niet alleen getuige, maar middel, waardoor God ervaarbaar en aanwezig gemaakt is. Het gaat dus voor ons om een menselijke relatie. In Jezus’

‘leven, in de onvoorwaardelijkheid van zijn bestaan voor de mensen, is de zin van de wereld aanwezig, Hij geeft zich aan ons als liefde, die ook mij liefheeft, en met zo’n onbegrijpelijk geschenk van een liefde – die niet bedreigd wordt door vergankelijkheid en egoïstische vertroebeling – het leven levenswaardig maakt. Zo is geloof, vertrouwen en liefde uiteindelijk één, en alle inhouden waarom het geloof cirkelt zijn enkel verwerkelijkingen van de alles dragende verandering, van het “Ik geloof in je” – de ontdekking van God in het aangezicht van de mens Jezus van Nazareth.’[20]

Ratzinger heeft in de geciteerde zinnen in een notendop een voorschot genomen op zijn christologisch programma, dat hij op latere plekken ontvouwt. Voor Ratzinger is Jezus de mens, in wie God verschijnt en aan wie men moet geloven, dat wil zeggen: Jezus’ liefde beantwoorden. Dat alles is uiting van een duidelijk modalisme, dat enkel de voorbeeldige mens Jezus ziet, door wie God voor ons kenbaar is. Zijn goddelijkheid is niet éénmaal aangeduid en staat niet in het centrum van het geloof! Ja, Jezus’ goddelijkheid behoort überhaupt niet tot het geloof, dat met vertrouwen en liefde gelijkgesteld wordt! Welnu, dat is een volkomen onkatholieke kijk op het geloof en op de goddelijke deugden! De liefde voor­onderstelt het geloof en is niet identiek met het geloof! En het geloof betekent in zijn kern de aanname van de waarheid, niet de liefde tot ‘jij’, die op de koop toe nog slechts menselijk ook is!

C Twee niet-wegen tot de Drieenheid

Twee theologische opvattingen worden door Ratzin­ger bestempeld als ‘niet-wegen’ tot het begrip van de Drie-eenheid, namelijk het subordinationisme en het monarchianisme.

Het subordinationisme

‘zegt: God Zelf is enkel één Enige. Christus is niet God, maar slechts een Wezen dat God bijzondere nabij is.’[21]

Het monarchianisme houdt weliswaar

‘streng vast aan Gods Eenheid, maar tegelijkertijd neemt het God in Zijn ons ontmoeten ernstig God, Die eerst als Schepper en Vader op ons toekomt, dan als Zoon en Verlosser in Jezus, en ten slotte als Heilige Geest. Maar deze drie gedaanten worden slechts als maskers van God beschouwd, die iets over ons uitzeggen, maar niets over God Zelf.’[22]

Met deze interpretatie van het monarchianisme stelt Ratzinger het ‘modalisme’ zonder meer gelijk.[23] Die bekrompen kijk op het moda­lisme maakt het Ratzinger mogelijk om zijn eigen, ruimer opgevat modalisme te presenteren als de passende christelijke zienswijze.

Uitgaand van de mens Jezus ont­vouwt Ratzinger zijn ‘begin van het begrijpen’ als volgt:

‘In Jezus Christus treft men een mens, die tegelijkertijd weet dat hij Zoon van God is en zich als zodanig bekend maakt. Men vindt God in de gestalte van een gezant, die geheel God en niet een of ander Middelwezen is en toch nog met ons tegen God Vader zegt. Dat zorgt voor een eigenaardige tegenspraak: aan de ene kant noemt deze mens God zijn Vader, spreekt hem aan als een Jij, die tegenover hem staat. Als dat geen loos theater is, maar waarheid, zoals die alleen God waardig is, dan moet hij dus een ander zijn dan deze Vader, tegen wie hij en wij spreken. Aan de andere kant echter is hij zelf de werkelijke, ons ontmoetende nabijheid van God. De bemiddeling van God aan ons, en dit juist daardoor, dat hij zelf God als mens, in mensengestalte en mensenwezen de God met ons (‘Emanuel’) is. (…) Daaruit moet wel voortvloeien, dat hij als de bemiddelende God zelf en ‘mens zelf’ is – beide tegelijk werkelijk en totaal. Maar dat betekent, dat God mij hier niet als Vader, maar als Zoon en als mijn broer ontmoet, waarmee – onbegrijpelijk en hoogst begrijpelijk tegelijkertijd – een tweeheid in God, God als Ik en Jij ineen verschijnt. Op deze nieuwe ervaring van God volgt tenslotte als derde de weder-ervaring  van de Geest, de aanwezigheid van God in ons, in onze innerlijkheid. En wederom blijkt, dat deze ‘Geest’ noch met de Vader noch met de Zoon eenvoudigweg identiek is, en toch ook niet een Derde tussen God en ons opricht, maar de manier is, waarop God Zelf zich aan ons geeft, hoe hij in ons binnentreedt.’[24]

Hier wordt door Ratzinger weliswaar beweerd, dat Jezus ‘werkelijk en totaal’ God en Mens is. Maar voor Ratzinger is Jezus dit slechts ‘als de bemiddelende’.[25] Christus’ godheid bestaat echter onafhankelijk van de een of andere bemiddeling, wat Ratzinger niet toegeeft. ‘Als mens’ kan Jezus ook niet God zijn, zoals Ratzinger beweert, net zo min als dat de Heilige Geest slechts ‘een manier is zijn waarop God Zich aan ons geeft, zoals Hij in ons binnentreedt’!

Met de idee van ‘bemiddeling’ valt Ratzinger, evenals zijn leraar Karl Rahner, ten offer aan het ‘modalisme’, dat hij tevoren nog van de hand had gewezen. Christus is volgens het modalisme slechts een spreekbuis van God. Zo kan hij aanvoeren:

‘In de mens Jezus heeft God definitief zichzelf gezegd: Hij is zijn woord en als zijn Woord hijzelf. De openbaring eindigt hier niet, omdat God haar positivistisch afsluit, maar omdat zij haar doel heeft bereikt, of, zoals Karl Rahner het uitdrukt: ”‘Er wordt niets nieuws meer gezegd, niet hoewel er nog veel te zeggen zou zijn, maar omdat alles gezegd, ja, alles gegeven is in de Zoon van de liefde, in wie God en wereld één geworden zijn.”’[26] [27]

Ratzinger vindt er zelfs geen graten in om uit zijn modalistische zienswijze zelfs nog de ‘vleeswording’ van Gods Woord af te leiden. Zo zegt hij:

‘Christus is mens, geheel en al: zodanig is in hem de vraag aanwezig, die wij mensen zijn. Maar hij is tegelijkertijd Gods spreken tot ons, ‘Woord van God.’ Het gesprek tussen God en mens, dat sinds het begin van de geschiedenis heen en weer gaat, is in hem in een nieuw stadium ingetreden: in hem is het Woord van God ‘vlees’geworden, werkelijk binnengelaten in ons bestaan. Als echter de dialoog van God met de mens leven betekent, als het waar is dat de gesprekspartner van God juist door zijn aangesproken-zijn door hem die eeuwig leven heeft, zelf leven heeft, dan betekent dit, dat Christus als het spreken van God tot ons zelf ‘de Verrijzenis en het Leven’ is (Joh. 11,25).’[28]

Christus is dus ‘vlees’ geworden, is ‘de Verrijzenis en het Leven’, omdat hij als het Woord van God het gesprek tussen God en mens bemiddelt.[29]

 

D De paradox[30] ’Una Essentia Tres Personae’

Voor Ratzinger gelden de grote grondbegrippen der Triniteitsleer

‘alleen doordat zij gelijk­tijdig ais onbruikbaar gekarakteriseerd zijn, om zo als armzalig gestamel – maar dan ook niets meer dan dat! – toegelaten te worden.‘[31]

 Anderzijds moeten de dogma­tische bewoordingen van de Triniteitsleer opgevat worden

‘als betekenisvolle verklaringen, die echter verwijzingen naar het onzegbare beschrijven en niet bepalen hoe zij worden ingevoegd in onze de wereld van ons begrijpen.’[32]

 Het dogma Una Essentia Tres Personae, namelijk de verklaring dat God één Wezenheid in drie Personen is, duidt Ratzinger aan als een ‘schijnbare tegenstrijdigheid, een paradox’. Wat hij daaronder verstaat, blijft onduidelijk. Het Griekse woord betekent tegen de leer, en tegenwoordig over het algemeen tegenstrijdigheid. Maar, beide betekenissen gaan niet op, zodat de uitdrukking ongepast is!

Volgens Ratzinger staat dit dogma ‘in functie van het begrip ‘persoon’, en moet het als inwendige impli­catie van dat begrip worden verstaan.’[33]

 Met de uitdrukking inwendige implicatie bedoelt Ratzinger zoiets als een structuur. Het begrip persoon zou worden uitgelegd door het genoemde dogma. Dat ziet er als volgt uit:

‘Als het Absolute ‘Persoon’ is, is het niet absolute enkelvoud. In zover ligt de overschrijding van het enkelvoud in het begrip ‘persoon’ noodzakelijk ingesloten.’

Ratzinger ziet daarin

‘de belijdenis, dat God Persoon is op de manier van de Driepersoonlijkheid.[34]

 Dus volgens Ratzinger is God Persoondie ‘op de manier van’ drie Personen ‘is.’

De klaarblijkelijke tegenspraak, die daarin ligt, dat één Persoon in drie Personen gestructu­reerd behoort te zijn, wordt dus daardoor opgelost, dat God modalistisch opgevat wordt. Zo geldt voor Ratzinger,

‘dat de “drie Personen,” die in God bestaan, de werkelijkheid van Woord en Liefde zijn in hun inwendig op elkaar gericht zijn. Zij zijn geen substanties, persoonlijkheden in de moderne betekenis van het woord, maar wel het gericht zijn; waarvan de pure actualiteit (’golvenpakket’!) de eenheid van het hoogste Wezen niet opheft, maar wel uitmaakt.’[35]

 Welnu, dit betekent een tegenspraak met het dogma, dat luidt: Elk van de drie Personen is dat Wezen, dat wil zeggen die substantie, Wezenheid of goddelijke natuur.[36] Aldus is ieder van de drie Personen substantie, namelijk de ene ware God; in geen geval zijn deze Personen slechts ‘gericht zijn op’, zoals Ratzinger foutief leert om zijn modalisme te onderbouwen.

In Ratzingers veronderstelling verwordt Christus tot het enkel maar een hulpmiddel van Gods ver­kondiging:

‘Jezus gaat werkelijk geheel erin op, gezondene te zijn; hij alleen is gezondene, die de anderen vertegenwoordigt, zonder wat hem eigen is daartussen te schuiven. En zo is hij als de ware gezondene één met Hem, die hem zendt.’[37]

Bijgevolg verandert Ratzinger de betekenis van het woord Logos met betrekking tot zijn Jezus:

‘Diegene, die hier is, is ‘Woord’. Het begrip ‘logos’, dat voor de Grieken ‘zin, betekenis’ (ratio) betekent, verandert hier werkelijk tot ‘woord’ (verbum). Diegene, die hier is, is ‘Woord’; hij is bijgevolg ‘gesproken-zijn’ en daarmee de pure gerichtheid van de sprekende op de aangesprokene. Zo is ‘Logos‘-christologie als ‘Woord’-theologie opnieuw mededeling van het ‘zijn’ in het idee van ‘gericht zijn op’. Want alweer geldt: ‘woord’ is wezen­lijk ‘van iemand anders komend’ en tot iemand anders gericht’, woord is bestaan, dat geheel weg en openheid is ‘[38]

Maar als Jezus de pure betrekking is van de sprekende (God) tot de aangesprokene (de mensen), hoe kan Hij dan God zijn?!

E Van ‘Zoon-zijn’ tot ‘God-zijn’

Tot nu toe is het nog niet heel duidelijk geworden hoe het ‘God-zijn’, in de betekenis die Ratzinger eraan toekent, tot Jezus behoort, en waarop dit te baseren valt. Uit het ‘geloof aan Jezus als de Christus’ valt, voor Ratzinger, een dubbele consequentie af te leiden.[39]  Als het Ik van Jezus

‘geloofd wordt als pure openheid, als totaal zijn van de Vader af, als hij met zijn hele bestaan ‘Zoon’ – feitelijkheid van het pure dienen – is; wanneer, anders gezegd, dit bestaan niet alleen liefde heeft, maar ook liefde is – moet het dan niet identiek zijn met God, die alleen liefde is? Is Jezus, de Zoon van God, dan niet zelf God? Geldt dan niet: ‘Het woord was van God, en het was God’[40]? Maar ook de omgekeerde vraag ontstaat, zodat we moeten zeggen: als deze mens geheel is, wat hij doet, als hij totaal staat achter wat hij zegt, als hij geheel voor de ander is en in zulk zich verliezen toch helemaal bij zichzelf is[41], is hij dan niet de menselijkste van de mensen, de vervulling van het menselijke bij uitstek?’[42]

Zo meent Ratzinger twee conclusies (of eisen) te kunnen vaststellen, die hij aan het dogma toerekent:

‘Het ontvouwde christologisch dogma belijdt, dat het radicale Christus-zijn van Jezus het Zoon-zijn veronderstelt, en dat het Zoon-zijn het God-zijn insluit; alleen als het dogma zo begrepen wordt, blijft het dogma ‘logoshafte’, verstandige verklaring, terwijl men zonder deze consequentie afdaalt in de mythe.’[43]

 Uit het radicale Christus-zijn van Jezus valt aldus, volgens hem, het Zoon-zijn te ‘veronderstellen’, uit het Zoon-zijn blijkt het God­-zijn. Ratzinger is ervan overtuigd ‘de onvermijdelijkheid van de zojuist ontwikkelde logica en daarmee de interne consequentie van het dogma’ gepresenteerd te hebben. Feitelijk ligt, echter, op deze plaats slechts Rahners ‘christologie-van-beneden’ ter tafel, wat ook nog eens bevestigd wordt doordat hij de indirect genoemde ‘christologie-van-boven’[44] verwijt, een mythe te zijn.

Bijzonder twijfelachtig is Ratzingers bewering, dat het menselijke ‘zoon-zijn’ tegenover God het ‘God-zijn’ insluit. Moet dan niet elke christen als kind van God en daarmee ook zoon van ­God het ‘God-zijn’ bezitten? Er staat immers geschreven in de Apocalyps (21,7) aangaande de overwinnaar, die getrouw tot in de dood was: Ik zal hem tot God zijn, en hij Mij tot zoon. Waar ligt dan het onderscheid tot de overige mensen? Is dat alleen maar de bijzonder volkomen werkelijkheid van het pure dienen bij Jezus, zoals Ratzinger stelt?

F Voortbrenging van de Zoon Gods aan het kruis

Ratzinger meent in Psalm 2,7-8 het klassieke voorbeeld aan te treffen voor de overname van de oud-Oosterse koningstheologie en de manier waarop de Bijbel met zulke mythen afrekent. In deze tekst, ‘die tevens tot een van de beslissende uitgangspunten voor het christologische denken werd’[45] luidt het: ‘De Heer heeft Mij gezegd: “Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt. Vraag mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel, en de grenzen der aarde tot Uw bezit.”

Ratzinger spreekt daarover als zijn mening uit:

‘In de overname van de bewoording door het Hof van David is de mythologische betekenis zeker compleet terzijde geschoven. De gedachte dat de godheid lichamelijk de koning voortbrengt, is vervangen door de voorstelling, dat de koning hier en nu zoon wordt; de voortbrengingsdaad bestaat in de uitverkiezingsdaad door God. De koning is zoon, niet omdat hij door God voortgebracht is, maar wel omdat hij door God uitverkozen is‘[46]

 Uit deze Ratzingeriaanse psalmuitleg, die door niets gerechtvaardigd wordt, blijkt een aanzienlijk niet-objectief wensdenken. Waardoor weet hij, dat de mytholo­gische betekenis onloochenbaar terzijde geschoven is? Daarvoor voert hij geen enkel bewijs aan. De psalmist zegt toch: ‘voortgebracht’ en niet ‘uitverkozen’. En zelfs als het Hof van David al aan het ontmythologiseren geslagen was, dan blijft niettemin het profetenwoord onaangetast voor een latere passende uitleg. Zonder enig bewijs beweert Ratzinger van de christelijke oergemeente, dat die haar gesecula­riseerde redactionele uitleg op Jezus zou hebben toegepast.

‘De gebeurtenis van de opwekking van Jezus uit de doden, waaraan deze gemeente gelooft, wordt door de eerste Christenen opgevat als het ogenblik, waarop de gebeurtenis van psalm 2 wis en waarachtig werkelijkheid is geworden.[47] In de gekruisigde wordt voor de gelovige zichtbaar, wat de zin van uitverkiezing is. Niet privilege en macht voor zichzelf, maar dienst voor de anderen. In hem wordt zichtbaar, wat de betekenis van de uitverkiezingsgeschiedenis, wat de ware zin van het koningschap is, dat altijd al plaatsvervanging, ‘representatie’ wilde zijn… In hem, de volledig mislukte, die aan de galg geen stukje grond meer onder de voeten heeft, om wiens kleren geloot wordt, en die zelfs door God prijsgegeven lijkt, juist voor hem geldt het orakel: “Mijn Zoon zijt gij, heden – op deze plaats – heb ik u verwekt. Vraag mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel, en de grenzen der aarde tot Uw bezit”.’[48]

Van Jezus, ‘de volledig mislukte‘[49], geldt aldus, volgens Ratzinger het orakel, dat hij aan het kruis ‘voortgebracht’ is, dat wil zeggen: hij is daar uitverkozen. Ratzinger trekt de slotconclusie, dat Jezus aan het kruis uitverkozen — en tot Heer geworden is; reden daarvoor was de vrijwillige gehoorzaamheid, het ‘zich-van-zichzelf-ontledigen’, het ‘zijn-voor-de-anderen.’[50] In tegenstelling tot deze ‘bewijs van gebleken geschiktheid’-christo­logie, die uit de mens Jesus omwille van zijn verdienste de Zoon van God laat worden, heeft de christelijke leer steeds vastgehouden aan een andere uitleg van dit psalmvers! Volgens de christelijke leer wordt hiermee de eeuwige voortbrenging van het Woord en dus van Christus uit het Wezen van de Vader bedoeld. Daarom is Jezus de Zoon van God, gelijk in Wezen met de Vader, God van eeuwigheid af aan. Daarmee is een dogma van de Kerk aangesneden,[51]dat Ratzinger met zijn overwegingen probeert weg te moffelen:

‘De Tweede Godde­lijke Persoon komt uit de Eerste goddelijke Persoon voort door voortbrenging, en verhoudt Zich dus tot die Eerste Goddelijke Persoon zoals de Zoon tot de Vader.‘[52]

De geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel zegt van Jezus Christus: Hij is voortgebracht, niet geschapen, één in Wezen met de Vader,[53] in overeenstemming met het Symbolum Quicumque.[54]

Over de ‘voortbrenging’ spreekt ook Psalm 109,3: ‘voor de Morgenster heb ik u uit de moederschoot verwekt, als dauw in de morgen.’ In het Evangelie wordt Christus’ bijzondere Zoonschap, dat zich wezenlijk onderscheidt van het kindschap van de aangenomen kinderen­ van God, helder beklemtoond. Zo wordt de Vader aangeduid als eigen Vader (Joh. 5,18), de Zoon als eigen Zoon(Rom. 8,32), eniggeboren Zoon (Joh.1, 14.18; 1 Joh. 4,9) en geliefde Zoon (Mt. 3,17; 17,5). ‘Een waar en eigenlijk zoonschap wordt echter alleen op lichamelijke voortbrenging gebaseerd’.[55] Daarmee wordt een voortbrenging bedoeld, die gebeurt vanuit de natuur (het wezen) van de vader.

G Christus, de tot zichzelf gekomen mens

 Steeds opnieuw benadrukt Ratzinger, dat Jezus de voorbeeldige mens is, die als mens zijn voltooiing heeft ervaren, namelijk door de vergoddelijking. In zover is Ratzingers voorstelling van de ontwikkeling van de wereld, die in Jezus haar hoogtepunt heeft bereikt, in perfecte harmonie met de denkbeelden van Teilhard de Chardin en van Karl Rahner, die Ratzinger beide instemmend aanhaalt. Het aanvangspunt van zijn menswordingidee ligt in het sociale:

‘De mens is uiteindelijk op de andere, op de waarachtig andere, op God bestemd. Hij is des te meer bij zichzelf, hoe meer hij bij de geheel andere, bij God is, Dus hij is helemaal zichzelf, als hij heeft opgehouden, op zichzelf te staan, zich in zichzelf af te sluiten, wanneer hij pure openheid op God is. Om het nog eens anders te zeggen: de mens komt pas tot zichzelf, als hij over zichzelf uit komt. Jezus Christus is echter de geheel over zich heen uit gekomene, en, zodoende, de waarlijk tot zich gekomen mens.’[56]

Bijgevolg is in Christus het stadium van de menswording werkelijk aan zijn eindpunt aangekomen.[57] Jezus kan nu echter niet een uitzondering zijn, zoals Ratzinger verder uiteenzet:

De voorbeeldige mens Jezus gaat de gehele mensheid aan. Het is een inwendige eis van Jezus’ bestaan, die geen uitzondering mag blijven, dat het de gehele mensheid tot zich trekken moet[58].

Het is begrijpelijk, dat Ratzinger bij zijn samenvatting, die het ‘wezen van het christendom’ probeert te vatten, uiteindelijk terugkeert naar de menselijkheid. De door hem ontwik­kelde beginselen – waaronder de principes ‘enige,’ ‘voor,’ ‘definitiefheid,’ ‘positiviteit’ – laten dit wezen te voorschijn komen, waarbij “de beginselen ten slotte samenvallen in het ene principe ‘liefde’.” En vandaar blijkt:

‘niet de confessionele partijgenoot is de echte christen, maar veeleer diegene, die door zijn ‘christen-zijn’ waarlijk menselijk is geworden.’[59]

 De christen mag aldus, volgens Ratzinger, zijn geloof niet verdedigen, want in dat geval verschijnt hij in de ogen van de oecumenicus als partijgenoot, maar veeleer dient hij door het ‘liefde’principe te volgen tot het waarachtige mens-zijn te komen!

Draagt het christendom, indien het wezen ervan zo bepaald is, dan nog wel bij tot onderscheid in het menselijke? Of betreft het hier een liefde, die door elke mens kan voltrokken worden, onverschillig tot welk geloof of religie hij hoort als partijgenoot? Beslissend zou hier op dit punt toch het ware geloof zijn. Onverwachts sluit Ratzinger op deze plaats het geloof in de liefde in:

‘Zonder het geloof, dat wij geleerd hebben op te vatten als uitdrukking van een laatste ontvangen-moeten van de mens, voor het ontoereikende van alle eigen prestatie, wordt liefde tot eigenmachtige daad’.[60]

Maar als het geloof niet inhoudelijk op de christelijke waarheden gericht is, maar alleen ‘uitdrukking voor het ongenoegen van de eigen prestatie’ is, dan kan het christelijke niet meer van het menselijke onderscheiden worden.

H Het ’zijn’ van Christus is ‘dienst’

 Ratzinger blijft bij zijn ‘bewijs van gebleken geschiktheid’-christologie, ook al getuigt het evangelie van Johannes daar niet van. Voor Ratzinger is het cen­trale beginpunt van het begrijpen van Jezus diens relatie met God, die bijzonder tot uitdrukking komt in de aanspreking van God als Abba, Vader.

‘De intimiteit die daar eigen aan was, sloot in het Jodendom de mogelijkheid uit om dat woord Abba, Vader, op God te laten slaan. (…) Maar deze aanspreking in het gebed sluit heel passend aan in de naam die Jezus zich zelf geeft: ‘zoon’. Beide samen genomen, drukt de eigenaardige wijze uit van Jezus’ bidden, zijn Godbewustzijn, waarin hij, hoe ingehouden ook, zijn nauwste vrienden­kring mee naar binnen liet kijken. Van hieruit kijken we naar binnen in Jezus ‘gebedservaring, in die nabijheid tot God, die Jezus’ relatie met God onderscheidt van die van de andere mensen.’[61]

Ratzinger dicht daarmee aan de evangelist Johannes zijn eigen zienswijze toe, die het werkelijke God-zijn van Jezus ontkent:

‘De benaming van Jezus als zoon is voor Johannes niet uitdrukking van een eigen macht, die Jezus zich aanmeten zou, maar veeleer uitdrukking van het totaal relatie-zijn van zijn bestaan… Daarin stemt de titel “zoon” overeen met de benamingen “het Woord” en “de gezondene.” En als Johannes de Heer beschrijft door het aan Jesaja ontleende Godswoord ‘Ik ben het,’ wordt weer hetzelfde bedoeld, de totale eenheid met de “Ik ben,” die het resultaat is van de volledige overgave.’’[62]

‘Wie’ – volgens Ratzinger- ‘de toedracht juist begrepen heeft, moet inzien, dat het vroegere nu pas in zijn volle diepte begrepen wordt. Het knecht-zijn wordt niet meer als een handeling verklaard, waarachter de persoon van Jezus in zich blijft staan, het wordt in het gehele bestaan van Jezus binnengelaten, zodat zijn zelf dienst is. En nu met daarin, dat dit zijn als totaal niets dan dienst is, is het zoon-zijn. Inzover is de christelijke verandering van de waarden hier pas aan zijn doel aangekomen. Hier pas wordt volkomen duidelijk, dat wie zich geheel wegschenkt in het dienen van anderen, in volle zelfloosheid en zelfontlediging, die formeel wordt. Dat juist deze de ware mens is, de mens van de toekomst is, het inelkaarvallen van mens en God.’[63]

Ratzinger schrikt er dus niet voor terug, Jezus’ ‘God-zijn’ af te leiden uit diens knecht-zijn. De ‘totale eenheid’ met God zou het resultaat zijn ‘van de volkomen overgave’ van de mens Jezus. Het Arianisme, dat van Christus de ware Godheid afnemen wil, de christologie van het aan Gods verwachtingen beantwoorden, en het adoptianisme[64], dat leert dat Christus als mens door God als zoon werd aangenomen, zijn hier bij Ratzinger een duidelijke fusie aangegaan. Daar bovenop moet Jezus zelfs nog de ware mens zijn, die het ’inelkaarvallen’ van mens en God is. Hier is niet door het christendom een herwaardering van de waarden ondernomen, maar door Ratzinger zelf, die de grondslagen van het christendom probeert te ontbinden! Want het is iets compleet anders, wanneer de Zoon van God van eeuwigheid af aan in de tijd mens geworden is, dan wanneer een mens door zijn ‘totale overgave’ zou geworden zijn tot ‘inelkaarvallen’ van mens en God, omdat het God-zijn zou moeten bestaan in ‘totale overgave’ of ‘absolute relativiteit’. Neen, hier ligt een vrij verzinsel van Ratzinger ter tafel. Het geeft noch de christelijke leer weer, noch een aannemelijk filosofisch Godsbegrip weer. Vandaar dat Ratzinger zelf de mytholoog, de sprookjesverteller is, maar niet diegenen die vasthouden aan het overgeleverde geloof, die hij verwijten maakt, als ze zich aan het overgeleverde geloof vasthouden!

Ratzingers vervalsing van de geijkte geloofsverklaringen van de Kerk blijkt in het bijzonder als hij beweert:

‘De betekenis van de dogma’s van Nicea en Chalcedon wordt duidelijk, die niets anders wilden uitzeggen dan dat dienst en zijn hetzelfde zijn, en dat daarin de hele inhoud van de gebedsrelatie ‘Abba – zoon’ aan het licht treedt. Die dogmatische formule­ringen met hun zogenaamde ontologische christologie liggen niet in het verlengde van voortbrengingsmythen. Wie dat aanneemt, bewijst alleen maar, dat hij geen idee van Chalcedon heeft, en ook niet van de werkelijke betekenis van de zijnsleer, en ook niet van de mythische uitspraken, die daar het tegendeel van zijn. Die dogmatische verklaringen zijn niet uit voortbrengingsmythen ontwikkeld, maar veeleer uit het getuigenis van Johannes, dat op zijn beurt eenvoudigweg het verlengde van Jezus’ spreken met de Vader voorstelt en van Jezus’ zijn voor de mensen tot in Jezus’ zelfprijsgave aan het kruis heen.’’[65]

Wilden de dogma’s van Nicea en Chalcedon niets anders uitspreken dan ‘niets anders uitzeggen dan dat dienst en zijn hetzelfde zijn’? Net als de andere Ariaanse dwaalleraren beweert Ratzinger met het grootste gemak zaken, die de logica tegenspreken. Maar hier is ook de eerst bij Kasper volledig ontwikkelde idee in het spel, die leert dat het zijn bepaald wordt door de functie, de dienst, of het doen. Als dat waar was, dan zou men per slot van rekening niet meer kunnen vaststellen, wie een functie uitoefent, wie iets verricht. Want het zijn gaat in zoverre aan de functie vooraf, dat er een handelingseenheid, namelijk de persoon, nodig is, opdat functie, dienst, handelen überhaupt gebeuren kan. Noch het goddelijke, noch het menselijke persoon-zijn mag gereduceerd worden tot de functie, zoals Ratzinger dat wenst, maar zelf niet consequent doorvoert.

Overeenkomstig zijn visie valt het Ratzinger natuurlijk zwaar, om aan te nemen dat zijn mens Jezus op eigen kracht nedergedaald is ter helle en opgestegen ten hemel. Want dat zijn alle twee handelingen van Heerschappij, die alleen passend zijn voor een ware God. Maar Ratzinger weet zich uit de nood te redden — weliswaar op kosten van de inhoud van de beide geloofsuitspraken. Zo betekent voor Ratzinger de geloofs­uitspraak van de nederdaling ter helle,

‘dat Christus door de poort van onze laatste eenzaamheid heen gegaan is, dat hij in zijn lijden is ingetreden in deze afgrond van ons verlaten zijn.‘[66]

En wat de Verrijzenis betreft, daarmee wordt bedoeld

‘dat de totale liefde van Jezus tot de mensen, die hem tot op het kruis voert, zich voltooit in het totale, alle grenzen overschrijden naar de Vader toe, en daarin sterker wordt dan de dood, omdat het daarin tevens totaal door Hem vastgehouden zijn is.’[67]

Als aanvulling daarop kan hieraan toegevoegd worden, dat Ratzinger met betrekking tot de verrijzenis van het lichaam beweert

 ‘dat het woord ‘lichaam‘ of ‘vlees’ zoveel als ‘mensenwereld’ betekent [in de zin van de Bijbelse uitdrukkingswijze als bijvoorbeeld ‘Alle vlees zal Gods heil aanschouwen’ enzovoorts]; (…) hier is het woord ‘lichaam’ of ‘vlees’ niet bedoeld in de betekenis van een van de ziel geïsoleerde lichamelijkheid.’[68]

Want Ratzinger leert, zoals hij zegt,

‘niet de verrijzenis van de lichamen, maar van de personen, en dat juist niet in de terugkeer van de vleselijke lichamen.’’[69]

III Verdere ideeën over de christologie

  1. A) Opwekking als uitgangspunt

In een later geschrift[70] heeft Ratzinger ‘Stellingen over de christologie’ opgesteld. Hierin gaat hij uitdrukkelijk uit van de ’opwekking’ van Christus. Jammer genoeg deelt hij op deze plaats niet mee wat hij daaronder verstaat. Zijn stellingen zouden alleen maar dan betekenis opleveren, als hij van zijn ‘Verrijzenis’-concept in zijn boek Einführung afgestapt zou zijn.

Ratzingers eerste stelling luidt:

‘Het uitgangspunt van de christologie wordt in het Nieuwe Testament gevormd door het feit van de opwekking van Jezus Christus uit de doden. Dat is het openlijke partij kiezen van God voor hem in het proces dat de Joden en de heidenen tegen hem op touw hadden gezet. Dit partij kiezen door God voor hem bevestigt:

  1. a) zijn uitleg van het Oude Testament tegen het politieke messianisme en de loutere apocalyptiek in;
  2. b) zijn eigen aanspraak op soevereiniteit, reden voor zijn doodvonnis.[71]

Had Christus enkel aanspraak gemaakt op soevereiniteit? Ratzinger legt in elk geval vast:

‘Jezus’ Verrijzenis fundeert zijn blijvende heerschappij.’[72]

Dat werpt de vraag op: kan de heerschappij van de Godmens door de Verrijzenis ‘gefundeerd’ worden? Toch zeker enkel en alleen door Zijn van eeuwigheid af aan bestaande Godheid! Tenzij dat Christus enkel als mens zou moeten worden opgevat en Hij Zijn heerschappij pas door God zou hebben ontvan­gen. Inderdaad doelt Ratzinger hierop, als hij zegt:

‘De formulering “Mijn zoon zijt gij, heden heb ik u verwekt” lijkt allereerst uitleg van de Verrijzenisgebeurtenis: de Verrijzenis is de troonsverheffing van Jezus, zijn openlijk zich uitroepen tot koning en tot zoon. Maar aange­zien de Verrijzenis tevens wezenlijk als bekrachtiging van de soevereiniteitsaanspraak opgevat werd – reden waarom Jezus aan het kruis moest sterven (stelling b) – wordt zienderogen duidelijk, dat de titel van “zoon” principieel ook al voor de Verrijzenis geldt en geldig beschrijft wie Jezus was… Tegelijk krijgen de in de synoptische evangelies overgeleverde aanspraken van Jezus op soevereiniteit daarmee hun omvattende verband met de rest van de evangeliepassage; Jezus’ woorden en daden, waarin hij feitelijk op Gods plaats treedt, worden begrijpelijk.’[73]

Men moet deze tekst nauwkeurig lezen om ze te verstaan! Ratzinger beweert hier, dat de Verrijzenis Jezus’ troonsverheffing zou zijn, Zijn openlijke uitroeping tot Zoon van God! Jezus heeft aldus, in Ratzingers opinie, tot aan Zijn Verrijzenis niet op Gods troon gezeten, God heeft Hem nu pas tot Zijn Zoon benoemd. Met deze uitleg heeft Ratzinger zich aan de kant van Walter Künneth geschaard. Jammer genoeg zet Ratzinger deze voorstelling echter niet zo helder uiteen ais Künneth deed. Tegen Künneth en evenzo Pannenberg in, houdt Ratzinger vol, dat de ‘zoon’-titel ook al voor de Verrijzenis geldt. Met een logica die alles omver gooit wordt ook dat van de Verrijzenis afgeleid. Ratzinger verlaat daartoe het objectieve stand­punt, vanwaaruit hij stelling a) had geformuleerd, en hij stelt zich nu op het subjectieve standpunt van een mening die toentertijd voorhanden was (de Verrijzenis werd opgevat als bekrachtiging van de aanspraak op soevereiniteit). Vandaaruit keert hij onverwachts terug naar het zich verhelderende standpunt van de objectieve waarnemer (het wordt zienderogen duidelijk, dat de ‘zoon’-titel vóór de Verrijzenis geldt). Ofwel fundeert de Verrijzenis het Zoonschap Gods en dan kan van tevoren geen Zoonschap Gods bestaan hebben, ofwel was Christus ware God, en dan is de Verrijzenis alleen maar als bekrachtiging van Zijn aanspraken op soevereiniteit te beschouwen. Als Ratzinger ten slotte beweert, dat Jezus ‘feitelijk op Gods plaats’ is getreden, dan was Hij alleen maar een plaatsvervanger van God, maar niet Zelf ware God van eeuwigheid af aan.

B Met Jezus afdalen en in het ‘God-zijn’ binnentreden

In 1976 publiceerde Ratzinger een boek met als titel Der Gott Jesu Christi.[74]Deze titel wekt in zich al de verdenking van ketterij. Hij werd nadien, zoals menig andere titel van Ratzinger, door Walter Kasper overgenomen. In dit boek gaat Ratzinger uit van het gebed van Jezus en hij stelt het volgende vast:

‘Een Jezus zonder het voortdurend ‘naar-binnen­-verzonken-zijn’ in de Vader, zonder de continue allerinnerlijkste verbinding met de Vader, zou een totaal ander wezen zijn dan de Jezus van de Bijbel, de echte Jezus van de geschiedenis. Hij heeft ge­leefd vanuit het centrum van het gebed en vandaaruit God en de wereld en de mensen begrepen. Met Gods ogen de wereld aanschouwen en zo leven, dat is hem navolgen.’[75]

Jezus heeft aldus door Zijn gebed God doorgrond en dan met Gods ogen de wereld bezien, wat uitsluit, dat Jezus Zelf God was. Toch denkt Ratzinger te mogen zeggen:

‘In Jezus‘ gebed wordt ons het innerlijk van God Zelf zichtbaar, hoe God Zelf is. Het geloof aan de Drie-ene God is niets anders dan uitleg van wat gebeurt in Jezus‘ gebed. Daarin licht de Drie-eenheid op.’[76]

 Dit probeert hij, vervolgens, aan te tonen aan de hand van het voorbeeld van de geloofsbelijdenis Descendit de coelis, Hij is vanuit de hemel nedergedaald. Maar hoe kan Jezus vanuit de hemel nederdalen, als Hij enkel mens was? Wat wordt volgens Ratzinger met deze geloofszin bedoeld?

Alvorens zijn verklaring aan te reiken, geeft Ratzinger eerst enige bezwaren, die tegen deze zin zouden kunnen worden ingebracht. Zo betoogt hij:

‘Wordt hier niet het drie-verdiepingen-wereldbeeld aangenomen, dat tot de mythe behoort? Wordt hier niet verondersteld, dat God boven woont, op de wolken, en de mensen daarentegen onder, en dat de aarde de bodem van de schepping is, waarop God moet nederdalen?’[77]

Hierop antwoordt Ratzinger:

‘Weliswaar bestaat er niet een aardrijkskundige afdaling uit een bovenverdieping van de wereld naar een lager gelegen etage, maar er is iets veel diepzinnigers, dat door het kosmische beeld gesymboliseerd moet worden: de beweging van Gods wezen naar het wezen van de mens toe en meer: de beweging uit Gods heerlijkheid naar het kruis, de beweging naar de laatste toe, die nu net daardoor eerste worden.’[78]

 Het betreft aldus enkel een beweging van boven naar beneden.

0m deze beweging te verduidelijken, verwijst Ratzinger naar het voorbeeld van de dieren en de Mensenzoon in Daniël 7. Zijn uitleg is de volgende:

‘De machten die tot nu toe over de aarde geheerst hebben, zijn dieren, die van beneden afkomstig zijn, uit de zee, die het symbool is van het enge. Tegenover hen staat de mens – staat Israël, de mens komt van boven, uit Gods ruimte… Daniëls beeld van de Mensenzoon, waarin het onderdrukte Israël zijn hoop op een einde van de godslasterlijke macht van het hellenistische diadochenrijk uitdrukt, – ze worden getypeerd ais dieren uit de diepte -, is geworden tot een van de meest fundamen­tele voorwaarden voor de geloofsbelijdenis van Gods afdaling in de Mensenzoon Jezus Christus. Het behoort tot de betekenisgevende achtergrond van deze zin uit ons Credo. Van hieruit bedoelt het dit: tegenover dat wat van beneden komt, de dierachtige macht, wiens opschepperige ruwheid de wereld verwoest, is hij de mens, die van boven komt.’[79]

 Zo blijkt voor Ratzinger:

‘Jezus, Gods zoon, is als mens onder de dieren getreden. In de zwakheid van de mens richt hij Gods soevereiniteit op. Juist door het teken van de zwakheid, dat zich tegenover de ruwheid stelt, beli­chaamt hij Gods soevereiniteit. Hij treedt onder de dieren zonder zelf een dier te worden, zonder hun handelwijzen over te nemen. En hij wordt opgevreten. Maar juist zo overwint hij ze. Juist de aangenomen nederlaag is de overwinning van de anderen: er bestaat niet alleen het dierachtige. Er bestaat de liefde tot het einde toe. (Joh. 13,1). Daarin is de mens hersteld. Hij gaat onder de dieren in mensengedaante.‘[80]

 Dit beeld van een Jezus, die onder de dieren verblijft en door hen opgevreten wordt, en die door het opgevreten-worden hen overwint, valt in kolderiekheid amper te overtreffen! En dat zou dan een aanschouwelijke verklaring voor het afdalen van de Zoon van God uit de hemel moeten zijn. Ongehoord voor een theoloog!

Ratzinger vindt, echter, nog een tweede begin van inzicht, waarbij hij de afdaling uit de hemel als een ‘geestelijke gebeurtenis’ uitlegt. Daarvoor verwijst hij naar een psalmvers:

‘Daarom spreekt hij (Christus) bij zijn intrede in de wereld: “Slacht-en spijs­offers wilt Gij niet, maar Gij hebt mij de oren geopend. Brand- en zoenoffers eist Gij niet, daarom zeg ik: “Zie, ik kom – in de boekrol staat het van mij geschreven – Uw wil, God, te volbrengen” (psalm 40 (39), 7-9). Met behulp van een psalmwoord, dat als Jezus’ intredegebed in de wereld wordt uitgelegd, biedt de brief hier een regelrechte theologie van de incarnatie, waarin van kosmische etages niets te vinden is; het afdalen uit de hemel, het binnentreden in de wereld, wordt veeleer opgevat als een gebedsgebeurtenis; gebed wordt daarbij echter opgevat ais werkelijke gebeurtenis, als beslag leggen op het hele bestaan, dat in het gebed in beweging geraakt en zichzelf wegschenkt.’[81]

 Daaruit wordt voor Ratzinger de

‘incarnatie als binnen-trinitaire, als geestelijke gebeurtenis kenbaar… In plaats van de oren, het gehoor, is het lichaam getreden – een lichaam hebt U mij bereid. Met “lichaam” is daarbij het mens-zijn zelf bedoeld, het mede­zijn met de natura humana. De gehoorzaamheid wordt geïncarneerd. Die is in haar hoogste vervulling niet meer louter horen, maar vleeswording… Theologie van het Woord wordt hier tot Theologie van de Incarnatie. De overgave van de zoon aan de Vader treedt uit het gesprek binnen God naar buiten, en wordt aanneming en zo overgave van de in de mens samengevatte schepping. Dit lichaam, of preciezer: Jezus’ mens-zijn is resultaat van de gehoorzaamheid, vrucht van de antwoordende liefde van de zoon; hij is als het ware concreet geworden gebed. Jezus’ mens-zijn is in deze zin al een geheel geestelijk feit, “goddelijk” van zijn afkomst.’[82]

 Voor Ratzinger wordt daardoor

‘zichtbaar, dat de vernedering van de menswording, ja, de afdaling van het kruis, in een diepe innerlijke overeenkomst met het geheim van de zoon zelf bestaan: de zoon is naar zijn wezen de vrijgave en teruggave van zijn zelf — dat maakt het zoonzijn uit. “Zoon” in “schepping” vertaald, dat wil zeggen: “gehoorzaam geworden tot de dood aan het kuis” (Filippenzen 2,8).’‘[83]

 Christus’ afdaling vanuit de hemel bestaat dus, volgens Ratzinger, in Christus’ gebed, dat in zijn gehoorzaamheid voert tot de incarnatie, tot de vleeswording. Men grijpt zich naar het hoofd hoe het mogelijk is, dat een professor in de katholieke dogmatiek de gebeurtenissen van Maria Boodschap en Kerstmis op zo’n verwarde en vergezochte manier kan verklaren! En dat enkel om niet te moeten instemmen met de heldere geloofsuitspraken! Kan men, als men zo’n ‘uitleg’ aanneemt, nog wel geloven in de gebeurtenissen, waarvan de Geloofsbelijdenis getuigt? Daar zal eerder alles verdwijnen in de nevel van de vrijblijvendheid en troebelheid!

Uit het hele bouwwerk van interpretaties over de afdaling ­vanuit de hemel en de menswording trekt Ratzinger voor ons een conclusie:

‘Wij worden God, niet doordat wij onszelf onafhankelijk opstellen, niet doordat wij de onbeperkte auto­nomie van de totale emancipatie uitproberen. Zulke pogingen lijden schipbreuk aan hun innerlijke tegenspraak, hun laatste onwaarheid. Wij worden God in de deelname aan het gebaar van de zoon. Wij worden God, doordat wij “kind,”, “zoon” worden; dat wil zeggen, wij worden God in het binnentreden in Jezus‘ gesprek met de Vader en in het binnen­treden van dit gesprek van ons met de Vader in het vlees van ons dagelijks leven: “een lichaam hebt Gij mij bereid…”

Ons heil is het om “lichaam van Christus” te worden, zo als Christus zelf: in het dagelijks aanbieden van ons zelf van hem uit, in het dagelijks teruggeven, in het dagelijks aanbieden van ons lichaam als woonplaats van het Woord. Wij worden het, doordat wij hem navolgen, afdalend en opstijgend. Van dit alles spreekt het onopgesmukte woord “descendit de caelis”. Het spreekt van Christus, en het spreekt juist daarin van ons.‘[84]

In Ratzingers visie dalen wij aldus net als Jezus vanuit de hemel af, doordat wij onszelf vanuit Christus aannemen en wij stijgen tevens daardoor op naar de hemel en worden God…

C De mens behoort God te worden

Maar wordt de mens werkelijk God? Als de mens Jezus door zijn gehoorzaamheid God geworden is, dan bestaat er inderdaad een mogelijkheid, dat ook andere mensen door hem na te volgen God worden. Als resultaat daarvan zou er dan in de hemel weliswaar veelgodendom zijn. Dat lijkt Ratzinger niet te storen, want hij oordeelt: ‘De mens wil God worden en dat moet Hij ook.‘[85] Maar had Satan niet geprobeerd zich op Gods plaats te stellen, en was hem niet een Aartsengel met de strijdkreet: “Wie is als God – Michaël”tegemoet getreden?[86] Blijft het dus niet altijd zo, dat er slechts één God bestaat? Zeker, degenen tot wie het Woord Gods gericht werd, zijn eveneens goden[87], maar toch alleen maar als ‘kinderen van de ene God’.

Maar ook vol­gens Ratzinger worden niet alle mensen God, want aan de boven geciteerde zin voegt hij toe: waar de mens het Godworden

‘echter, zoals in het eeuwige gesprek met de paradijsslang, daardoor zoekt te bereiken, dat hij zich van God en van zijn schepping losmaakt, zich op en in zichzelf stelt, waar hij helemaal volwassen, helemaal geëmancipeerd wordt en het kindzijn als bestaanswijze volledig terzijde werpt, eindigt hij in het niets, omdat hij tegen zijn waarheid opstaat… Alleen als hij de binnenste kern van het kindzijn bewaart, het door Jezus voorgeleefde bestaan van de zoon, treedt hij samen met de zoon binnen in het Godzijn.‘[88]

 0m God te worden, mag men dus niet zich van God emanciperen (bevrijden). Blijkbaar hanteert Ratzinger nu uiteenlopende Godsbegrippen. Bestaat er voor hem een Godzijn samen met de Zoon in God? Dan zou het Godzijn geen werkelijk Godzijn betekenen, en de Zoon zou ook niet werkelijk God zijn, en daar gaat Ratzinger inderdaad van uit. Op die manier heeft Ratzinger het ‘in God zijn’ niet duidelijk gescheiden van het ‘Godzijn’.

Een gebrek aan duidelijkheid in de gebruikte termen op dit niveau heeft voor het geloof noodzakelijkerwijze een catastrofale uitwerking!

 D Chalcedon heeft enkel het bidden van Jezus geïnterpreteerd

In zijn boek Schauen auf den Durchbohrten[89] heeft Ratzinger een veelvoud van de stellingen die al hiervoor behandeld werden, opnieuw opgerakeld. Op één punt kon hij echter aanvullende helderheid scheppen, namelijk met het oog op het Concilie van Chalcedon, dat leerde dat onze Heer Jezus Christus ‘gelijk in wezen met de Vader in de Godheid en ook gelijk in wezen met ons in zijn mens-zijn is en dat hij voor alle tijden in zijn Godheid uit de Vader verwekt’ werd[90].

Ratzinger heeft deze voor het wezen van het christendom­ fundamentele leerbepaling opgepakt en op zijn manier uitgelegd. Zo zegt hij (‘5e these’):

‘De kern van het in de Oud-Kerkelijke Concilies gedefinieerde dogma bestaat in de verklaring, dat “Jezus werkelijk Zoon van God is, gelijk in wezen met de Vader en door de mens­wording evenzo gelijk in wezen met ons.” Deze leerbepaling is uiteindelijk niets anders dan een uitleg van Jezus’ leven en sterven, dat voortdurend bepaald was door het gesprek van de zoon met de Vader. Daarom kan men dogmatische en Bijbelse christologie niet van elkaar schei­den of tegenover elkaar stellen, net zo min als dat christologie en soteriologie[91] zich van elkaar laten scheiden. Evenzo vormen “christologie van boven” en “christologie van beneden,” alsook incarnatietheologie en kruistheologie een onverbrekelijke eenheid. (. . .) Het grondwoord van het dogma “Zoon gelijk in wezen,” waarin het hele getuigenis van de oude Concilies zich laat samenvatten, brengt eenvoudigweg het feit van Jezus’ bidden in overdrachtelijke zin over, en wel in filosofisch-theologische vaktaal, en niets anders‘.[92]

Het gaat dus alleen maar over Jezus’ bidden. Hoe dat moet worden opgevat, heeft Chalcedon uitgelegd, niets anders! Maar als de leer van Jezus’ wezensgelijkheid met de Vader enkel moet blijken uit Jezus’ bidden, dan heeft de Kerk vóór Ratzinger blijkbaar gedwaald. Want Jezus’ bidden kan wezensgelijkheid in Godzijn van Vader en Zoon niet als resultaat hebben. Dan moet iets geheel anders bedoeld zijn. De Goddelijkheid van Jezus Christus van eeuwigheid af aan als zijnde Gods Woord is, echter, het gronddogma van het christendom, dat voortvloeit uit Christus’ leer, Zijn handelen (dus ook zijn wonderen) en uit Zijn leven, sterven en Verrijzenis. Dat alles denkt Ratzinger met één handbeweging aan de kant te kunnen vegen. Voor hem is enkel Jezus’ bidden van belang voor deze kwestie, en niets anders.

Opmerkenswaard is, dat Ratzinger zich in dit boek niet alleen maar op Karl Rahner beroept, maar eveneens op Walter Kasper, wiens werk Jesus der Christusdoor Ratzinger omschreven wordt als fundamenteel[93]Hij vermeldt tevens Der Gott Jesu Christi van Karl Lehmann en Grundzüge der Christologie van Wolfhart Pannenberg. Zo wordt ook van hieruit het verband belicht, waarin Ratzingers denken staat.

Hoe ver Ratzingers vervalsing van de betekenis van de christelijke leer­ gaat, kan men ten slotte daaruit afleiden, hoe hij de term wezensgelijk (homo-ousiosofwel consubstantialis) aan zijn lezerspubliek naderbij brengt. Ratzinger beantwoordt de door hem zelf gestelde vraag

‘wat betekent “wezensgelijk” werkelijk? Het antwoord luidt: dit woord is, wat zijn zakelijke bedoeling betreft, niets anders dan een vertaling van het woord ”zoon” in de taal van de filosofie.’[94]

Zou ook maar één eerste-semester-filosofiestudent zulke nonsens van Ratzinger geloven? Ratzingers door niets gemotiveerde antwoord dient in elk geval daartoe, diegenen op een dwaal­spoor te brengen, die de werkelijke betekenis van ‘wezensgelijk’ niet kennenGelijk in wezen, van dezelfde natuur zijn kan immers met het oog op God de Vader alleen maar betekenen dan God zijn zoals de Vader. Ook de Heilige Geest is gelijk in wezen met God de Vader, zonder als gevolg daarvan Zoon te zijn.

E De impact van Ratzinger op de leer van de Congregatie voor de Geloofsleer

Ratzingers Ariaanse en modalistische denkbeelden moesten zich onvermijdelijk ook in de praktijk van de ‘Congregatie voor de geloofsleer’ uitwerken, waarvan hij (tot aan zijn Pauskroning in 2005, noot van de vertaler) de prefect is (geweest). Als voorbeeld daarvan moet de brief van de Congregatie over enige aspecten van de meditatie[95] erbij gehaald worden.

Dit schrijven bevat een reeks merkwaardigheden. Zo staat erin:

‘Op grond van Christus’ woorden en daden, lijden en Verrijzenis, herkent het geloof in het Nieuwe Testament in Hem de definitieve Zelf­openbaring van God, het mensgeworden Woord, dat de innerlijkste diepten van zijn liefde onthult.’[96]

Op die manier geschiedt in Jezus Gods Zelfopenbaring volkomen modalistisch gedacht. Van Jezus’ Goddelijkheid van eeuwigheid af aan is er geen sprake! Maar misschien wordt met de uitdrukking mensgeworden Woord Jezus’ Goddelijkheid bedoeld? Een kort daarop­volgende zin geeft het antwoord:

‘Het hele Johannes-evangelie put uit de beschouwing van degene die van begin af aan het vleesgeworden goddelijke Woord is.’[97]

Als Jezus van begin af aan het vleesgeworden goddelijke Woord is, dan kan dat alleen betrekking hebben op Zijn aanvang als mens. Want volgens de christelijke leer is het goddelijk Woord niet van begin af aan vlees geworden, maar pas onder de Romeinse Keizer Augustus! Dus wordt ook hier niet toegegeven, dat Jezus God van eeuwigheid is.

Een andere merk­waardigheid is de beschrijving van de ‘trinitaire beweging binnen God.’[98] In deze beweging zou het gebed zich in moeten voegen. Waarin bestaat nu die beweging? Ze heeft een dubbele richting:

‘In de Heilige Geest komt de Zoon in de wereld om deze met de Vader te verzoenen door zijn lijden en dood; anderzijds keert in deze beweging en in dezelfde Geest de mensgeworden Zoon terug naar de Vader, doordat hij in zijn lijden en opstanding de wil van de Vader vervult.’[99]

Het gaat hier juist niet om de beweging binnenin de Triniteit. Hier is de trinitaire beweging dus de beweging ­naar buiten van de verlossing door Jezus. Maar die verlossing is toch al lang vervuld!? Bestaat er dan soms sinds de verlossing geen trinitaire beweging meer? Op dit punt komt Ratzingers Triniteitsbegrip duidelijk tot uitdrukking, dat enkel de functionele betrekking tot God van de mens Jezus, vooral in het gebed, ziet. Deze betrekking wordt tot trinitaire beweging binnenin God verklaard.

Van hier uit kunnen ook de volgende zinnen begrepen worden:

‘Jezus leeft in geen innigere en nauwere vereniging met de Vader dan deze, die zich voor hem blijvend in diep gebed voltrekt. De wil van de Vader zendt hem naar de mensen, naar de zondaars, ja, naar zijn moordenaars, en hij kan, gehoorzaam aan deze wil, met de Vader niet nauwer ver­bonden zijn. ‘[100]

Voor de christen vertolkt deze bewering van Ratzinger, dan wel van de Congregatie voor de Geloofsleer, een ongehoorde veronderstelling. Zou Jezus dan in geen nauwere vereni­ging met de Vader leven dan in het gebed? Zou de Zoon dan in geen nauwere verbinding met God staan dan in de gehoorzaamheid? Zou de Zoon dan niet in de eenheid van de Heilige Geest leven met de Vader? En is Jezus dan niet met de Vader allernauwst verbonden in de gemeenschappelijke Wezenheid? Dat alles is blijkbaar ontsnapt aan de aandacht van de Congregatie voor de Geloofsleer! En hoezo leeft Jezus in voortdurend gebed tot de Vader? Bidt hij dan ook na Zijn Hemel­vaart nog tot de Vader, tegenover Wie Hij toch van Aangezicht tot Aangezicht staat, Die in Hem is en in Wie Hij is?

Juist dat geeft de Congregatie voor de Geloofsleer, en met haar Ratzinger, niet toe! Het inelkaarzijn (de perichorese[101]) van de goddelijke Personen wordt enkel modalistisch opgevat. Uitgaand van Jezus’ woord Wie Mij ziet, ziet de Vader (Joh. 14,9), staat er in de tekst te lezen:

‘Bij dit “zien” gaat het niet om een louter menselijke abstractie van de gedaante waarin God Zich geopenbaard heeft, maar om het bevatten van de goddelijke werkelijkheid in Jezus’ menselijke gedaante, om het bevatten van Zijn goddelijke en eeuwige dimensie in Zijn tijdgebonden gedaante’[102]

Ook hier bespeurt men alweer Ratzingers handschrift. God de Vader is niet werkelijk in Jezus, maar verschijnt slechts in hem.

IV Samenvatting

Na al het voorgaande is duidelijk geworden, dat de [103] prefect van de Congregatie van de Geloofsleer, Kardinaal Ratzinger, de christelijke Geloofsbelijdenis op zijn beslissende punt niet aanneemt. Voor hem geldt niet de leerverklaring van het Concilie van Chalcedon, dat Christus van eeuwigheid af aan uit God de Vader werd voortgebracht en dus van dezelfde Wezenheid als de Vader is. Voor Ratzin­ger is Jezus een mens, die op voorbeeldige manier de wil van de Vader vervulde en zo het Godzijn openbaarde. Daarin werd hij zelf vergoddelijkt werd. Jezus’ ‘voortbrenging’ vond plaats aan het kruis (of bij de Verrijzenis ) en betekent dat Hij uitverkozen is op grond van zijn gebleken geschiktheid. Deze bestaat daarin, dat hij niet aan zichzelf vasthield, maar zich totaal gaf, en zo louter relatie is, waardoor hij met het Absolute samenvalt en zo tot de Heer werd. De Verrijzenis betekent uiteindelijk Jezus’ troonsverheffing door God de Vader, zijn uitroeping tot de Zoon van God. Bij al deze opvattingen houdt Ratzinger qua uiterlijk vast aan het katholieke dogma. Maar hij geeft de betekenis ervan zonder enige belemmering een andere interpretatie, en dan is hij niet eens onder de indruk van de tegenstrijdigheden en vaagheden die daarvan het gevolg zijn.

Al met al moet men Ratzinger rekenen tot de nieuwe Arianen. Tevens is hij een modalist, die Jezus Christus ziet als de manier waarop God verschijnt. Die positie is nodig, opdat Ratzinger uiterlijk het dogma kan behouden. Maar beslissend is, dat hij als Ariaan de werkelijke Godheid van eeuwigheid af aan van Jezus Christus niet toegeeft. Daarmee heeft hij zich losgemaakt van de fundamentele christelijke leer, ja, van het Christendom zelf. Hij kan als een afvallige beschouwd worden, die met zijn leer een generatie van studenten aan vele universiteiten verleid heeft. Maar het opmerkelijkste is, dat zijn afval van het geloof hem niet heeft gehinderd om prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer te worden.[104] Dus over het katholieke geloof moet iemand die totaal van het geloof afgevallen is, waken. Zo’n vaststelling mag echter geen verbazing wekken, want de geloofsafval hoort tot het nieuwe Rome. Dat kon aan deze belangrijkste figuur na Johannes-Paulus II opnieuw vastgesteld worden.

In zijn Ariaanse opvattingen staat Ratzinger in nauwe gemeenschap[105] met de tot nu toe[106] behandelde Arianen, maar in het bijzonder met Rahner, Pannenberg, Lehmann en Kasper. Alleen zo kan verklaard worden dat de Katholische Erwachsenenkatechismus een veeltal dwaalleren, inclusief Ariaanse opvattingen, over onze Heer en Heiland Jezus Christus kon verbreiden, ondanks de Romeinse controle.[107] Hier hebben duidelijk Ariaans denkende theologen samengewerkt. Ratzinger noemde de hoofdauteur van de catechismus, Kasper, zoals bekend bij zijn benoeming tot bisschop, ‘een van de leidende theologen van de katholieke kerk.’ Verder zei hij: ‘De theologische competentie en de pastorale visie van Kasper zijn voor de katholieke kerk van Duitsland een kostbare gave.’[108] Het valt te verwachten, dat het korps van de Ariaanse theologen ook in de toekomst de gebeurtenissen in de Rooms-Oecumenische kerk zullen beheersen. Vooral in het bijzonder zullen ze zich onderling indekken tegen kritiek van buiten.

Met betrekking tot de door Ratzinger en de andere Arianen vertegenwoordigde leren is belangrijk het woord van de Apostel onder de heidenen Paulus aan Timotheus:

‘De Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden enigen van het geloof zullen afvallen en gehoor zullen geven aan misleidende geesten en van de duivel afkomstige leren.’[109]

Bij de nieuwe Arianen gaat het echter niet om zo maar een dwaalleer, maar om de hoeksteen van de christelijke leer, die verworpen werd. Het gaat om de Goddelijkheid van Jezus Christus. Daarom geldt hier het woord van de Tweede Brief van Johannes:

‘Er zijn veel dwaalleraren de wereld in gegaan, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees verschenen is. Zo iemand is de verleider en de antichrist. Zie toe, dat u niet verliest wat u al bereikt hebt, maar dat u het volle loon ontvangt.’[110]

******************************

Excurs[111] 1 (bij noot 29): Het modalisme

1 Tegenover de adoptianistische en subordinatiaanse ditheïstische stromingen in de zich in haar allereerste stadium van theologische ontwikkeling bevindende Triniteitsleer van de 2e eeuw, trachtte het modalisme zowel de eenheid van God (monarchianisme) alsook de absolute godheid van Christus te handhaven door diens eigenpersoonlijkheid te ontkennen en Hem te beschouwen als een andere naam, een andere beschouwingswijze van één en dezelfde Persoon, de Vader. In Zijn mensgeworden gestalte heet deze: Zoon, maar het is de Vader, die als Christus in Hem geleden heeft (patripassianisme).

In deze nog eenvoudige vorm werd het modalisme tegen het einde van de 5eeeuw door Praxeas, Noëtus, Sabellius en anderen vooral in Rome, Afrika en Klein-Azië verspreid. Sabellius werd te Rome veroordeeld door Paus Callistus. Pra­xeas en Noëtus werden in het Westen energiek bestreden door Tertullianus, respectievelijk Hippolytus. Het modalisme stierf er spoedig uit. Anders was het in het Oosten, waar het in de 2e helft van de 3e eeuw en de 1e helft van de 4eeeuw een zekere betekenis kreeg, en de Ariaanse strijd en de tri­nitarische terminologie gedeeltelijk mee beheerste.

In aansluiting aan de algehele trinitarische leerontwikkeling van de R.-K. Kerk, waarbij de theologische aandacht in deze periode in toene­mende mate ook mede uitging naar de Tweede Persoon van de Drie-eenheid, zien we het latere moda­lisme zich ook uitstrekken over de Persoon van de Heilige Geest. Tevens had het zich toen in zover ontwikkeld, dat de drie goddelijke Personen door het modalisme beschouwd werden als in de tijdelijke orde achtereenvolgende modaliteiten van God: als Schepper heet hij Woord, als Wetgever van het Oude Testament Vader, als Verlosser Zoon, als Heiligmaker Heilige Geest. Het is als het ware telkens met een ander masker voor, dat Hij optreedt op het toneel van de heilsgeschiedenis.

In deze latere vorm werd en wordt het modalisme, hoewel eigenlijk deels ten onrechte, gewoonlijk sabellianisme genoemd.[112]

2 Antitrinitarische ketterijen ontstonden in de Oude Kerk bij de poging om het monotheïsme in overeenstemming te brengen met de Persoon van Christus en later met de Persoon van de Heilige Geest. Deze dwaalleraren maakten een fout ofwel tegen de Drieheid der Personen, omdat zij maar één Persoon aannamen (monarchianen), ofwel erkenden zij de Drieheid der Personen, maar loochenden hun volmaakte gelijkheid (sub­ordinatianen). De R.-K. Kerk bestreed en verwierp beide richtingen. Heden zijn er veel moderne anti-trinitariërs in het nieuw-protestantisme (en, helaas, ook binnen de R.-K. Kerk!). Men verdedigt daar meestal een ‘Openbaringstriniteit’, dat wil zeggen: de één-persoonlijke God heeft Zich in Jezus en in de Heilige Geest verschillend geopenbaard, vergelijk Bernhard Bartmann.[113]

Excurs 2: Over de wortels van Ratzingers Arianisme en antitrinitarisme

1 Uitgaand van het Aristotelisch eenheidsprincipe verwerpt de Alexandrijnse priester Arius (+AD336) een goddelijk Wezen dat in zijn eenheid in meer Personen werkzaam zou zijn. Hij verbindt de eenheid en Gods Wezen zozeer met het ‘niet geworden zijn’ en Gods onveranderlijkheid, dat men zich de Zoon enkel als schepsel kan voorstellen.

De naar hem genoemde ketterij van het Arianisme is pas in 320 op een Concilie te Alexandrië veroordeeld, en daarna in 325 op het Algemeen Concilie van Nicea, dat heeft vastgelegd, dat Christus waarlijk God en waar­lijk mens is en één in wezen (homo-ousios) met de Vader.

Inzake de christologie leert Arius, dat Gods Woord/Zoon een door God geschapen tussenwezen zou zijn, voor de tijd geschapen, maar niet van alle eeuwigheid, niet geboren uit Gods eigen Zelfstandigheid, doch veeleer zoals alle andere schepselen geschapen uit het niets. Een tussenwezen, door welk God na Hem in de tijd alle overige dingen geschapen zou hebben. Als perfect schepsel zou men het Woord, naar Arius meent, in oneigenlijke zin God kunnen noemen.

Van nature zou het Woord ook niet onzondigbaar zijn, al zou zijn zedelijke rechtgeaardheid Hem feitelijk behoed hebben voor iedere afwending van God. In de mensgeworden Christus laat Arius dit Woord de plaats inne­men van de geestelijke ziel der mens.[114]

2 Het Arianisme is de 4e-eeuwse dwaling, die Christus’ volledige Godheid ontkent, zo genoemd naar de bedenker ervan, de Libische priester Arius. Het leidde tot een zodanige polemiek binnen de Kerk, dat keizer Constantijn het besluit nam om een algemeen Concilie in Nicea bijeen te roepen. Anus’ leerstelling werd verworpen en Arius werd verbannen naar Illyricum.

Minder dan twee jaar later presenteerde hij een nieuwe formulering aan keizer Constantijn, die aanvaard werd, maar Arius stierf kort voor zijn rehabilitatie als priester in Alexandrië. De schade was niettemin aangericht en bracht verwoesting in de Kerk teweeg. Kardinaal Newman gaf een schitterende beschrijving van de logische gevolgen van de Ariaanse crisis:

‘Het lichaam der bisschoppen bleef in gebreke in hun geloofsbelijdenis. (…) Ze spraken op verschillende manier, de ene tegen de andere; na Nicea bleef er gedurende bijna 60 jaren niets meer over van standvastigheid, onverander­lijkheid, samenhangende getuigenis. Er waren onbetrouwbare Concilies en gelovige bis­schoppen; en was zwakheid, schrik voor gevolgen, misleiding, valse voorspiegeling, waanvoorstelling, eindeloos, hopeloos, zich uitstrekkend tot bijna elke hoek van de R.-K. Kerk. De betrekkelijk kleine minderheid die gelovig bleef werd in een kwaad daglicht gesteld en in ballingschap gedreven; de rest was hetzij bedrieger hetzij bedro­gene geworden.[115]

3 De socinianen leren: de Heilige Schrift is de enige geloofsbron; ze bezit goddelijk gezag, maar is niet in alles onfeilbaar; ze is waar, in zover ze met het verstand overeenkomt. Het leven gaat boven de leer.

Alleen werkelijk God is de Vader van Jezus Christus, die slechts een heilig en hoogverheven schepsel is. Christus is niet de Verlosser, die genoegdoening gegeven heeft voor de zonden, maar de leraar der mensen.

Voorts ontkennen de socinianen de erfzonde, de predestinatie, de noodzaak van de genade, de eeuwige hellestraffen; de verdoemden worden vernie­tigd, en de Sacramenten zijn slechts ceremoniën.[116]

4 Onder het antitrinitarisme verstaan we de dwaling die de leer van de Drie-eenheid van God ver­werpt. Als zodanig is ze zo oud als de Triniteitsleer zelf. Al in het jaar 180 moest paus Victor I Theodotus van Byzantium excommuniceren. Maar in de tijd der hervormers wist het antitrinitarisme zich met behulp van de reformatorische ideeën een nieuwe gestalte te geven. We kunnen niet zeggen dat het antitrinitarisme, vooral dat van de sterke sociniaanse sekte, zo’n grote invloed gehad zou hebben, als het alleen maar kon steunen op David Jonis en Michael Servet. Wel heel duidelijk werd hun antitrinitarisme opgebouwd op een verkeerd begrip van de christologie, door Luther in beginsel gekweekt. Trouwens, de socinianen ondergingen van een David Jonis, een Hans Denk, een Hetzen en anderen niet de meeste invloed. Ook Servets antitrinitarisme was van een heel ander karakter.

We kunnen niet zeggen, dat Luther de Godheid van Jezus Christus loo­chende, maar het valt niet te ontkennen dat hij op Jezus’ mensheid meer nadruk legde dan redelijkerwijs in overeenstemming is met de christologie van de Heilige Schrift. Dit blijkt duidelijk uit zijn geschrift Dasz Christus ein geborner Jude sei[117], waarin Luther – om voor de joden de overgang tot het christendom te vergemakkelijken – ­als zijn wens te verstaan gaf dat men Jezus niet direct als Godmens mag voorstellen, maar veeleer als een mens, gelijk aan anderen, door God gezonden om de mensen wel te doen. Pas later, als men met het ’bekeringswerk’ wat opschoot, zou men Christus’ Godheid ter sprake mogen brengen. Luther had zijn christologie gesubjectiveerd. Christus was voor hem vooral een Heiland en Vertrooster voor zijn bange ziel. Christus’ objectieve wezen interesseerde hem hoegenaamd niet.

De socinianen gingen een stap verder, en loochenden Christus’ Godheid en – hiermee in verwijderd verband staand – ook de verrijzenis van het vlees. (…) De socinianen hechtten weinig waarde aan het Oude Testament, en van het Nieuwe Testament geloofden ze wel dat het geïnspireerd was, maar dat de auteurs ervan konden gedwaald hebben in wat niet de zaligheidsleer betrof. Voor de goddelijkheid van de Heilige Schrift beriepen zij zich niet, zoals de hervormers, op het getuige­nis van de Heilige Geest, maar wel op haar echtheid, ongeschondenheid, en geloofwaardigheid.

Het ‘beeld Gods’ bestond in de heerschappij over al het geschapene. Gods voorzienigheid be­neemt de mens niet de vrijheid van wil, noch het vermogen om te kiezen tussen goed en kwaad. Door de erfsmet is de mens zo bedorven geraakt, dat hij alleen met Gods hulp de zonde kan beteugelen. Verworpen moet worden de verrijzenis van het vlees in letterlijke zin. De leer van de Heilige Drie-eenheid is in strijd met de Heilige Schrift.

De socinianen hadden veel aanhangers onder de adel. Vele gemeenten werden gesticht, scholen gebouwd, predikanten opgeleid aan een theolo­gisch en filosofisch leerinstituut. Na maatregelen, genomen door de Poolse senaat, moesten de socinianen uitwijken en vonden een onderkomen in de Nederlanden en Pruisen. In Neder­land werd het socinianisme door een edict van 1653 verboden, en later verenigden ze zich met de remonstranten, rekkelijke dopersen of collegianten. In Zevenburgen, Engeland en Noord-Amerika leven ze onder de naam van unitaniërs nog steeds voort.[118]

Socinianen, ook wel unitariërs genoemd (behalve in Polen), zijn volgelingen van Lelio en Faustus Socinus. Zij staan vooral bekend om hun antitrinitarische dwalingen. Lelio Socinus moet beschouwd worden als de auctor intellectualisvan deze beweging. Geboren te Siena in 1535, onderging hij de rationalistisch-pelagiaanse stroming van het humanisme in Italië. Hij heeft Bullinger, Calvijn en Melanchton ontmoet en verbleef lange tijd in Polen, waar zijn rationalistische opvatting in de kringen van de adel invloed had. Hij stierf in 1562 te Zürich. Zijn neef Faustus, geboren te Siena in 1539, bestudeerde zijn werken en gaf enkele studies uit, door de geest van Lelio geïnspireerd. Ook hij leidde een zwervend leven, verbleef aan het hof van de Medici te Florence, woonde een tijd in Bazel, en vertrok in 1579, na een kort verblijf in Zevenburgen, naar Polen, waar hij de sociniaanse beweging haar organisatie gaf. Hij stierf in 1604, na jaren van vervolging, in zijn schuilplaats, het dorpje Luciawice bij Krakau.

Polen werd het bolwerk van het socinianisme. In 1605 verscheen de Rakowse Catechismus, die spoedig in het Duits en in het Latijn werd vertaald. Te Rakow werd een academie opgericht, het Gymnasium Bonarum Artium, waar filosofie en theologie werden gedoceerd en aanstaande predikanten werden opgeleid. Bekende theologen zijn onder andere J. Völkel, H. Moskorowski en J. Crell.

Toen het leven in Polen hun vrijwel onmogelijk gemaakt werd, weken velen uit naar Silezië, de Nederlanden en Pruisen. In Nederland deden ze veel van zich spreken in de tijd van het deïsme, maar ze verdwenen ten slotte als aparte groep door hun aansluiting bij de remon­stranten en nog meer bij de doopsgezinden en de collegianten.

Van Nederland werd de beweging naar Engeland overgebracht, waar zij bekwame leiders had in de personen van Lindsey (+1808) te London en Priestly (+1804) te Birmingham. Priestly bracht het unitarisme over naar Noord-Amerika. Onder invloed van de ideeën van Kant en Fichte gaf Channing aan het unitarisme een nog radicalere vorm, zodat het daar feitelijk is geworden tot een ethisch-­natuurrechtelijke beweging.

De American Unitarian Association telt (in 1958!) circa 300 gemeenten, 70.000 leden en heeft haar hoofdzetel te Boston. Aan de Harvard-universiteit is een theologische faculteit van de socinianen verbonden; in Meadville (Pens.) bestaat de Mead­ville Theological School en in Berkeley de Unitarian Theological School’. Het Amerikaanse unitarisme heeft een invloed uitgeoefend op het Engelse, dat zijn hoofdzetel te London heeft en een leerstoel te Oxford. Het aantal unitariërs is hier ook circa 70.000 (in 1958!). Kleine groepen leven in India, Japan en Nieuw-Zeeland.

De sociniaanse leer

– Men ontkent de Drievuldigheid van Personen in God.

– Men aanvaardt slechts één Persoon: de almachtige Vader.

– De Heilige Drie-eenheid is volgens de Heilige Schrift niet te verdedigen.

– Christus zou geen goddelijke natuur hebben be­zeten.

– Zijn lijden is niet plaatsvervangend en verzoenend geweest.

– Christus leefde, na Zijn geboorte uit Maria, heilig en zonder zonde en Hij gaf ons een voor­beeld van volkomen gehoorzaamheid.

– Als loon ontving Hij daarvoor het eeuwige leven.

– Voor ons is niet het priesterlijke ambt, maar veeleer het profetische en het Koninklijke ambt van waarde.

– Wij moeten Hem navolgen in Zijn vertrouwen op Gods beloften en Zijn onderhouden van de geboden.

– Er is nooit sprake geweest van oorspronkelijke gerechtigheid en erfzonde.

– De mens is vrij, hij wordt niet door predestinatie gebonden.

– Hij hoeft niet van zonde verlost te worden.

– Hij heeft geen genade nodig.

– De verrijzenis van het lichaam is in strijd met de natuurlijke rede.

– De eeuwigheid van de hel kan niet aanvaard worden, omdat Satan en de goddelozen vernietigd zullen worden.

– De sacramenten van doop en avond­maal zijn ceremonies in Zwingliaanse zin, die gelovig erkend moeten worden.

– Veel aandacht wordt besteed aan de natuurlijke moraal.

Uit de praktijk blijkt, dat de socinianen in de Angelsaksische landen in sociaal opzicht veel tot stand hebben gebracht.[119]

————————————————————————–

[1] Prof. Dr. Sociol. Wigand Siebel, Ist J. Ratzinger ein Arianer?, in: SAKA-Informationen, 12-1990, pp.233-239 tot 01/1991, p 119-121 .

[2] Vergelijk SAKA-Informationen, 1-11-1990. Als voorbeelden werden in deze ‘SAKA’-bijdragen de bis­schoppen Walter Kasper, Karl Lehmann en Josef Stimpfle behandeld.

[3] Bij publicatie van dit artikel was Ratzinger prefect van deze congregatie. Hij is dit gebleven tot aan zijn pauskroning in 2005.

[4] In Freising, Bonn, Münster, Tübingen en Regensburg.

[5] München 19684, 307 pp. In dit artikel wordt verwezen naar de gebonden uitgave, waarin de paginanummering verschilt van de pocketuitgave.

[6] Tübingen 1924

[7] Vergelijk Einführung, p. 10

[8] In: Theo­logische Revue 65 (1969), pp. 182-188.

[9] En dat terwijl Ratzinger juist beweert dat hij in de rechtgelovige lijn van Karl Adam staat… (noot van de redactie).

[10] Ecclesiologie betekende ‘studie van kerkelijke kunst, antiquiteiten en de versieringen en uitrusting van kerken’, totdat het woord een modewoord werd voor de leer van hoe een Kerk zichzelf definieert (noot van de redactie).

[11] Betekenis ongeveer: ‘met de mens als uitgangspunt of middelpunt’ (noot van de redactie).

[12] Richting in de theologie die Bijbelse verhalen, zoals wonderen, (deels) als mythe beschouwt en er naar streeft die zelfbenoemde mythen terug te brengen naar eenvoudige gedachten over het leven (noot van de redactie).

[13] De theologische leer over wie Christus is. (noot van de redactie)

[14] Functioneel: iets definiëren op grond van zijn functie, alsof het wezen er niet toe doet. (noot van de redactie)

[15] De ontologie is de zijnsleer. Deze beschrijft de eigenschappen, of het zijnvan het geheel van dingen, waarvan aangenomen wordt dat ze bestaan, of beter: zijn. (Wikipedia) (noot van de redactie)

[16] Moderne filosofen verkondigen, dat persoon bepaald wordt door zelfbewustzijn, dat in God enig schijnt te zijn. Barth vond bovendien de vraag van Augustinus: ‘Kan relatie voldoende uitgedrukt heten door ‘persoon’, wat toch een zelfstandigheid aanduidt?’ niet echt opgelost door de pogingen van de scholastieke wijsbegeerte, vergelijk A.H. Maltha OP, Drie-eenheid, in: Theologisch Woordenboek, deel 1, 1 952, kol. 1204-1252; 1226. (noot van de vertaler)

[17]  Joseph Ratzinger: Glaube, Geschichte und Philopsophie. Zum Echo der ‘Einführung in das Christentum’, in: Hochland 61 [1969], pp. 533-543Daarop reageerde Walter Kasper: Theorie und Praxis innerhalb einer Thelogia crucis, in: Hochland 62 [1970], pp. 152-157Afsluitend Ratzinger: Schlusswort zu der Diskussion mit W. Kasper, in: o.c, pp. 157-59.

[18] In Rome. (noot van de vertaler)

[19] p. 44

[20] p. 44vv.

[21] P. 114

[22] P. 115

[23] p. 115

[24] P. 111

[25] P. 111

[26] Vergelijk Karl Rahner, Schriften zur Theologie I, Einsiedeln, 1954, p. 60

[27] p. 190

[28] p. 261

[29] Einführung, p. 293. (noot van de vertaler) (Zie ook excurs 1, aan het eind van dit artikel)

[31] Einführung, p. 133

[32] Einführung, p. 139

[33] Einführung, p. 140

[34] Einführung, p. 141

[35] Einführung, p. 143

[36] DS 804. Qualibet trium personarum est ilia res, videlicet substantia, essentia seu natura divina, Denzinger-Umberg, Enchiridion Symbolorum,193723, nr. 432

[37] Einführung, p. 148

[38] Einführung, p. 149

[39] Einführung, p. 169

[40] Joh. 1, 1

[41] Vergelijk Marc. 8,35

[42] Einführung, p. 149

[43] Einführung, p. 170

[44] Het geopenbaarde dogma van Christus’ Zoon van God zijn, zou dus volgens Ratzinger een mythe zijn. (noot van de redactie)

[45] Einführung, p. 174

[46] Einführung, p. 175

[47] Einführung, p. 155vv.

[48] Einführung, p. 156

[49] Einführung, p. 177

[50] Einführung, p. 177

[51] Vergelijk Ludwig Ott, Grundrisz der Dogmatik, Freiburg 1957, p. 76

[52] De ’voortkomst’ van het Woord in God wordt ‘voortbrenging’ of ‘geboorte’ genoemd: ‘Et in unum Dominum nostrum Jesum Christum Filium Dei, natum ex Patre unigenitum, hoc est de sub­stantia Patris, Deum ex Deo, lumen ex lumine, Deum verum de Deo vero, natum, non factum, unius substantiae cum Patre.‘(Denzinger-Umberg, Enchyridion Symbolorum, n° 54)(noot van de vertaler)

[53] Denzinger-Umberg, Enchyridion Symbolorum, n° 86

[54] Ook genoemd geloofsbelijdenis van Athanasius: ‘Filius a Patre solo est, non factus nec creatus, sed genitus. (…) Dominus noster Jesus Christus Dei Filius, Deus et homo est. Deus est ex substantia Patris ante saecula genitus, et homo est ex substantia matris in saeculo natus: perfectus Deus, perfectus homo…, aequalis Patri seundum divinitatem, minor Patre secundum humanitatem. (Enchyridion Symbolorum, n° 39-40). (noot van de vertaler)

[55] Vergelijk Ludwig Ott, Grundrisz der Dogmatik, Freiburg 1957, p. 76

[56] Einführung, p. 190

[57] Einführung, p. 191

[58] Einführung, p. 191

[59] Einführung, p. 195

[60] Einführung, p. 196

[61] Einführung, p. 180-1

[62] Einführung, p. 182

[63] Einführung, p. 182-3

[64] Arianimse en adoptianisme zijn eeuwenoude ketterijen (noot van de redactie).

[65] Einführung, p. 183

[66] Einführung, p. 248

[67] Einführung, p. 252

[68] Einführung, p. 292

[69] Einführung, p. 299

[70] Dogma und Verkündigung, München-Freiburg 1973

[71] Dogma und Verkündigung, p. 133

[72] Dogma und Verkündigung, p. 133

[73] Dogma und Verkündigung, p. 134

[74] Der Gott Jesu Christi. Betrachtungen über den Dreieinigen Gott (serie Doppelpunkt)München, 1976, 93 pagina’s

[75] Der Gott Jesu Christi, p. 27

[76] Der Gott Jesu Christi, p. 28

[77] Der Gott Jesu Christi, p. 47-48

[78] Der Gott Jesu Christi, p. 49

[79] Der Gott Jesu Christi, p. 51-52

[80] Der Gott Jesu Christi , p. 52-53

[81] Der Gott Jesu Christi , p. 53

[82] Der Gott Jesu Christi , p. 54-55

[83] Der Gott Jesu Christi, p. 55

[84] Der Gott Jesu Christi, p. 55

[85] Der Gott Jesu Christi, p.59

[86] Apokalyps 12,7

[87] Joh. 10,34

[88] Der Gott Jesu Christi, p.59

[89] Einsiedeln 1984

[90] Denzinger-Schonberg 301. Denzinger-Umberg nr. 148: ‘…Filium et Dominum nostrum Jesum Christum…, eundem­que perfectum in Deitate, et eundemperfectum in humanitate, Deum verum et hominem verum, consubstantialem Patri secundum Deitatem, consubstantialem nobis eundem secendum humanitatem, per omnia nobis similem absque peccato (Hebr. 4,15); ante saecula quidem de Patre genitum secundum Deitatem, … ‘

[91] De leer van de verlossing.

[92] Schauen auf den Durchbohrten, p. 29

[93] Schauen auf den Durchbohrten, p. 14

[94] Schauen auf den Durchbohrten, p. 32

[95] Brief van de Congregatie van de Geloofsleer aan de bisschoppen van de katholieke Kerk: Orationis formas, Over enkele aspecten van de  Christelijke Meditatie, 15 Oktober 1989: AAS 82 [1990]

[96] Orationis formas, nr. 5

[97] Orationis formas, nr. 5

[98] Orationis formas, nr. 7

[99] Orationis formas, nr. 8

[100] Orationis formas, nr. 13

[101] In plaats van perichorese of circumincessio hanteren de thomisten en de moderne theologen circuminsessio, dat meer het zijn van de één in de ander aangeeft. Maar qua inhoud betekent het volgens alle theologen negatief: de ontkenning van het ’buiten elkaar staan’ van de drie Personen, en positief: de continue vitale cirkelgang waardoor de voortbrengende Persoon Zich uitstort in de voortkomende Persoon, terwijl deze Persoon weer terugkeert tot Zijn oorsprong, vergelijk Maltha/Thuys, Katholieke Dogmatiek, 1951, p.244. In vergelijking tot elkaar hebben de Goddelijke Personen weliswaar geen identiteit, maar wel gelijkheid in ‘zijn’ (en daarmee een even strikte eeuwigheid in enkel een oorsprongsorde), in ‘macht’ (omdat zij een gelijk ‘zijn’ hebben) en in ‘wezen’ [u.j.: in grootte, wat dan ook de hoofdreden is, waarom men pleegt te zeggen, dat de ene Persoon door Zijn wezen in de andere Persoon is (= circumincessio / circuminsessio): de ene Persoon is door Zijn wezen in de andere Persoon. Indien men spreekt van een levend in elkaar zijn door de wederzijdse levende Persoons­daden, maakt men zich licht schuldig aan een overdrachtelijkheid, aangezien Gods Leven in de wezensdaden en in het wezen ligt, en geenszins in de Persoonsdaden of relaties]. Deze gelijkheden in ‘zijn’, in ‘wezen’ en in ‘macht’ zijn, volgens St.-Thomas en de thomisten, geen aparte werkelijke relaties, want het gelijkheidsfundament is juist de ene natuur in Allen. Niettemin, volgens Duns Scotus zou men moeten denken aan reële relaties, zonder dat ermee meer dan drie Personen behoeven te worden aanvaard, vergelijk A.H. Maltha OP, Drieëenheid, in: Theologisch Woordenboek’, deel I, 1952, kol. 1204-1252; 1242-43.1 (noot van de vertaler)

[102] Orationis formas, nr. 20

[103] ten tijde van het schrijven van dit artikel (noot van de redactie)

[104] En ten tijde van de publicatie van deze vertaling is hij zelfs Paus! Zijn mede-afvalligen Lehmann en Kasper, die ook Ariaan zijn en dus Jezus’ Godzijn ontkennen, werden kardinaal. (noot van de vertaler)

[105] Het valt te verwachten, dat de relationele verbindingen van de neo-Arianen ook in deze 21e eeuw het gebeuren binnen de Rooms-Oecumenische Kerkgemeenschap zullen domineren; dankzij continue steun van hun maçon-broeders / Illuminati zal de interne en externe kritiek stilaan uitgebannen worden, vergelijk Epiphanius, ‘Maçonnerie et Sectes secrètes ‘, 20052, pp.469-654. En 2 Timoth. 4,3-4 (zie noot 108), alsmede 2 Joh.7-8 (zie noot 109) (noot van de vertaler)

[106] in SAKA-Informationen (noot van de redactie)

[107] Vergelijk daarvoor SAKA-Informationen van maart 1990.

[108] Deutsche Tagespost van 20 april 1989

[109] Timotheus 4, 1

[110] 2 Johannes 7, 8

[111] De excursen zijn verzameld door de vertaler.

[112] E. Hendrikx OESA, Modalisme, in: Theologisch Woordenboek, deel II, 1957,kol.3300-0l

[113] vertaling:  J. Lammertse Lz., Katholieke Dogmatiek, 1935p. 66 )

[114] Vergelijk Van De Water/Dondeyne, Reinaert Systematische Encyclopedie der Filosofie en Godsdienst, Brussel-Parijs 1970, p. 109, en Arius, in: Brink/Kreiing/Maltha/Walgrave (= OP, noot van de vertaler), Theologisch Woordenboek, deel I, 1952, kol. 245-6, en Arius, in: Baur/Engelbregt/Van Der Meer (red.), De Katholieke Encyclopaedie, deel 3, 1949, kol. 9-10, en J. Hendriks, Vaticanum II en verder. De Concilieleer en de ontwikkeling ervan in de tijd erna,Brugge-Oegstgeest, 1994, p.25.

[115] J.H. Cardinal Newman, On consulting the faithful in matters of doctrine, Sheed & Ward, Kansas City, 1961, p.77, vergelijk Drs. Econ. H. Luns, De opgang van mens en wetenschap in de confrontatie van het ‘Mystenium Coniunctionis’ /The ascent of man and science in the confrontation of the ‘Mysterium Coniunctionis,’Brugge-Riemst 2007(nog niet gepubliceerd ‘magnum opus’ van H. Luns (noot van de vertaler)

[116] Kardinaal de Jong/R. Post, Handboek der Kerk­geschiedenis, 3e deel, Nijmegen l948

[117] 1523, zie Werke, Weimar, 11, 314vv.; Erlangen 49, 45 vv.

[118] J. Lammertse Lz., Het protestantisme, deel 2, Hilversum, 1938, pp. 50-53

[119] B. Meikert OP, Socinianen, in: Brink OP/Kreling OP/Maltha OP/Walgrave OP(red.), Theologisch Woordenboek, vol.3, Maaseik-Roermond, 1958, kol.4376-7

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.