Verhandeling over de Ware Godsvrucht tot de H. Maagd

Door Eerwaarde Heer Louis-Marie Grignion de Montfort

INLEIDING

____

 

1  Door de Allerheiligste Maagd Maria is Jezus Christus ter wereld gekomen, door Haar ook moet Hij in de wereld regeeren.

2             Maria is tijdens haar leven zeer verborgen geweest: daarom wordt Zij door de H. Geest en door de Kerk «Alma Mater…, verborgen en geheimzinnige Moeder» genoemd. Haar ootmoed was zoo diep, dat Haar niets op aarde zoo machtig en voortdurend aantrok, als zich voor zichzelf en voor ieder schepsel te verbergen, om slechts door God alleen gekend te zijn.

3             God wilde haar gebeden, om door Hem verborgen, verarmd en vernederd te worden, verhooren, en schepte er daarom behagen in, Haar, in haar ontvangenis en geboorte, in haar leven en geheimen, in haar verrijzenis en tenhemel-opneming, schier voor ieder menschelijk schepsel te verbergen. Haar bloedverwanten zelfs kenden Haar niet; en de Engelen stelden elkander dikwijls de vraag; Quœ est ista?[1] «Wie is deze?» Want de Allerhoogste hield Haar verborgen voor hen; of, zoo Hij hun al iets over Haar openbaarde, oneindig meer hield Hij voor hen bedekt.

 

4             God de Vader stemde er in toe, dat Zij geen wonder verrichtte in haar leven, althans geen dat openbaar werd, ofschoon Hij Haar de macht daartoe geschonken had.

God de Zoon stemde er in toe, dat Zij maar zelden sprak, ofschoon Hij Haar zijne Wijsheid had medegedeeld.

God de H. Geest stemde er in toe, dat zijn Apostelen en Evangelisten slechts zeer weinig gewag van Haar maakten, niet meer namelijk dan noodig was om Jezus Christus te doen kennen, ofschoon Zij zijn getrouwe Bruid was.

 

5             Maria is het uitmuntend meesterstuk des Aller-hoogsten, waarvan Hij zich de kennis en het bezit heeft voorbehouden. Maria is de bewonderenswaardige Moeder van den Zoon, die er behagen in schepte, Haar gedurende Haar leven te vernederen en te verbergen, ten einde haar nederigheid te begunstigen, Haar den naam gevend van «vrouw, mulier», als aan een vreemdelinge, ofschoon Hij Haar in zijn Hart meer hoogschatte en beminde dan alle Engelen en menschen.

Maria is de getrouwe Bruid des H. Geestes, en zijn verzegelde bron, tot wie Hij alleen toegang heeft.

Maria is het heiligdom en het rustoord der H. Drieëenheid, waarin God op luisterrijker en goddelijker wijze verblijft, dan in welke andere plaats ter wereld ook, zijn verblijf boven de Cherubijnen en Serafijnen niet uitgezonderd; en aan geen schepsel, hoe rein ook, is het zonder een groot voorrecht toegestaan daar binnen te treden.

 

6             Ik zeg met de Heiligen: Maria is het aardsch paradijs van den nieuwen Adam, waarbij Deze is mensch geworden door de werking van de H. Geest, om er onbegrijpelijke wonderen te verrichten. Zij is de groote en bovennatuurlijke wereld Gods, waarin zich onuitsprekelijke schoonheden en schatten bevinden. Zij is de heerlijkheid des Allerhoogsten, waarin Hij, als in zijn schoot, zijn eenigen Zoon verborgen heeft, en, in Hem al het verhevenste en kostbaarste wat Hij bezit. O wat al groote en verborgen dingen heeft die machtige God in dit bewonderenswaardige schepsel gedaan, zooals Zij zelf, in weerwil harer diepe nederigheid, moet erkennen: Fecit mihi magna qui potens est.[2] De wereld kent die wonderen niet, omdat zij er onbekwaam toe is en onwaardig.

 

7             De Heiligen hebben wonderbare dingen over die heilige Stad Gods gezegd; en nooit waren zij welsprekender of smaakten zij meer voldoening, zooals zij zelf erkennen, dan wanneer zij spraken over Haar. En toch roepen zij uit, dat de hoogte harer verdiensten, die tot de troon der Godheid reiken, niet kan waargenomen; dat de breedte harer liefde, die uitgestrekter is dan de aarde, niet kan gemeten; dat de grootte harer macht, welke Zij over God zelf uitoefent, niet kan begrepen; en tenslotte, dat de diepte harer nederigheid, van al haar deugden en genaden, die een afgrond zijn, niet kan gepeild worden. O onbegrijpelijke hoogte! O onuitsprekelijke breedte! O onmetelijke grootte! O ondoordringbare afgrond!

 

8             Dagelijks, van het eene einde der aarde tot het andere, in het hoogste der hemelen, in het diepste der afgronden, looft alles, verkondigt alles de bewonderenswaardige Maria. De negen Koren der Engelen, alle menschen, zonder onderscheid van geslacht, leeftijd, stand of godsdienst, de goeden en de kwaaden, ja de duivelen zelfs, zijn uit kracht der waarheid genoodzaakt, Haar goed-  of kwaadschiks Zalig te noemen. Al de Engelen des hemels roepen Haar, volgens de H. Bonaventura, onophoudelijk toe: Sancta, Sancta, Sancta Maria, Dei Genitrix et Virgo. Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, Maria, Moeder Gods en Maagd. Dagelijks bieden zij Haar millioenen en millioenen malen den Engelengroet aan: Wees gegroet, Maria, enz. ; zich voor Haar neerwerpend, vragen zij Haar als eene gunst, met harer bevelen vereerd te worden. De H. Michaël zelfs, zoo zegt de H. Augustinus, alhoewel de prins van geheel het hemelhof, legt den grootsten ijver aan den dag, om Haar op allerhande wijze hulde te brengen en te doen brengen, en ziet steeds uit naar de eer, om op haar bevel een dienst te gaan bewijzen aan een harer dienaren.

9             Heel de aarde is vol van haar heerlijkheid, vooral bij de Christenen, door wie zij tot Schutsvrouwe en Beschermster gekozen is in vele koninkrijken, provinciën, bisdommen en steden. Vele kathedralen zijn onder haar naam Gode toegewijd. Geen kerk, zonder een altaar harer eere; geen gewest, geen streek, zonder een harer wonderdadige beelden, waarin allerhande kwalen genezen en allerhande gunsten verkregen worden. Wat al broederschappen en congregaties te harer eere! Wat al kloosterorden onder haren naam en hare bescherming! Hoeveel broeders en zusters in al die broederschappen, hoeveel mannen en vrouwen in al die kloosters, die harer lof verkondigen en haar barmhartigheden vermelden! Geen klein kind, of het looft Haar door het Ave Maria te stamelen; haast geen zondaar, of hij heeft nog, tot zelfs in zijn verstoktheid, een vonkje van vertrouwen op Haar; ja, geen duivel in de hel, of hij eert Haar door Haar te vreezen.

 

10  En tòch moeten wij waarlijk nog met de Heiligen uitroepen: De Maria nunquam satis… « Maria is nog niet genoeg geloofd, geëerd, bemind en gediend. » Zij verdiend nog meer lof, eerbied, liefde en dienstbetoon.

11  Tòch moeten wij nog met de H. Geest belijden: Omnis gloria ejus Filiœ Regis ab intus[3] « Al de glorie der koningsdochter is in haar binnenste»: als ware de uiterlijke eer, die de Hemel en aarde om strijd betoonen, hoegenaamd niets in vergelijking met die, welke Zij in haar binnenste van den Schepper ontvangt, en die onbekend is aan nietige schepselen, voor wie ’s Konings geheim der geheimen niet te doorgronden is.

12  Tòch moeten wij nog met den Apostel uitroepen: Nec oculus vidit, nec auris audivit, nec in cor hominis ascendit,[4]
«Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen menschenhart begrepen» de schoonheden, grootheden en uitmuntendheden van Maria, het wonder der wonderen in de orde der genade, der natuur en glorie. Wilt gij de Moeder begrijpen, zegt een Heilige,[5] begrijp dan den Zoon, want Zij is een waardige Moeder Gods: Hic taceat omnis lingua! « Hier verstomme alle spraak!»

 

13  Mijn hart heeft mij alles ingegeven wat ik hier met bijzondere vreugde geschreven heb, om aan te toonen, dat de allerverhevenste Maagd Maria tot nu toe onbekend[6] is geweest, en dat dit een der redenen is, waarom Jezus Christus niet naar behooren gekend wordt.

Wordt dus eenmaal, zooals zeker is, de kennis en het rijk van Jezus Christus op aarde gevestigd, zoo zal dit slechts een noodzakelijk gevolg zijn van de kennis en het rijk der allerheiligste Maagd Maria, die Jezus de eerste maal ter wereld heeft gebracht, en die Hem zal doen uitschitteren de tweede maal.

 

 

 

 

EERSTE HOOFDSTUK

Noodzakelijkheid der Godsvrucht tot de H. Maagd

 

14  Ik erken met geheel de Kerk, dat Maria, slechts een zuiver schepsel zijnde uit de handen des Allerhoogsten voortgekomen, in vergelijking met zijn oneindige Majesteit, minder is dan een stofdeeltje, of liever in ’t geheel niets, daar Hij alleen is Degene die is2 ; dat bijgevolg die groote Heer, steeds onafhankelijk en zichzelf toereikend, de H. Maagd niet volstrekt heeft noodig gehad, noch nu ook heeft, tot uitvoering zijner wilsbesluiten en tot openbaring zijner glorie. Hij behoeft slechts te willen, om alles te doen.

15  Ik zeg evenwel, dat God, die zich, in de thans bestaande orde, van de allerheiligste Maagd heeft willen bedienen, sinds hare schepping, om zijn grootste werken te beginnen en te voltooien, in de eeuwen der eeuwen wel niet van gedragslijn zal veranderen; want Hij is God en verandert niet zijn gevoelens of handelswijze.

 

 God heeft zich van Maria willen bedienen in de Menschwording des Woords.

16  GOD DE VADER heeft zijn eenigen Zoon niet aan de wereld gegeven dan door Maria. Wat al verzuchtingen de Patriarchen ook slaakten, wat al smeekbeden de Profeten en Heiligen der oude wet, vier duizend jaren lang, ook opzonden om dien schat te verkrijgen, Maria alleen heeft hem verdiend en door de kracht harer gebeden en de verhevenheid harer deugden genade gevonden bij God. De wereld was onwaardig, zegt de H. Augustinus, om den Zoon Gods rechtstreeks uit de handen des Vaders te ontvangen; Hij gaf Hem aan Maria, opdat de wereld Hem door Haar zou ontvangen.

DE ZOON GODS is mensch geworden voor onze zaligheid, doch in Maria en door Maria.

GOD DE H. GEEST heeft Jezus Christus in Maria gevormd, doch na vooral door een der eerste dienaars van zijn hof haar toestemming gevraagd te hebben.

 

17  GOD DE VADER heeft Maria deelgenoote gemaakt van zijne vruchtbaarheid, in zooverre een zuiver schepsel daartoe in staat was, om Haar het vermogen te schenken, zijn Zoon en al de ledematen van Diens geheimzinnig lichaam voort te brengen.

18  GOD DE ZOON is in haar maagdelijke schoot neergedaald als de nieuwe Adam in het aardsch paradijs, om in Haar zijn welbehagen te nemen en er in ’t geheim wonderen van genade te verrichten.

De menschgeworden God vond er zijne vrijheid in, zich in harer schoot te zien opgesloten; Hij deed zijne macht uitschitteren door zich door dit maagdeken te laten dragen; Hij vond er zijn glorie en die zijns Vaders in, zijn luister aan alle schepselen hier op aarde te verbergen, om dien aan Maria te openbaren; Hij verheerlijkte zijne onafhankelijkheid en majesteit, door afhankelijk te zijn van deze beminnelijke Maagd in zijn ontvangenis, geboorte, opdracht in den tempel, in zijn dertigjarig verborgen leven, zijn dood zelfs, waarbij Zij moest tegenwoordig zijn, omdat Hij met Haar éénzelfde offer wilde uitmaken en door haar toestemming aan den eeuwigen Vader geslachtofferd worden, zooals Isaäc weleer door Abrahams toestemming aan den wil van God. Zij heeft Hem aan de borst gelegd, gevoed, onderhouden, groot gebracht en voor ons opgeofferd.

O bewonderenswaardige en onbegrijpelijke afhankelijkheid van een God, welke de H. Geest, om ons haar waarde en oneindige glorie te openbaren, niet stilzwijgend heeft kunnen voorbijgaan in het Evangelie, ofschoon Hij ons bijna al de wonderbare dingen, door deze menschgeworden Wijsheid gedurende haar verborgen leven verricht, verzwegen heeft! Jezus Christus heeft God zijnen Vader meer verheerlijkt door zijn dertigjarige onderwerping aan zijne Moeder, dan indien Hij de geheele wereld door de grootste wonderen bekeerd had. O hoezeer verheerlijkt men God, wanneer men zich, om Hem te behagen, aan Maria onderwerpt naar het voorbeeld van Jezus Christus, ons eenig Toonbeeld.

19  Indien wij het verdere leven van Jezus Christus van nabij beschouwen, zoo zien wij, dat Hij wonderen heeft willen beginnen door Maria. Hij heeft den H. Joannes in den schoot zijner moeder, de H. Elizabeth, door Maria’s woord geheiligd; zoodra Zij gesproken had, werd Joannes geheiligd, en dit is Jezus’ eerste en grootste genadewonder. Op de bruiloft te Cana veranderde Hij, op haar nederig verzoek, het water in wijn, en dit is het eerste wonder in de orde der natuur. Door Maria heeft Hij zijn mirakelen begonnen en voortgezet; door Maria zal Hij ze tot het einde der eeuwen blijven voortzetten.

20  GOD DE H. GEEST, die onvruchtbaar is in God, dat wil zeggen, geen anderen Goddelijke Persoon voortbrengt, is vruchtbaar geworden door Maria, die Hij tot Bruid genomen heeft. Met Haar, in Haar, en uit Haar heeft Hij zijn meesterstuk, een menschgeworden God, voortgebracht, en brengt Hij dagelijks, tot het einde der wereld, de voorbeschikten voort en de ledematen des lichaams van dit aanbiddelijk Hoofd. Daarom, hoe meer Hij Maria, zijn dierbare en onafscheidelijke Bruid, in eene ziel aantreft, hoe werkzamer en krachtiger Hij wordt, om Jezus Christus in die ziel en die ziel in Jezus Christus voort te brengen.

21  Hiermede wil men niet zeggen, dat de H. Maagd de vruchtbaarheid aan den H. Geest mededeelt, als had Hij ze niet! Hij is God, en heeft dus, evenals de Vader en de Zoon, de vruchtbaarheid of het voortbrengingsvermogen, al maakt Hij er geen gebruik van, daar Hij geen anderen Goddelijke Persoon voortbrengt. Maar men wil zeggen, dat de H. Geest, door de tusschenkomst van de H. Maagd, van Wie Hij zich wil bedienen ofschoon Hij Haar volstrekt niet noodig heeft, zijn vruchtbaarheid tot werkelijkheid brengt, door Jezus Christus en Diens ledematen in en door Haar voort te brengen: een genadegeheim, zelfs aan de meest geleerde en geestelijke christenen onbekend.

 

God bedient zich van Maria in de zaligmaking der zielen.

 

22  De gedragslijn, door de drie Personen der allerheiligste Drieëenheid gevolgd in de Menschwording en de eerste komst van Jezus Christus, volgen Zij nog dagelijks op onzichtbare wijze in de H. Kerk en zullen Zij blijven volgen tot de voleinding der eeuwen, bij Jezus Christus’ laatste komst.

 

23  GOD DE VADER heeft al de wateren verzameld en die verzameling Zee genoemd; Hij heeft al zijn genaden verzameld en die verzameling Maria geheeten. Die groote God bezit een zeer rijke schatkamer of bergplaats, waarin Hij al wat schoon, schitterend, zeldzaam en kostbaar is, tot zelfs zijn eigen Zoon, geborgen heeft; en die onmetelijke schatkamer is niets anders dan Maria, door de Heiligen de Schatkamer des Heeren genoemd, uit welker volheid de menschen worden verrijkt.

 

24  GOD DE ZOON heeft zijn Moeder medegedeeld al wat Hij door zijn leven en dood verworven heeft, zijn oneindige verdienstenen zijn bewonderenswaardige deugden; en Hij heeft Haar tot Schatbewaarster aangesteld over al wat de Vader Hem ten erfdeel gaf. Door Haar past Hij zijn verdiensten op zijn ledematen toe, deelt Hij zijne deugden mede en zijn genaden uit. Zij is zijn geheimzinnig kanaal, zijn aquaduct,3 waardoor Hij zacht en overvloedig zijn barmhartigheden laat stroomen.

 

25  GOD DE H. GEEST heeft aan Maria, zijn getrouwe Bruid, zijn onuitsprekelijke gaven medegedeeld en Haar tot Uitdeelster gekozen van al wat Hij bezit: zoodat Zij al die gaven en genaden uitdeelt aan wie Zij wil, voor zooveel Zij wil, zooals Zij wil en wanneer Zij wil; geen hemelsche gave wordt den mensch verleend, of zij gaat door haar maagdelijke handen. Want het is Gods wil geweest, dat wij alles zouden ontvangen in Maria. Zóó wordt door den Allerhoogste verrijkt, verheven, en geëerd, Zij die zich verarmd, vernederd en tot in het diepst van het niet verborgen heeft, door haar diepen ootmoed, haar geheel leven lang. Dit zijn de gevoelens der Kerk en der HH. Vaders.

 

26  Indien ik tot de hedendaagsche waanwijzen sprak, zou ik al hetgeen ik thans eenvoudig zeg, uitvoeriger bewijzen door Latijnsche teksten uit de H. Schrift en de HH. Vaders en door een groot aantal degelijke redenen, in den breede uiteengezet door den Eerw. Pater Poiré in zijn Triple Couronne de la Sainte Vierge. Ik spreek echter bijzonder tot de nederigen en eenvoudigen, die, omdat zij van goeden wil zijn en meer geloof hebben dan het meerendeel der geleerden, ook met meer eenvoud en verdienste gelooven; daarom stel ik mij tevreden met hun gewoonweg de waarheid te verklaren, zonder stil te staan bij al die Latijnsche plaatsen, die zij toch niet begrijpen. Ik zal er wel enkelen aanhalen, doch zonder er veel naar te zoeken. Laat ons voortgaan.

 

27  Daar de genade de natuur volmaakt, en de glorie de genade, is het zeker, dat Onze Heer in den hemel nog evengoed Maria’s Zoon is als Hij het op aarde was, en dat Hij bijgevolg de onderwerping en gehoorzaamheid van het meest volmaakte aller kinderen tegenover de beste aller moeders behouden heeft. Men wachte zich echter wel, deze afhankelijkheid eenigzins als een verlaging of onvolmaaktheid in Jezus Christus op te vatten. Maria immers staat oneindig beneden haar Zoon die God is, en beveelt Hem dus niet zooals een aardsche moeder aan een kind dat beneden haar staat. Geheel in God hervormd door de genade en de glorie, waardoor alle Heiligen in Hem hervormd worden, vraagt, wil en doet Maria niets wat in strijd is met zijn eeuwigen en onveranderlijke wil. Leest men dus in de geschriften van de HH. Bernardus, Bernardinus, Bonaventura enz., dat alles in den hemel en op aarde, tot God zelfs, aan de allerheiligste Maagd onderworpen is, dan wil dit zeggen, dat het gezag, Haar door God welwillend geschonken, zóó groot is, dat Zij dezelfde macht schijnt te bezitten als God, en dat haar gebeden en smeekingen zóó vermogend zijn bij Hem, dat ze steeds als bevelen gelden bij zijne Majesteit. God weerstaat nooit aan het gebed zijner lieve Moeder, omdat dit altijd ootmoedig is en gelijkvormig aan zijnen wil.

Indien Mozes door de macht van zijn gebed Gods toorn tegen de Israëlieten zóó krachtdadig weerhield, dat de Allerhoogste en oneindig barmhartige Heer, onmachtig hem te weerstaan, hem vroeg aan zijn toorn den vrijen loop te laten om dit weerspannig volk te straffen, wat moeten wij dan niet, met des te meer reden, van het gebed der nederige Maria en waardige Moeder Gods denken, dat machtiger is bij zijne Majesteit dan de gebeden en de voorspraak van alle Engelen en Heiligen in den hemel en op aarde?

 

28  Maria voert bevel in den hemel over de Engelen en Gelukzaligen. Tot loon voor haar diepe nederigheid heeft God Haar de macht en de opdracht gegeven, de ledige tronen, waarvan de afvallige engelen door hun hoogmoed zijn neergestort, weer met Heiligen te doen bezetten. ’t Is de wil des Allerhoogsten, die de nederigen verheft, dat de hemel, aarde en hel, goedschiks of kwaadschiks, buigen voor de bevelen van de ootmoedige Maria, die Hij heeft aangesteld tot Oppervorstinne van hemel en aarde, tot Opperbevelhebster zijner legerscharen, tot Schatbewaarster zijner rijkdommen, tot Uitdeelster zijner genaden, tot Bewerkster zijner groote wonderen, tot Herstelster van het menschelijk geslacht, tot Middelares der menschen, tot Verdelgster van Gods vijanden en tot trouwe Deelgenoote zijner grootheden en triomfen.

 

29  GOD DE VADER wil zich altijd, tot aan de voleinding der wereld, kinderen verwekken door Maria, en zegt tot Haar: In Jacob inhabita4 « Verblijf in Jacob » d.w.z. vestig uwe woning en uw verblijf in mijn uitverkoren kinderen, door Jacob voorafgebeeld, en niet in de kinderen des duivels, de verworpelingen, voorafgebeeld door Ezau.

30  Gelijk in de orde der natuur ieder kind een vader en een moeder heeft, zoo hebben in de orde der genade alle ware kinderen Gods en voorbeschikten God tot Vader en Maria tot Moeder; en wie Maria niet tot Moeder heeft, heeft God niet tot Vader. Daarom hebben de verworpelingen, zooals de ketters, scheurmakers enz., die de allerheiligste Maagd haten ofwel Haar met minachting of onverschilligheid bejegenen, God niet tot Vader, al beroemen zij er zich op, want zij hebben Maria niet tot Moeder: ware dit wel, dan zouden zij Haar liefhebben en eeren, zooals een waar en braaf kind van nature zijn moeder, die hem het leven schonk, liefheeft en eert.

Het onfeilbaarste en onbetwistbaarste teeken om een ketter, een aanhanger eener valsche leer, een verworpeling te onderscheiden van een uitverkorene, is, dat de ketter en de verworpeling slechts minachting of onverschilligheid koesteren voor de allerheiligste Maagd, wier vereering en liefde zij door woord en voorbeeld, openlijk of in ’t geheim, soms onder schoone voorwendsels, trachten te verminderen. Helaas! God de Vader heeft niet tot Maria gezegd, in hen hare woning te vestigen, want zij zijn Ezau’s!

31  GOD DE ZOON wil dagelijks door zijn lieve Moeder in zijn ledematen gevormd en, als het ware, geboren worden, en Hij zegt tot Haar: In Israël hœreditare…5 « Neem Israël tot erfdeel. » Het is alsof Hij zeide: God mijn Vader heeft Mij alle volkeren der aarde, alle menschen, goede en kwaden, voorbeschikten en verworpelingen tot erfdeel gegeven; genen zal ik met een gouden schepter, dezen met een ijzeren roede regeeren; genen zal ik een vader en voorspreker. den anderen een rechtvaardig wreker zijn, en hun aller rechter; maar Gij, mijn lieve Moeder, Gij zult alleen de uitverkorenen, door Israël voorafgebeeld, tot erfdeel en eigendom hebben; als hun goede Moeder zult Gij ze baren, voeden en grootbrengen, en als Vorstin ze leiden, bestieren en verdedigen.

32  Een mensch en een mensch is in Haar geboren zegt de H. Geest: Homo et homo natus est in ea.6 Volgens de verklaring van eenige Kerkvaders, is de eerste mensch die in Maria geboren werd, de Godmensch, Jezus Christus; de andere is een zuiver mensch, kind van God en van Maria door aanneming. Als Jezus Christus, het Hoofd der menschen, in Haar geboren werd, dan moeten ook, bij wijze van noodzakelijk gevolg, de uitverkorenen, ledematen van dit Hoofd, in Haar geboren worden. Een moeder brengt noch hoofd zonder de ledematen, noch de ledematen zonder het hoofd ter wereld; anders ware het een wangedrocht der natuur. Zoo wordt ook in orde der genade het Hoofd en de ledematen uit éénzelfde moeder geboren. Indien dus een lidmaat van Christus’ geheimzinnig lichaam, d.i. een uitverkorene, uit een andere moeder geboren werd dan Maria die het Hoofd heeft gebaard, zoo zou hij geen uitverkorene zijn, doch een gedrocht in de orde der genade.

33  Bovendien is Jezus Christus thans zoowel als immer Maria’s vrucht, gelijk hemel en aarde het Haar dagelijks duizendmaal herhalen: « En gezegend is de vrucht uws lichaams, Jezus. » Daarom is het zeker, dat Hij even waarachtig voor ieder mensch in ’t bijzonder, die Hem bezit, als voor allen in ’t algemeen, de vrucht is van Maria’s werking. Zoodoende kan iedere geloovige, in wiens hart Jezus Christus gevormd is, stoutmoedig uitroepen: « Maria zij grootelijks dank; wat ik bezit is haar werk en haar vrucht; zonder Haar zou ik het niet hebben. » Men kan dan ook de woorden, welke de H. Paulus op zichzelf toepast, met meer recht op Maria toepassen: Quos iterum parturio donec formetur Christus in vobis. 7 « Dagelijks baar ik de kinderen Gods, totdat Jezus Christus, mijn Zoon, in de volheid van zijn leeftijd in hen gevormd zij. »

De H. Augustinus, zichzelf en al wat ik hier neergeschreven heb overtreffend, zegt, dat alle uitverkorenen, om gelijkvormig te worden aan het beeld van den Zoon Gods, hier op aarde in den schoot der allerheiligste Maagd verborgen zijn; daar worden zij door die goede Moeder bewaard, gevoed, onderhouden en tot groei gebracht, totdat Zij hen voor de glorie baart op den dag van hunnen dood, die eigenlijk hun geboortedag is, zooals de Kerk den sterfdag der rechtvaardigen noemt. Genadegeheim, den verworpelingen onbekend en maar weinig gekend door de uitverkorenen!

34  GOD DE H. GEEST wil zich in en door Maria uitverkorenen vormen en zegt tot Haar: In electis meis mitte radices.8.Mijne Welbeminde en mijne Bruid, schiet de wortels van al uwe deugden uit in mijn uitverkorenen, opdat zij groeien van deugd tot deugd en van genade tot genade. Toen Gij op aarde leefdet in de beoefening der verhevenste deugden, heb ik zoozeer mijn welbehagen in U genomen, dat ik U nog op aarde wensch aan te treffen, zonder dat Gij ophoudt in den hemel te zijn. Plant U daarom voort in mijn uitverkorenen : moge ik met welbehagen in hen de wortels zien van uw onwankelbaar geloof, van uw algeheel versterving, van uw verheven gebed, van uw vurige liefde, van uw vaste hoop en van al uw deugden. Gij zijt steeds mijne Bruid, even getrouw, zuiver en vruchtbaar als ooit: dat uw geloof mij geloovigen, uw zuiverheid maagden, uw vruchtbaarheid uitverkorenen en tempels geve.

35  Wanneer Maria hare wortels in een ziel heeft uitgeschoten, doet Zij wonderen van genade, die Zij alleen kan verrichten. Zij alleen is immers de vruchtbare Maagd, die nooit Haars gelijke heeft gehad of hebben zal in zuiverheid en vruchtbaarheid.

Maria heeft in vereeniging met den H. Geest het verhevenste voortgebracht wat ooit bestaan heeft of zal bestaan, namelijk een Godmensch : bijgevolg zal Zij ook de verhevenste dingen voortbrengen die in de laatste tijden zullen zijn. De vorming en de opleiding der groote Heiligen, die tegen het einde der wereld zullen leven, zijn Haar voorbehouden; want alleen deze eenigen en wonderdadige Maagd kan, in vereeniging met den H. Geest, grootsche en buitengewone dingen uitwerken.

36  Wanneer de H. Geest, haar Bruidegom, Haar in een ziel aantreft, vliegt Hij er heen, treedt er geheel binnen en deelt zich overvloedig aan haar mede, en wel naarmate deze ziel plaats maakt voor zijn Bruid. Een der grootste redenen, waarom de H. Geest nu geen schitterende wonderen in de zielen uitwerkt, is dat Hij er geen voldoende vereeniging aantreft met zijn getrouwe en onafscheidelijke Bruid, want van het oogenblik af dat deze zelfstandige Liefde des Vaders en des Zoons Maria tot Bruid heeft aangenomen, om Jezus Christus in de uitverkorenen voort te brengen, heeft Hij Haar nooit verstooten, daar Zij steeds getrouw en vruchtbaar is gebleven.

 

Maria, Koningin der harten.

 

37  Uit hetgeen ik gezegd heb volgt klaarblijkelijk, dat Maria een groote macht van God verkregen heeft over de zielen der uitverkorenen. Immers, Zij kan haar verblijf niet in hen vestigen, zooals God de Vader Haar gelast heeft; Zij kan hen niet vormen, voeden en voor het eeuwig leven baren als hun Moeder; Zij kan hen niet tot erfgoed en aandeel hebben, hen niet in Jezus Christus en Jezus Christus niet in hen vormen, de wortels harer deugden niet in hun hart uitschieten en de onafscheidbare Gezelin des H. Geestes in al zijn genadewerken zijn: dit alles kan Zij niet, zeg ik, of Zij moet recht en heerschappij bezitten over hun zielen door een bijzondere gunst des Allerhoogsten. Deze, die Haar macht gegeven heeft over zijn eeniggeboren en eigen Zoon, heeft haar ook macht gegeven over zijn aangenomen kinderen, niet alleen met betrekking tot het lichaam, maar ook met betrekking tot de ziel.

38  Maria is Koningin van hemel en aarde door genade, zooals Jezus er Koning van is van nature en door verovering. Welnu, zooals het rijk van Jezus Christus vooral in ’s menschen hart en binnenste bestaat, naar deze woorden : Het rijk Gods is in u 9, zoo bestaat ook het rijk der allerheiligste Maagd voornamelijk in ’s menschen binnenste, te weten in zijn ziel. ‘t Is dan ook voornamelijk in de zielen, dat Zij met haar Zoon meer verheerlijkt wordt dan in alle zichtbare schepselen, en wij kunnen Haar met de Heiligen noemen : Koningin der harten.

 

  • III.

 

Noodzakelijkheid der godsvrucht tot de H. Maagd.

 

  1. Voor alle menschen om zalig te worden.

 

39  Is de allerheiligste Maagd noodzakelijk voor God, volgens eene noodzakelijkheid die onderstellend genoemd wordt, omdat ze van zijn wil afhangt, nog veel meer is Zij den menschen noodzakelijk, om tot hun einddoel te geraken. Men mag dus de godsvrucht tot de allerheiligste Maagd niet met die tot de andere Heiligen verwarren, als ware zij niet noodzakelijk en slechts uit geheel vrije keuze te beoefenen.

40  De geleerde en vrome Suarez, van de Sociëteit van Jezus, de ervaren en godvruchtige Justus Lipsius, doctor van Leuven, en vele anderen hebben onomstootelijk bewezen, volgens de gevoelens der Kerkvaders, o.a. van den H. Augustinus, den H. Ephrem, diaken van Edessa, den H. Cyrillus van Jeruzalem, den H. Germanus van Constantinopel, den H. Joannes Damascenus, den H. Anselmus, den H. Bernardus, den H. Bernardinus, den H. Thomas en den H. Bonaventura, dat de godsvrucht tot de allerheiligste Maagd noodzakelijk is ter zaligheid; en dat het een onfeilbaar teeken van verwerping is, zelfs naar het gevoelen van Œcolampadius en eenige andere ketters, geen achting en liefde voor de H. Maagd te hebben ; terwijl het omgekeerd, een onfeilbaar teeken van voorbestemming is, Haar geheel en waarlijk verknocht en toegewijd te zijn.

41  De voorafbeeldingen en woorden van het Oude en het Nieuwe Testament bewijzen zulks; de gevoelens en vooraf-beeldingen der Heiligen bevestigen het; de rede en de ondervinding leeren het en maken het duidelijk ; de duivelen zelfs en hun trawanten hebben het dikwijls, door de kracht der waarheid gedwongen, tegen hun wil moeten erkennen. Van al de plaatsen der Heilige Vaders en Kerkleeraren, die ik in grooten getale tot staving dezer waarheid verzameld heb, zal ik om kort te zijn, slechts één enkele aanhalen : Tibi devotum esse, est arma quœdam salutis,quœ Deus dat his quos vult salvos fieri . « De godsvrucht tot U, o heilige Maagd, » zegt de H. Joannes Damascenus, « is een wapen des heils, dat God geeft aan wie Hij wil zalig maken. »

42  Hier zou ik verschillende feiten kunnen aanhalen, die dezelfde waarheid staven, o.a. 1˚ het volgende, dat vermeld staat in de kronieken van den H. Franciscus. Deze Heilige zag in een geestesvervoering een hooge ladder, die tot den hemel reikte en aan welker boveneinde zich de H. Maagd bevond; hem werd geopenbaard, dat men langs deze ladder moet opklimmen om in den hemel te komen. Ziehier 2˚ een ander feit, opgeteekend in de kronieken van den H. Dominicus. Eens werden nabij Carcasonne, waar deze Heilige den Rozenkrans predikte, vijftien duizend duivelen, die de ziel van een ongelukkigen ketter bezeten hielden, op bevel van Maria tot hun schande gedwongen, vele groote en troostrijke waarheden aangaande de godsvrucht tot de H. Maagd te belijden ; en wel met zooveel kracht en duidelijkheid, dat men dit echt verhaal en de lofrede, die de duivel tegen wil en dank over de godsvrucht tot de H. Maagd moest uitspreken, niet kan lezen zonder vreugdetranen te storten, als men ook maar een weinig godsvrucht tot Maria heeft.

 

  1. Noodzakelijkheid der godsvrucht tot de H. Maagd voor hen die naar de volmaaktheid streven.

 

43  Is de godsvrucht tot de allerheiligste Maagd voor alle menschen noodzakelijk, enkel en alleen om hun zaligheid te bewerken, nog veel meer is zij het voor hen die tot een bijzondere volmaaktheid geroepen zijn. Ik geloof niet, dat iemand een innige vereeninging met O. L. Heer en een volmaakte getrouwheid aan den H. Geest kan verkrijgen, zonder een zeer nauwe vereeniging met de allerheiligste Maagd en een groote afhankelijkheid van haar hulp.

44  Maria alleen heeft, zonder hulp van eenig ander schepsel, genade gevonden bij God. Allen, die na Haar genade vonden bij God, vonden ze slechts door Haar ; slechts door Haar ook zullen allen die nog komen moeten, genade vinden. Zij was vol van genade, toen Zij door de Aartsengel Gabriël begroet werd, en Zij werd meer dan overvloedig met genade vervuld door den H. Geest, toen deze Haar op onuitsprekelijke wijze overschaduwde; deze dubbele volheid heeft Zij van dag tot dag en van oogenblik tot oogenblik zoozeer vermeerderd, dat Zij een rijkdom van genade verworven heeft, die alle maat en begrip te boven gaat. De Allerhoogste heeft Haar dan ook aangesteld tot eenige Bewaarster zijner schatten en tot Uitdeelster zijner genaden, om te veredelen, te verheffen en te verrijken wie Zij wil, om wie Zij wil den smallen weg des Hemels te doen bewandelen, wie Zij wil door de enge poort des levens, trots allen tegenstand, te doen binnengaan en den troon, de schepter en de koningskroon te schenken aan wie Zij wil. Jezus is overal en altijd Maria’s vrucht en Zoon ; en Maria is overal de ware boom die de vrucht des levens draagt, en de ware Moeder die Hem voortbrengt.

45  Aan Maria alleen heeft God de sleutels gegeven van de wijnkelders der goddelijke liefde, met de macht om de verhevenste en geheimste wegen der volmaaktheid te betreden en ze door anderen te doen betreden. Maria alleen verleent aan de ellendige kinderen der ontrouwe Eva toegang tot het aardsch paradijs, om er behagelijk met God te wandelen en zich veilig tegen hun vijanden te verschuilen ; om er zich overheerlijk te voeden, zonder den dood meer te vreezen, met de vrucht van den boom des levens en der kennis van goed en kwaad, en om er met volle teugen de hemelsche wateren te drinken der schoone Bron, die er overvloedig opwelt. Of liever, Zij zelve is dit aardsch paradijs, — die maagdelijke en gezegende grond, — waaruit de zondige Adam en Eva verjaagd werden; slechts aan wie ’t Haar belieft geeft Zij toegang tot haar binnenste om hen Heiligen te maken.

46  Al de rijken des volks,10 — om mij van de woorden des H. Geestes te bedienen, zooals ze door den H. Bernardus worden uitgelegd,— al de rijken des volks zullen van eeuw tot eeuw, en vooral op het einde der wereld, uw aangezicht verbidden, d.w.z. de grootste Heiligen, de zielen, die het rijkst zijn aan genaden en deugden, zullen het ijverigst en getrouwst zijn om de allerheiligste Maagd te bidden, en om Haar steeds voor oogen te hebben als hun volmaakt Toonbeeld dat zij moeten navolgen, en als hun machtige Helpster die hen zal bijstaan.

 

  • IV

 

Noodzakelijkheid der godsvrucht tot de H. Maagd in de laatste tijden.

 

Voorspellingen en andere bewijsgronden.

 

47  Ik zeide, dat dit voornamelijk zou geschieden bij het einde der wereld, en wel spoedig, want de Allerhoogste en zijn H. Moeder moeten zich groote Heiligen vormen, die het meerendeel der andere Heiligen zoozeer in heiligheid zullen overtreffen als de ceders van den Libanon de kleine heesters. Dit is aan een heilige ziel geopenbaard, wier leven door den Heer de Renty geschreven is.

48  Deze groote zielen, vol van genade en ijver, zullen uitverkoren worden om het hoofd te bieden aan Gods vijanden, die alom zullen razen. Zij zullen de allerheiligste Maagd op uitnemende wijze vereeren ; zij zullen door haar licht verlicht, met haar melk gevoed, door haar geest geleid, door haar arm ondersteund en onder haar bescherming bewaard worden, en zoodoende met ééne hand strijden en met de andere opbouwen. Met de eene hand zullen zij de ketters met hun ketterijen, de scheurmakers met hun scheuringen, de afgodendienaars met hun afgodendienst en de zondaars met hun goddeloosheden bestrijden, neervellen en verpletteren ; met de andere hand zullen zij den tempel van den waren Salomon en de geheimzinnige stede Gods opbouwen, t.w. de allerheiligste Maagd, door de HH. Vaders Tempel van Salomon en Stede Gods genoemd. Alle menschen zullen zij door woord en voorbeeld tot haar ware godsvrucht aansporen. Dit zal hun vele vijanden bezorgen, doch ook vele overwinningen en veel glorie voor God alleen. Dit heeft God aan den H. Vincentius Ferrerius, dien grooten apostel zijner eeuw, geopenbaard, zooals deze Heilige het in een zijner werken duidelijk genoeg heeft opgeteekend.

De H. Geest zelf schijnt dit in den LXVIIen Psalm voorspeld te hebben, met deze woorden : Et scient quia Deus dominabitur Jacob et finium terrœ; convertentur ad vesperam, et famem patientur ut canes, et circuibunt civitatem….« God zal heerschen over Jacob en over de geheele aarde : tegen den avond zullen zij tot inkeer komen, honger lijden als honden en rondom de stad zwerven om iets te eten te vinden. » Deze stad, welke de menschen op het einde der wereld zullen vinden om tot inkeer te komen en om hun honger naar de gerechtigheid volmaakt te stillen, is de allerheiligste Maagd, die door den H. Geest Stad Gods genoemd wordt.

 

49  Door Maria is het heil der wereld begonnen, door Maria ook moet het voltooid worden. Maria is bijna niet op den voorgrond getreden bij Jezus Christus’ eerste komst, uit vrees dat de menschen, nog maar weinig onderwezen en ingelicht omtrent harer Zoon, zich van Hem zouden verwijderen, door zich te innig en te zinnelijk aan Haar te hechten. Dit ware waarschijnlijk gebeurd, indien men Haar gekend had, wegens de bewonderenswaardige bekoorlijkheden, die de Allerhoogste zelfs in haar uiterlijk had ten toon gespreid. Dit is zóó waar, dat de H. Dionysius de Areopagiet ons in een zijner geschriften mededeelt, dat hij Haar, toen hij Haar zag, voor een Godheid zou gehouden hebben om haar geheimzinnige bekoorlijkheid en onvergelijkelijke schoonheid, hadde niet het geloof, waarin hij terdege bevestigd was, hem niet het tegendeel geleerd. Maar bij Jezus Christus’ tweede komst moet Maria gekend zijn en door den H. Geest geopenbaard worden, om Jezus Christus door Haar te doen kennen, beminnen en dienen. De redenen, die den Heiligen Geest bewogen hebben om zijn Bruid gedurende haar leven verborgen te houden en Haar sinds de verkondiging van het Evangelie slechts heel weinig bekend te maken, bestaan nu niet meer.

God wil dus Maria, het meesterstuk zijner handen, in deze laatste tijden ontsluieren en openbaren :

1˚ omdat Zij zich hier op aarde verborgen en tot onder het stof vernederd heeft door haar diepen ootmoed, en van God, van zijn Apostelen en Evangelisten verkregen heeft, dat Zij niet werd bekend gemaakt.

2˚ Omdat Zij het meesterstuk is van Gods handen, zoowel hier op aarde door de genade, als in den Hemel door de glorie, en Hij daarvoor door de levenden op aarde wil verheerlijkt en geprezen worden.

3˚ Omdat Zij de dageraad is, die de Zon der gerechtigheid, d.i. Jezus Christus, voorafgaat en aankondigt, en Zij dus gekend en opgemerkt moet worden, opdat ook Jezus Christus het zij.

4˚ Omdat Zij de weg is waarlangs Jezus Christus de eerste maal tot ons kwam, en Zij het dus ook zal zijn bij zijn tweede komst, ofschoon niet op dezelfde wijze.

5˚ Omdat Zij het zeker middel en de rechte, onbevlekte weg is om tot Jezus Christus te gaan en Hem volmaakt te vinden; door Haar zullen dan ook alle heilige zielen, die in de heiligheid moeten uitschitteren, Hem vinden. Wie Maria vindt, vindt het leven zelf, nl. Jezus Christus, die de weg, de waarheid en het leven is. Doch men kan Maria niet vinden zonder Haar te zoeken ; men kan Haar niet zoeken zonder Haar te kennen : want men zoekt noch begeert hetgeen men niet kent. Maria moet dus meer dan ooit gekend worden, tot meerdere kennis en verheerlijking van de Allerheiligste Drieëenheid.

6˚ In deze laatste tijden moet Maria meer dan ooit uitschitteren in goedertierenheid, kracht en genade : in goedertierenheid, om de arme zondaars en de afgedwaalden, die tot inkeer zullen komen en tot de Katholieke Kerk wederkeeren, liefderijk terug te voeren en op te nemen; in kracht tegen de vijanden Gods, de afgodendienaars, scheurmakers, Mahomedanen, Joden en verstokte goddeloozen, die een vreselijke opstand zullen verwekken, om al hun tegenstanders door beloften en bedreigingen te verleiden en afvallig te maken. Maria moet tenslotte uitschitteren in genade, om de dappere soldaten en trouwe dienaars van Jezus Christus, die voor zijn belangen strijden, aan te wakkeren en te ondersteunen.

7˚ Maria moet eindelijk verschrikkelijk zijn voor den duivel en zijn trwanten als een in slagorde opgesteld leger, en dat vooral in deze laatste tijden11 ; want de duivel, wel wetende dat hij maar weinig tijd meer heeft, — en minder dan ooit, — om de zielen in ’t verderf te storten, verdubbelt dagelijks zijn pogingen en aanvallen ; weldra zal hij nieuwe vervolgingen verwekken en verschrikkelijke lagen leggen aan Maria’s trouwe dienaars en ware kinderen, die hij moeilijker overwint dan de anderen.

 

Verklaring der beroemde Profetie Genesis III. 5.

 

51  ’t Is voornamelijk met betrekking tot deze laatste en wrede vervolgingen des duivels, die dagelijks zullen toenemen tot aan het rijk van den Antichrist, dat de eerste en vermaarde voorspelling en vervloeking Gods, in het aardsch paradijs tegen de slang uitgesproken, moet worden verstaan. ’t Is hier de plaats om ze uit te leggen, tot verheerlijking van de allerheiligste Maagd, tot heil van hare kinderen en tot beschaming van den duivel.

Inimicitias ponam inter te et mulierem, et semen tuum et semen illius; ipsa conteret caput tuum, et tu insidiaberis calcaneo ejus ; « Ik zal vijandschap zetten tusschen u en de vrouw, tusschen uw geslacht en haar geslacht; Zij zelf zal u den kop verpletteren, en gij zult harer hiel belagen. »

52  God heeft maar ooit ééne vijandschap gesteld en gevormd, doch een onverzoenlijke, die ten einde toe zal voortduren en zelfs in hevigheid toenemen, nl. tusschen Maria, zijn waardige Moeder, en den duivel ; tusschen de kinderen en de dienaars der H. Maagd en de kinderen en trawanten van Lucifer ; zoodat de geduchtste vijandin die de Heer tegen den duivel verwekt heeft, Maria, zijn heilige Moeder is. Reeds in het aardsch paradijs, ofschoon Zij toen alleen maar in zijn gedachte bestond, vervulde Hij Haar met zóóveel haat tegen dezen vervloekten vijand Gods, met zóóveel scherpzinnigheid om de boosheid van dit aloud serpent te ontmaskeren, met zóóveel kracht om dien trotsche snoodaard te overwinnen, neer te vellen en te verpletteren, dat de duivel Haar niet alleen méér vreest dan alle Engelen en menschen, maar in zekeren zin méér dan God zelf. Niet dat Gods gramschap, haat en macht niet oneindig die der H. Maagd te boven gaan, wijl Maria’s volmaaktheden beperkt zijn, doch: 1˚ Satan is hoogmoedig, en daarom spijt het hem oneindig meer, overwonnen en gestraft te worden door een geringe en ootmoedige dienstmaagd van God, en voelt hij zich meer vernederd door harer ootmoed dan door Gods macht ;

2˚ God heeft Maria een zoo groote macht tegenover de duivelen gegeven, dat dezen, naar zij dikwijls tegen wil en dank door den mond van bezetenen hebben moeten erkennen, een enkele harer verzuchtingen ten gunste eener ziel meer vreezen dan de gebeden van alle Heiligen, een enkele harer bedreigingen tegen hen meer dan alle andere folteringen.

 

53  Wat Lucifer door hoogmoed verloor, heeft Maria door nederigheid herwonnen ; wat Eva door ongehoorzaamheid tot verdoeming en tot ondergang bracht, heeft Maria door gehoorzaamheid gered. Door naar de slang te luisteren, stortte Eva al hare kinderen met zich in ’t verderf en leverde hen aan den duivel over; door volmaakt aan God getrouw te zijn, heeft Maria al haar kinderen en dienaren met zich gered en aan Gods Majesteit toegewijd.

54  Niet slechts één vijandschap, maar vijandschappen heeft God gesteld, niet alleen tusschen Maria en den duivel, maar ook tusschen het geslacht der H. Maagd en dat des duivels ; d.w.z. God heeft vijandschappen, geheime gevoelens van afkeer en haat, tusschen Maria’s ware kinderen en dienaren en de kinderen en slaven des duivels gesteld : zij dragen elkander geen genegenheid toe en hebben onderling geen innerlijke gemeenschap. De kinderen Belials, de slaven van Satan, de beminnaars der wereld (dit komt op hetzelfde neer) hebben tot hiertoe steeds vervolgd en zullen meer dan ooit vervolgen alwie aan de allerheiligste Maagd toebehoort. Zoo vervolgde Caïn weleer zijn broeder Abel, en Ezau zijn broeder Jacob : voorafbeeldingen der verworpelingen en der uitverkorenen.

 

Doch de nederige Maagd zal steeds over dien trotschaard zegevieren, en wel zóó volkomen, dat Zij hem den kop, den zetel van zijn hoogmoed, zal verpletteren; Zij zal steeds zijn booze slangelisten ontmaskeren, zijn helsche hinderlagen ontdekken, zijn duivelsche plannen verijdelen, en tot aan het einde der tijden haar getrouwe dienaren tegen zijn wreede klauwen vrijwaren.

 

Doch Maria’s macht over alle duivelen zal vooral in de laatste tijden uitschitteren, wanneer Satan harer hiel zal belagen, d.i. haar nederige slaven en arme kinderen, die Zij verwekken zal om hem te bestrijden. Zij zullen gering en arm zijn volgens de wereld, voor iedereen vernederd gelijk de hiel, vertrapt en verdrukt ook als de hiel met betrekking tot de andere lichaamsdeelen ; maar daarentegen zullen zij rijk zijn aan Gods genaden, welke Maria hun overvloedig zal mededeelen ; zij zullen groot en verheven zijn in heiligheid bij God, alle schepselen door hun bezielden ijver overtreffen, en zóó krachtdadig door Gods bijstand ondersteund worden, dat zij, in vereeniging met Maria, den kop des duivels met de nederigheid van hun hiel verpletteren en Jezus Christus zullen doen zegevieren.

 

De volmaakte Godsvrucht tot de H. Maagd en de Apostelen der laatste tijden.

 

55  God wil eindelijk, dat zijn Heilige Moeder thans meer dan ooit gekend, bemind en vereerd worde.12 Dit zal zonder twijfel gebeuren, indien de uitverkorenen, door de genade en het licht van den H. Geest, de inwendige en volmaakte oefening aannemen, welke ik later zal uitleggen. Alsdan zullen zij duidelijk, voor zooverre het geloof zulks toelaat, die schoone Sterre der zee aanschouwen, en onder haar leiding, trotsch stormen en zeerovers, in behouden haven aanlanden. Alsdan zullen zij de verhevenheid dier Oppervorstinne leeren kennen en zich geheel en al, als haar onderdanen en liefdeslaven toewijden. Zij zullen haar moederlijke zoet-  en goedheden ondervinden, en Haar als haar welbeminde kinderen teder liefhebben. Zij zullen de barmhartigheden, waarmede Zij vervuld is, leeren kennen. Zij zullen inzien hoezeer zij haar hulp behoeven, en in alles tot Haar hun toevlucht nemen, als tot hun dierbare Voorspreekster en Middelares bij Jezus Christus. Zij zullen weten, dat Zij de zekerste, gemakkelijkste weg is om tot Jezus Christus te gaan, en zich met ziel en lichaam onverdeeld aan Haar overleveren, om zoo evenzoo aan Jezus Christus te behooren.

56  Doch wat zullen die dienaars, slaven en kinderen van Maria zijn ? Zij zullen een brandend vuur zijn : dienaars des Heeren, die overal het vuur der goddelijke liefde zullen ontsteken. Zij zullen sicut sagittœ in manu potentis, scherpe pijlen zijn in de hand der machtige Maria, om haar vijanden te doorboren. Zij zullen kinderen Levi’s zijn, die, geheel gelouterd door het vuur van groote wederwaardigheden en innig aan God verkleefd, het goud der liefde in het hart, den wierook des gebeds in den geest en de mirre der versterving in het lichaam dragen, en overal voor de armen en nederigen de goede geur van Jezus Christus, maar voor de grooten, rijken en hoovaardigen dezer wereld een doodsreuk zijn.

 

57  Zij zullen donderende wolken zijn, die bij de minste adem van den H. Geest door de lucht vliegen. Zonder zich ergens aan te hechten, zonder zich ergens over te verwonderen of om te bekreunen, zullen zij den regen van Gods woord en het eeuwig leven overal uitstorten. Zij zullen donderen tegen de zonde, bulderen tegen de wereld, den duivel en zijn trawanten verslaan, en allen tot wie zij vanwege den Allerhoogste gezonden worden, met het tweesnijdend zwaard van Gods woord doorsteken, ten leven of ten dood.

 

58  Zij zullen ware Apostelen der laatste tijden zijn, en de Heer des heerscharen zal hun de gave des woord geven, met de kracht om wonderen te verrichten en een eervollen buit op zijn vijanden te behalen. Zij zullen zich zonder goud of zilver, ja, meer nog, zonder zorg, te midden der andere priesters en geestelijken, inter medios cleros,13 ter ruste leggen; en toch de zilveren vleugelen der duif bezitten, om, zonder ander oogmerk dan Gods glorie en het heil der zielen, zich dáárheen te begeven waar de H. Geest hen roept ; en waar zij gepredikt hebben, zullen zij niets achterlaten dan het goud der liefde, die de vervulling is der geheele wet.

59  Wij weten, ten slotte, dat zij ware leerlingen van Jezus Christus zullen zijn, in de voetstappen tredend zijner armoede, nederigheid, wereldverachting en liefde, en den weg Gods prediken naar de zuivere waarheid, volgens het heilig Evangelie, en niet volgens de grondstellingen der wereld, zonder zich om iemand te bekreunen, zonder onderscheid des persoons en zonder eenigen sterveling, hoe machtig ook, te ontzien, aan te hooren of te vreezen. Zij zullen het tweesnijdend zwaard van Gods woord in de mond houden, den bebloeden standaard des Kruises op hunnen schouders dragen, het Kruisbeeld in de rechter-, den Rozenkrans in de linkerhand, de heilige namen van Jezus en Maria op het hart en de zedigheid en versterving van Jezus Christus in gansch hun gedrag.

Ziedaar groote mannen die zullen opstaan, maar die Maria op bevel des Allerhoogsten zal vormen, om zijn rijk over dat der goddeloozen, afgodendienaars en Mahomedanen uit te breiden. Doch, wanneer en hoe zal dit geschieden ?… God alleen weet het : ons past het te zwijgen, te bidden, te verzuchten en te verwachten: Exspectans exspectavi.14

 

TWEEDE HOOFDSTUK

 

Grondwaarheden  der Godsvrucht tot de H. Maagd

 

60  Na tot hiertoe gesproken te hebben over de noodzakelijkheid der godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, moeten wij thans zeggen waarin zij bestaat. Dit zal ik met Gods hulp doen, Na eerst eenige grondwaarheden te hebben vooropgesteld, die de groote en degelijke oefening van godsvrucht, welke ik wil blootleggen, in het licht zullen stellen.

 

 

EERSTE WAARHEID:

 

Jezus Christus is ons laatste doeleinde.

 

61 Jezus Christus , onze Verlosser, waarlijk God en waarlijk mensch, moet het laatste doeleinde zijn van al onze andere devoties; anders zijn deze valsch en bedriegelijk. Jezus Christus is de alpha en de omega,1 het begin en het einde van alles. Wij werken slechts, naar het woord des Apostels, om iederen mensch te volmaken in Jezus Christus ; want in Hem alleen woont de volheid der Godheid en alle andere volheid van genaden, deugden en volmaaktheden ; in Hem alleen zijn wij gezegend geworden met alle geestelijke zegening. Hij is immers onze eenige Meester, die ons moet onderwijzen ; onze eenige Heer, van wien wij afhankelijk zijn ; ons eenig Hoofd, waarmede wij moeten vereenigd zijn ; ons eenig Toonbeeld, waaraan wij gelijkvormig moeten worden ; onze eenige Geneesheer, die ons genezen ; onze eenige Herder, die ons voeden ; onze eenige Weg, die ons leiden moet ; onze eenige Waarheid, die wij moeten gelooven ; ons eenig Leven, dat ons moet levend maken, en ons eenig Alles in alle dingen, dat ons voldoende moet zijn. Er is geen andere naam dan de Naam Jezus onder de Hemel gegeven, waardoor wij moeten zalig worden. God heeft ons geen anderen grondslag gesteld voor onze zaligheid, volmaaktheid en glorie dan Jezus Christus : elk gebouw, dat niet op deze hechte steenrots is opgericht, is op los zand gebouwd en zal onvermijdelijk vroeg of laat instorten. Ieder geloovige, die niet met Hem vereenigd is gelijk de rank met de wijnstok, zal afvallen, verdorren, en slechts goed zijn om in het vuur te worden geworpen. Buiten Hem is alles slechts dwaling, leugen, ongerechtigheid, ijdelheid, dood en verdoeming. Indien wij echter in Jezus Christus zijn en Jezus Christus in ons, behoeven wij geen verdoeming te vreezen ; noch de Engelen des hemels, noch de menschen der aarde, noch de duivelen der hel, noch eenig ander schepsel kan ons schaden, omdat niets ons kan scheiden van de liefde Gods die in Jezus Christus is. Dóór Jezus Christus, met Jezus Christus, in Jezus Christus kunnen wij alles : alle eer en glorie aan den Vader geven in de eenheid van den H. Geest, volmaakt worden, en voor onzen evenmensch een goede geur des eeuwigen levens zijn.

 

62  Indien wij dus ijveren voor de degelijke godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, is dit enkel en alleen om die tot Jezus Christus des te volmaakter te doen beoefenen en om een gemakkelijk en zeker middel aan de hand te doen om Jezus Christus te vinden. Zoo de godsvrucht tot de H. Maagd ons van Jezus Christus verwijderde, moesten wij ze als een bedrog des duivels verwerpen. Doch verre vandaar ; deze devotie dient alleen, integendeel, zooals ik reeds aangetoond heb en verder zal aantoonen, om Jezus Christus volmaakt te vinden en getrouw te dienen.

63  Hier wend ik mij een wijle tot U, o mijn beminnelijke Jezus, om mij liefdevol bij uwe Majesteit erover te beklagen, dat de meeste Christenen, zelfs onder de geleerdste, het noodzakelijk verband niet kennen dat tusschen U en uw H. Moeder bestaat. Gij zijt, o Heer, altijd met Maria en Maria is altijd met U en kan niet zonder U zijn, want dan hield Zij op te zijn wat Zij is. Zij is zóózeer door de genade in U hervormd, dat niet Zij meer leeft, niet Zij meer bestaat ; Gij alleen, o mijn Jezus, leeft en heerscht in Haar, op volmaakter wijze dan in alle Engelen en Gelukzaligen. Ah! kende men slechts de glorie en de liefde die Gij in dit bewonderenswaardig schepsel ontvangt, men zou over U en Haar gansch andere gedachten hebben dan nu! Zij is zóó innig met U vereenigd, dat men eerder het licht zou kunnen scheiden van de zon en de hitte van het vuur, ja meer nog, dat men eerder alle Engelen en Heiligen van U zou kunnen scheiden, dan wel de allerheiligste Maagd Maria ; want Zij bemint U vuriger en verheerlijkt U volmaakter dan al uw andere schepselen te zamen.

64           Is het dan geen bevreemdend en betreurenswaardig schouwspel, o mijn beminnelijke Jezus, de onwetendheid en duisternis in te zien, waarin alle menschen hier op aarde ten opzichte uwer H. Moeder verkeeren? Ik spreek hier niet zoozeer over de afgodendienaars en heidenen, die U niet kennen, en er dus verre van af zijn Haar te kennen. Ik spreek zelfs niet van de ketters en scheurmakers, die er zich wel voor wachten uw H. Moeder te vereeren, daar zij zich van U en uw H. Kerk hebben afgescheiden. Maar ik spreek van de Katholieken en zelfs de Leeraren onder de Katholieken,2 die, alhoewel zich geroepen achtend anderen de waarheid voor te houden, U en uwe Moeder niet kennen, dan enkel op een bespiegelende, dorre, onvruchtbare en onverschillige wijze. Die Heeren spreken maar zelden over uw H. Moeder en over de godsvrucht die men tot Haar moet hebben, uit vreeze, zeggen zij, dat men er misbruik van make en U onrecht aandoe door een overdreven vereering uwer H. Moeder. Zien of hooren zij een vereerder der H. Maagd, die dikwijls en op teedere, krachtige en overredende wijze over de godsvrucht tot die goede Moeder spreekt, als over een zeker, onbedriegelijk middel, een korten, veiligen weg, een onbesmette, volmaakte baan, en een wonderbaar geheim om U volmaakt te vinden en lief te hebben, dan komen zij luide tegen hem op ; zij houden hem duizend drogredenen voor, om hem te bewijzen, dat hij niet zooveel over de H. Maagd moet spreken, dat er groote misbruiken in deze godsvrucht geslopen zijn, dat men zijn best moet doen om die uit te roeien, en dat men liever over U moet spreken dan de menschen op te wekken tot de vereering der H. Maagd, die ze reeds genoeg beminnen.

Soms hoort men hen over de godsvrucht tot uw H. Moeder spreken, niet om ze in te voeren en aan te bevelen, maar om er misbruiken van uit te roeien. Intusschen koesteren die Heeren noch vrome gevoelens, noch teedere godsvrucht jegens U, omdat zij er geene jegens Maria koesteren. Zij beschouwen de Rozenkrans, het Scapulier, het Rozenhoedje als kwezel-devoties, goed voor onwetenden en zonder welke men kan zalig worden. Valt hun een dienaar van de H. Maagd in handen, die het Rozenhoedje bidt of een andere godsvrucht te harer eere verricht, dan zullen zij hem weldra van gedachten en gewoonten doen veranderen : in plaats van het Rozenhoedje zullen zij hem de zeven boetpsalmen en in de plaats van de godsvrucht tot de H. Maagd die tot Jezus Christus aanraden.

O mijn beminnelijke Jezus, hebben die lieden uw geest? Doen zij U genoegen met aldus te handelen? Is men U welgevallig, wanneer men, uit vrees van U te mishagen, niet al het mogelijke doet uwe Moeder te behagen? Staat de godsvrucht tot uw H. Moeder de uwe in de weg? Eigent Maria zich de eer toe die men Haar bewijst? Staat Zij op zich zelf? Is Zij een vreemdelinge, die geenerlei gemeenschap met U heeft? Mis­haagt men U door Haar te willen behagen? Scheidt of verwijdert men zich van uwe liefde door zich aan Haar toe te wijden en Haar te beminnen?

65           Nochtans, mijn beminnelijke Meester, zouden de meeste geleerden, als straf voor hun hoogmoed, de geloovigen niet méér kunnen afwenden van de godsvrucht tot uw H. Moeder, en niet méér onverschilligheid aan den dag kunnen leggen, dan indien al wat ik gezegd heb, inderdaad zoo was. Behoed mij, Heer, behoed mij voor hun ziens- en handelwijzen, en geef mij eenigszins deel aan de gevoelens van dankbaarheid, stichting, eerbied en liefde, waarmede Gij ten opzichte uwer H. Moeder bezield zijt, opdat ik U des te meer beminne en verheerlijke, naarmate ik U meer van nabij zal navolgen.

66           Als had ik tot dusverre nog niets ter eere uwer H. Moeder gezegd, zoo schenk mij de genade Haar waardig te looven, in spijt van al hare vijanden, die ook de uwe zijn : Fac me digne tuam Matrem collaudare ; en gedoog, dat ik hun luide met de Heiligen toeroepe : Non prœsumat aliquis Deum se habere propitium qui benedictam Matrem offensam habuerit, « Hij rekene niet op de barmhartigheid Gods, die zijne Moeder beleedigt. »

67           Om van uw goedertierenheid een ware godsvrucht tot uw H. Moeder te verkrijgen en ze aan de heele wereld in te prenten, geef dat ik U vurig beminne, en aanvaard te dien einde het brandend gebed, dat ik met den H. Augustinus en uw ware vrienden tot U richt :

 

« Tu es Christus, Pater meus sanctus, Deus meus pius, rex meus magnus, pastor meus bonus, magister meus unus, adjutor meus optimus, dilectus meus pulcherrimus, panis meus vivus, sacerdos meum in æternum, dux meus ad patriam, lux mea vera, dulcedo mea sancta, via mea recta, sapientia mea præclara, simplicitas mea pura, concordia mea pacifica, custodia mea tota, portio mea bona, salus mea sempiterna.

« Christe Jesu, amabilis Domine, cur amavi, quare concupivi omni vita mea quidquam præter te, Jesum Deum meum ? Ubi eram, quando tecum mente non eram ? Jam ex hoc nunc, omnia desideria mea, incalescite et effluite in Dominum Jesum ; currite, satis hactenus tardastis ; properate quo pergitis ; quærite quem quæritis. Jesu, qui non amat te, anathema sit ; qui te non amat, amaritudinibus repleatur… O dulcis Jesu, te amet, in te delectetur, te admiretur omnis sensus bonus tuæ conveniens laudi. Deus cordis mei et pars mea, Christe Jesu, deficiat cor meum spiritu suo, et vivas tu in me, et concalescat spiritu meo vivus carbo amoris tui, et excrescat in ignem perfectum ; ardeat jugiter in ara cordis mei ; ferveat in medullis meis, flagret in absconditis animæ meæ ; in die consummationis meæ cosum­matus inveniar apud te. Amen.3 »

 

TWEEDE WAARHEID:

Wij behooren als slaven aan Jezus en Maria toe.

 

 68           Uit hetgeen Jezus Christus ten onzen opzichte is, moeten wij besluiten, dat wij, naar het woord des Apostels, niet aan ons zelf, maar geheel en al aan Hem toebehooren,4 als zijn ledematen en slaven, die Hij oneindig duur gekocht heeft, ten koste nl. van al zijn bloed. Vóór het Doopsel behoorden wij als slaven aan de duivel. Het Doopsel heeft ons echter tot waarachtige slaven van Jezus Christus gemaakt ; als dusdanig moeten wij leven, werken en sterven, alleen om vrucht te dragen voor dien Godmensch, Hem in ons lichaam te verheer­lijken en in onze ziel te doen heerschen ; wij zijn immers zijn buit, zijn aangenomen volk en erfdeel. Om diezelfde reden vergelijkt de H. Geest5 ons : 1˚ met boomen, langs de wateren der genade in het veld der Kerk geplant, en die op tijd hun vruchten moeten opbrengen ; 2˚ met wijnranken, waarvan Jezus Christus de stam is, en die goede druiven moet opleveren ; 3˚ met een kudde, waarvan Jezus Christus de Herder is, en welke zich moet vermenigvuldigen en melk geven ; 4˚ met een goeden akker, waarvan God de bebouwer is en waarin het zaad zich vermenigvuldigt en dertig-, zestig- of honderdvoudige vruchten opbrengt. Jezus Christus heeft den onvruchtbaren vijgenboom vervloekt en den onnutten dienstknecht, die zijn talent niet voordeelig besteed had, veroordeeld.

Dit alles bewijst ons dat Jezus Christus eenig vrucht van ons, nietige schepselen, wil ontvangen, t.w. onze goede werken, die Hem uitsluitend toekomen : Creati in operibus bonis in Christo Jesu, « Geschapen tot goede werken in Christus Jezus. » Uit deze woorden van de H. Geest blijkt : én dat Jezus Christus het eenig beginsel is en het eenig doeleinde moet zijn van al onze goede werken, én dat wij Hem moeten dienen niet slechts als loontrekkende dienaars, maar als slaven uit liefde. Ik verklaar mij nader.

69           Men kan op tweeërlei wijze hier op aarde aan een ander toebehooren en aan zijn gezag onderworpen zijn : door gewone dienstbaarheid of door slavernij ; daarom ook spreken wij van een dienaar en een slaaf. Door gewone dienstbaarheid, bij de Christenen, verbindt men zich om een ander gedurende een bepaalden tijd te dienen, tegen een zekere huur of vergoeding.

Door slavernij is men geheel en al afhankelijk van een ander voor gansch zijn leven, en moet men zijn meester dienen zonder aanspraak te kunnen maken op de minste huur of vergoeding, als was men een dier, waarover de meester recht heeft van leven of dood.

70           Er bestaat een drievoudige slavernij : de slavernij van nature, de slavernij uit dwang en de slavernij uit vrijen wil. Alle schepselen zijn slaven van God op de eerste wijze : Domini est terra et plenitudo ejus, « aan den Heer behoort de aarde en hare volheid; » 5 de duivelen en de verdoemden op de tweede, de rechtvaardigen en Heiligen op de derde. De slavernij uit vrijen wil is het volmaakst, zij is ook het glorierijkst voor God, die naar het hart ziet,6 het hart vraagt en zich God des harten of den Liefdevollen wil noemt. Door deze slavernij immers verkiest men God en zijn dienst boven alles, zelfs indien de natuur ons niet daartoe verplichtte.

71           Er bestaat een volkomen verschil tusschen een dienaar en een slaaf.

1˚ De dienaar geeft zijn meester niet al wat hij is, nóch al wat hij bezit, nóch al wat hij door een ander of door zichzelf verkrijgen kan ; de slaaf daarentegen geeft zich geheel en al aan zijn meester, met al wat hij heeft en kan verkrijgen, zonder het minste voorbehoud.

2˚ De dienaar vordert loon voor de diensten die hij zijn meester bewijst ; de slaaf daarentegen kan niets van hem vorderen, met hoeveel volharding, bekwaamheid en inspanning hij ook werkt.

3˚ De dienaar kan zijn meester verlaten wanneer hij wil, of tenminste wanneer zijn diensttijd verstreken is ; de slaaf daarentegen is niet gerechtigd zijn meester naar willekeur te verlaten.

4˚ De meester heeft geenerlei recht van leven of dood op zijn dienaar, en zou dus, door hem als een zijner lastdieren te dooden, een onrechtvaardigen manslag begaan ; wel echter heeft hij, krachtens de wet, recht van leven en dood op zijn slaaf, en kan hij hem dus verkoopen aan wie hij wil, ofwel hem dooden, zooals hij, alle vergelijking daargelaten, met een paard zou doen.

5˚ De dienaar eindelijk, is maar voor een tijd in zijns meesters dienst, de slaaf daarentegen voor altijd.

72           Onder de menschen is er niets dat ons meer aan een ander doet toebehooren dan de slavernij ; onder de Christenen is er ook niets dat ons volkomener aan Jezus Christus en aan zijn H. Moeder doet toebehooren dan de slavernij uit vrijen wil. Jezus Christus zelf strekt ons hierin tot Toonbeeld, daar Hij, uit liefde tot ons, de gedaante van een slaaf heeft aangenomen : Formam servi accipiens.7 Zoo ook de H. Maagd, die zich den naam gaf van dienstmaagd en slavin des Heeren. De Apostel stelt er een eer in, zich servus Christi, slaaf van Christus te noemen8. De Christenen worden meermalen in de H. Schrift servi Christi (slaven van Christus) genoemd. Volgens de juiste opmerking van een groot man, had dit woord servus eertijds geen andere beteekenis dan die van slaaf, want toen bestonden er nog geen dienaars zooals nu, en hadden de meesters uitsluitend slaven of vrijgelatenen in dienst. Om niet de minsten twijfel hieromtrent te laten, (of wij namelijk slaven van Jezus Christus zijn,) bezigt de Catechismus van het H. Concilie van Trente een ondubbelzinnige uitdrukking en noemt ons mancipia Christi, « slaven van Jezus Christus. »

73           Nu dit vaststaat, besluit ik, dat wij Jezus Christus  moeten toebehooren en Hem dienen, niet enkel als huurlingen, maar als liefdevolle slaven,9 die, onder den drang eener groote liefde, zich aan Hem geven en overleveren, om Hem in hoedanigheid van slaven te dienen, voor de eer alleen van aan Hem te behooren. Voor het Doopsel waren wij slaven des duivels ; door het Doopsel zijn wij slaven van Jezus Christus geworden : de Christenen moeten ofwel slaven des duivels, ofwel slaven van Jezus Christus zijn.

74           Wat ik in volstrekten zin van Jezus Christus zeg, zeg ik in betrekkelijke zin van de H. Maagd. Daar Jezus Christus Haar tot onafscheidelijke Gezellin gekozen heeft van zijn leven, dood en glorie, en van zijne macht in den hemel en op aarde, heeft Hij Haar door genade, met betrekking tot zijne Majesteit, dezelfde rechten en voorrechten geschonken als Hij van nature bezit: Quidquid Deo convenit per naturam, Mariœ convenit per gloriam… « Wat God van nature toekomt, komt Maria toe door genade, » zeggen de Heiligen. Volgens de Heiligen dus hebben Beiden denzelfden wil en dezelfde macht, en bijgevolg ook dezelfde onderdanen, dienaars en slaven.

75           Men kan zich derhalve, naar het gevoelen der Heiligen en van vele groote mannen, slaaf uit liefde noemen en maken van de allerheiligste Maagd, om aldus des te volmaakter slaaf van Jezus Christus te zijn. De H. Maagd is het middel waarvan Onze Heer zich bediend heeft om tot ons te komen ; Zij is ook het middel waarvan wij ons moeten bedienen om tot Hem te gaan. Zij is niet gelijk de andere schepselen, die, als wij er ons aan hechten, ons eerder van Hem zouden kunnen verwijderen, dan ons nader tot Hem brengen. Maria echter verlangt niets vuriger dan ons met Jezus Christus, haren Zoon, te vereenigen, en haar Zoon verlangt niets vuriger, dan dat wij door zijn H. Moeder tot Hem komen. Hierdoor doet men Hem eer en genoegen aan, zooals men het een koning zou doen, wanneer men, om des te volmaakter zijn onderdaan en slaaf te worden, slaaf der koningin werd. Daarom zeggen de HH. Vaders, en na hen de H. Bonaventura, dat de H. Maagd de weg is om tot Onze Heer te komen : Via veniendi ad Christum est appropinquare ad illam (psalt. majus B. V. Ps. 117).

76           Trouwens, indien de H. Maagd, zooals ik reeds in overeenstemming met de HH. Anselmus, Bernardus, Bernardinus en Bonaventura gezegd heb, Koningin en Oppervorstin is van hemel en aarde : Ecce imperio Dei omnia subjiciuntur et Virgo ; ecce imperio Virginis omnia subjiciuntur et Deus,10 heeft Zij dan niet evenveel onderdanen en slaven als er schepselen zijn ? Is het niet redelijk, dat er onder zooveel slaven uit dwang, ook slaven uit liefde gevonden worden, die Maria uit vrijen wil tot hun Oppervorstinne kiezen ? Hoe ! menschen en duivelen zouden hun vrijwillige slaven hebben, en Maria niet ? Hoe ! een koning zal het zich tot een eer rekenen, dat de koningin, zijn gade, slaven heeft waarop zij recht van leven en dood bezit, wijl de eer en de macht van den een eer en den macht van den ander is ; en men zou kunnen gelooven, dat Onze Heer, die als de beste aller zonen zijn H. Moeder heeft doen deelen in al zijn macht, het kwalijk zou nemen dat Zij slaven had ? Heeft Hij minder eerbied en liefde voor zijne Moeder dan Assuerus voor Esther of Salomon voor Bethsabee ? Wie zou het kunnen beweren of ook maar denken ?

 

77           Doch waar voert mijn pen mij heen? Waarom stilgestaan om een zoo duidelijke waarheid te bewijzen? Wil men zich niet slaaf van de H. Maagd noemen, het zij zoo! Men worde en noeme zich slaaf van Jezus Christus, dan is men het meteen van de H. Maagd, wijl Jezus de vrucht en de glorie van Maria is.

Dit geschiedt op volmaakte wijze door de devotie, waarover wij verder zullen spreken.

 

DERDE WAARHEID:

 

Wij moeten ons zuiveren van wat er verkeerds in ons is.

 

78     Onze beste handelingen worden gewoonlijk bezoedeld en bedorven door onzen kwade ondergrond. Giet men zuiver en helder water in een kwalijkriekend vat, of wijn in een fust dat van binnen door anderen wijn verzuurd werd, dan bederven het heldere water en de goede wijn en nemen zij lichtelijk den kwaden reuk over. Zoo ook, wanneer God den hemelschen dauw zijner genaden en den heerlijken wijn zijner liefde in het vat onzer ziel stort, dat door erf- en dadelijke zonde verzuurd is, dan worden die gaven gewoonlijk bedorven en besmet door den slechten zuurdeesem en den kwaden ondergrond, welke de zonde in ons heeft achtergelaten ; onze daden, zelfs die der verhevenste deugden, lijden er door. Om de volmaaktheid te bereiken, die alleen door de vereeniging met Jezus Christus verkregen wordt, is het dus van zeer groot belang, ons te ontledigen van al wat verkeerd in ons is : anders zal Onze Heer, die oneindig zuiver is en de minste zielesmet oneindig verafschuwt, ons van voor zijn aanschijn verwerpen en zich niet met ons vereenigen.

79           Om ons van ons zelf te ontledigen moeten wij :

1˚ Goed weten, door de voorlichting des H. Geestes, hoe slecht wij zijn in het diepst van ons binnenste, hoe onbekwaam tot alle goed, hoe zwak in alle opzicht, hoe onstandvastig ten alle tijde, hoe onwaardig tot elke genade en hoe ongerechtigd bij iedere gelegenheid. De zonde van onzen eersten vader heeft ons allen tot een staat van ontbinding, verzuring, gisting en bederf doen overgaan, zooals zuurdeesem het heele deeg, waarmede het vermengd wordt, verzuren, gisten of bederven doet. De dadelijke zonden door ons bedreven, doodzonden of dagelijksche zonden, al zijn ze ook vergeven, hebben onze begeerlijkheid, zwakheid, onstandvastigheid en bedorvenheid vermeerderd, en kwade overblijfselen in onze ziel achtergelaten. Ons lichaam is zóó bedorven, dat het door den H. Geest genoemd wordt : lichaam van zonde, in zonde ontvangen, in zonde gevoed en slechts tot zonde in staat. Het is aan duizenden en duizenden ziekten blootgesteld, gaat dage­lijksch tot ontbinding over en teelt niets dan schurft, ongedierte en bederf. Onze ziel, met ons lichaam vereenigd, is zóó vleeschelijk geworden, dat zij vleesch wordt genoemd : Alle vleesch had zijnen weg bedorven.11 Ons eenig deel is hoogmoed en verblinding des geestes, verstoktheid des hartes, zwakheid en onstandvastigheid der ziel, begeerlijke, oproerige driften en ziekten des lichaams. Van nature12 zijn wij hoovaardiger dan pauwen, meer aan de aarde gehecht dan padden, afschuwelijker dan bokken, nijdiger dan slangen, gulziger dan zwijnen, driftiger dan tijgers, trager dan schildpadden, zwakker dan rietstengels en onbestendiger dan weerhanen. Uit ons zelf hebben we slechts het niet en de zonde, en verdienen wij niets anders dan de gramschap Gods en de eeuwige hel.

80           Moet het dan nog verwondering wekken, zoo Onze Heer gezegd heeft, dat al wie Hem wil navolgen, zich zelf moet verloochenen en zijne ziel haten ; dat alwie zijne ziel liefheeft, haar zal verliezen, en wie haar haat, haar zal bewaren?13. Deze oneindige Wijsheid, die niets zonder reden voorschrijft, gebiedt ons juist dáárom ons zelf te haten, omdat wij grootelijks haat verdienen ; niets verdient zoozeer onze liefde als God, niets zoozeer onzen haat als wij zelf.

 

81           2˚ Om ons van ons zelf te ontledigen, moeten wij dagelijksch aan ons zelf sterven, d.w.z. verzaken aan de werkingen onzer zielsvermogens en zintuigen : wij moeten zien, als zagen wij niet ; hooren als hoorden wij niet ; ons van de dingen dezer wereld bedienen, als deden wij het niet ;14 ziedaar wat de H. Paulus noemt : « dagelijksch sterven », Quotidie morior.15 Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen en brengt geen goede vrucht voort : Nisi granum frumenti cadens in terram mortuum fuerit, ipsum solum manet.16 Sterven wij niet aan ons zelf en voeren onze heiligste devoties ons niet tot dezen noodzakelijken en vruchtbaren dood, zoo zullen wij geen deugdelijke vruchten dragen en geen voordeel trekken uit onze oefeningen van gods­vrucht ; al onze goede werken zullen door onze eigenliefde en onzen eigenwil besmet worden, met gevolg, dat God onze grootste offers en volmaakste handelingen zal verafschuwen, dat wij bij onzen dood met ledige handen zullen bevonden worden, d.w.z. zonder deugden of verdiensten, en wij zelfs geen vonkje zullen bezitten van die zuivere liefde, welke slechts geschonken wordt aan de zielen, die aan zich zelf gestorven zijn en wier leven verborgen is met Jezus Christus in God.17

 

82           3˚ Onder al de devoties tot de allerheiligste Maagd moeten wij diegenen uitkiezen, welke ons het meest tot dit afsterven aan ons zelf brengt ; want deze is de beste en zal ons meest heiligen. Men denke niet, dat al wat er blinkt goud is ; noch al wat er zoet is, honig ; en ook niet dat al wat gemakkelijk is en door den grooten hoop beoefend wordt, het meest heiligt. Zooals er natuurgeheimen bestaan, om zekere natuurlijke werken in weinig tijd en op goedkoope en gemakkelijke wijze te verrichten, zoo bestaan er ook geheimen in de orde der genade, om in weinig tijd, op zachte en ge­makkelijke wijze, bovennatuurlijke werken te verrichten, zich van zichzelf te ontledigen, zich met God te vervullen en volmaakt te worden. De oefening van godsvrucht welke ik bekend wil maken, is een dier genadegeheimen, onbekend aan de meeste Christenen, slechts door enkele vrome lieden begrepen en door een nog veel kleiner aantal toegepast en gewaardeerd.

Om met de verklaring dezer oefening een aanvang te maken, volgt hier een vierde waarheid, die uit de derde voortvloeit.

 

VIERDE WAARHEID:

Wij hebben een Middelares noodig bij onzen goddelijke Middelaar, Jezus Christus.

 

83           Het is volmaakter, wijl het nederiger is, niet uit ons zelf en zonder middelaar tot God te naderen. Het diepste van ons binnenste is zóó bedorven, gelijk ik zooeven heb aangetoond, dat, indien wij op onze eigen daden, op ons eigen vernuft en onze eigen voorbereiding steunen om tot God te komen en Hem te behagen, al onze goede werken zeker besmet zullen zijn en maar weinig bij God zullen vermogen, om Hem te bewegen zich met ons te vereenigen en ons te verhooren. ’t Is dan ook niet zonder reden, dat God ons middelaars heeft gegeven bij zijne Majesteit. Hij zag onze onwaardigheid en onbekwaamheid, had medelijden met ons en schonk ons, om ons in staat te stellen zijn barmhartigheden deelachtig te worden, machtige voorsprekers bij zijne verhevenheid. Door deze middelaars voorbij te gaan en rechtsstreeks, zonder aanbeveling, tot zijne heiligheid te naderen, zou men een gemis toonen aan nederigheid, een gemis ook aan eerbied voor een zoo hoog verheven en heiligen God. Men zou dan dien Koning der koningen met minder onderscheiding behandelen dan een koning of vorst dezer aarde, tot wien men niet zou durven naderen zonder de voorspraak van een vriend.

84           Onze Heer is onze Voorspreker en Middelaar door verlossing bij God den Vader. Door Hem moeten wij bidden met geheel de zegevierende en strijdende Kerk. Door Hem hebben wij toegang tot Gods Majesteit. Nooit moeten wij voor den Vader verschijnen, dan steunende op Jezus’ verdiensten en hiermede als het ware bekleed, zooals de jeugdige Jacob met geitenvellen bekleed voor zijn vader Isaäc verscheen om diens zegen te ontvangen.

 

85           Doch hebben wij geen bemiddeling bij den Middelaar zelf noodig? Zijn wij zuiver genoeg, om ons rechtstreeks en uit ons zelf met Hem te vereenigen? Is Hij niet God, in alles gelijk aan zijn Vader, en bijgevolg de Heilige der Heiligen, even eerbiedwaardig als zijn Vader? Zoo Hij al, uit oneindige liefde, onze borg en Middelaar is geworden bij God zijn Vader, om diens toorn te bedwingen en onze schuld af te doen, is dat reden om minder eerbied en ontzag voor zijne majesteit en heiligheid te koesteren?

Verklaren wij dan rondborstig met de H. Bernardus, dat wij een middelaar bij den Middelaar zelf behoeven en dat Maria, de Moeder van God, het best in staat is deze liefderijke bediening te vervullen. Door Haar is Jezus Christus tot ons gekomen, door Haar ook moeten wij tot Hem gaan. Indien wij vreezen, rechtstreeks tot Jezus Christus, onzen God, te naderen, hetzij om zijn oneindige grootheid, hetzij om onze geringheid en zonden, roepen wij dan vrijmoedig de hulp en de voorspraak in van Maria, onze Moeder : Zij is goed, Zij is teeder ; er is niets in Haar dat streng of terugstootend, niets dat te verheven of te schitterend is ; in Haar zien wij onze zuivere natuur. Zij is niet als de zon, die ons, wegens onze zwakheid, door de felheid harer stralen zou kunnen verblinden ; maar Zij is schoon en zacht als de maan, die haar licht van de zon ontvangt en het verzacht om het dragelijk te maken voor onze zwakke oogen. Zij is zóó liefderijk, dat Zij niemand die hare voorspraak inroept, afwijst, hoe groot zondaar hij ook moge weze ; want, zoo verklaren de Heiligen, nog nooit, zoolang de wereld bestaat, heeft men hooren zeggen, dat iemand met vertrouwen en volharding zijne toevlucht tot de H. Maagd heeft genomen en door Haar verstoten werd. Zij is zóó machtig, dat Zij nooit een weigering heeft bekomen op haar gebeden : Zij behoeft zich slechts bij haar Zoon te vertoonen om Hem een gunst te vragen ; aanstonds stemt Hij toe, aanstonds neemt Hij haar gebed aan : altijd laat Hij zich liefderijk overwinnen door den boezem, den schoot en de smeekingen zijner allerdierbaarste Moeder.

86           Dit alles is ontleend aan den H. Bernardus en den H. Bonaventura. Volgens hen dus zijn er drie trappen om tot God te gaan ; de eerste, het dichtstbij en het gemakkelijkst te bereiken, Maria ; de tweede is Jezus Christus, en de derde God de Vader. Om tot Jezus te komen, moeten wij tot Maria gaan ; Zij is onze Middelares door hare voorbede. Om tot den eeuwige Vader te komen, moeten wij tot Jezus gaan : Hij is onze Middelaar door verlossing. Welnu, door de godsvrucht, welke ik later zal leeren, wordt deze orde volkomen bewaard.

 

 

VIJFDE WAARHEID

 

 

Wij loopen gevaar onze geestelijke
schatten te verliezen.

 

 

87           Wegens onze zwakheid en broosheid is het ons zeer moeilijk, de genade en de schatten die wij van God ontvangen hebben, te bewaren.

Immers 1˚ Wij dragen dezen schat, die meer waard is dan hemel en aarde, in broze vaten : Habemus thesaurum istum in vasis fictilibus18 ; in een vergankelijk lichaam, in een zwakke en onstandvastige ziel, die door eene nietigheid in de war raakt en terneergeslagen wordt.

88           2˚ De duivelen, die geslepen dieven zijn, trachten ons onverwachts te overvallen, om ons te bestelen en uit te plunderen : dag en nacht bespieden zij het gunstig oogenblik ; daarom zwerven zij onophoudelijk rond, om ons te verslinden en ons in een enkel oogenblik, door ééne zonde, alles te ontnemen wat wij in vele jaren aan genaden en verdiensten hebben kunnen verkrijgen. Hun boosaardigheid, hun ondervinding, hun listen en hun aantal moeten ons die ramp ten zeerste doen vreezen. Anderen immers, meer met genaden vervuld, rijker aan deugden, op meer ervaring steunend en hooger in heiligheid verheven, zijn jammerlijk verrast, bestolen en geplunderd geworden. Ach! hoeveel ceders van den Libanon, hoeveel sterren van het uitspansel heeft men ellendig zien neer­vallen en alle verhevenheid en luister in weinig tijds verliezen! Vanwaar die vreemde ommekeer? Niet uit gemis aan genade, want deze ontbreekt niemand, maar uit gemis aan nederigheid. Zij waanden zich sterker en machtiger dan zij waren ; zij waanden zich in staat hunnen schat te bewaren ; zij vertrouw­den en steunden op zich zelf ; hun huis leek veilig, hun kisten sterk genoeg ter bewaring van den kostbaren schat der genade. Juist om dit onmerkbaar zelfvertrouwen, alhoewel zij slechts op de genade Gods meenden te steunen, liet de allerrechtvaardigste Heer hen aan zichzelf over en stond aldus toe, dat zij bestolen werden. Helaas ! hadden zij de bewonderenswaardige godsvrucht gekend, die ik naderhand zal uitleggen, zij zouden hun schat aan een machtige en getrouwe Maagd hebben toevertrouwd ! Deze had hem als haar eigen goed voor hen bewaard, en zou dit als een plicht van rechtvaardigheid hebben beschouwd.

89           3˚ Om het groote bederf der wereld is het moeilijk, in de genade te volharden. De wereld is thans zoo bedorven dat de godvreezende zielen als het ware noodzakelijk, zoo niet door haar slijk, dan toch door haar stof bezoedeld worden. Het is dan ook een soort mirakel, wanneer iemand pal blijft staan te midden van dien onstuimige stroom, zonder meegesleept te worden, te midden van die stormachtige zee, zonder verzwolgen of door zeerovers en kapers geplunderd te worden, te midden van die verpeste lucht, zonder er nadeel van te lijden. De eenig­getrouwe Maagd, in wie de slang nooit het minste aandeel heeft gehad, doet dit wonder ten gunste van wie Haar op volmaakte wijze dienen.

 

 

 

 

DERDE HOOFDSTUK

 

___

 

Keuze

van de Ware Godsvrucht

tot de H Maagd

 

 

  • I.

 

 

De valsche devoties

tot de H. Maagd.

 

 

90  Nu deze vijf waarheden zijn voor­opgesteld, moeten wij thans, meer dan ooit, een goede keus doen van de ware godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, want er bestaan meer valsche devoties tot Haar dan ooit, en men kon ze licht voor echt houden. Reeds zoovele zielen heeft de duivel, als een valsche munter en een geslepen en ervaren bedrieger, door een valsche godsvrucht tot de allerheiligste Maagd misleid en in ’t verderf gestort, dat hij zich dagelijks zijn duivelsche ondervinding ten nutte maakt, om vele anderen ten ondergang te brengen, door hen in hun zonden te paaien en in slaap te sussen, onder voorwendsel van eenige slecht verrichte gebeden en uitwendige oefeningen, welke hij hun ingeeft. Een valsche munter maakt gewoonlijk slechts goud en zilver na, en maar uiterst zelden andere metalen, omdat dit de moeite niet loont ; zoo ook vervalscht de booze geest niet zoozeer de andere devo­ties als die tot Jezus en Maria : de devotie der H. Communie en die tot de H. Maagd ; want deze zijn met betrekking tot de andere devoties, wat het goud en het zilver met betrekking tot de andere metalen zijn.

 

91  ’t Is dus van ’t grootste belang : 1˚ de valsche devoties tot de H. Maagd te leeren kennen om die te vermijden, en de ware om die te omhelzen ; 2˚ onder zooveel verschillende oefeningen van de ware godsvruchts tot de H. Maagd, diegene te leeren kennen welke het volmaakst is, het aangenaamst aan de H. Maagd, het glorierijkst aan God en het meest heiligmakend voor ons : deze moeten wij kiezen.

 

92  Ik tel zeven soorten van valsche vereerders der H Maagd en van valsche devoties tot Haar, nl. :1˚ de vittende, 2˚ de angstvallige, 3˚ de uiterlijke, 4˚ de vermetele, 5˚ de onstandvastige, 6˚ de schijnheilige, 7˚ de baatzuchtige vereerders.

 

93  De vittende1 vereerders zijn gewoonlijk trotsche geleerden ; verwaande, eigenwijze lieden, die wel eenige godsvrucht tot de H Maagd bezitten, maar op bijna alle god-vruchtige oefeningen, door eenvoudige lieden ter eere dezer goede Moeder verricht, iets hebben aan te merken, omdat ze niet naar hun zin zijn. Alle wonderen en verhalen, door geloofwaardige schrijvers medegedeeld of aan de kronieken der kloosterorden ontleend, en die getuigenis afleggen van de barmhartigheid en macht der allerheiligste Maagd, trekken zij in twijfel. Slechts noode zien zij eenvoudige en nederige menschen voor een altaar of beeld der H. Maagd nedergeknield, soms wel op den hoek eener straat, om daar tot God te bidden. Zij beschuldigen hen zelfs van afgoderij, alsof zij hout of steen aanbaden. Wat hen betreft—zoo zeggen zij—zij houden niet van uiterlijke devoties en zijn niet zoo zwakhoofdig om geloof te hechten aan alle verhaaltjes en vertelseltjes, die omtrent de H Maagd worden uitgekraamd. Houdt men hun de heerlijke lofprijzingen voor, die de HH. Vaders Haar hebben gegeven, dan antwoorden zij, dat dezen, als redenaars, in overdreven bewoordingen gesproken hebben ; ofwel zij geven verkeerde uitlegging aan hun woorden. Dergelijke valsche vereerders, hoogmoedige en wereldsche lieden, zijn zeer te vreezen ; zij doen oneindig veel kwaad aan de godsvrucht tot de H. Maagd, welke misbruiken zij voorgeven uit te roeien, maar waarvan zij de geloovigen werkelijk verwijderen.

 

94           De angstvalllige vereerders zijn lieden die vreezen, dat zij den Zoon onteeren door de Moeder te eeren ; dat zij Hem vernederen door Haar te verheffen. Zij kunnen niet lijden, dat men de H. Maagd den uiterst rechtmatigen lof geve, dien de HH. Vaders Haar gegeven hebben. Zij dulden slechts noode, dat er meer personen voor een altaar van de H. Maagd dan voor het H. Sacrament liggen neergeknield, als ware het eene in strijd met het andere, en als richtten degenen die tot de H. Maagd bidden, hun gebeden niet door Haar tot Jezus Christus ! Zij willen niet, dat men zoo dikwijls over de H. Maagd spreke, dat men zich zoo dikwijls tot Haar wende. Ziehier eenige hunner geliefkoosde spreuken : « Waartoe dienen al die roozenhoedjes, al die broederschappen en uiterlijke devoties tot de H Maagd? Daar schuilt vrij wat onwetendheid achter ! Zoo maakt men van onzen godsdienst een mommespel! Spreek mij van vereerders van Jezus Christus ; (zij noemen Hem dikwijls,—tusschen twee haakjes gezegd,—zonder het hoofd te ontblooten) men moet zijn toevlucht nemen tot Jezus Christus, onzen eenige Middelaar ; men moet Jezus Christus prediken, dat is degelijke godsvrucht! » Wat zij zeggen is in zekeren zin waar ; maar door het misbruik, dat zij ervan maken om de godsvrucht tot de allerheiligste Maagd tegen te werken, onder voorwendsel van iets beters na te streven, wordt het zeer gevaarlijk en is het en sluwe list van den booze. Want nooit eert men Jezus Christus meer, dan wanneer men de allerheiligste Maagd meer eer bewijst, wijl men Haar slechts eert om Jezus Christus volmaakter te eeren, en slechts tot Haar gaat als tot den weg om Jezus, het doel van ons streven, te bereiken.

 

95           Met den H. Geest prijst de H. Kerk het eerst de H. Maagd, en dan Jezus Christus : benedicta tu in mulieribus, et benedictus fructus ventris tui, Jesus. Niet dat de H Maagd de meerdere is van Jezus Christus ; zulks te beweren ware niet te dulden ketterij ; maar om Jezus Christus te prijzen, moet men eerst Maria prijzen. Roepen wij dus met alle ware vereerders der H. Maagd tegen de valsche, angstvallige vereerders uit : O Maria, gezegend zijt Gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams, Jezus.

 

96           De uiterlijke vereeders zijn lieden, die de geheele godsvrucht tot de allerheiligste Maagd in uiterlijke oefeningen doen bestaan en alleen smaak vinden in het uiterlijke dier devotie, omdat zij den geest van het inwendige leven niet bezitten. Zij zullen in der haast een menigte rozenhoedjes bidden, verscheidenen missen zonder aandacht hooren, op bedevaart gaan zonder devotie, lid worden van alle mogelijke broederschappen, zonder hun leven te beteren, hun driften te bedwingen of de deugden dier allerheiligste Maagd na te volgen. Zij houden alleen van het gevoelige der devotie en vinden geen smaak in het degelijke daarvan. Wordt hun gevoel niet bevredigd in hun oefeningen, dan dunkt hun, dat zij niets meer uitrichten, dan raken zij in de war, laten alles varen of doen het met horten en stooten. De wereld is vol van zulke vereerders, en er bestaan geen grooter bevitters dan hen, die innerlijk met God omgaan en zich op het uitwendige als op het voornaamste toeleggen, zonder de uiterlijke ingetogenheid, die steeds met de ware godsvrucht gepaard gaat, te versmaden.

 

97           De vermetele vereerders zijn zondaars, die zich door hun hartstochten laten meesleepen, of wereldsche menschen die, onder de schoonen naam van Christenen en vereerders der H. Maagd, hoogmoed, gierigheid, onkuischheid, dronken-schap, toorn, vloeken, kwaadspreken, onrechtvaardigheid, of iets dergelijks verbergen. Zij blijven rustig voortslapen in hun slechte gewoonten en doen zich niet veel geweld aan, om hun leven te beteren, onder voorwendsel dat zij de H. Maagd vereeren. Zij paaien zich met hoop, dat God hun vergiffenis zal schenken ; dat zij niet zonder biecht zullen sterven en niet zullen verloren gaan, omdat zij het rozenhoedje bidden, des Zaterdags vasten, lid zijn van een Broederschap van den H. Rozenkrans of van het Scapulier, ofwel van een harer Congregaties ; omdat zij het Scapulier of het kettinkje der H. Maagd dragen, enz. Wijst men hen erop, dat hun godsvrucht slechts bedrog des duivels is en een verderfelijke vermetelheid, wel geschikt om hen te doen verloren gaan, dan willen zij daar niets van weten. God, zoo zeggen zij, is goed en barmhartig ; Hij heeft ons niet geschapen om ons te verdoemen ; daar is geen mensch, of hij zondigt wel eens ; zij zullen niet zonder biecht sterven ; een oprecht peccavi bij den dood is voldoende ; trouwens, zij vereeren de H. Maagd, dragen het Scapulier, bidden dagelijks, zonder fout en ijdelheid, zeven Onze Vaders en zeven Wees gegroeten te harer eere, soms zelfs het rozenhoedje en de getijden der H. Maagd ; zij vasten, enz. Om hun gezegde te staven en zich nog meer te verblinden, voeren zij eenige verhalen aan, die zij gehoord of in boeken gelezen hebben,—waar of onwaar, dat doet er niet toe,—waarin verzekerd wordt, dat personen, die in doodzonde en zonder biecht gestorven waren, maar die tijdens hun leven eenige gebeden of godvruchtige oefeningen tot de H. Maagd verricht hadden, om die reden uit den dood verrezen zijn, teneinde hunne biecht te kunnen spreken ; of, dat hun ziel op wonderdadige wijze met hun ziel vereenigd bleef, totdat zij gebiecht hadden ; ofwel, dat zij, door de goedertierenheid der H. Maagd, op hun sterfbed berouw en vergiffenis van hun zonden verkregen hebben en zoodoende zalig zijn geworden. Datzelfde hopen ook zij.

98           Niets is zoo afkeurenswaardig onder de Christenen als deze duivelsche vermetelheid : kan men immers in waarheid beweren, dat men de H. Maagd liefheeft en vereert, wanneer men Jezus Christus, harer Zoon, door zijn zonden kwetst, doorsteekt, kruisigt en wreedaardig beleedigt? Indien Maria zich tot regel stelde zulke lieden uit barmhartigheid zalig te maken, zou Zij de misdaad wettigen en haar goddelijke Zoon helpen kruisigen en beleedigen. Wie zou dit ooit durven denken?

99           Ik beweer, dat men, door aldus misbruik te maken van de godsvrucht tot de H. Maagd,— de heiligste en degelijkste godsvrucht na die van Onzen Heer in het allerheiligst Sacrament,— gruwelijke heiligschennis begaat, en wel de grootste en minst vergeeflijke na die der onwaardige Communie.

Ik geef toe, dat het, om een waar vereerder van de H. Maagd te wezen, niet volstrekt noodzakelijk is zóó heilig te zijn, dat men iedere zonde vermijdt, ofschoon dit te wenschen ware ; doch men moet althans (men lette wel op hetgeen ik zeg) :               1˚ oprecht voornemens zijn ten minste elke doodzonde te vermijden, die zoowel de Moeder als de Zoon beleedigt ;

2˚ zich geweld aandoen om de zonden te vermijden ; 3˚ lid worden van een of andere Broederschap, een rozenhoedje, den rozenkrans of andere gebeden bidden, des Zaterdags vasten, enz.

 

100         Dit alles draagt wonderlijk veel bij tot de bekeering van zelfs een verstokt zondaar. Is mijn lezer soms in dien toestand, al stond hij reeds met één voet in den afgrond, dan raad ik hem dit aan, onder beding evenwel, dat hij deze goede werken alleen verrichte met het doel om van God, door de voorspraak van de H. Maagd, de genade van ’t berouw en de vergiffenis zijner zonden te verkrijgen, alsmede de kracht om zijn slechte gewoonten te overwinnen ; niet echter om rustig in staat van zonde te blijven voortleven, ondanks gewetenswroegingen, on-danks het voorbeeld van Jezus Christus en de heiligen, ondanks de voorschriften van het H. Evangelie.

 

101         De onstandvastige vereerders zijn lieden, die de H. Maagd bij tusschenpozen en bij vlagen vereeren : nu eens zijn zij vurig, dan weer lauw ; nu eens schijnen zij tot alles bereid om Haar te dienen, en een weinig later zijn zij dezelfden niet meer. Zij omhelzen eerst alle devoties tot de H. Maagd en laten zich in alle Broederschappen inschrijven, maar komen er de voorschriften niet getrouw van na. Zij veranderen als de maan ; daarom stelt Maria hen, met de halve maan, onder haar voeten, omdat zij veranderlijk zijn, en niet waardig gerangschikt te worden onder de dienaren dezer trouwe Maagd, die de getrouwheid en standvastigheid ten deel hebben. ’t Is beter zich niet met zooveel gebeden en godvruchtige oefeningen te belasten en er slechts weinige te verrichten, maar dan met liefde en getrouwheid, ondanks de wereld, den duivel en het vleesch.

 

102         Er zijn nog andere valsche vereerders van de H. Maagd, t.w. de schijnheilige vereerders, die hun zonden en slechte gewoonten met de mantel dezer getrouwe Maagd bedekken, om in ’t oog der menschen door te gaan voor hetgeen zij niet zijn.

 

103         Ook zijn er nog baatzuchtige vereerders die alleen hun toevlucht tot de H. Maagd nemen om een proces te winnen, aan een gevaar te ontsnappen, van een ziekte te genezen, of eenige andere noodwendigheid van dien aard geholpen te worden ; anders zouden zij niet aan Haar denken.

 

Deze allen zijn valsche vereerders, onwaardig voor God en zijn H. Moeder te verschijnen.

 

104         Wachten wij ons dus wel, te behooren tot de vittende vereerders, die niets gelooven en op alles iets aan te merken hebben ; tot de angstvallige vereerders, die, uit eerbied voor Jezus Christus bang zijn, dat zij de H. Maagd te veel vereeren ; tot de uiterlijke vereerders, die hun geheele godsvrucht in uiterlijke oefeningen doen bestaan ; tot de vermetele ver-eerders, die, onder voorwendsel van hun valsche godsvrucht tot de H. Maagd, in hun zonden blijven voortleven ; tot de onstandvastige vereerders, die, uit lichtzinnigheid, telkens hun godvruchtige oefeningen veranderen of ze bij de minste bekoring geheel laten varen ; tot de schijnheilige vereerders, die lid worden der Broederschappen van de H. Maagd en haar livrei dragen om voor deugdzaam door te gaan ; en eindelijk tot de baatzuchtige vereerders, die alleen hun toevlucht tot de H. Maagd nemen, om van lichamelijke kwalen bevrijd te worden of tijdelijke gunsten te verkrijgen.

 

 

 

  • II

 

 

Kenteekenen der ware Godsvrucht
tot de H. Maagd.

 

 

105         Na de valsche devoties tot de H. Maagd te hebben blootgelegd en veroordeeld, moeten wij in ’t kort de ware omschrijven. Deze is 1˚ inwendig, 2˚ teeder, 3˚ heilig, 4˚ standvastig,  5˚ belangeloos.

 

106         1˚ De ware godsvrucht tot de H. Maagd is inwendig, d.w.z. zij komt uit den geest en het hart voort ; zij ontstaat uit de achting, welke men voor de H. Maagd gevoelt ; uit het hooge denkbeeld, dat men zich van haar grootheid gevormd heeft en uit de liefde, welke men Haar toedraagt.

 

107         2˚ Zij is teeder, d.i. zij doet iemand vol vertrouwen zijn in de allerheiligste Maagd, als een kind in zijn goede moeder. Een waar dienaar van Maria neemt tot Haar zijn toevlucht in alle lichamelijke en geestelijke noodwendigheden, met veel eenvoud, vertrouwen en teederheid. Overal, ten allen tijde en in alle omstandigheden, roept hij de hulp dier goede Moeder in : in zijn vertwijfelingen om door Haar verlicht, in zijn dwalingen om op het rechte pad teruggebracht, in zijn bekoringen om ondersteund, in zijn zwakheden om versterkt, in zijn val om opgebeurd, in zijn moedeloosheid om aan-gemoedigd, in zijn gewetensangsten om ervan bevrijd, in zijn kruisen, zorgen en wederwaardigheden des levens om getroost te worden. Kortom, in al zijn lichamelijke en geestelijke kwalen neemt hij geregeld zijn toevlucht tot Maria, zonder vrees deze goede Moeder tot last te zijn of aan Jezus Christus te mishagen.

 

108         3˚ De ware godsvrucht tot de H. Maagd is heilig, d.i, zij spoort de ziel aan tot het vluchten der zonden en het navolgen der deugden van de allerheiligste Maagd, in het bijzonder van haar diepe nederigheid, haar levendig geloof, haar blinde gehoorzaamheid, haar voortdurend gebed, haar algeheele versterving, haar onvergelijkelijke zuiverheid, haar vurige liefde, haar heldhaftig geduld, haar engelachtige zachtmoedigheid en haar verheven wijsheid. Dit zijn de tien hoofddeugden der allerheiligste Maagd.

 

109         4˚ De ware godsvrucht tot de H. Maagd is standvastig. Zij bevestigt de ziel in het goede en maakt dat zij haar godvruchtige oefeningen niet licht laat varen ; zij doet haar moedig weerstand bieden aan de wereld met haar gebruiken en leerstellingen, aan het vleesch met zijn weerzin en zijn driften, aan den duivel met zijn bekoringen. Een waar dienaar van de H. Maagd is dan ook niet veranderlijk, wrevelig, angstvallig of vreesachtig. Wel valt hij somwijlen en heeft hij niet altijd evenveel gevoel in zijn godsvrucht ; maar zoo hij valt, strekt hij de hand uit naar zijn goede Moeder en staat weer op ; zoo hij zonder gevoelige godsvrucht of vertroosting is, maakt hij zich daarover niet ongerust ; want de rechtvaardige en getrouwe dienaar van Maria leeft van het geloof in Jezus en Maria en niet van zinnelijk gevoelen.

 

110         5˚ Eindelijk is de ware godsvrucht tot de H. Maagd belangeloos, d.w.z. zij brengt de ziel ertoe, niet zich zelve, maar God alleen te zoeken, in zijn H. Moeder. Een waar ver-eerder van Maria dient deze doorluchtige Koningin niet uit winstbejag of eigenbelang, noch uit tijdelijk of eeuwig, lichamelijk of geestelijk welzijn, doch enkel omdat Zij waardig is, dat men Haar diene, en God alleen in Haar. Hij bemint Maria niet zoozeer om de weldaden, die hij van Haar ontvangt of van Haar verwacht, maar omdat Zij beminnenswaardig is. Daarom ook bemint en dient hij Haar even trouw bij tegenzin en dorheid, als in gevoelige vertroosting en vurigheid ; hij houdt evenveel van Haar op den Calvarieberg als op de bruiloft te Cana. O, wat is zulk een vereerder van de H. Maagd, die Haar dient zonder de minste zelfzucht, welgevallig en waardevol in ’t oog van God en van zijn H. Moeder! Doch wat is hij zeldzaam thans!

Opdat hij voortaan niet meer zoo zeldzaam zij, heb ik de pen ter hand genomen, om op papier te brengen wat ik, in ’t openbaar en in ’t bijzonder, vele jaren lang, met vrucht in mijne missiën verkondigd heb.

 

 

 

  • III.

 

 

Voorspellingen aangaande de
volmaakte godsvrucht
tot de H. Maagd.

 

 

111         IK heb reeds veel over de allerheiligste Maagd gezegd, maar ik heb nog meer over Haar te zeggen, en nog oneindig meer zal ik, uit onwetendheid, onbekwaamheid of tijdgebrek, in dit werkje achterwege laten, waarin ik mij ten doel stel een waar vereerder van Maria en een waar leerling van Jezus Christus te vormen.

112         O, wat zou mijn moeite goed besteed zijn, als dit boekje in handen viel van een rechtschapen mensch, geboren uit God en uit Maria, niet uit bloed, noch uit de wil des vleesches, noch uit de wil des mans ; en indien het hem, door de genade des H. Geestes, de uitmuntendheid en waarde deed kennen en op prijs stellen der ware en degelijke godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, die ik thans ga verklaren! Als ik wist, dat mijn misdadig bloed iets kon bijdragen, om de waarheden in het hart te prenten, die ik hier neerschreef ter eere mijner lieve Moeder en opperste Meesteres, wier geringste kind en slaaf ik ben, dan zou ik dat bloed in plaats van inkt gebruiken om deze letters te vormen, in de hoop van goede zielen te vinden, die, door het trouw beoefenen der godsvrucht die ik predik, mijn goede Moeder en Meesteres de verliezen zullen vergoeden, die Zij door mijn ondankbaarheid en ongetrouwheid geleden heeft.

113         Meer dan ooit voel ik mij aangemoedigd om te gelooven en te hopen al wat diep in mijn hart gegrift is en wat ik sinds vele jaren aan God vraag, namelijk : dat vroeg of laat de allerheiligste Maagd meer kinderen, dienaars en slaven uit liefde zal hebben dan ooit, en dat door dit middel, Jezus Christus, mijn dierbare Meester, meer dan ooit in de harten zal heerschen.

114         Ik voorzie het wel,2 razende dieren komen in woede aanstormen, om dit werkje en hem van wien de H. Geest zich bediend heeft om het te schrijven, met hun helsche tanden te verscheuren, of ten minste om het in de donkere stilte eener kist te begraven, opdat het niet in het licht verschijne ; zelfs hen die het lezen en in beoefening brengen, zullen ze aanvallen en vervolgen. Maar dat is niets ! Maar des te beter ! Dit vooruitzicht moedigt mij aan en geeft mij hoop op een groot succes, namelijk dat een aanzienlijk leger koene en dappere soldaten van Jezus en Maria, vrouwen zoowel als mannen, de wereld, den duivel en de bedorven natuur zullen bevechten in de gevaarvolle tijden, die meer dan ooit op komst zijn.

Qui legit, intelligat.3

Qui potest capere, capiat.4

 

 

 

 

VIERDE HOOFDSTUK

 

___

 

 

Het Wezen

der volmaakte Godsvrucht.

 

 

Voorafgaande opmerkingen over verschillende oefeningen van ware godsvrucht tot Maria.

 

 

115         Er bestaan verscheidene inwendige oefeningen van de ware godsvrucht1 tot de allerheiligste Maagd ; ziehier, in het kort, de voornaamste :

1˚ Haar als de waardige Moeder Gods, met den eeredienst der hyperdulia eeren, d.w.z. Haar boven alle andere Heiligen hoogschatten en eeren, als het meesterstuk der genade en de eerste na Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mensch ; 2˚ haar deugden, voorrechten en handelingen overwegen ; 3˚ haar grootheden beschouwen ; 4˚ akten van liefde, lof en dank tot Haar verwekken ; 5˚ Haar van harte aanroepen ; 6˚ zich aan Haar opdragen en met Haar vereenigen ; 7˚ zijn handelingen verrichten om Haar te behagen ; 8˚ al zijn handelingen beginnen, voortzetten en voltooien door Haar, in Haar, met Haar en voor Haar, om ze door Jezus Christus, in Jezus Christus, met Jezus Christus en voor Jezus Christus, ons laatste doeleinde, te verrichten. Deze laatste oefening zullen wij naderhand verklaren.

116         De ware godsvrucht tot de H. Maagd telt ook verscheidene uitwendige oefeningen ; hier volgen de voornaamste : 1˚ lid worden van haar broederschappen en congregaties ; 2˚ in een kloosterorde treden, te harer eere ingesteld ; 3˚ haar lof verkondigen ; 4˚ te harer eer aalmoezen geven, vasten en zich geestelijke of lichamelijke verstervingen opleggen ; 5˚ haar livrei dragen, b.v. den rozenkrans of het rozenhoedje, het scapulier of het kettinkje ; 6˚ met aandacht, godsvrucht en ingetogenheid den H. Rozenkrans bidden, bestaande uit vijftien tientjes, ieder van tien Weesgegroeten, ter eere der vijftien voornaamste geheimen van Jezus Christus ; of het derde gedeelte van den Rozenkrans : het Rozenhoedje, bestaande uit vijf tientjes, die gebeden worden, ofwel ter eere van de vijf blijde geheimen, t.w. : de Boodschap, het Bezoek, Jezus’ Geboorte, de Zuivering en Jezus’ Wedervinding in de Tempel ; ofwel ter eere van de vijf droevige geheimen, t.w. : de Doodsstrijd van Jezus in den hof van Olijven, zijn Geeseling, zijn Doornenkroning, zijn Kruisdraging en zijn Kruisiging ; ofwel ter eere van de vijf glorievolle geheimen, t.w. : de Verrijzenis van Jezus, zijn Hemelvaart, de Nederdaling van de H. Geest op Pinksteren, de Opneming van Maria ten hemel naar ziel en lichaam en haar Kroning door de drie Personen der allerheiligste Drieëenheid. Men kan ook een rozenhoedje van zes of zeven tientjes bidden, ter eere van het aantal jaren, die de H. Maagd, naar men meent, op aarde geleefd heeft ; of het Kroontje der H. Maagd, bestaande uit drie Onze Vaders en twaalf Weesgegroeten, ter eere harer kroon van twaalf sterren of voorrechten ; of de getijden der H. Maagd, zoo algemeen in de Kerk in zwang en gebeden ; of het Psalterke der H. Maagd, door den H. Bonaventura te harer eere samengesteld, en dat zóó innig en devoot is, dat men het niet zonder ontroering kan bidden ; of veertien Onze Vaders en Weesgegroeten ter eere van Maria’s veertien vreugden ; of eenige andere kerkelijke gebeden, hymnen en lofzangen, als het Salve Regina, het Alma, het Ave Regina cœlorum of het Regina cœli, naar de verschillende tijden van het kerkelijk jaar ; of het Ave maris Stella, O gloriosa Domina of het Magnificat, of eenige andere godvruchtige oefeningen, waar de boeken vol van zijn ; 7˚ te harer eer geestelijke liederen zingen en doen zingen ; 8˚ voor Haar een zeker aantal knie- of hoofdbuigingen maken, en tevens b.v. elken morgen zestig- of honderdmaal zeggen : Weesgegroet, Maria, getrouwe Maagd, om door Haar van God te verkrijgen, gedurende den dag getrouw aan zijn genaden te beantwoorden ; ’s avonds kan men zeggen : Weesgegroet , Maria, Moeder van barmhartigheid, om door Haar vergiffenis te vragen aan God voor de zonden, die men in de loop van de dag bedreven heeft ; 9˚ haar broederschappen bevorderen, haar altaren versieren, haar beelden kronen en tooien : haar beeltenissen in de processies dragen en doen dragen, en er steeds eene bij zich hebben, als machtig wapen tegen den duivel ; 11˚ haar beelden of opschriften met haar naam laten maken en ze in de kerken plaatsen, of in de huizen, of boven de poorten en deuren van steden, kerken en huizen ; 12˚ zich op bijzondere en plechtige wijze aan Haar toewijden.

117         Er bestaan nog een menigte andere oefeningen der ware godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, door den H. Geest aan vrome zielen geopenbaard, en alle zeer nuttig ter heiliging. Men vindt ze uitvoeriger beschreven in het werk van den Eerw. Pater Paul Barry, S.J. : Le Paradis ouvert à Philagie. Hierin heeft de schrijver een groot aantal devoties verzameld, door de Heiligen ter eere van de allerheiligste Maagd beoefend, en die wonderveel bijdragen om de zielen te heiligen, mits ze naar behooren verricht worden, d.w.z. 1˚ met een goede en oprechte meening, om aan God alleen te behagen, zich met Jezus, als met zijn laatste doeleinde, te vereenigen en den evennaaste te stichten ; 2˚ met aandacht, zonder vrijwillige verstrooiing ; 3˚ met godsvrucht, zonder overhaasting of onachtzaamheid ; 4˚ met ingetogenheid en een eerbiedig stichtende houding.

118         Nochtans verklaar ik luide, dat ik, na bijna alle boeken die over de godsvrucht tot de Moeder Gods handelen gelezen te hebben, en hierover met de vroomste en geleerdste mannen van onzen tijd vertrouwelijk te hebben gesproken, geen oefening van godsvrucht tot de H. Maagd aangetroffen of geleerd heb, gelijk aan die waarover ik ga spreken ; geene, die van een ziel meer offers eischt voor God, haar meer van zich zelve en haar eigenliefde ontledigt, haar standvastiger in genade en de genade standvastiger in haar behoudt, haar volmaakter en gemakkelijker met Jezus vereenigt ; geene eindelijk, die God meer verheerlijkt, de ziel meer heiligt en den naaste meer tot nut strekt.

119         Daar de kern dezer godsvrucht in het vormen van ons binnenste bestaat, zal zij niet in gelijke mate door allen begrepen worden : eenigen, en wel de meesten, zullen zich tot het uiterlijke dezer devotie bepalen en niet verder gaan ; anderen, weinig in getal, zullen tot het inwendige doordringen, maar slechts één trap bestijgen. Wie zal den tweeden beklimmen? Wie den derden bereiken? Wie eindelijk zal er bestendig vertoeven? Hij alleen, wien de Geest van Jezus Christus dit geheim zal openbaren ; de welgetrouwe ziel, die Hij zelf daartoe zal leiden, opdat zij voortga van deugd tot deugd, van genade tot genade, van licht tot licht, en gerake tot de hervorming van zich zelve in Jezus Christus, tot de volheid van zijn leeftijd op aarde en van zijn glorie in den hemel.

 

 

 

 

  • I.

 

 

Deze godsvrucht bestaat in een
volmaakte toewijding aan Jezus
door Maria.

 

 

120         Daar onze geheele volmaaktheid hierin bestaat, dat wij aan Jezus Christus gelijkvormig, met Hem vereenigd en aan Hem toegewijd zijn, is de volmaaktste aller devoties ontegenzeggelijk die welke ons het volmaaktst aan Jezus Christus gelijkvormig maakt, met Hem vereenigt en aan Hem toewijdt. Welnu, van alle schepselen is Maria het meest gelijkvormig aan Jezus Christus ; waaruit volgt, dat de devotie, die onder alle andere eene ziel het meest aan onzen Heer toewijdt en gelijkvormig maakt, de devotie is tot de allerheiligste Maagd, Jezus’ heilige Moeder ; en dat, hoe meer een ziel is toe-gewijd aan Maria, zij het ook des te meer aan Jezus Christus is. Bijgevolg is de volmaaktste toewijding van zichzelf aan de allerheiligste Maagd, volgens de devotie die ik predik, m.a.w. een volmaakte hernieuwing der doopbeloften.

 

121         Deze devotie bestaat dus hierin, dat men zich geheel en al aan de allerheiligste Maagd geve, om door Haar geheel en al aan Jezus Christus te behooren. Wij moeten Haar geven : 1˚ ons lichaam met al zijn zintuigen en ledematen ; 2˚ onze ziel met al haar vermogens ; 3˚ onze tegenwoordige en toekomstige uitwendige goederen, t.w. onze aardsche bezittigen ; 4˚ onze inwendige en geestelijke goederen, d.i. onze verdiensten, onze deugden, en onze verleden, tegenwoordige en toekomstige goede werken. Kortom, wij moeten Maria alles geven wat wij in de orde der natuur en der genade bezitten, alles ook wat wij in de toekomst in de orde der natuur, der genade en der glorie kunnen verkrijgen ; en wel, zonder eenig voorbehoud, zelfs niet een penning, van een haar of van de geringste goede daad ; en dit voor alle eeuwigheid, en zonder op eenige andere belooning voor onze offergave en dienstbaarheid aanspraak te maken dan op de eer, door en in Haar aan Jezus Christus te behooren, al was deze beminnelijke Meesteres niet, zooals Zij evenwel altijd is, het vrijgevigste en dankbaarste aller schepselen.

122         Men merke hier op, dat er twee dingen zijn in onze goede werken, namelijk de voldoenings- of verkrijgingskracht, en de verdieningskracht. De voldoenings- of verkrijgingskracht van een goed werk is dat goed werk in zooverre het voor de straf der zonde voldoet of een nieuwe genade verkrijgt ; de verdieningskracht of verdienste is een goed werk in zooverre het de genade en de eeuwige glorie verdient. Welnu, door deze toewijding van ons zelf aan de allerheiligste Maagd geven wij Haar de geheele voldoenings-, verkrijgings- en verdienings-kracht, m.a.w. de voldoeningen en verdiensten van al onze goede werken. Wij geven Haar onze verdiensten, genade en deugden, niet om ze aan anderen mee te deelen (want onze verdiensten, genaden en deugden zijn eigenlijk niet mededeelbaar ; alleen Jezus Christus heeft ons, door zich borg voor ons te stellen bij zijn Vader, zijn verdiensten kunnen mededeelen), maar om ze voor ons te bewaren, ze te vermeerderen en te verfraaien, zooals wij verder zullen uitleggen. Onze voldoeningen echter geven wij aan Haar, opdat Zij ze mededeele aan wie Zij wil, tot grootere eer van God.

123         Hieruit volgt : 1˚ dat men aan Jezus Christus door deze devotie op de volmaaktst mogelijke wijze, namelijk door Maria’s handen, alles geeft wat men Hem geven kan, en veel meer dan door andere devoties. Door deze laatste immers geeft men Hem slechts een gedeelte van zijn tijd, van zijn goede werken, voldoeningen en verstervingen ; door geene integendeel wordt alles gegeven en toegewijd, tot zelfs het recht om over zijn inwendige goederen en over de voldoeningen, die men van dag tot dag door zijn goede werken aanwint, te beschikken. Dit doet men zelfs in geen enkele kloosterorde : in de kloosterorden geeft men aan God de aardsche goederen door de gelofte van armoede, de lichamelijke goederen door de gelofte van zuiverheid, den eigen wil door de gelofte van gehoorzaamheid, en soms de lichamelijke vrijheid door de gelofte van het kloosterslot ; doch men geeft Hem niet de vrijheid of het recht dat men heeft om over de waarde zijner goed werken te beschikken, en men ontdoet zich niet zooveel men kan van het kostbaarste en dierbaarste dat een Christen bezit, t.w. zijn verdiensten en voldoeningen.

124         Uit het voorgaande volgt : 2˚ dat iemand die zich aldus vrijwillig door Maria aan Jezus Christus heeft toegewijd en opgeofferd, over de waarde van geen enkel zijner goede werken meer kan beschikken ; al zijn lijden, al zijn goede gedachten, woorden en werken behooren aan Maria, opdat Zij er over beschikke naar den wil van harer Zoon en tot meerdere glorie, doch zonder dat deze afhankelijkheid in ’t minst afbreuk doet aan de verplichtingen van den levensstaat, waarin men zich voor het oogenblik bevindt of zich later bevinden kan : b.v. aan de verplichtingen eens priesters, die ambtshalve of om andere redenen, de voldoenings- en verkrijgingskracht der H. Mis aan een persoon in het bijzonder moet toevoegen ; deze opdracht doet men immers alleen volgens de beschikking Gods en de plichten van zijn staat.

125         3˚ Nog volgt uit het voorgaande, dat men zich tegelijkertijd aan de allerheiligste Maagd toewijdt en aan Jezus Christus : aan de allerheiligste Maagd, als aan het volmaaktste middel, door Jezus Christus gekozen, om zich met ons en ons met Hem te vereenigen ; aan Onzen Heer, als aan ons laatste doeleinde, aan wien wij al wat wij zijn te danken hebben als aan onzen Verlosser en onzen God.

 

 

  • II.

 

 

Deze godsvrucht is een volmaakte

hernieuwing der doopbeloften.

 

 

126         Ik zeide, dat deze godsvrucht zeer wel een volmaakte hernieuwing der doopbeloften kan genoemd worden. Immers, vóór zijn Doopsel was iedere Christen een slaaf des duivels, omdat hij dezen toebehoorde. In zijn Doopsel echter heeft hij, ofwel met eigen mond, ofwel door dien van zijn peter of meter, plechtig verzaakt aan Satan, aan zijn ijdelheden en zijn werken, en Jezus Christus tot zijn Meester en Opperheer gekozen, om van Hem afhankelijk te zijn, als slaaf uit liefde. Ditzelfde doet men door deze devotie : men verzaakt (zooals in het formulier der opdracht aangegeven staat) aan den duivel, aan den wereld, aan de zonde en aan zichzelf, en men geeft zich geheel en al aan Jezus Christus door de handen van Maria.

Men doet zelfs meer dan in het Doopsel, want dáár spreekt men gewoonlijk door den mond van een ander, t.w. door dien peter en meter, en geeft zich niet aan Jezus Christus dan door een gevolmachtigde : hier integendeel doet men het persoonlijk, vrijwillig, en met kennis van zaken. In het H. Doopsel geeft men zich niet aan Jezus Christus door den handen van Maria, tenminste niet op uitdrukkelijke wijze, en men geeft Hem ook niet de waarde van zijn goede werken ; na het Doopsel blijft men geheel vrij deze toe te passen op wien men wil, ofwel ze voor zichzelf te behouden ; door deze devotie integendeel geeft men zich uitdrukkelijk door Maria’s handen aan Onzen Heer en staat Hem de waarde van al zijn werken af.

 

127         In het H. Doopsel, zegt de H. Thomas, beloven de menschen, aan den duivel en aan zijn ijdelheden te verzaken : In Baptismo vovent homines abrenuntiare diabolo et pompis ejus. Deze gelofte, zegt de H. Augustinus, is de voornaamste en noodzakelijkste : Votum maximum nostrum, qou vovimus nos in Christo esse mansuros.2 Hetzelfde zeggen de Canonisten : Prœcipuum votum est quod in baptismate facimus.3 En toch, wie houdt deze zoo voorname gelofte? Wie leeft de doopbeloften getrouw na? Verraden niet bijna alle Christenen de trouw, die zij in hun Doopsel beloofd hebben? Vanwaar die algemeen heerschende losbandigheid, zoo niet van het vergeten der geloften en verbintenissen van het H. Doopsel, en omdat bijna niemand persoonlijk het verbond bekrachtigt, dat hij door zijn peter en meter met God gesloten heeft?

 

128         Dit is zóó waar, dat het Concilie van Sens,— op last van Lodewijk den Vrome bijeengeroepen om de grove uitspattingen der Christenen tegen te gaan,— als zijn oordeel uitsprak, dat de voornaamste oorzaak van dit zedenbederf gelegen was in de vergetel- en onwetendheid, waarin men verkeerde ten opzichte der verbintenissen van het H. Doopsel ; en het vond geen beter middel om dat groote kwaad te verhelpen, dan de Christenen aan te sporen tot het hernieuwen hunner doopbeloften.

 

129         De Catechismus van het Concilie van Trente, getrouwe tolk der verlangens van deze heilige Kerkvergadering, spoort de pastoors aan, eveneens te handelen, en hun parochianen er toe te brengen zich te herinneren en overtuigd te houden, dat zij als slaven met hun Verlosser en Heer verbonden en aan Hem toegewijd zijn. Ziehier de tekst : Parochus fidelem populum ad eum rationem cohortabitur ut sciat œquissimum esse… nos ipsos, non secus ac mancipia Redemptori nostro et Domino in perpetuum addicere et consecrare. (Cat. Conc. Trid. part. I. art. 2. § 19.)

 

130         De Concilies, de Kerkvaders en de ondervinding zelf leeren aldus, dat het beste middel om het zedenbederf tegen te gaan, is, hen aan de verplichtingen van het H. Doopsel te herinneren en hun doopbeloften te doen hernieuwen.

Is het dan niet redelijk, dit thans op volmaakte wijze te doen, door deze godsvrucht en deze toewijding aan Onzen Heer door zijn H. Moeder ? Ik zeg : op volmaakte wijze, want om zich aan Jezus Christus toe te wijden, bedient men zich van het volmaaktste aller middelen, namelijk van de allerheiligste Maagd.

 

 

  • III.

 

Antwoord
op eenige tegenwerpingen.

 

 

131         Men kan niet tegenwerpen, dat deze devotie nieuw is of zonder aanbelang : ze is niet nieuw, want de Concilies, de Kerkvaders en vele schrijvers, van vroegeren en van lateren tijd, spreken over deze toewijding aan Jezus Christus of hernieuwing der doopbeloften, als over een van oudsher beoefende godsvrucht, die zij aan alle Christenen aanbevelen ; ze is niet zonder aanbelang, want de voornaamste bron van het zedenbederf en bijgevolg van de verdoeming der Christenen vindt haar oorsprong in het vergeten en verwaarloozen dezer oefening.

132         Men zou kunnen zeggen, dat deze devotie, die ons de waarde van al onze goede werken, gebeden, verstervingen en aal­moezen aan Onze Heer doet geven door de handen der allerheiligste Maagd, ons in de onmogelijkheid stelt om de zielen onzer bloedverwanten, vrienden en weldoeners te helpen.

Hierop antwoord ik : 1˚ het is niet aan te nemen, dat onze vrienden, bloedverwanten en weldoeners schade zullen lijden, omdat wij ons zonder voorbehoud aan den dienst van Onzen Heer en aan zijn H. Moeder hebben verbonden en toegewijd. Zulk een veronderstelling ware beleedigend voor de macht en de goedheid van Jezus en Maria, die onze bloedverwanten, vrienden en weldoeners wel zullen weten bij te staan, hetzij met onze geringe geestelijke goederen, hetzij langs andere wegen. 2˚ Deze oefening belet ons niet, voor anderen, hetzij afgestorvenen en levenden, te bidden, al is ook de toepassing onzer goede werken afhankelijk van den wil der allerheiligste Maagd. Deze devotie spoort ons veeleer aan, om met meer vertrouwen te bidden. Zoo zal een rijk man, die al zijn bezittingen aan een groot vorst heeft afgestaan om hem grooter eer te bewijzen, hem met meer vertrouwen om een aalmoes verzoeken voor een zijner vrienden, die ze hem komt vragen. Het zou de vorst zelfs genoegen doen, in de gelegenheid gesteld te worden om zijn dankbaarheid te betuigen jegens iemand, die zich ontkleed heeft om hem te kleden, die zich verarmd heeft om hem te eeren. Hetzelfde moet gezegd worden van Onzen Heer en van de H. Maagd : Zij zullen zich nooit in erkentelijkheid laten overtreffen.

133         Wellicht zegt iemand : Als ik de geheele waarde mijner goede werken aan de allerheiligste Maagd geef, opdat Zij ze toepasse op wie Zij wil, zal ik misschien een geruimen tijd in het Vagevuur moeten lijden. Deze tegenwerping, door de eigenliefde ingegeven en door de onbekendheid met de milddadigheid van God en zijn H. Moeder, weerlegt zichzelf : een vurige en edelmoedige ziel, die de belangen Gods hooger schat dan de hare, die Hem alles geeft wat zij bezit, zonder voorbehoud, zoodat zij onmogelijk meer kan schenken, non plus ultra, die slechts leeft voor de glorie van Jezus Christus en de uitbreiding van zijn Rijk door zijn H. Moeder, en die zich geheel opoffert om Jezus te winnen,— zal deze edelmoedige en vrijgevige ziel, zeg ik, in het andere leven gestrafd worden, omdat zij vrijgeviger is geweest dan andere ? Wel verre vandaar : juist voor deze ziel zullen Onze Heer en zijn H. Moeder, zooals wij naderhand zullen zien, allermilddadigst zijn èn op aarde en èn hiernamaals, in de orde der natuur, der genade en der glorie.

134         Nu moeten wij zoo kort mogelijk de beweegredenen nagaan, die deze devotie aanbevelingswaardig maken, vervolgens de wonderbare uitwerkselen, die zij in de getrouwe zielen teweegbrengt, en ten slotte de oefeningen dezer godsvrucht.

 

 

_____

 

 

 

 

VIJFDE HOOFDSTUK

 

___

 

 

Beweegredenen

tot het beoefenen dezer

Godsvrucht.

 

EERSTE       BEWEEGREDEN:

 

De voltreffelijkheid der volmaakte toewijding van zichzelf aan

Jezus Christus door de handen van Maria

 

135         Zoo er op aarde geen verhevener ambt kan worden uitgedacht dan de dienst van God, en Gods geringste dienaar rijker, machtiger en edeler is dan alle koningen en keizers der wereld, wanneer dezen God niet dienen, hoe groot zijn dan wel de schatten, de macht en de waardigheid van een getrouw en volmaakt dienaar Gods, die geheel en al, zonder voorbehoud en zooveel het hem mogelijk is, aan ’s Heeren dienst is toegewijd ! Zóó is de getrouwe en liefdevolle slaaf aan Jezus en Maria, die zich geheel en al aan den dienst van den Koning der koningen, door de handen zijner H. Moeder, verbonden heeft, zonder iets voor zichzelf te behouden : al het goud der aarde en al de pracht der hemelen zijn van minder waarde.

136         De andere congregaties, vereenigingen en broederschappen, ter eere van Onzen Heer en van zijn H. Moeder ingesteld, en die zooveel goed stichten onder de Christenen, doen niet alles zonder voorbehoud afstaan ; zij schrijven hun leden maar enkele bepaalde oefeningen en werken voor om aan hun verplichtingen te voldoen, en laten hen verder vrij met betrekking tot al hun andere werken en den overblijvenden tijd. Deze devotie echter doet aan Jezus en Maria zonder voorbehoud geven : al zijn gedachten, woorden en werken, al zijn lijden en alle oogenblikken zijns levens ; zoodat, hetzij men waakt of slaapt, hetzij men de grootste handelingen verricht of de geringste, het steeds waar is te zeggen, dat al wat men doet, ook al denkt men er niet aan, Jezus en Maria toebehoort uit kracht dezer opdracht, tenzij men ze uitdrukkelijk herroepen heeft. Wat een vertroosting!

137         Bovendien, gelijk ik reeds gezegd heb, bestaat er geen andere oefening dan deze, om zich gemakkelijker te ontdoen van een zeker eigendomsgevoel, dat ongemerkt onze beste handelingen binnensluipt. Onze goede Jezus verleent deze groote gunst tot loon voor de heldhaftige en onbaatzuchtige akte, waardoor men Hem, door de handen zijner H. Moeder, de geheel waarde zijner goede werken afstond. Schenkt Hij zelfs hier op aarde een honderdvoudig loon aan wie uit liefde tot Hem hun uitwendige, tijdelijke en vergankelijke goederen verlaten, wat zal dan het honderdvoud zijn, dat Hij schenken zal aan wie Hem zelfs zijn inwendige en geestelijke goederen opoffert!

138         Jezus, onze groote minnaar, heeft zich zonder voorbehoud aan ons gegeven, met ziel en lichaam, met zijn deugden, genaden en verdiensten : Se toto totum me comparavit, zegt de H. Bernardus : « Hij heeft mij geheel voor zich aangewonnen, door zich geheel aan mij te geven. » Vordert dan de rechtvaardigheid en dankbaarheid niet, dat wij Hem geven al wat wij Hem kunnen geven? Hij is het eerst jegens ons vrijgevig geweest ; laten wij het op onze beurt zijn jegens Hem. Dan zal Hij zich gedurende ons leven, bij onzen dood en in alle eeuwigheid, nog vrijgeviger toonen : Cum liberali liberalis erit.1

 

 

TWEEDE       BEWEEGREDEN

 

Het is rechtmatig in zichzelf en voordeelig voor de Christenen,

zich geheel en al door deze oefening aan de allerheiligste Maagd

toe te wijden, om des te volmaakter Jezus Christus toegewijd te zijn.

 

139         Die goede Meester heeft zich verwaardigd, zich als een gevangene en een slaaf uit liefde in den schoot der H. Maagd op te sluiten en Haar gedurende dertig jaren onderdanig te zijn. Bij dit geheim, ik herhaal het, staat het menschelijk verstand stil, wanneer het ernstig de handelswijze der menschgeworden Wijsheid overweegt, die zich niet rechtstreeks, al had Zij dit kunnen doen, maar door de allerheiligste Maagd, aan de menschen heeft willen geven ; die ter wereld is willen komen, niet als een volwassen mensch, die geen vreemde hulp behoeft, maar als een arm en klein kind, dat de zorgen en de oppassing zijner H. Moeder noodig heeft. Deze oneindige Wijsheid, die een onmetelijk verlangen had, God den Vader te verheerlijken en de menschen te verlossen, vond hiertoe geen volmaakter en korter middel, dan zich in alles aan de allerheiligste Maagd te onderwerpen, niet alleen gedurende de acht, tien of vijftien eerste jaren van haar leven, gelijk de andere kinderen, maar gedurende dertig jaren ; en Zij heeft God den Vader meer verheerlijkt, door zich gedurende dien tijd aan de allerheiligste Maagd te onderwerpen en van Haar afhankelijk te zijn, dan indien Zij die dertig jaren gebruikt had om wonderen te doen, over de geheele wereld te preeken en alle menschen te bekeeren ; anders had Zij dit gedaan. O, hoe grootelijks verheerlijkt men God, door zich naar Jezus’ voorbeeld aan Maria te onderwerpen !

Zouden wij, met een zoo duidelijk en een zoo algemeen bekend voorbeeld voor oogen, dwaas genoeg zijn, om te meenen dat wij tot verheerlijking van God een volmaakter en korter middel kunnen vinden, dan ons aan Maria te onderwerpen naar ’t voorbeeld van haar Zoon ?

140         Men herinnere zich hier, ten bewijze dat wij afhankelijk moeten zijn van de allerheiligste Maagd, wat ik hierboven gezegd heb, toen ik de voorbeelden aanhaalde, ons door den Vader, den Zoon en den H. Geest betreffende deze afhankelijkheid ons gegeven. Door Haar alleen verwekt Hij zich kinderen en deelt Hij zijn genaden mede. Door Haar alleen werd God de Zoon gevormd voor allen in ’t algemeen, door Haar alleen wordt Hij nog dagelijks gevormd en voortgebracht in vereeniging met de H. Geest ; door Haar alleen deelt Hij zijn verdiensten en deugden mede. Door Haar alleen heeft de H. Geest Jezus Christus gevormd, en door Haar alleen vormt Hij de ledematen van zijn geheimzinnig lichaam ; door Haar alleen deelt Hij zijn gaven en gunsten uit. Zouden wij, na zoovele en zoo dringende voorbeelden der allerheiligste Drieëenheid, zonder een uiterste verblindheid, Maria kunnen ter zijde laten, ons niet aan Haar toewijden en niet afhankelijk van Haar zijn om tot God te gaan en ons aan God op te offeren ?

141         Ziehier eenige Latijnsche teksten van de Kerkvaders, die ik tot staving mijner woorden gekozen heb :2

« Duo filii Mariœ sunt, homo Deus et homo purus ; unius corporaliter, et alterius spiritualiter Mater est Maria. » (S. Bonav. et Orig.)

«Hœc est voluntas Dei, qui totum nos voluit habere per Mariam ; ac proinde si quid spei, si quid gratiœ, si quid salutis, ab ea noverimus redundare. » (S. Bern.)

« Omnia dona, virtutes et gratiœ ipsius Spiritus Sancti, quibus vult, quando vult, quomodo vult et quantum vult, per ipsius manus administrantur. » (S. Bernardin.)

« Qui indignus eras cui daretur, datum est Mariœ, ut per eum acciperes quidquid haberes.» (S. Bern.)

142         God, die wel weet, dat wij onwaardig zijn, zijn genaden rechtstreeks uit zijne hand te ontvangen,— aldus de H. Bernardus,— geeft ze aan Maria, opdat wij door Haar verkrijgen al wat Hij ons geven wil. Wederkeerig vindt Hij er zijn glorie in, door Maria’s handen den dank, den eerbied en de liefde te ontvangen, die wij Hem voor zijn weldaden schuldig zijn. ’t Is dus billijk, dat wij God in deze zijn handelwijze navolgen, opdat, naar het woord van denzelfden H. Bernardus, de genade door hetzelfde kanaal tot haar Gever terugkeere, waardoor zij tot ons is gekomen : Ut eodem alveo ad Largitorem gratia redeat quo fluxit. Dit geschiedt door deze godsvrucht : al wat men is en heeft, wordt door de allerheiligste Maagd opgedragen en toegewijd, opdat Onze Heer de Hem verschuldigde eer en dank door haar tusschenkomst ontvange. Men erkent zich onwaardig en onbekwaam om persoonlijk tot zijn oneindige Majesteit te naderen en bedient zich daarom van de bemiddeling der allerheiligste Maagd.

143         Bovendien is dit een oefening van groote nederigheid, een deugd die God boven alle liefheeft. Eene ziel die zich verheft, vernedert God ; eene ziel die zich vernedert, verheft God. God weerstaat den hoogmoedigen en schenkt nederigen zijn genade. Als gij u vernedert, u onwaardig achtend voor Hem te verschijnen en tot Hem te naderen, daalt Hij neer en vernedert zich om tot u te komen, zijn behagen in u te scheppen en u, ondanks u zelf, te verheffen. Integendeel, wanneer men stoutmoedig zonder middelaar tot God nadert, trekt Hij zich terug en kan men Hem niet bereiken. O, hoezeer bemint Hij den ootmoed des hartes! Welnu, tot dien ootmoed spoort ons deze oefening van godsvrucht aan ; want zij leert ons nooit uit ons zelf tot Onzen Heer te naderen, hoe zachtmoedig en goedertieren Hij ook weze, doch ons immer van de tusschenkomst der H. Maagd te bedienen, hetzij om tot Hem te spreken, tot Hem te naderen, Hem iets aan te bieden of zich met Hem te vereenigen en zich aan Hem toe te wijden.

 

 

DERDE    BEWEEGREDEN:

 

Wat Maria voor haar liefdesslaven doet.

 

144         Zij geeft zich geheel aan hen.

De allerheiligste Maagd is een Moeder van zachtmoedigheid en barmhartigheid en laat zich nooit in liefde en vrijgevigheid overtreffen ; als Zij ziet, dat men zich geheel aan Haar schenkt om Haar te eeren en te dienen, en dat men zich berooft van het dierbaarste wat men heeft om er Haar mee te tooien, geeft Zij zich ook geheel en al, en op onbeschrijfelijke wijze, aan wie Haar alles schenkt. Zij doet hem wegzinken in den afgrond harer genaden ; Zij steunt hem met haar macht ; Zij verlicht hem met haar licht ; Zij ontvlamt hem door haar liefde ; Zij deelt hem haar deugden mede : haar nederigheid, haar geloof, haar zuiverheid, enz. Zij wordt zijn borg, zijn aanvulling en zijn dierbaar alles bij Jezus. In één woord, zooals hij geheel aan Maria toebehoort, zoo behoort Maria ook geheel aan hem toe ; zoodat men van dezen volmaakten dienaar en zoon van Maria kan zeggen wat de H. Joannes de Evangelist van zichzelf zeide : dat hij de allerheiligste Maagd tot enig bezit heeft genomen, Accepit eam discipulus in sua.3

145         Hierdoor ontstaat in zijne ziel, mits hij getrouw blijft, een diep gevoel van wantrouwen, minachting en haat jegens zichzelf, maar ook van vertrouwen en overgeving jegens de H. Maagd, zijn goede Meesteres. Hij steunt niet meer, zooals vroeger, op zijn gesteltenissen, inzichten, verdiensten, deugden en goede werken ; want hiervan heeft hij volledig afstand gedaan aan Jezus Christus, door zijn goede Moeder. Hij heeft dan ook maar één schat meer, die gansch zijn rijkdom bevat, en die niet meer bij hem berust : die schat is Maria. Dientengevolge nadert hij tot Onzen Heer zonder slaafsche of angstvallige vrees en bidt hij tot Hem met veel vertrouwen. Dientengevolge ook deelt hij de gevoelens van den vromen en geëerde abt Rupertus, die, zinspelende op Jacobs overwinning op den Engel, de H. Maagd deze schoone woorden toevoegt : O Maria, mijn Vorstin en onbevlekte Moeder van den Godmensch, Jezus Christus, ik verlang met dien Man, d.i. met het Woord Gods, te strijden, niet met mijn eigen verdiensten gewapend, maar met de uwe :  O Domina, Dei genitrix, Maria, et incorrupta Mater Dei et hominis, non meis, sed tuis armatus meritis, cum isto Viro, scilicet Verbo Dei, luctari cupio. (Rup. Prolog. in Cantic.) O, wat is men machtig en sterk bij Jezus Christus, wanneer men gewapend is met de verdiensten en de voorspraak dezer waardige Moeder Gods, die, zooals de H. Augustinus zegt, door haar liefde den Almachtige overwonnen heeft!

 

Zij zuivert onze goede werken, verfraait ze en biedt ze harer Zoon aan.

146         Daar men door deze oefening al zijn goede werken aan Onzen Heer geeft door de handen zijner H. Moeder, worden ze door die goede Meesteres gezuiverd en verfraaid, en doet Zij ze aannemen door haar Zoon.

  1. a) Zij zuivert ze volkomen van de smet der eigenliefde en der onmerkbare gehechtheid aan het geschapene, die steelsgewijze onze beste handelingen binnensluipt. Niet zoodra bevinden zij zich in haar zuivere en werkzame handen, of deze, die nooit bezoedeld of werkeloos zijn geweest en alles zuiveren wat zij aanraken, nemen al het bedorvene en onvolmaakte weg, dat het Haar aangeboden geschenk kan aankleven.

147         b) Zij verfraait ze, door ze met haar verdiensten en deugden te sieren. ’t Gaat hiermede als met een landman, die, om de vriendschap en welwillendheid des konings te winnen, zich tot de koningin wendt en haar zijn gansche rijkdom, een appel aanbiedt, opdat zij hem de koning ter hand stelle. De koningin neemt het armoedig geschenk van den landman aan, legt de appel midden op een grooten, prachtigen gouden schotel en biedt hem den koning aldus in naam van den landman aan. Dan wordt die appel, alhoewel niet waard op zichzelf om den koning te worden aangeboden, een zijner Majesteit waardig geschenk, wegens de persoon die hem aanbiedt.

148         c) Zij biedt die goede werken aan Jezus Christus aan ; want bij slot van rekening, behoudt Zij niets voor zich van wat men Haar ter hand stelt ; Zij geeft alles getrouw aan haar Zoon over. Geeft men Haar, zoo geeft men noodzakelijkerwijs aan Jezus ; looft en verheerlijkt men Haar, zoo looft en verheerlijkt Zij dadelijk Jezus. Nu, gelijk eertijds toen Elisabeth Haar loofde, zingt Zij, wanneer men Haar looft en prijst : Magnificat anima mea Dominum, « Mijn ziel verheft den Heer. »4

149         d) Zij doet die goede werken door Jezus aanvaarden, hoe gering en armoedig een geschenk dit ook weze voor dien Heilige der heiligen en dien Koning der koningen. Biedt men Jezus iets uit zichzelf aan, steunend op eigen kracht en zielsgesteldheid, dan onderzoekt Hij het geschenk en verwerpt het niet zelden om de smet van eigenliefde die er aan kleeft. Zoo verwierp Hij eertijds de offers der Joden, die gansch vol waren van hun eigen wil. Biedt men Hem echter iets aan door de zuivere en maagdelijke handen zijner Welbeminde, dan tast men Hem in zijn zwak, indien het mij vergund is deze uitdrukking te bezigen ; dan let Hij niet zoozeer op het geschenk zelf, als op zijn goede Moeder die het aanbiedt ; dan ziet Hij niet zoozeer naar de afkomst van het geschenk, als naar Degene door wie het Hem gewordt. Zoo bewerkt Maria, die door haar Zoon nooit afgewezen, maar steeds welwillend ontvangen wordt, dat al wat Zij Hem aanbiedt, groot of klein, door zijne Majesteit met welgevallen wordt aanvaard. ’t Is voldoende dat Maria het aanbiedt, opdat Jezus het ontvange en aanvaarde. Dit is de gewichtige raad, door den H. Bernardus gegeven aan allen die hij tot de volmaaktheid opleidde : « Wilt gij God iets aanbieden, zorg dan dat gij het Hem aanbiedt door Maria’s zeer aangename en waardige handen, zoo gij althans niet afgewezen wilt worden, Modicum quid offerre desideras, manibus Mariœ offerendum tradere cura, si non vis sustinere repulsam. »5

150         Wordt deze handelwijze niet, zooals wij gezien hebben, door de natuur zelve aan de geringen ingegeven ten opzichte hunner meerderen? Waarom zou de genade er ons dan niet toe brengen evenzoo te handelen ten opzichte van God, die oneindig boven ons verheven is en voor wien wij minder dan stofdeeltjes zijn ? Vooral daar wij een Voorspreekster hebben, zoo machtig, dat Zij nooit wordt afgewezen ; zoo ervaren, dat Zij al de geheimen kent om Gods hart voor zich te winnen ; zoo goed en liefderijk, dat Zij niemand verstoot, hoe gering en slecht hij ook zijn moge.

Ik zal naderhand, in de geschiedenis van Jacob en Rebecca, de waarachtige voorafbeelding dezer waarheden verklaren.

 

VIERDE    BEWEEGREDEN:

 

Deze godsvrucht, getrouw beoefend, is een voortreffelijk middel

om de waarde van al onze goede werken

tot Gods meerdere eer te doen strekken.

 

151         Niemand bijna handelt met dit edel doel, ofschoon men er toe verplicht is. Dit komt, ofwel doordat men niet weet waarin Gods meerdere eer bestaat, ofwel doordat men deze niet wil. De H. Maagd echter, aan wie men de waarde en de verdiensten zijner goede werken afstaat, weet zeer goed waarin Gods meerdere eer bestaat, en stelt zich die meerdere eer van God steeds ten doel in al wat Zij doet. Bijgevolg kan een volmaakt dienaar dezer goede Meesteres, die zich op de boven geschreven wijze geheel aan Haar heeft toegewijd, stoutmoedig verklaren, dat de waarde van al zijn werken, gedachten en woorden, tot Gods meerdere eer wordt aangewend, tenzij hij zijn opdracht uitdrukkelijk herroepe. Kan er iets troostrijkers uitgeworden voor iemand die God met een zuivere en belangelooze liefde bemint en die de eer en de belangen van God hooger schat dan de zijne!

 

 

VIJFDE    BEWEEGREDEN:

 

Deze godsvrucht is een gemakkelijke, korte, volmaakte

en zekere weg om te geraken tot de vereeniging met Onzen Heer,

waarin de volmaaktheid van den Christen bestaat..

 

152         Het is een gemakkelijke weg ; een weg door Jezus Christus gebaand, toen Hij tot ons kwam ; een weg ook zonder hinderpalen om tot Hem te komen. Men kan weliswaar langs andere wegen tot de vereeniging met God geraken, maar dan door een veel grooter aantal kruisen en geheimzinnige dooden, met veel meer moeilijkheden, die wij slechts bezwaarlijk zullen te boven komen. Wij zullen door donkere nachten moeten, door eigenaardige worstelingen en doodsstrijden, over steile bergen, door scherpe doornen en schrikwekkende woestijnen. Maar over Maria’s weg gaat men zachter en rustiger. Wel heeft men ook hier hevige strijden te leveren en groote moeilijkheden te overwinnen ; maar die goede Moeder en Meesteres blijft zoo dicht bij haar getrouwe dienaren, om hen te verlichten in hun duisternissen, vóór te lichten in hun twijfels, te versterken in hun angsten, te ondersteunen in hun strijd en moeilijkheden, dat deze maagdelijke weg om Jezus Christus te vinden, in waarheid een weg van rozen en honig is, in vergelijking met de andere wegen. Eenige Heiligen, doch in kleinen getale, b.v. de H. Ephrem, de H. Joannes Damascenus, de H. Bernardus, de H. Bernardinus, de H. Bonaventura, de H. Franciscus van Sales, e.a. hebben dien zachten weg bewandeld om tot Jezus te gaan, omdat de H. Geest, Maria’s getrouwe Bruidegom, hun dien door een bijzondere genade had aangewezen. De andere Heiligen, in veel grooter getal, zijn wel allen vereerders geweest van de H. Maagd, maar hebben dezen weg niet of zeer weinig betreden. Daarom ook hebben zij zwaarder en gevaarlijker beproevingen doorstaan.

 

153         Hoe komt het dan, zal men vragen, dat de getrouwe dienaars van die goede Moeder zoo dikwijls te lijden hebben, ja, meer dan anderen, die Haar niet zoo verknocht zijn ? Zij worden tegengesproken, vervolgd, belasterd ; men kan hen niet uit-staan ; ofwel zij wandelen in inwendige duisternissen en in woestijnen waar niet de minste droppel van ’s hemels dauw te vinden is. Als deze godsvrucht tot de H. Maagd den weg om Jezus Christus te vinden gemakkelijker maakt, hoe komt het dan, dat zij het meest gekruisigd worden?

154         Ziehier mijn antwoord : de getrouwe dienaars der H. Maagd ontvangen weliswaar van Haar, als grootste gunstelingen, de grootste genaden en gunsten des hemels, nl. de kruisen ; maar ik beweer ook, dat Maria’s dienaren die kruisen met meer gemak, verdienste en glorie dragen. Wat een ander duizendmaal zou tegenhouden of doen vallen, houdt hen niet éénmaal tegen, doch doet hen vooruitgaan, omdat die goede Moeder gansch vol van genade en van de zalving des H. Geestes al die kruisen die zij hun uitsnijdt, in de suiker harer moederlijke zoetheid en in de zalving der zuivere liefde inlegt ; zoodat zij ze blijde, als ingelegde noten, slikken, alhoewel zij op zich zelf zeer bitter zijn. Ik geloof niet, dat iemand die braaf en godvruchtig in Jezus Christus wil leven, en dus vervolging moet lijden en dagelijks zijn kruis opnemen, ooit zware kruisen zal dragen, ten minste blijmoedig en tot het einde toe, zonder een teedere godsvrucht tot de H. Maagd, die de zoetheid der kruisen is ; zooals ook niemand, zonder zich veel geweld aan te doen,— en dat zal hij niet lang volhouden,— groene noten kan eten, die niet in suiker zijn ingelegd.

155         2. Deze godsvrucht tot de H. Maagd is een korte weg om Jezus Christus te vinden, én omdat men er niet verdwaalt, én omdat men er, gelijk ik zooeven gezegd heb, blijmoediger en gemakkelijker, dus ook sneller vooruitgaat. Men vordert meer in weinig tijd van onderworpenheid aan Maria en afhankelijkheid van Haar dan in gansch jaren van eigen wil en van steun op zichzelf ; want de gehoorzame en aan Maria onderworpen mensch zal schitterende overwinningen over zijn vijanden bezingen.[7] Zij zullen hem weliswaar beletten vooruit te gaan ; zij zullen zelfs trachten hem te doen achteruit gaan of te doen vallen ; maar met Maria’s steun, hulp en geleide, zal hij, zonder te vallen, zonder terug te deinzen en zelfs zonder zijn gang te vertragen, met reuzenschreden tot Jezus Christus naderen, langs denzelfden weg, waarlangs, gelijk geschreven staat, Jezus met reuzenschreden en in korten tijd tot ons gekomen is.

156         Waarom, meent gij, heeft Jezus Christus zoo korten tijd op aarde geleefd, en de weinige jaren, die Hij geleefd heeft, bijna geheel in onderdanigheid en gehoorzaamheid aan zijn Moeder doorgebracht ? O, ’t is omdat Hij, na korten tijd weggenomen, lang heeft geleefd, langer zelfs dan Adam wiens schade Hij is komen herstellen, ofschoon deze meer dan negenhonderd jaar geleefd heeft. Jezus Christus heeft lang geleefd, omdat Hij een leven geleid heeft van volkomen onderwerping aan zijn heilige Moeder en van innige vereeniging met Haar, om volmaakt aan zijn goddelijke Vader te gehoorzamen. Immers : 1˚ Wie zijn moeder eert, is gelijk aan iemand die schatten vergadert, zegt de H. Geest, d.w.z. hij die Maria, zijn Moeder, zóó vereert, dat hij zich aan Haar onderwerpt en Haar in alles gehoorzaamt, zal spoedig zeer rijk worden, omdat hij dagelijks schatten vergadert door middel van dezen steen der wijzen : Qui honorat matrem, quasi qui thesaurizat ; 2˚ In Maria’s schoot, « die een volmaakten mensch omsloten en gebaard heeft, en Dengene kon bevatten, dien het heelal niet is staat is te bevatten »—in Maria’s schoot, zeg ik, worden jongelingen aan grijsaards gelijk, in verlicht-ing, heiligheid, ervaring en wijsheid, en geraakt men in weinig jaren tot de volheid van Christus’ leeftijd.

157         3. Deze godsvrucht tot de H. Maagd is een volmaakte weg om tot Jezus Christus te gaan en zich met Hem te vereenigen, wijl Maria het volmaakste en het allerheiligste aller zuivere schepselen is, en Jezus Christus, die op volmaakte wijze tot ons is gekomen, geen anderen weg voor zijn groote en bewonderenswaardige reis genomen heeft.

De Allerhoogste, de Onbevatbare, de Ongenaakbare, Hij die Is, is willen komen tot ons, nietige aardwormen, die niets zijn. Hoe is dat geschied?

De Allerhoogste is op volmaakte en goddelijke wijze, door de ootmoedige Maria, tot ons neergedaald, zonder iets te verliezen van zijn Godheid en Heiligheid ; door Maria ook moeten wij, allerkleinsten, op volmaakte en goddelijke wijze, opklimmen tot den Allerhoogste, zonder iets te duchten.

De Onbevatbare heeft zich laten omsluiten en bevatten door de geringe Maagd Maria, zonder iets van zijn onmetelijkheid te verliezen ; door de geringe Maagd Maria ook moeten wij ons op volmaakte wijze laten omvatten en geleiden, zonder eenig voorbehoud.

De Ongenaakbare is tot onze menschheid genaderd en heeft zich innig, volmaakt en zelfs persoonlijk met haar vereenigd door Maria, zonder iets van zijn majesteit te verliezen ; door Maria ook moeten wij tot God naderen en ons met zijn majesteit volmaakt en innig vereenigen, zonder vrees van verstooten te worden.

Eindelijk, Hij die Is, is willen komen tot hetgeen niet is, opdat hetgeen niet is, God worde of Hij die Is ; en Hij heeft dit op volmaakte wijze gedaan door zich geheel aan de jeugdige Maagd Maria over te geven en te onderwerpen, zonder op te houden in den tijd te wezen Hij die Is van alle eeuwigheid ; zoo ook kunnen wij ofschoon wij niets zijn, met Maria’s hulp, door de genade en de glorie gelijkvormig worden aan God, en zulks door ons zóó volkomen aan Haar te geven, dat wij niets meer zijn in ons zelf, maar alles in Haar, zonder vrees van te dwalen.

 

158         Dat men mij een nieuwen weg bane om tot Jezus Christus te gaan ; en dat die weg geplaveid zij met al de verdiensten der Gelukzaligen, versierd met al hun heldhaftige deugden, verlicht en verfraaid met al den luister en de pracht der Engelen ; en dat alle Engelen en Heiligen er aanwezig zijn om er te geleiden, te verdedigen en te ondersteunen wie dien weg willen bewandelen ; voorwaar, voorwaar, ik verklaar het stoutmoedig, en ik zeg de waarheid : boven dien zoo vol-maakten weg zou ik Maria’s onbevlekten weg verkiezen : Posui immaculatam viam meam ; [8] baan of weg zonder eenige vlek of smet, zonder erfzonde of dadelijke zonde, zonder schaduw of duisternis. En indien mijn beminnelijke Jezus andermaal in zijn glorie op aarde komt om er te heerschen,—wat zeker is,— dan zal Hij geen anderen weg voor zijn komst kiezen dan Maria, door Wie Hij op zoo zekere en volmaakte wijze de eerste maal gekomen is. Het onderscheid tusschen zijn eerste en tweede komst zal hierin bestaan, dat de eerste geheim en verborgen was, de tweede echter glorierijk en schitterend zal wezen, maar beide volmaakt, omdat beide door Maria plaats hebben. Helaas! dit is een geheim dat niet begrepen wordt : Hic taceat omnis lingua. Hier verstomme alle spraak.

 

159         4. Deze godsvrucht tot de H. Maagd is een zekere weg om tot Jezus Christus te gaan, en ons, door ons met Hem te vereenigen, de volmaaktheid te doen bereiken.

1˚ De oefening van de godsvrucht die ik predik, is niet nieuw ; zij is zoo oud, zegt de Eerw. Heer Boudon (sinds korten tijd in den geur van heiligheid gestorven) in een boek dat hij over deze godsvrucht heeft geschreven, zij is zoo oud, dat men haar oorsprong niet nauwkeurig kan bepalen. Zeker is het evenwel, dat men er sedert meer dan 700 jaren sporen van aantreft in de H. Kerk[9]. De H. Odilo, abt van Cluny, die omstreeks het jaar 1040 leefde, is een der eersten geweest die haar openlijk in Frankrijk beoefend hebben, zooals in zijn leven verhaald wordt. Kardinaal Petrus Damianus[10] verhaalt, dat zijn broeder, de Zalige Marinus, zich in ’t jaar 1076 op de volgende stichtende wijze, in tegenwoordigheid van zijn biechtvader, als slaaf aan de H. Maagd toewijdde : hij bond zich een koord om den hals, geeselde zich en legde op het altaar een som gelds neer, ten bewijze zijner verknochtheid en toewijding aan de H. Maagd Hij beoefende deze godsvrucht zóó getrouw tijdens geheel zijn leven, dat hij bij zijn dood waardig werd bevonden door zijn goede Meesteres bezocht en getroost te worden, en, tot belooning zijner diensten uit haren mond de belofte van het Paradijs mocht vernemen. Cesarius[11] gewaagt van een vermaard ridder, die, omstreeks het jaar 1300, deze toewijding van zichzelf aan de H. Maagd deed. Deze godsvrucht werd door velen in ’t bijzonder beoefend tot de XVIIe eeuw, toen zij openbaar werd.

 

160         Pater Simon de Roias, van de Orde der H. Drievuldigheid, ook van de Verlossing der Gevangenen genaamd, hofprediker van koning Philips III, bracht deze gods-vrucht in geheel Spanje en Duitschland in zwang, en verkreeg van Paus Gregorius XV, op verzoek van Philips III, rijke aflaten voor degenen die haar zouden beoefenen. Pater de Los-Rios, van de Orde van den H. Augustinus, beijverde zich met zijn boezemvriend, Pater de Roias, deze godsvrucht door woord en geschrift in genoemde landen te verspreiden. Hij schreef een lijvig boekdeel : Hierarchia Mariana, waarin hij met evenveel vroomheid als geleerdheid de oudheid, voortreffelijkheid en degelijkheid dezer godsvrucht behandelt.

161         De Eerw. Paters Theatijnen vestigden haar gedurende de vorige eeuw in Italië, Sicilië en Savoye ; de Eerw. Pater Stanislaus Phalacius S. J. verspreidde haar op wonderbare wijze in Polen. Pater de Los-Rios vermeldt in zijn bovengenoemd werk de namen der prinsen, prinsessen, hertogen en kardinalen van verschillende rijken, die deze godsvrucht omhelsd hebben.

De Eerw. Pater Cornelius a Lapide, even bekend om zijn godsvrucht als om zijn diepgrondige wetenschap, ontving van verschillende bisschoppen en godgeleerden opdracht deze devotie te onderzoeken ; na rijp beraad, prees hij haar, op eene zijner vroomheid waardige wijze, aan. Vele andere beroemde mannen volgden zijn voorbeeld. De Eerw. Paters Jezuïten, steeds vol ijver voor den dienst der H. Maagd, boden, in naam der Congreganisten van Keulen, den hertog Ferdinand van Beieren, alsdan bisschop van Keulen, een kleine verhandeling aan over de heilige slavernij. De Kerkvoogd hechtte er zijn goedkeuring aan, gaf verlof om ze te drukken en spoorde al de pastoors en kloosterlingen van zijn bisdom aan, deze degelijke godsvrucht zooveel mogelijk te verspreiden.

162         Kardinaal de Bérulle, wiens nagedachtenis door geheel Frankrijk in zegening is, was een der ijverigsten om in Frankrijk deze godsvrucht te verspreiden, trotsch al den laster en de vervolgingen, die hij van vrijdenkers en losbandige menschen te verduren had. Ze beschuldigden hem van nieuwsgierigheid en bijgeloof, gaven tegen hem een smaadschrift uit en bedienden zich, of liever de duivel bediende zich door hen, van duizend listen, om hem te beletten deze godsvrucht in Frankrijk te verbreiden. Deze beroemde en vrome man beantwoordde hun laster alleen met zijn geduld, en de opwerpingen van hun schandschrift met een klein werkje, waarin hij hen zegevierend wederlegt, door hun aan te toonen, dat deze godsvrucht gegrond is op het voorbeeld van Jezus Christus, op de verplichtingen die wij jegens Hem hebben, en op de beloften die wij in het H. Doopsel hebben afgelegd. Door deze laatste reden vooral snoert hij hun de mond. Hij wijst er op, dat deze toewijding aan de H. Maagd en door Haar handen aan Jezus Christus, niets anders is dan een volmaakte her-nieuwing van de beloften des Doopsels. Veel schoons schrijft hij over deze godsvrucht, zooals men in zijn werken lezen kan.

 

163         In het werk van Boudon worden de verschillende Pausen aangehaald die deze godsvrucht hebben goedgekeurd, de godgeleerden die haar onderzocht hebben, de vervolgingen welke ze zegevierend doorstond, en de namen van duizenden personen die haar omhelsd hebben, zonder dat ooit een Paus haar veroordeelde ; dit zou men ook niet kunnen doen zonder de grondslagen van het christendom omver te halen. Het staat dus vast, dat deze devotie niet nieuw is, en dat, indien zij niet algemeen beoefend wordt, zulks hieraan te wijten valt, dat zij te kostbaar is om door iedereen gesmaakt en beoefend te worden.

164         2˚ Deze devotie is een zeker middel om tot Jezus Christus te gaan, omdat het Maria eigen is, ons zeker tot Jezus Christus te geleiden, zooals het Jezus eigen is, ons zeker tot zijn eeuwige Vader te geleiden. En laat degenen die zich op het geestelijk leven toeleggen niet valschelijk meenen, dat Maria hun een beletsel is om tot de vereeniging met God te geraken. Zou het immers mogelijk zijn, dat Zij, die voor allen in ’t algemeen en voor eenieder in ’t bijzonder genade heeft gevonden bij God, een beletsel zou wezen voor een ziel om de groote genade der vereeniging met God te vinden? Zou het mogelijk zijn, dat Zij, die gansch vol en overvol van genade is, die zóó met God vereenigd is, dat Hij in Haar heeft willen mensch worden, zou het mogelijk zijn, dat Zij een ziel belette zich volmaakt met God te vereenigen?

Weliswaar, zou het aanschouwen van andere, ook heilige schepselen, in zekere omstandigheden, de vereeniging met God wellicht kunnen vertragen. Maria echter niet, zooals ik gezegd heb en onverpoosd zal blijven zeggen. Een reden, waarom zoo weinig zielen tot de volheid van Christus’ leeftijd geraken, is, dat Maria, die zoo goed als ooit de Moeder is van Jezus Christus en de vruchtbare Bruid van den H. Geest, niet genoeg in hun harten gevormd is. Wie de vrucht wil hebben, volgroeid en welgerijpt, moet den boom die haar voortbrengt bezitten ; wie de vrucht des levens, Jezus Christus, wil hebben, moet den boom des levens, Maria, bezitten. Wie de werking des H. Geestes in zijn binnenste wil gevoelen, moet zijn getrouwe en onafscheidbare Bruid, Maria, die Hem vruchtbaar maakt, bezitten. Dit heb ik reeds elders verklaard.

 

165         Wees dus overtuigd, dat, hoe meer gij Maria voor oogen zult houden in uw gebeden, beschouwingen, werken en wederwaardigheden,— zoo niet op duidelijke en merkbare, dan toch op algemeene en onmerkbare wijze,—hoe volkomener gij Jezus Christus zult vinden, die altijd met Maria is : groot en machtig, werkend en ondoorgrondelijk, meer nog dan in den Hemel of in eenig schepsel van het heelal. Aldus, wel verre dat Maria, geheel in God verslonden, den volmaakten een hinderpaal zou zijn om tot de vereeniging met God te geraken, is er integendeel tot nog toe geen schepsel geweest, en zal er nooit een zijn, dat ons krachtdadiger helpt in deze groote onderneming ; eensdeels door de genaden die Zij ons te dien einde zal verleenen— niemand immers wordt met de gedachte Gods vervuld dan door Haar, zegt een Heilige[12] : Nemo cogitatione Dei repletur nisi per te ;— anderdeels door de zorgen die Zij zal aanwenden, om ons voor de begoochelingen en het bedrog van den boozen geest te vrijwaren.

 

166         Waar Maria is, daar is de booze geest niet ; en het is een der onfeilbaarste kenteekenen dat men door den goeden geest geleid wordt, wanneer men een groote godsvrucht tot Maria heeft, dikwijls aan Haar denkt en dikwijls over Haar spreekt. Dit is het gevoelen van een Heilige[13], die hieraan toevoegt, dat, evenals de ademhaling een zeker bewijs is dat het lichaam nog leeft, zoo ook de veelvuldige gedachte aan en de liefdevolle aanroeping van Maria een zeker bewijs is dat de ziel niet dood is door de zonde.

167         Daar Maria alleen alle ketterijen vernietigd heeft, naar de woorden van de H. Kerk en van den H. Geest die haar bestiert : Sola cunctas hœreses interemisti in universo mundo, zoo zal nooit, ondanks het gepruttel der vitters, een getrouw dienaar van Maria in vrijwillige ketterij of dwaling vallen. Wel zal hij feitelijk kunnen dwalen, de leugen voor de waarheid houden, en den boozen geest voor den goeden, ofschoon moeilijker dan een ander ; doch vroeg of laat zal hij zijn vergissing en feitelijke dwaling inzien, dan zal hij geenszins hardnekkig blijven gelooven en volhouden wat hij voor de waarheid had aangezien.

 

168         Alwie dus,— zonder die valsche inbeeldingen te vreezen, waaraan beschouwende personen zoozeer zijn blootgesteld,— op den weg der volmaaktheid voortgang wil maken en Jezus Christus op zekere en volmaakte wijze vinden, hij omhelze van ganscher harte, corde magno et animo volenti[14], deze godsvrucht tot de H. Maagd die hem misschien nog onbekend was. Hij sla dezen voortreffelijken weg in, dien hij niet kende en dien ik hem thans aanwijs : Excellentiorem viam vobis demonstro[15]. Het is een weg door Jezus Christus, de menschgeworden Wijsheid, ons eenig Opperhoofd, gebaand ; door dien te bewandelen kunnen de ledematen niet dwalen. Het is een gemakkelijke weg, wegens de volheid der genade en de zalving van den H. Geest, die daar gevonden wordt : men wordt niet moede en gaat niet achteruit, wanneer men hem bewandelt. Het is een korte weg, die ons in weinig tijd tot Jezus Christus voert. Het is een volmaakte weg, waarop geen slijk, geen stof, geen het geringste vuil van zonde te vinden is. Het is ten slotte een zekere weg, die ons recht en zeker tot Jezus Christus en het eeuwig leven leidt, zonder afwijken naar rechts of links. Slaan wij dien weg dan in, en gaan wij er dag en nacht op voort, tot wij de volheid van Christus’ leeftijd bereiken.

 

 

ZESDE       BEWEEGREDEN:

 

Deze godsvrucht brengt een groote inwendige vrijheid voort.

 

169         DEZE godsvrucht deelt aan haar getrouwe beoefenaars een groote inwendige vrijheid mede, de vrijheid nl. der kinderen Gods. Want, daar men zich door deze devotie tot slaaf maakt van Jezus Christus door zich geheel aan Hem in deze hoedanigheid toe te wijden, beloont die goede Meester de liefdevolle gevangenschap waarin men zich stelt : 1˚ door de ziel te bevrijden van alle angstvalligheid en slaafsche vrees, die haar slechts kunnen benauwen, verstrikken en verwarren ; 2˚ door het hart te verruimen met een vast vertrouwen op God, dien Hij ons als onzen Vader doet beschouwen ; 3˚ door ons een teedere en kinderlijke liefde in te boezemen.

170         Ik wil hier niet langer stilstaan om deze waarheid met bewijzen te staven. Ik zal me vergenoegen met een feit aan te halen, dat ik gelezen heb in ’t leven van Mère Agnès de Jésus, religieuze der orde van den H. Dominicus uit ’t klooster van Langeac in Auvergne, die aldaar in ’t jaar 1634 in geur van heiligheid gestorven is. Nog pas zeven jaar oud en aan groote geesteskwellingen onderhevig, hoorde zij een stem, die haar zeide dat, indien zij van al haar kwellingen bevrijd en tegen al haar vijanden beschermd wilde worden, zij zoo spoedig mogelijk slavin zou worden van Jezus en zijn H. Moeder. Zoodra zij thuis was weergekeerd, schonk ze zich geheel als zoodanig aan Jezus en Maria, ofschoon zij vroeger niet wist waarin deze godsvrucht bestond. Met een ijzeren keten, die zij gevonden had, omgordde zij zich de lendenen en droeg die tot aan haar dood. Hiermede hielden al haar kwellingen en gewetensangsten op, en zij smaakte groote vrede en verruiming des harten. Hierdoor opgewekt, deelde zij deze devotie aan vele anderen mede, die er groote vorderingen in maakten, o.a. aan M. Olier, Stichter van ’t Seminarie van Saint-Sulpice, en aan verscheidene priesters en geestelijken van hetzelfde Seminarie. Op zekeren dag verscheen haar de H. Maagd en deed haar een gouden keten om den hals, om haar vreugde te betuigen over haar toewijding als slavin aan Jezus en aan Haarzelve. En de H. Cecilia, die de H. Maagd vergezelde, zeide tot haar : Zalig zijn de getrouwe slaven van de Koningin des Hemels, want zij zullen de ware vrijheid genieten : Tibi servire libertas. U dienen is vrijheid.

 

 

ZEVENDE       BEWEEGREDEN:

 

Deze godsvrucht verschaft groot voordeel aan onzen evennaaste.

 

171         WAT ons nog kan aansporen deze oefening te omhelzen, is het groote nut dat onze evennaaste daaruit zal trekken. Door deze godsvrucht immers beoefent men de naastenliefde op voortreffelijke wijze, daar men zijn even-mensch, door Maria’s handen, al het kostbaarste schenkt wat men bezit, te weten : de voldoenings- en verkrijginskracht van al zijn goede werken, zonder ook maar de geringste goede gedachte of ’t minste lijden uit te zonderen. Men staat toe, dat al wat men aan voldoeningen verworven heeft en tot den dood verwerven zal, naar Maria’s goedvinden aangewend worde, òf tot de bekeering der zondaars, òf tot de verlossing der zielen in ‘t Vagevuur. Is dat niet zijn evenmensch volmaakt liefhebben ? Is dat niet een waar leerling van Jezus Christus zijn, dien men aan de naastenliefde herkent ? Is dat niet het middel, om de zondaren te bekeeren zonder vrees voor ijdelheid ; om de zielen uit het Vagevuur te verlossen, zonder bijna iets anders te doen dan hetgeen iedereen in zijn staat verplicht is te doen ?

172         Om het voortreffelijke van deze beweegreden te begrijpen, zou men moeten beseffen hoe verheven het is, een zondaar te bekeeren of een ziel uit ’t Vagevuur te verlossen : een oneindig goed, grooter dan de schepping van hemel en aarde, daar men aan een ziel het bezit van God verschaft. Al zou men door deze oefening, gedurende heel zijn leven, slechts ééne ziel uit het Vagevuur bevrijden of slechts één zondaar bekeeren, zou dat niet voldoende zijn om eenieder die zijn evenmensch waarlijk liefheeft aan te zetten ze te omhelzen ?

Doch er dient opgemerkt te worden, dat onze goede werken, omdat zij door Maria’s handen gaan, in zuiverheid toenemen, en bijgevolg ook in verdienste, in voldoenings- en verkrijgingskracht. Daardoor worden zij veel krachtiger om de pijnen der zielen in ’t Vagevuur te verzachten en de zondaars te bekeeren, dan indien zij niet door Maria’s maagdelijke en vrijgevige handen gingen. Het weinige dat men door Maria geeft, zonder eigen wil en met uiterst belangelooze liefde, vermag in waarheid zeer veel om Gods toorn te stillen en zijn barmhartigheid te verwerven. En zoo zal misschien bij den dood blijken, dat iemand die deze godsvrucht getrouw beoefend heeft, hierdoor vele zielen uit ’t Vagevuur heeft verlost en vele zondaren bekeerd, al heeft hij ook enkel de gewone handelingen van zijn staat verricht. Wat een vreugde bij zijn oordeel ! Wat een glorie in eeuwigheid !

 

 

ACHTSTE       BEWEEGREDEN:

 

Zij is een wonderbaar middel ter volharding.

 

173         WAT ons eindelijk in zekeren zin nog krachtiger moet aansporen om deze godsvrucht tot de allerheiligste Maagd te aanvaarden is, dat zij een wonderbaar middel is om in de deugd te volharden en getrouw te blijven. Want hoe komt het, dat de meeste bekeeringen niet duurzaam zijn ? Hoe komt het, dat men zoo licht in zonde terugvalt ? Hoe komt het, dat de meeste rechtvaardigen, in plaats van deugd tot deugd vooruit te gaan en nieuwe genaden te verwerven, vaak de weinige deugden en genaden welke zij bezitten, nog verliezen ? Dit komt hierdoor, zooals ik vroeger heb aangetoond, dat de mensch die zoo bedorven, zoo zwak en zoo onstandvastig is, op zichzelf vertrouwt, op eigen krachten steunt en zich bij machte waant den schat zijner genaden, deugden en verdiensten te bewaren.

Welnu, door deze devotie vertrouwt men alles toe aan de H. Maagd, die getrouw is ; men neemt Haar als algemeene Bewaarster van al zijn goederen in de orde der natuur en der genade. Men verlaat zich op haar getrouwheid, steunt op haar macht, bouwt op haar goedertierenheid en liefde, opdat Zij onze deugden en verdiensten beware en vermeerdere, ondanks den duivel, de wereld en het vleesch, die alles in ’t werk stellen om ze ons te ontrukken. Men zegt Haar, gelijk een goed kind tot zijn moeder en een getrouw dienaar tot zijn Meesteres : Depositum custodi[16] : Mijn goede Moeder en Meesteres, ik erken, dat ik door uw voorspraak tot nog toe meer genaden van God heb ontvangen dan ik waardig ben. Een noodlottige ondervinding heeft mij geleerd, dat ik dezen schat in een zeer broos vat draag, en dat ik te zwak en te ellendig ben om die genaden in mijzelf te bewaren. Ik smeek U derhalve, neem al wat ik bezit in bewaring en behoud het mij door uw getrouwheid en uw macht. Indien Gij mij behoedt, zal ik niets verliezen ; indien Gij mij ondersteunt, zal ik niet vallen ; indien Gij mij beschermt, ben ik tegen mijn vijanden beschut.

174         Dit zegt de H. Bernardus in uitdrukkelijke woorden, om ons tot deze oefening aan te sporen : « Wanneer Zij u ondersteunt, valt gij niet ; wanneer Zij u beschermt, vreest gij niet ; wanneer Zij u geleidt, wordt gij niet moede ; wanneer Zij u gunstig is, zult u de haven des heils bereiken » : Ipsa tenente, non corruis ; ipsa protegente, non metuis ; ipsa duce, non fatigaris ; ipsa propitia pervenis. (S. Bern. Serm. 2 super Missus est.) De H. Bonaventura schijnt hetzelfde te zeggen in nog uitdrukkelijker woorden : « De H. Maagd, » zoo zegt hij, « wordt niet alleen in de volheid der Heiligen behouden, maar Zij behoudt ook en bewaart de Heiligen in hun volheid, opdat deze niet vermindere. Zij belet, dat hun deugden verdwijnen, hun verdiensten vergaan, hun genaden verloren worden, de duivel hen benadeele ; eindelijk weerhoudt Zij Onzen Heer hen te straffen wanneer zij zondigen. » Virgo non solum in plenitudine sanctorum detinetur, sed etiam in plenitudine sanctos detinet, ne plenitudo minuatur ; detinet virtutes, ne fugiant ; detinet merita, ne pereant ; detinet gratias, ne effluant ; detinet dœmones, ne noceant ; detinet Filium ne peccatores percutiat.  (S. Bonav. in Specul. B. M. V.)

175         Maria is de getrouwe Maagd, die door haar getrouwheid aan God, de verliezen herstelt, welke de ontrouwe Eva door haar ongetrouwheid veroorzaakt heeft, en die, voor wie zich aan Haar hechten, de getrouwheid aan God en de volharding verkrijgt. Daarom vergelijkt Haar een Heilige[17] met een hecht anker, dat men vasthoudt en belet schipbreuk te lijden op de woelige zee dezer wereld, waar zoovelen vergaan, omdat zij zich aan dit anker niet vastklemmen. « Wij hechten de zielen, » zoo zegt die Heilige, « aan de hoop op U, als aan een stevig anker. Animas ad spem tuam, sicut ad firmam anchoram alligamus. » Aan Haar hebben de Heiligen, die hun zaligheid bewerkten, zichzelf en de anderen het meest vastgehecht om te volharden in de deugd.

Gelukkig dan en duizendmaal gelukkig de Christenen, die zich thans getrouw en geheel aan Haar vasthechten als aan een stevig anker. Het geweld van den storm dezer wereld zal hen niet doen vergaan, noch hen berooven van hun hemelsche schatten.

Gelukkig die zich in Haar, als in de ark van Noë opsluiten ! De wateren van den zondvloed, waarin zoovelen vergaan, zullen hen niet deren ; want : Qui operantur in me non peccabunt[18]; « Die in mij zijn om hunne zaligheid te bewerken, zullen niet zondigen, » zoo spreekt Maria met de Wijsheid.

Gelukkig de ontrouwe kinderen der rampzalige Eva, die zich hechten aan die getrouwe Moeder en Maagd. Zij blijft altijd getrouw en verloochent zich nooit : Fidelis permanet, se ipsam negare non potest[19]. Zij bemint altijd degenen die Haar beminnen :  Ego diligentes me diligo[20]. Haar liefde is niet enkel genegenheid, maar een werkdadige en vruchtbare liefde : door een grooten overvloed van genaden belet Zij hen in de deugd achteruit te gaan, of op den weg te vallen en de genade van haar Zoon te verliezen.

176         Die goede Moeder neemt altijd uit loutere liefde aan, al wat men Haar toevertrouwt. Heeft Zij het eenmaal in bewaring aangenomen, dan is Zij uit rechtvaardigheid verplicht, krachtens het bewaringscontract, daarvoor zorg te dragen ; evenals iemand, wien ik duizend kronen ter bewaring zou hebben toevertrouwd, verplicht zou zijn daarvoor zorg te dragen ; en mochten mijn duizend kronen door zijn nalatigheid verloren gaan, dan zou hij daarvoor gerechtelijk aansprakelijk zijn. Doch neen, nooit zal de getrouwe Maria door haar nalatigheid laten verloren gaan, wat men Haar toevertrouwt ; hemel en aarde zouden eerder vergaan, dan dat Zij nalatig en ontrouw zou worden jegens hen, die zich op Haar verlaten.

177         Arme kinderen van Maria, mateloos is uw zwakheid, groot uw onstandvastigheid, zeer bedorven uw inborst. Ik erken, dat ook gij genomen zijt uit de bedorven schaar der kinderen van Adam en Eva. Doch laat u daarom niet ontmoedigen ; maar troost u, ja, verheugt u. Ziehier een geheim, dat ik u wil mededeelen, een geheim aan bijna alle Christenen, zelfs de vroomste, onbekend. Laat niet uw goud en zilver in uw eigen kisten, vroeger reeds opengebroken door den boozen geest, die u bestolen heeft ; te klein ook, te zwak en te oud om een schat zoo groot en kostbaar te bevatten. Giet het zuivere en heldere bronwater der genade niet in uw door zonde besmette en verzuurde vaten ; al is er de zonde niet meer in, de reuk ervan bleef achter, en het water zou hierdoor bederven. Doet uw kostbare wijnen niet in oude vaten, die met slechten wijn zijn gevuld geweest ; zij zouden verzuren en mogelijk wegvloeien.

 

178         Al begrijpt gij mij, uitverkoren zielen, ik wil nog duidelijker spreken. Vertrouwt het goud uwer liefde, het zilver uwer zuiverheid, de wateren der hemelsche genaden en de wijnen uwer verdiensten en deugden niet aan een gescheurden zak, aan een oude en gebroken kist, aan een verzuurd en bedorven vat, zooals gij zijt. Gij zoudt door dieven, geplunderd worden, d.i. door de duivelen, die dag en nacht het gunstige oogenblik daartoe zoeken en bespieden. Het zuiverste dat God u gegeven heeft, zou door den slechten reuk van eigenliefde, zelfvertrouwen en eigenwil bedorven worden. Legt en stort in Maria’s schoot en hart al uw schatten, al uw genaden en deugden. Zij is een geestelijk vat, een eerwaardig vat, een uitmuntend vat van godsvrucht :  Vas spirituale, vas honora-bile, vas insigne devotionis. Sedert God in eigen persoon zich met al zijn volmaaktheden in dat vat heeft opgesloten, is het geheel geestelijk geworden en de geestelijke woning der meest geestelijke zielen. Het is eerwaardig geworden en de eeretroon van de hoogste vorsten der eeuwigheid. Het is uitmuntend in godsvrucht geworden, en het heerlijkste verblijf wat zoetheden, genaden en deugden betreft. Het is ten slotte rijk geworden als een gulden huis, sterk als een toren van David en zuiver als een ivoren toren.

 

179         O, hoe gelukkig is de mensch, die alles aan Maria heeft geschonken, die in alles en voor alles op Maria vertrouwt en zich geheel in Haar verliest! Hij behoort geheel aan Maria, en Maria behoort geheel aan hem. Hij mag stoutmoedig met David zeggen : Hœc facta est mihi [21]; « Maria is voor mij geschapen ; » of met den welbeminden leerling : Accepi eam in mea [22]; « Ik heb Haar voor al mijn bezit genomen ; » ofwel met Jezus Christus : Omnia mea tua sunt et omnia tua mea sunt [23], « Al het mijne is het uwe, en al het uwe is het mijne. »

 

180         Een of andere bevitter die dit leest, zal zich verbeelden, dat ik overdrijf en dat zulks buitensporige godsvrucht is. Helaas! hij begrijpt mij niet ; ofwel omdat hij een vleeschelijk mensch is, die de dingen des geestes niet smaakt ; ofwel omdat hij van de wereld is, die de H. Geest niet ontvangen kan ; ofwel omdat hij een trotsche bevitter is, die al wat hij niet begrijpt, veroordeelt en veracht. De zielen echter, die noch uit de wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God en Maria geboren zijn, die zielen begrijpen mij en smaken mijn leer ; en het is ook voor die zielen, dat ik schrijf.

 

181         Zoowel voor de eersten als voor de laatsten echter zeg ik, om mijn onderbroken betoog weder op te vatten : omdat Maria het edelste en milddadigste van alle zuivere schepselen is, laat Zij zich nooit in liefde en edelmoedigheid overtreffen. Voor het weinige dat men Haar geeft, schenkt Zij zeer veel terug van hetgeen Zij van God heeft ontvangen. Bijgevolg, wanneer een ziel zich zonder voorbehoud aan Haar overgeeft, dan schenkt Maria zich ook zonder voorbehoud aan die ziel, mits zij zonder vermetelheid op Haar vertrouwt, en van Haar kant arbeidt om de deugden te verkrijgen en de hartstochten te beteugelen.

182         Laat de trouwe dienaar van Maria dan vrijmoedig met den H. Joannes Damascenus uitroepen : « Op U vertrouwend, O Moeder van God, zal ik zalig worden ; onder uw hoede zal ik niet vreezen ; met uw hulp en bescherming zal ik mijn vijanden bestrijden en op de vlucht jagen : want de godsvrucht tot U is een wapen des heils, dat God schenkt aan wie Hij wil zalig maken : Spem tuam habens, o Deipara, servabor ; defensionem tuam possidens, non timebo ; persequar inimicos meos et in fugam vertam, habens protectionem et auxilium tuum ; nam tibi devotum esse est arma quœdam salutis, quœ Deus his dat quos vult salvos fieri. » (S. Joann. Damasc. Serm. de Annunt.)

 

 

 

 

 

 

ZESDE HOOFDSTUK

 

___

 

 

Voorafbeelding dezer Godsvrucht in de Geschiedenis van Rebecca en Jacob.

 

 

183         VAN al de waarheden die ik tot hiertoe omtrent de heilige Maagd en haar kinderen en dienaren heb ontwikkeld, geeft ons de H. Geest in de H. Schrift een bewonderens-waardige voorafbeelding in de geschiedenis van Jacob 1, die door de vindingrijke zorgen van Rebecca, zijne moeder, den zegen van zijn vader Isaäc ontving. Ziehier vooreerst de geschiedenis, zooals de H. Geest ze ons verhaalt ; daarna laat ik haar uitleg volgen.

 

184         Omdat Ezau zijn eerstgeboorterecht aan Jacob verkocht had, gebruikte Rebecca, de moeder der beide broeders, eenige jaren later een heilige en geheimnisvolle list om Jacob, dien zij teeder beminde, dit voorrecht te verzekeren. Isaäc was oud geworden en wilde alvorens te sterven zijn kinderen zegenen. Hij ontbood dus zijn zoon Ezau, dien hij liefhad, en gaf hem bevel op jacht te gaan en van het bemachtigde wild een gerecht te bereiden, waarna hij hem zou zegenen. Rebecca verwittigde Jacob schielijk van wat er gebeurde, en beval hem twee geitenbokjes uit de kudde te halen. Toen hij ze zijn moeder gebracht had, bereidde deze voor Isaäc een gerecht zooals zij wist dat hij graag at. Vervolgens bekleedde zij Jacob met Ezau’s kleederen die zij in bewaring had en bedekte zijn handen en hals met de huid der geitenbokjes, opdat zijn vader, die blind was, als hij de stem van Jacob zou hooren, door het haar der handen evenwel in de waan zou verkeeren, dat het zijn broeder Ezau was. En inderdaad, verwonderd over deze stem, waarin hij die van Jacob meende te herkennen, deed Isaäc hem naderbij komen ; en toen hij de haren van het vel der geitenbokjes, waarmede Jacobs handen bedekt waren, had aangeraakt, zeide hij, dat het wel Jacobs stem was, maar dat het Ezau’s handen waren. Nadat hij gegeten had en, bij het omhelzen van Jacob, den geur zijner welriekende kleederen had ingeademd, zegende hij hem en wenschte hem den dauw des Hemels en de vruchtbaarheid der aarde toe ; hij stelde hem aan als heer over al zijn broeders en eindigde zijn zegen met deze woorden : « Dat hij die u vervloekt, zelf vervloekt zij, en hij die u zegent, met zegeningen overladen worde. » Nauwelijks had Isaäc deze woorden uitgesproken, of Ezau trad binnen en bracht zijn vader te eten van den buit zijner jacht, om daarna zijn zegen te ontvangen. Een ongeloofelijke verbazing maakte zich van den heiligen Oudvader meester, toen hij zag wat er gebeurd was ; doch, verre van te herroepen wat hij gedaan had, bevestigde hij het integendeel, omdat hij al te duidelijk den vinger Gods daarin herkende. Hierop — zoo verhaalt de H. Schrift — barstte Ezau in een woest geschreeuw uit, beschuldigde zijn broeder openlijk van bedrog, en vroeg aan zijn vader of hij dan maar één zegen had : hierin was hij, zoo merken de HH. Kerkvaders op, het beeld diergenen, die gaarne God met de wereld vereenigen en tegelijk de vertroostingen des Hemels en die der aarde willen genieten. Door het luid geween van Ezau bewogen, zegende Isaäc hem eindelijk, doch met een zegen der aarde, en stelde hem van zijn broeder afhankelijk. Dit deed bij Ezau zulk een venijnigen haat tegen Jacob ontstaan, dat hij slechts den dood zijns vaders afwachtte om zijn broeder om het leven te brengen ; en Jacob zou den dood niet ontkomen zijn, indien zijn dierbare moeder Rebecca hem daartegen niet gevrijwaard had door haar scherpzinnigheid en door haar goede raadgevingen, welke Jacob opvolgde.

 

185         Alvorens deze zoo schoone geschiedenis te verklaren, dient opgemerkt te worden, dat Jacob, volgens alle HH. Kerkvaders en alle verklaarders der H. Schrift, de voorafbeelding is van Jezus Christus en de uitverkorenen, Ezau integendeel die der verworpelingen. Men behoeft slechts de handelingen en het gedrag van beiden na te gaan, om zich hiervan te overtuigen.

 

 

  • I.

 

Ezau en de verworpelingen.

 

 

EZAU, de oudste, was sterk en forsch gebouwd ; hij was een handig boogschutter en een bedreven jager. 2. Hij bleef nooit te huis, en op zijn kracht en behendigheid alleen vertrouwend, arbeidde hij slechts buitenshuis. 3. Hij bekommerde zich weinig om de gunst zijner moeder Rebecca en deed niets om ze te verkrijgen. 4. Hij was zóó gulzig en zóó op het eten gesteld, dat hij zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzen verkocht. 5. Hij was, zooals Caïn, vol nijd tegen zijn broeder Jacob, en vervolgde dezen tot het uiterste.

 

186         Zoo handelen ook steeds de verworpelingen:

  1. Zij vertrouwen op hun kracht en bedrevenheid in tijdelijke zaken ; zij zijn zeer sterk, behendig en scherpzinnig voor de dingen dezer aarde, maar zeer zwak en onwetend in de dingen des Hemels : In terrenis fortes, in cœlestibus debiles. Daarom ook :
  2. Blijven zij niet of zeer weinig te huis, in hun eigen woning, d.w.z. in hun binnenste, dat de inwendige en eigenlijke woning is, door God aan ieder mensch geschonken, om daarin, naar zijn voorbeeld, te verblijven ; want God verblijft steeds in zichzelf. De verworpelingen houden niet van afzondering, noch van geestelijk leven, noch van innerlijke godsvrucht ; zij beschouwen als kleingeestigen, als kwezels en menschenschuwen, degenen die inwendig zijn, van de wereld teruggetrokken, en meer bezig in hun binnenste dan daarbuiten.

188         3. De verworpelingen bekreunen zich weinig om de godsvrucht tot de H. Maagd, de Moeder der uitverkorenen. Zij haten Haar wel niet bepaaldelijk ; zij brengen Haar somtijds lof ; ze zeggen, dat ze Haar beminnen, verrichten zelfs sommige godvruchtige oefeningen te harer eer. Doch, voor de rest, kunnen zij niet uitstaan dat men Haar teeder bemint, omdat zij Jacobs teedere liefde voor Haar niet bezitten. Zij vinden steeds wat aan te merken op de godvruchtige oefeningen, welke haar goede kinderen en dienaren getrouw onderhouden om haar genegenheid te winnen, omdat zij in den waan verkeeren, dat deze godsvrucht niet noodzakelijk is ter zaligheid. Haten ze niet bepaald de H. Maagd, en verachten ze niet uitdrukkelijk haar godsvrucht, dan is dit, huns inziens genoeg : ze hebben de gunst van Maria verworven ; en ze meenen haar dienaren te zijn, met eenige gebeden te mompelen, zonder liefde voor Haar en zonder beterschap voor zichzelf.

189         4. De verworpelingen verkoopen hun eerstgeboorte-recht, met andere woorden de geneugten des hemels, voor een schotel linzen, d.w.z. voor de genoegens der aarde. Zij lachen, drinken, eten, maken plezier, spelen en dansen, en geven zich als Ezau geen moeite om den zegen des hemelschen Vaders waardig te worden. In drie woorden : zij denken alleen aan de aarde, beminnen alleen de aarde, spreken en handelen alleen voor de aarde en haar genoegens. Zoodoende verkoopen zij voor één oogenblik van genot, voor den ijdelen rook der eer, voor een stuk harde aarde, geel of wit, de genade van het H. Doopsel, het kleed hunner onschuld en het erfgoed des hemels.

190         De verworpelingen eindelijk haten en vervolgen dagelijks de uitverkorenen, openlijk of heimelijk ; zij kunnen hen niet uitstaan, zij verachten en bevitten hen, apen hen na, beleedigen, bestelen, bedriegen, verarmen, verjagen hen en doen hen ten gronde gaan. Middelerwijl maken zij zelf fortuin en kunnen zich alle genoegens verschaffen ; het gaat hun goed, zij worden rijk, komen vooruit in de wereld en hebben alles wat zij verlangen.

 

 

  • II.

 

 

Jacob en de uitverkorenen.

 

191         JACOB, de jongste der twee broeders was zwak van gestel, zacht en vreedzaam van karakter, en bleef meestal te huis om de gunst zijner moeder Rebecca, die hij teeder liefhad te winnen. Zoo hij somtijds uitging, was dit niet uit eigenwil noch uit vertrouwen op eigen bedrevenheid, doch om zijn moeder te gehoorzamen.

192         2. Hij beminde en eerde zijn moeder: daarom bleef hij bij haar te huis ; hij was nooit gelukkiger dan in haar bijzijn. Hij vermeed alles wat haar kon mishagen, en deed wat hij meende dat haar aangenaam was. Dit vermeerderde bij Rebecca de liefde, die zij hem toedroeg.

193         3. Hij was in alles aan zijn lieve moeder onderworpen. Hij gehoorzaamde haar ten volle in alles, oogenblikkelijk en zonder toeven, liefdevol en zonder klagen. Bij het geringste teeken van haar wil, snelde de kleine Jacob heen om haar verlangens te bevredigen. Zonder verder onderzoek hechtte hij geloof aan al wat zij hem zeide : bijvoorbeeld, toen zij hem beval, haar twee geitenbokjes te brengen om ze voor zijn vader Isaäc toe te bereiden, wierp Jacob niet op, dat één wel voldoende was voor de maaltijd van één enkele man, doch, zonder redeneeren volbracht hij wat hem bevolen was.

194         4. Hij stelde een groot vertrouwen in zijn lieve moeder. Hij steunde geenszins op eigen vaardigheid en verliet zich alleen op haar zorgen en bescherming. Hij was gewoon haar hulp in te roepen in alle noodwendigheden en haar te raadplegen in iedere onzekerheid. Zoo bijv. toen hij haar vroeg, of hij niet in plaats van den zegen zijns vaders diens vloek te verwachten had, en zij antwoordde, dat zij dien vloek op zich nam,— verliet hij zich geheel op haar woord.

195         5. Ten slotte volgde hij zooveel mogelijk de deugden na, die hij in zijn moeder aanschouwde ; en het schijnt wel, dat dit een der redenen was waarvoor hij te huis bleef, nl. om het voorbeeld zijner moeder te volgen, die deugdzaam was en zedenbedervende gezelschappen vermeed. Hierdoor werd hij den dubbelen zegen zijns vaders waardig.

 

196         Van denzelfden aard is ook de dagelijksche levenswijze der uitverkorenen :

  1. Zij leiden een teruggetrokken leven tehuis bij hun moeder : d.w.z. het zijn inwendige menschen, zij houden van afzondering en leggen zich toe op het gebed, maar dan altijd naar het voorbeeld en in gezelschap van hun Moeder, de H. Maagd, wier luister geheel inwendig is 2, en die, gedurende haar gansche leven, de afzondering en het gebed zoozeer heeft liefgehad. Zij verschijnen weliswaar somwijlen buiten in de wereld ; maar dan uit gehoorzaamheid aan den wil van God en van hun dierbare Moeder, om de plichten van hun staat te vervullen. Wat al schijnbaar groote dingen zij ook uiterlijk doen, hooger nog schatten ze die, welke zij in zichzelf, in hun eigen binnenste, in gezelschap der allerheiligste Maagd, verrichten. Daar immers volbrengen zij het groote werk hunner volmaaktheid, waarbij vergeleken al het andere slechts kinderspel is. Terwijl dan hun broeders en zusters somtijds met veel kracht, bedrevenheid en voldoening voor het uiterlijke arbeiden, door de wereld geroemd en geprezen,— beseffen zij in het licht van den H. Geest dat het veel roemrijker, voordeeliger en gelukkiger is, met Jezus Christus, hun toonbeeld, een verborgen en teruggetrokken leven te leiden in algeheele en volstrekte onderworpenheid aan hun Moeder, dan uit zichzelf wonderen naar de natuur of de genade te verrichten in de wereld, gelijk zoovele Ezau’s en verworpelingen doen. Gloria et divitiœ in domo ejus3: de glorie voor God en de schatten voor den mensch bevinden zich in Maria’s woon.

Heer Jezus, hoe lieflijk zijn uw woontenten! De musch heeft een woning gevonden om er te verblijven en de tortelduif een nest, waarin zij haar jongen legt. O, hoe gelukkig is de mensch die verblijft in Maria’s woning, waar Gij het eerst uw verblijf hebt genomen! In deze woning der uitverkorenen ontvangt hij zijn hulp van U alleen. Daar heeft hij in zijn hart opgangen en trappen van alle deugden aangelegd, om in dit dal van tranen op te stijgen tot de volmaaktheid. Quam dilecta tabernacula tua, etc.4

197         2. De uitverkorenen beminnen teeder en vereeren waarlijk de allerheiligste Maagd als hun goede Moeder en Meesteres. Zij beminnen Haar niet enkel met woorden, doch in waarheid ; zij vereeren Haar niet alleen uitwendig, maar ook uit den grond huns harten. Zij vermijden gelijk Jacob al wat Haar kan mishagen, en volbrengen met ijver al wat zij geschikt achten om haar genegenheid te verwerven. Zij brengen en schenken Haar, niet twee geitenbokjes zooals Jacob voor Rebecca deed, doch, wat door die dieren voorafgebeeld werd, hun lichaam en hun ziel met al wat daarbij hoort : 1˚ opdat Zij ze ontvange als iets dat Haar toebehoort ; 2˚ opdat Zij ze doode en doe sterven aan de zonde en aan hen zelf, ze van hun eigen huid, d.w.z. van hun eigenliefde ontdoe, om ze zoodoende aan Jezus, haren Zoon, te doen behagen, die alleen tot vrienden en leer-lingen wil hen die aan zichzelf gestorven zijn ; 3˚ opdat Zij ze bereide naar den smaak van den hemelsche Vader en tot meerdere glorie, welke Zij beter kent dan eenig ander schepsel ; 4˚ opdat die ziel en dat lichaam door haar zorgen en haar voorspraak welgezuiverd van alle vlek, zichzelf volkomen afgestorven, goed gereinigd en wel toebereid, eene spijze, kostelijk en Gode aangenaam moge worden, en den zegen des hemelsche Vaders waardig. Is dit niet wat de uitverkoren zielen doen, die deze volmaakte toewijding aan Jezus door Maria’s handen smaken en getrouw beoefenen, om aldus Jezus en Maria een werkdadige en moedige liefde te betuigen?

De verworpelingen beweren wel, dat zij Jezus beminnen, dat zij ook Maria beminnen en vereeren ; maar niet zóózeer dat zij iets van zichzelf willen afstaan 5, niet zóózeer dat zij hun lichaam met zijn zintuigen, hun ziel met haar vermogens aan Jezus en Maria opofferen, gelijk de uitverkorenen doen.

 

198         3. De uitverkorenen zijn aan de H. Maagd, als aan hun goede Moeder ook gehoorzaam en onderworpen, naar het voorbeeld van Jezus, die, van de drieëndertig jaren welke Hij op aarde geleefd heeft, er dertig heeft besteed, om God zijn Vader door een volstrekte en algemeene onderwerping aan zijn heilige Moeder te verheerlijken.

Zij gehoorzamen Haar door haar raadgevingen stipt op te volgen, zooals Jacob deed voor Rebecca, die hem zeide : Fili mi, acquiesce consiliis meis 6; « Mijn zoon, volg mijn raadgevingen op » ; of zooals de bedienden op de bruiloft te Cana, tot wie de H. Maagd zeide : Quodcumque dixerit vobis, facite 7; « Doet al wat Hij u zeggen mag. » Omdat Jacob zijn moeder gehoorzaamde, ontving hij als bij wonder den zegen zijns vaders, dien hij natuurlijkerwijze niet moest ontvangen. De gasten der bruiloft te Cana, omdat zij Maria’s raad gevolgd hadden, werden vereerd met het eerste wonder van Jezus, die op de bede zijner heilige Moeder het water in wijn veranderde. Zoo ook zullen al degenen, die tot het einde der eeuwen den zegen van den hemelsche Vader ontvangen en met wonderen Gods vereerd worden, deze genaden slechts verkrijgen als een gevolg hunner gehoorzaamheid aan Maria. De Ezau’s, integendeel, verliezen hun zegen bij gemis aan onderworpenheid aan de H. Maagd.

199         4. De uitverkorenen stellen een groot vertrouwen in de goedheid en de macht der allerheiligste Maagd, hun goede Moeder. Zij roepen onophoudelijk haar hulp in. Zij beschouwen Haar als hun poolster om in veilige haven te landen. Zij leggen Haar met groote openhartigheid hun zorgen en behoeften bloot. Zij hechten zich aan haar barmhartigheid en zachtmoedigheid, om door haar voorspraak de vergiffenis te verkrijgen, en om in hun leed en tegenspoed haar moederlijke vertroosting te smaken. Zij werpen, verschuilen en verliezen zichzelf op bewonderenswaardige wijze in haren liefderijken en maagdelijken schoot, om er in zuivere liefde ontstoken, om er van de geringste vlekken gezuiverd te worden, om er op volmaakte wijze Jezus te vinden, die daar zetelt als op zijn glorierijkste troon.

O, welk een geluk! Denkt niet, zegt Abt Guerric, dat het een grooter geluk is in Abrahams schoot dan in Maria’s schoot te verblijven, daar de Heer hier zijn troon heeft opgeslagen : Ne credideris majoris esse felicitatis habitare in sinu Abrahœ quam in sinu Mariœ, cum in eo Dominus posuerit thronum suum.

De verworpelingen, integendeel, stellen al hun vertrouwen in zichzelf ; eten, zooals de verloren zoon, niets dan zwijnenvoedsel ; voeden zich slechts met aarde gelijk padden, en beminnen met de wereldlingen enkel het zichtbare en uiterlijke. Daarom kunnen zij de zoetheden van Maria’s schoot niet smaken, en ontberen zij dien steun, dat vertrouwen dat de uitverkorenen op de H. Maagd, hun goede Moeder, stellen. Zij verlustigen zich jammerlijk in hun honger naar het uiterlijke, zegt de H. Gregorius8, omdat zij de zoetheid niet willen smaken, die in hun binnenste en in Jezus en Maria voor hen bereid is.

 

200         5. Ten slotte bewandelen de uitverkorenen de wegen der H. Maagd, hun goede Moeder, d.w.z. zij volgen haar voorbeelden na. En hierdoor smaken zij werkelijk geluk, toonen zich waarlijk godvruchtig, en dragen het onfeilbaar teeken hunner voorbeschikking, zooals deze goede Moeder getuigt : Beati qui custodiunt vias meas, « Zalig die mijn wegen bewaren 9; » d.w.z. zalig diegenen die mijne deugden beoefenen en met behulp der goddelijke genade de voetstappen mijns levens drukken. Gelukkig zijn ze in de wereld gedurende hun leven, om den overvloed van genaden en zoetheden, die ik hun van mijn volheid mededeel, en zulks overvloediger dan aan de anderen, die mij niet van zoo nabij navolgen. Gelukkig zijn ze bij hun dood, die zacht en rustig is, en waarbij ik gewoonlijk zelf tegenwoordig ben om hen de vreugde der eeuwigheid binnen te leiden. Gelukkig eindelijk zijn zij in de eeuwigheid, omdat nooit een mijner trouwe dienaren, die mijn deugden gedurende zijn leven heeft nagevolgd, verloren is gegaan.

De verworpelingen daarentegen zijn ongelukkig gedurende hun leven, bij hun dood en in de eeuwigheid, omdat zij de allerheiligste Maagd in haar deugden niet navolgen en zich tevreden stellen met hoogstens lid te worden van haar broederschappen, eenige gebeden te harer eer op te zeggen of eenige andere uiterlijke godsvrucht te beoefenen. O heilige Maagd, mijn goede Moeder, hoe gelukkig, ik herhaal het in vervoering mijns harten, hoe gelukkig zijn degenen die zich niet laten misleiden door een valsche godsvrucht jegens U, maar getrouw uw wegen bewandelen, uw raadgevingen en bevelen nakomen. Maar hoe ongelukkig en vervloekt zijn degenen die, misbruik makend van uw godsvrucht, de geboden van uw Zoon niet onderhouden : Maledicti qui declinant a mandatis tuis, « Vervloekt zijn degenen die van uw geboden afwijken 10. »

 

 

  • III.

 

 

Rebecca en de H. Maagd.

 

 

201         ZIEHIER nu de liefderijke diensten, welke de H. Maagd, als de beste van alle moeders, haar trouwe dienaren bewijst, die zich op de boven beschreven wijze en naar Jacobs voorafbeelding aan Haar hebben toegewijd.

 

  1. Zij bemint hen.

 

Ego diligentes me diligo :11 « Ik bemin degenen die mij beminnen. »

Zij bemint hen : 1˚ omdat Zij hun ware Moeder is, en een moeder altijd haar kind bemint, dat de vrucht is van haren schoot. 2˚ Zij bemint hen uit erkentelijkheid, omdat zij Haar werkdadig als hun goede Moeder liefhebben. 3˚ Zij bemint hen, omdat zij, als uitverkorenen, door God zelf geliefd zijn : Jacob dilexi, Esau autem odio habui : « Jacob heb ik bemind, Ezau echter gehaat12. » 4˚ Zij bemint hen, omdat zij zich geheel aan Haar hebben toegewijd en aldus haar eigendom en erfdeel zijn : In Israel hœreditare : « Neem Israël tot uw erfdeel. »

202         Zij bemint hen teederlijk, teederlijker zelfs dan alle moeders te zamen. Verzamel, zoo gij kunt, al de natuurlijke liefde, welke de moeders der geheele wereld voor haar kinderen gevoelen, in het hart eener enkele moeder voor een eenig kind : voorzeker zal die moeder dat kind zeer veel beminnen. En toch is het waar, dat Maria met meer teederheid nog haar kinderen bemint, dan die moeder het hare zou liefhebben.

Die liefde welke Zij hun toedraagt, is niet enkel genegenheid, doch ook werkdadige en vruchtbare liefde, zooals, en meer nog, die van Rebecca voor Jacob. Ziehier wat die goede Moeder, van wie Rebecca slechts de voorafbeelding was, voor haar kinderen doet, om hun den zegen des hemelschen Vaders te verkrijgen.

 

203         1˚ Evenals Rebecca bespiedt Zij de gunstige gelegen-heden om hun goed te doen, om hen te verheffen en te verrijken. Daar Zij alle goed en kwaad, allen voor- en tegenspoed, de zegeningen en vervloekingen Gods duidelijk in God voorziet, beschikt Zij van verre alle dingen zoodanig, dat haar dienaren van allerlei rampen bevrijd en met allerlei zegeningen overladen worden. En wanneer er bij God een buitengewoon voordeel te behalen is, door de getrouwheid in een of andere hooge bediening, dan kan men zeker zijn, dat Maria die buitenkans aan een harer kinderen en trouwe dienaren zal bezorgen, en hem de genade verkrijgen om dat ambt met getrouwheid te vervullen. Ipsa procurat negotia nostra : « Zij zorgt voor onze belangen, » zegt een Heilige.

 

204         2˚ Zij geeft aan haar kinderen goeden raad, gelijk Rebecca aan Jacob : Fili mi, acquiesce consiliis meis, « Mijn zoon luister naar mijn raadgevingen. » Zij geeft o.a. den raad, Haar twee geitenbokjes te brengen, d.w.z. hun lichaam en hun ziel aan Haar toe te wijden, opdat Zij er een Gode aangename spijs mee bereide. Ook spoort Zij hen aan om alles te volbrengen wat Jezus Christus haar Zoon door woord en voorbeeld ons heeft voorgehouden. Geeft Zij hun dezen raad niet rechtstreeks zelve, dan doet Zij dit door bemiddeling der Engelen, wier grootste eer en genoegen het is, een harer bevelen te volbrengen, op aarde neder te dalen en een harer trouwe dienaren bij te staan.

 

205         3˚ Wanneer men Haar zijn lichaam en zijn ziel, met al wat daarmee samengaat, zonder iets uit te zonderen, gebracht en toegewijd heeft, wat doet dan die goede Moeder ? Hetgeen weleer Rebecca deed met de twee geitenbokjes, welke Jacob haar bracht : a) Zij doodt ze en doet ze sterven aan het leven van den ouden Adam ; b) evenals Rebecca die gedoode dieren van hun huid ontdeed, zoo ontdoet ook Maria haar dienaren van hun eigenliefde en eigen wil en van alle gehechtheid aan het geschapene ; c) Zij zuivert hen van alle smetten, onreinheid en zonde ; d) Zij bereidt ze naar Gods smaak en tot zijn meerdere glorie. En daar Maria alleen volkomen dien goddelijke smaak en die meerdere glorie des Allerhoogsten kent, zoo is ook Zij alleen in staat, zonder falen, ons lichaam en onze ziel toe te bereiden naar dien oneindig verheven smaak en te voegen naar die oneindig verborgen glorie.

 

206         4˚ Wanneer wij aan de H. Maagd door de hier beschreven oefening, de volmaakte opdracht van onszelf, van onze eigen verdiensten en voldoeningen hebben gedaan, en wij aldus onze oude kleederen hebben afgelegd, maakt Zij ons gereed om waardig voor den hemelschen Vader te verschijnen.

  1. a) Zij bekleedt ons met zuivere, nieuwe, kostbare en welriekende kleederen van onzen oudsten Broeder, Jezus Christus, haren Zoon. Die kleederen heeft Zij in bewaring. Zij kan er over beschikken, als de eeuwige schatbewaarster en uitdeelster van Christus’ deugden en verdiensten, welke Zij schenkt en mededeelt aan wie Zij wil, wanneer Zij wil, zooals Zij wil, en zooveel Zij wil, gelijk hierboven is aangetoond13.
  2. b) Hals en handen harer dienaren omwikkelt Zij met de huid der gedoode en gestroopte geitenbokjes : d.w.z. Zij tooit hen met de verdiensten en de waarde hunner goede werken. Zij doodt weliswaar en vernietigt al wat onrein en onvolmaakt in hen is, maar van al het goede, dat de genade in hen heeft voortgebracht, laat Zij niets verloren gaan ; Zij bewaart en vermeerdert het, om er het sieraad en de kracht van hun hals en handen van te maken. Zij versterkt hen aldus, om het juk des Heeren, dat op den hals genomen wordt, te dragen, en om grootschen dingen te verrichten voor de glorie Gods en het heil hunner arme broeders.
  3. c) Zij verhoogt den welriekenden geur en de bevalligheid hunner kleedij en sieraden, doordat Zij hen met haar eigen kleeding voorziet, nl. met haar verdiensten en deugden, welke Zij hun, als kostbaar nalatenschap, bij haren dood heeft vermaakt, naar de getuigenis eener vrome klooster-zuster der laatste eeuw, gestorven in geur van heiligheid, en die dit door openbaring heeft vernomen. Zoodoende zijn al haar onderhoorigen, al haar trouwe dienaren en slaven dubbel gekleed, met de kleederen van haar Zoon en met de Hare : Omnes domestici ejus sunt duplicibus14. Daarom ook hebben zij niets te vreezen van de koude van Jezus Christus, die wit is als de sneeuw. Die koude echter zullen de verworpelingen, geheel naakt en ontbloot als zij zijn van de verdiensten van Jezus Christus en zijn heilige Moeder, niet kunnen doorstaan.

207         5˚ Eindelijk doet Zij hun den zegen des hemelschen Vaders verkrijgen, ofschoon zij daarop, als jongere en aangenomen kinderen, eigenlijk geen aanspraak konden maken. Met deze geheel nieuwe, allerkostbaarste en zeer welriekende kleeding getooid, met hun ziel en lichaam wel gezuiverd en voorbereid, naderen zij vol vertrouwen tot het rustbed van den hemelschen Vader. Hij hoort en herkent hun stem, welke die eens zondaars is ; Hij raakt hun handen, met vellen omwonden, aan ; Hij ademt den geur hunner kleederen in ; Hij eet met genoegen van hetgeen Maria, hun Moeder, Hem heeft toebereid. En daar Hij in hen de verdiensten en den heerlijken geur zijns Zoons en Diens heilige Moeder gewaar wordt : a) geeft Hij hun zijn dubbelen zegen : den zegen van den dauw des hemels : De rore cœli 15; d.w.z. van de goddelijke genade die het zaad is der glorie : Benedixit nos in omni benedictione spirituali in Christo Jesu16 ; en den zegen van het vette der aarde : De pinguedine terrœ ; d.w.z. die goede Vader geeft hun het dagelijksch brood en een voldoenden voorraad van de goederen dezer aarde. b) Hij stelt hen aan als meesters over hun andere broeders, de verworpelingen ; niet, dat die heerschappij blijkt in deze wereld, die in een oogwenk vergaat : hier heerschen vaak de verworpelingen : Peccatores effabuntur et gloriabuntur17, « De zondaren zullen zich verheffen en grootspreken. » Vidi impium superexaltatum, elevatum 18: « Ik heb de zondaar gezien, hoog verheven en in aanzien. » Die heerschappij is nochtans waarachtig en zal duidelijk in alle eeuwigheid blijken in het andere leven, waar de rechtvaardigen, naar het woord van den H. Geest, zullen heerschen en den volkeren gebieden : Dominabuntur populis19. Verder stelt God zich niet tevreden met hen zelf te zegenen in hun persoon en hun goederen ; Hij zegent ook allen die hen zegenen, en vervloekt allen die hen vervloeken en vervolgen.

 

 

  1. Zij onderhoudt hen.

 

208         De tweede liefdesdienst door de heilige Maagd aan haar getrouwe dienaars bewezen bestaat hierin, dat Zij hen van alles voorziet naar ziel en lichaam. Zij geeft hun een dubbele kleeding, gelijk wij zooeven gezien hebben. Zij geeft hun te eten de uitgezochtste spijzen van ’s Heeren tafel. Zij geeft hun te eten het Brood des Levens dat Zij heeft voortgebracht.

A generationibus meis implemini20, « Mijn dierbare kinderen, » zoo spreekt Zij hun met de Wijsheid toe, « vervult u met mijn geslachten, d.w.z. met Jezus, de vrucht des levens, dien ik voor u ter wereld heb gebracht. » Venite, comedite panem meum et bilite vinum quod miscui vobis 21; comedite, et bibite, et inebriamini, carissimi 22. « Komt, » herhaalt Zij op een andere plaats, « eet mijn brood, dat Jezus is ; drinkt den wijn zijner liefde, dien ik voor u gemengd heb uit de melk mijner borst. » Daar Zij de Bewaarster en de uitdeelster der gaven en genaden des Allerhoogsten is, besteedt Zij er het grootste en beste deel van, om haar kinderen en dienaren te voeden en te onderhouden. Zij worden versterkt met het Brood des levens en dronken van de Wijn die maagden kweekt. Zij worden aan haar borst gedragen : Ad ubera portabimini [24]. iZij dragen met zooveel gemak het juk van Jezus Christus, dat zij zijn last bijna niet gewaar worden, wegens de olie der godsvrucht, waarmede het geheel doortrokken is : Jugum eorum computrescet a facie olei [25], « Bederven zal hun juk ter oorzake van de olie. »

 

 

  1. Zij geleidt hen.

 

209         De derde weldaad, welke de H. Maagd hare getrouwe dienaren bewijst, is dat Zij hen geleidt en bestuurt naar den wil van haren Zoon. Rebecca geleidde haar zoon Jacob en gaf hem van tijd tot tijd heilzame raadgevingen, hetzij om hem den zegen zijns vaders te bezorgen, hetzij om hem tegen den haat en de vervolging zijns broeders Ezau te behoeden. Maria, die de Sterre der Zee is, voert al haar getrouwe dienaren naar de veilige haven. Zij wijst hun den weg des eeuwigen levens ; Zij doet hen gevaarlijke stappen vermijden ; Zij geleidt hen bij de hand op de paden der gerechtigheid ; Zij ondersteunt hen, wanneer zij op het punt staan te vallen ; Zij richt hen op, wanneer zij gevallen zijn ; Zij berispt hen, als een liefdevolle moeder, wanneer zij misdoen, en straft hen zelfs somtijds op liefderijke wijze. Kan een kind, dat aan Maria, zijn Moeder en wijze Geleidster, gehoorzaamt, op de wegen der Eeuwigheid verdwalen ? Ipsam sequens non devias. «Wanneer gij Haar volgt, » zegt de H. Bernardus, « zult gij niet dwalen. » Vreest niet, dat een waar kind van Maria door den booze zal bedrogen worden en in erkende ketterij zal vallen. Waar Maria is als geleidster, daar is geen plaats voor den boozen geest en zijn bedrog, noch voor de ketters en hun spitsvondigheden. Ipsa tenente, non corruis, » Indien Zij u steunt, zult gij niet bezwijken. »

 

 

  1. Zij verdedigt en beschermt hen.

 

210         De vierde goede dienst, welken de heilige Maagd hare kinderen en trouwe dienaren bewijst is, dat Zij hen verdedigt en beschermt tegen hunne vijanden. Door haar vindingrijke zorgen wist Rebecca Jacob tegen alle gevaren te behoeden ; bijzonder tegen den dood, dien zijn broeder Ezau hem waarschijnlijk uit haat en nijd zou hebben toegebracht, gelijk eertijds Caïn aan Abel. Maria, de goede Moeder der uitverkorenen, verbergt dezen onder de vleugelen harer bescherming, zooals de hen hare kiekens. Zij spreekt tot hen, daalt tot hen af, weet zich naar al hun zwakheden te schikken, om hen tegen den sperwer en den gier te beschutten. Zij omgeeft en vergezelt hen als een in slagorde geschaard leger : ut castrorum acies ordinata [26]. Zou iemand, door een welgeordend leger van honderdduizenden strijders omgeven, zijn vijanden kunnen vreezen ? Een getrouw dienaar van Maria, door haar bescherming en koninklijke macht omgeven, heeft nog minder te duchten. Die goede Moeder en machtige Hemelvorstin zou eerder legerscharen van millioenen Engelen een harer dienaren ter hulp zenden, dan dat er ooit gezegd zou kunnen worden, dat een trouw dienaar van Maria die zich op Haar verlaten heeft, onder de boosheid, het getal en de macht zijner vijanden is bezweken.

 

 

  1. Zij is hun voorspraak bij God.

 

211         De vijfde en grootste weldaad, welke ten slotte die beminnenswaardige Moeder aan haar touwe dienaren schenkt, is dat Zij hun voorspraak is bij haar Zoon, door haar gebeden zijn gramschap tot bedaren brengt, hen op innigste wijze met Hem vereenigt en ze in die nauwe vereeniging bewaart.

Rebecca deed Jacob tot het rustbed zijns vaders naderen. De goede grijsaard raakte hem aan, omhelsde hem, kuste hem zelfs met vreugde, voldaan en verzadigd als hij was door de welbereide vleeschspijzen, die Jacob hem had aangeboden. En toen hij met veel voldoening den heerlijken geur zijner kleederen had ingeademd, riep hij uit : « Ecce odor filii mei sicut odor agri pleni, cui benedixit Dominus [27]: « Ziet, de geur van mijn Zoon is gelijk de geur van een vollen akker, dien den Heer gezegend heeft. » Die volle akker, wiens geur het hart des Vaders verrukt, is niets anders dan de geur der deugden en verdiensten van Maria, die een akker is vol van genade, waarin God de Vader zijn eenigen Zoon, als een Tarwekorrel der uitverkorenen, gezaaid heeft. O, hoe welkom is bij Jezus Christus, den Vader der toekomende eeuwen, een kind van Maria, omgeven met haar goeden geur !

O, hoe spoedig en hoe innig is het met Hem vereenigd ! Wij hebben zulks hierboven breedvoerig aangetoond.

212         Daarenboven, wanneer Maria haar kinderen en trouwe dienaren met haar gunsten heeft overladen ; wanneer Zij hun den zegen des hemelschen Vader en de vereeniging met Jezus Christus heeft verworven, bewaart Zij hen in Jezus Christus en Jezus Christus in hen. Zij draagt zorg voor hen, uit vrees dat zij Gods genade verliezen en weer in de strikken hunner vijanden verward raken. In plenitudine detinet. « Zij behoudt de Heiligen in hun volheid, » en doet hen daarin tot het einde volharden, zooals wij reeds gezien hebben

 

Ziedaar de verklaring dier verheven en aloude voorafbeelding van voorbeschikking en verwerping, zoo weinig bekend en toch zoo vol geheimen.

 

 

 

JHS

 

 

 

 

 

ZEVENDE HOOFDSTUK

 

___

 

 

Wonderbare Uitwerkselen dezer Godsvrucht.

 

__

 

  • I.

 

Zelfkennis en zelfverachting.

 

213         MIJN dierbare broeder, indien gij getrouw blijft aan de inwendige en uitwendige oefeningen, welke ik u hierna zal aanwijzen, wees dan overtuigd, dat gij, in het licht dat de H. Geest u door Maria, zijn beminde Bruid, zal mededeelen, uw slechte inborst, uw bedorvenheid en uw onbekwaamheid tot alle goed zult leeren kennen ; ten gevolge dezer kennis zult gij uzelf verachten en slechts met afschuw aan u zelf denken. Gij zult u zelf beschouwen als een slak 1, die alles met haar slijm bezoedelt ; als een pad, die alles met haar venijn vergiftigt ; als een arglistige slang, die steeds zoekt te bedriegen. Kortom, de nederige Maria zal u haar diepe nederigheid mededeelen, waardoor gij u zelf zult minachten, de anderen niet, en gij de minachting zult liefhebben.

 

 

  • II.

 

Aandeel in Maria’s geloof.

 

214         DE heilige Maagd zal u deelachtig maken aan haar geloof, dat grooter was op aarde dan het geloof van alle Patriarchen, Profeten, Apostelen en alle Heiligen. Thans, nu Zij in de hemelen heerscht, heeft Zij dit geloof niet meer, omdat Zij, door het licht der glorie, alle dingen in God duidelijk aanschouwt. Met goedvinden des Allerhoogsten heeft Zij nochtans bij haar intrede in de glorie dat geloof niet verloren. Zij heeft het behouden om het in de strijdende Kerk aan haar getrouwste dienaren en dienaressen mede te deelen. Hoe meer gij dus de gunst dezer doorluchtige Vorstin en getrouwe Maagd zult weten te winnen, des te meer zuiver geloof zult gij in geheel uw gedrag aan den dag leggen : een zuiver geloof, waardoor gij u weinig om het gevoelige en het buitengewone zult bekreunen ; een levendig geloof, door de liefde bezield, waardoor gij uwe werken uit zuivere liefde zult verrichten ; een geloof vast en onwankelbaar als een rots, waardoor gij onwrikbaar en standvastig zult blijven te midden van storm en noodweer ; een werkdadig en doordringend geloof, dat, als een geheimzinnige sleutel, u toegang zal verleenen tot alle geheimen van Jezus Christus, tot ’s menschen uitersten, ja, tot het hart van God zelf ; een moedig geloof, dat u, zonder aarzelen, groote dingen zal doen ondernemen en tot stand brengen voor God en het heil der zielen ; een geloof eindelijk, dat een brandende fakkel, een goddelijk leven, een verborgen schat der goddelijke wijsheid en een onweerstaanbaar wapen voor u zal zijn : om hen die in de duisternissen en de schaduw des doods verkeeren, te verlichten ; om hen die lauw zijn en het gloeiende goud der liefde niet bezitten, in liefde te doen ontvlammen ; om hen die den dood der zonde gestorven zijn, het leven te schenken ; om door uw zacht en machtig woord, de versteende harten te vermurwen en de ceders van den Libanon neer te vellen ; ten slotte, om den duivel en alle vijanden der zaligheid het hoofd te bieden.

 

 

–––––––

 

 

  • III.

 

 

Bevrijding van zielsangsten en

kwellingen.

 

215         DIE goede Moeder der schoone liefde zal alle angstvalligheid en alle slaafsche vrees uit uw hart verbannen. Zij zal dat hart openen en verruimen, om u met de heilige vrijheid der kinderen Gods voort te doen gaan op den weg der geboden van haar Zoon. Zij zal ook in dat hart de zuivere liefde storten, wier schat Zij bezit. Zoodoende zult gij u niet meer zoozeer als voorheen door de vrees voor God, die Liefde is, laten leiden, doch door de zuivere liefde. Gij zult Hem aanschouwen als uw goeden Vader, wien gij altijd zult trachten te behagen en met wien gij vertrouwelijk zult omgaan, gelijk een kind met zijn goeden vader. Mocht gij Hem bij ongeluk beleedigen, dan zult gij u aanstonds voor Hem vernederen ; gij zult Hem deemoedig vergiffenis vragen, met kinderlijke eenvoud de hand naar Hem uitstrekken ; liefdevol, zonder ontsteltenis noch ongerustheid, zult gij u oprichten, en zonder ontmoediging tot Hem blijven voortgaan. En in dit alles zult gij Maria, uw goede Moeder, tot Middelares en Voorspreekster nemen, en Zij zal u die liefde en dat vertrouwen op God inboezemen.

 

 

  • IV.

 

Groot vertrouwen op God
en op de H. Maagd.

 

216         DE heilige Maagd zal u met een groot vertouwen op God en op Haarzelf vervullen :

1˚ omdat gij niet meer door u zelf, maar altoos door deze goede Moeder tot Jezus Christus zult naderen ;

2˚ daar gij Haar al uw verdiensten, genaden en voldoeningen hebt afgestaan, om daarover volgens haar wil te beschikken, zal Zij u haar deugden mededeelen en u met haar verdiensten bekleeden ; zoodat gij vol vertrouwen tot God kunt zeggen : « Zie Maria uwe dienstmaagd, mij geschiede naar uw woord : » Ecce ancilla Domini, fiat mihi secundum verbum tuum 2.

3˚ omdat gij u geheel met ziel en lichaam aan Haar hebt geschonken zal Zij, die vrijgevig is met de vrijgevigen, en vrijgeviger dan de vrijgevigen, zich wederkeerig op wonderbare, doch waarachtige wijze aan u schenken. Zoodat gij Haar stoutmoedig zult kunnen zeggen : Tuus sum ego, salvum me fac 3, « Ik behoor U toe, heilige Maagd, red mij ; » of met den welbeminden Leerling, gelijk ik reeds heb aangegeven ; Accepi te in mea, « U, heilige Maagd, heb ik voor al mijn bezit genomen. » Met den H. Bonaventura zult gij nog kunnen zeggen : Ecce Domina, salvatrix mea, fiducialiter agam et non timebo, quia fortitudo mea et laus mea in Domino es tu 4; en op een andere plaats : Tuus totus ego sum et omnia mea tua sunt, o Virgo gloriosa, super omnia benedicta ; ponam te ut signaculum super cor meum, quia fortis est ut mors dilectio tua 5. « Mijn dierbare Meesteres en Verlosseres, ik zal met vertrouwen handelen en niet vreezen, omdat gij mijn kracht en mijn roem in den Heer zijt… Ik ben geheel de uwe en al wat ik bezit behoort U toe, o glorierijke Maagd, gezegend boven alle schepselen ; ik plaats U als een zegel op mijn hart, omdat uwe liefde sterk is als de dood ! »

Met de gevoelens van den Profeet kunt gij zeggen tot God : Domine, non est exaltatum cor meum, neque elati sunt oculi mei ; neque ambulavi in magnis, neque in mirabilibus super me, si non humiliter sentiebam. Sed exaltavi animam meam, sicut ablactatus super matre sua, ita retributio in anima mea 6: « Heer, mijn hart en mijn ogen hebben geen reden om zich te verheffen en te hoovaardigen, en naar groote en wonder-bare dingen te streven ; en hierdoor ben ik nog niet nederig. Doch ik heb mijn ziel opgebeurd en aangemoedigd door het vertrouwen ; ik ben een kind gelijk, van de genoegens der aarde gespeend en rustend aan den boezem zijner moeder, en aan dien boezem word ik met weldaden overladen. »

4˚ Wat uw vertrouwen in Haar nog zal vermeerderen is, dat gij, Haar alles toevertrouwd hebbend wat gij goeds bezit, opdat Zij het uitdeele of beware, dus minder vertrouwen in u zelf zult stellen en veel meer in Haar, die uw schatkamer is. O, wat een vertrouwen, wat een troost voor een ziel te kunnen zeggen, dat de schatkamer van God, waarin Hij al het kostbaarste dat Hij bezit, heeft opgesloten, ook de hare is ! Ipsa est thesaurus Domini : « Zij is, » zegt een Heilige7 « de schatkamer des Heeren. »

 

 

  • V.

 

 

Mededeeling van Maria’s geest

en ziel.

 

217         INDIEN gij getrouw de oefeningen dezer godsvrucht onderhoudt, zal zich de ziel der heilige Maagd aan u mededeelen om den Heer te verheerlijken ; haar geest zal de plaats van den uwe innemen, om zich in God, zijn Heil, te verheugen. Sit in singulis anima Mariœ, ut magnificet Dominum ; sit in singulis spiritus Mariœ, ut exultet in Deo, (S. Ambros.) « Dat Maria’s ziel in een ieder zij, om den Heer te verheerlijken ; dat Maria’s geest in een ieder zij, om er zich in God te verheugen. »

Ach ! wanneer zal die gelukkige tijd aanbreken,— zoo zei onlangs een heilige man, geheel in Maria verslonden,—ach, wanneer zal die gelukkige tijd aanbreken, dat Maria als meesteres en vorstin over alle harten zal aangesteld worden, om ze volkomen aan de heerschappij van haren grooten en eenigen Jezus te onderwerpen ? Wanneer zullen de zielen Maria inademen, zooals het lichaam de lucht ? Alsdan zullen wondere dingen hier op aarde gebeuren, waar de H. Geest, zijn geliefde Bruid in de zielen als het ware afgebeeld vindend, zich overvloedig aan haar zal mededeelen en ze met zijn gaven vervullen, voornamelijk met de gave zijner wijsheid, om wonderen van genade uit te werken. Mijn dierbare broeder, wanneer zal die gelukkige tijd, die eeuw van Maria komen, waarin vele zielen, door Maria gekozen en door Haar van den Allerhoogste verkregen, geheel in den afgrond van haar binnenste zullen verzinken, en aldus haar levend evenbeeld worden om Jezus Christus te beminnen en te verheerlijken ? Die tijd zal dan eerst komen, wanneer men de devotie die ik predik, zal kennen en beoefenen ; Ut adveniat regnum tuum, adveniat regnum Mariœ ! Opdat uw rijk kome, laat komen het rijk van Maria !

 

 

  • VI.

 

 

Maria, Boom des levens, brengt

Jezus in de getrouwe ziel voort.

 

218         WANNEER Maria, de Boom des levens, door de getrouwe beoefening dezer godsvrucht goed wordt aangekweekt in onze ziel, zal Zij te gelegener tijd haar vrucht voortbrengen, en die vrucht is niets anders dan Jezus Christus. Ik zie zooveel vrome mannen en vrouwen, die Jezus Christus zoeken, de eenen door deze oefening en langs dezen weg, de anderen langs genen ; en na in den nacht veel gearbeid te hebben, moeten zij vaak bekennen : Per totam noctem laborantes, nihil cepimus 8, « Den geheelen nacht door hebben we gearbeid en niets gevangen. » En men kan hun toevoegen : Laborastis multum, intulistis parum 9, « Gij hebt veel gewerkt en weinig gewonnen ; » het leven van Jezus Christus in u is nog slechts zeer zwak. Maar op Maria’s maagdelijken weg en door deze uitmuntende oefening die ik predik, werkt men gedurende den dag, werkt men in een heilige plaats. Men werkt weinig. Er is geen nacht in Maria, wijl in Haar geen zonde, noch de minste schaduw van zonde is geweest. Maria is een heilig oord en het Heilige der Heiligen, waarin de Heiligen gevormd en gegoten worden.

219         Merk wel op, bid ik u, dat ik zeg : de Heiligen worden in Maria gevormd en gegoten. Daar zijn twee zeer verschillende wijzen om een beeld te maken : men kan het uithouwen met behulp van hamer en beitel ; men kan het ook vervaardigen door middel van een gietvorm. De beeldhouwers gaan op de eerste wijze te werk, en het kost hun veel tijd en moeite. Op de tweede wijze verkrijgt men het beeld met weinig arbeid en in een zeer korten tijd.

De H. Augustinus noemt de H. Maagd forma Dei: « den vorm Gods : » Si formam Dei te appellem, digna existis, een vorm, geschikt om Goden te vormen. Wie in deze uitmuntenden vorm geworpen wordt, is weldra in Jezus Christus en Jezus Christus in hem gevormd : met weinig moeite en in weinig tijds zal hij het evenbeeld Gods worden, omdat hij gegoten is in denzelfden vorm die een God gevormd heeft.

220         Zielenbestuurders en andere vrome personen, die Jezus Christus in zichzelf of in anderen door andere oefeningen dan deze willen vormen, kan ik, dunkt me, zeer goed vergelijken bij beeldhouwers, die hun vertrouwen stellen in hun vaardigheid, bedrevenheid en kunst, en met een onnoemelijk aantal hamer- en beitelslagen, uit een harden steenklomp of uit een ruw stuk hout, de beeltenis van Jezus Christus willen vervaardigen. Somwijlen gelukt het hun niet Jezus Christus getrouw weer te geven, ofwel door gemis aan genoegzame kennis van Jezus’ persoonlijkheid, ofwel ten gevolge van een onhandig aangebrachten slag, die het werk bedorven heeft. Degenen echter die het genadegeheim, dat ik hun aanbied, willen aanvaarden, kan ik terecht vergelijken bij gieters, die den schoonen vorm van Maria, waarin Jezus natuurlijk en goddelijk gevormd werd, gevonden hebbend, hun vertrouwen niet stellen in hun eigen bekwaamheid, doch alleen in de uitmuntendheid van den vorm, en zich daarom werpen en opsluiten in Maria om het sprekend beeld van Jezus Christus te worden.

221         O, schoone en ware vergelijking ! Doch wie zal ze begrijpen ? Moogt gij dat zijn, dierbare broeder. Maar gedenk, dat men alleen in een vorm kan gieten, wat gesmolten en vloeibaar is : dat wil zeggen, dat gij den ouden Adam in u moet vernietigen en doen smelten, om in Maria den nieuwe te worden.

 

 

  • VII.

 

 

De meerdere glorie Gods.

 

222         DOOR deze oefening, getrouw onderhouden, zult gij Jezus Christus meer glorie brengen in één maand tijds, dan door elke andere, alhoewel moeilijker, in meerdere jaren.

Ziehier de redenen van wat ik beweer :

1˚ Daar gij, naar deze godsvrucht leert, uw handelingen door de heilige Maagd verricht, verzaakt gij aan uw eigen inzichten en werken, hoewel ze goed en u bekend zijn, en gij verliest u als ’t ware in de hare, ofschoon onbekend. Hierdoor wordt gij deelachtig aan de verhevenheid harer meeningen, die zóó zuiver waren dat Zij door de geringste harer handelingen, bijv. door aan haar spinnewiel te werken of door een enkele naaldsteek, God meer glorie heeft geschonken, dan een H. Laurentius door zijn wreeden marteldood op den gloeienden rooster, ja, zelfs meer dan alle Heiligen door hun heldhaftigste daden. Zoo komt het, dat de heilige Maagd, gedurende haar verblijf hier op aarde, zóó’n onuitsprekelijke overmaat van genaden en verdiensten verworven heeft, dat men eerder de sterren aan het uitspansel, de waterdruppels in de zee en de zandkorrels aan het strand zou kunnen tellen, dan haar genaden en verdiensten ; en dat Zij God meer glorie heeft geschonken dan alle Engelen en Heiligen gedaan hebben of nog zullen doen. O wonderbare Maagd ! Gij kunt slechts wonderen ven genade bewerken in de zielen, die zich in U willen verliezen !

223         2˚ Daar een getrouwe ziel door deze oefening geen waarde hecht aan al wat zij uit zichzelf denkt of doet, en alleen in Maria’s gesteltenis haar steun en welbehagen neemt, om tot Jezus Christus te naderen en zelfs tot Hem te spreken, beoefent zij veel beter de nederigheid dan de zielen die uit zichzelf handelen en onmerkbaar op haar eigen gevoelens steunen en daarin behagen scheppen. Dientengevolge verheerlijkt die ziel God meer, die alleen door de nederigen en kleinen van harte volmaakt verheerlijkt wordt.

224         3˚ Omdat Maria, in haar groote liefde, het geschenk onzer handelingen in haar maagdelijke handen wil aannemen, geeft Zij daaraan een wonderbare schoonheid en luister. Zij biedt ze zelve Jezus Christus aan, en zonder twijfel wordt daardoor Jezus Christus meer verheerlijkt, dan indien wij ze door onze eigen misdadige handen aanboden.

225         4˚ Ten slotte denkt gij nooit aan Maria of Maria denkt in uwe plaats aan God ; nooit prijst en vereert gij Maria, of Maria prijst en vereert God. Maria is gansch betrekkelijk tot God, en ik zou haar heel goed de betrekking Gods kunnen noemen, die niet bestaat dan in verband tot God ; ofwel de Echo Gods, die niets zegt en herhaalt dan God. Wanneer gij zegt Maria, dan zegt Zij God. De H. Elisabeth prees Maria en noemde Haar zalig, omdat Zij geloofd had ; Maria, de getrouwe Echo Gods, hief den lofzang aan : Magnificat anima mea Dominum 10 , « Mijne ziel verheft den Heer. »

Wat Maria bij deze gelegenheid deed, doet Zij alle dagen ; wanneer men Haar looft, bemint, eert of Haar iets geeft, dan wordt God geloofd, bemind, geëerd ; men geeft dan aan God door en in Maria.

 

 

 

ACHTSTE HOOFDSTUK

 

___

 

Bijzondere Oefeningen

dezer Godsvrucht.

__

 

  • I.

 

Uitwendige Oefeningen.

 

226         HOEWEL het wezen dezer godsvrucht in het inwendige bestaat, heeft zij niettemin verscheidene uitwendige oefeningen, welke men niet moet verwaarloozen : Hœc oportuit facere et illa non omittere,1 « Dit moet men doen en het andere niet nalaten ; » èn omdat welvolbrachte uitwendige oefeningen de inwendige helpen verrichten ; èn omdat zij den mensch, die zich altijd door de zintuigen laat leiden, herinneren aan hetgeen hij gedaan heeft of doen moet ; èn omdat ze den evenmensch, die ze ziet, tot stichting kunnen strekken, hetgeen met de louter inwendige oefeningen niet het geval is.

Dat dus geen wereldling of vitter zijn neus hier tusschen steke om te beweren, dat de ware godsvrucht in het hart zetelt, dat het uiterlijke moet vermeden worden, dat ijdelheid daarin kan bestaan, dat men zijn godsvrucht moet verborgen houden, enz. Met mijn Meester antwoord ik hun : « Dat de menschen uw goede werken zien, opdat zij uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken2. » Niet, zoo zegt de H. Gregorius3, dat men zijn werken en uitwendige devoties moet verrichten om den menschen te behagen en door hen geprezen te worden ; dat zou ijdelheid zijn. Doch men verricht ze somtijds in het aanschijn der menschen met het oogmerk om God te behagen en Hem daardoor te doen verheerlijken, zonder zich om de verachting of de lofprijzingen der menschen te bekommeren.

Ik zal slechts in het kort eenige oefeningen aangeven. Ik noem ze uitwendig, niet omdat men ze zonder inwendige gevoelens verricht, maar omdat zij iets uiterlijks hebben en zich hierdoor van de zuiver inwendige oefeningen onderscheiden.

 

 

EERSTE   OEFENING

 

Voorbereiding tot de toewijding aan Jezus door Maria.

 

227         Wie deze bijzondere devotie — die niet als Broederschap is opgericht, ofschoon dit te wenschen ware4 — wil omhelzen, moet eerst twaalf dagen besteden om zich te ontdoen van den geest der wereld, die in strijd is met dien van Jezus Christus, en daarna drie weken om zich door de allerheiligste Maagd met den geest van Jezus Christus te vervullen5. Ziehier de orde welke zij kunnen volgen :

228         Gedurende de eerste week moeten zij al hun gebeden en godvruchtige oefeningen verrichten om de kennis van zichzelf en het berouw over hun zonden te verkrijgen, en alles doen in den geest van nederigheid. Daartoe kunnen zij, zoo ze verkiezen, overwegen wat ik over onze slechte inborst gezegd heb, en zich slechts beschouwen, gedurende de zes dagen dezer week, als slakken, padden zwijnen, slangen en bokken6, ofwel de drie gezegden van den H. Bernardus herdenken : Cogita quid fueris, semen putridum ; quid sis, vas stercorum ; quid futurus sis, esa vermium, « Denk wat gij geweest zijt, een verachtelijk zaad ; wat gij zijt, een vat van onreinheid ; wat gij zijn zult, het aas der wormen. » Onzen Heer en den H. Geest zullen zij om verlichting vragen met de woorden : Domine ut videam ; Heer geef dat ik zie ; Noverim me ; Dat ik mij kenne ; of met het gebed : Veni Sancte Spiritus ; Kom, Heilige Geest. Zij bidden ook dagelijks de Litanie van den H. Geest.7 Zij nemen hun toevlucht tot de H. Maagd en vragen Haar deze genade, die de grondslag moet zijn van alle andere, en bidden daartoe elken dag het Ave maris stella en hare Litanie.

 

229         Gedurende de tweede week moeten zij zich in alle gebeden en werken van iederen dag beijveren om de allerheiligste Maagd te leeren kennen. Die kennis moeten ze aan den H. Geest vragen. Zij kunnen lezen en overwegen wat wij daarover gezegd hebben. Evenals de eerste week, bidden zij de Litanie van den H. Geest, het Ave maris stella, en daarenboven dagelijks een rozenkrans of ten minste een rozenhoedje tot dezelfde intentie.

 

230         De derde week zullen zij besteden om Jezus Christus te leeren kennen. Zij kunnen lezen en overwegen wat wij daarover gezegd hebben, en het gebed van de H. Augustinus bidden, dat omtrent het begin van dit tweede deel wordt aangegeven.8 Met denzelfden Heilige kunnen zij honderden malen daags zeggen en herhalen : Noverim te ; Heer, dat ik U kenne ; ofwel : Domine ut videam ; Heer, laat mij zien wie Gij zijt !  Gelijk de voorafgaande weken, bidden zij de Litanie van den H. Geest, het Ave maris stella en voegen er dagelijks bij Jezus’ Litanie9.

 

231         Na verloop van deze drie weken moeten zij biechten en communiceren, met het inzicht zich in hoedanigheid van liefdeslaven door Maria’s handen aan Jezus Christus te schenken. Na de Communie, welke zij trachten te ontvangen op de hierna aangegeven wijze, bidden zij het formulier hunner toewijding, dat eveneens hieronder te vinden is. Deze akte van toewijding moeten zij, op denzelfden dag waarop zij hun opdracht gedaan hebben, onderteekenen.

232         Ook is het goed, dat zij dien dag eenige schatting aan Jezus Christus en zijn heilige Moeder betalen, èn als boete voor hun vroegere ongetrouwheid aan hun H. Doopbeloften, èn om getuigenis af te leggen van hun afhankelijkheid van Jezus’ en Maria’s heerschappij. Deze schatting kan bestaan, al naar eenieders devotie en vermogen, in een dag vasten, een versterving, een aalmoes, een kaars ; al gaven ze slechts een speld als huldebewijs, doch met een minnend hart, dit zou voldoende zijn voor Jezus, die alleen naar den goeden wil ziet.

233         Ten minste eens in het jaar, op denzelfden dag10, moeten zij dezelfde toewijding hernieuwen en dezelfde driewekelijksche oefeningen verrichten. Al wat zij gedaan hebben kunnen zij trouwens maandelijks, zelfs dagelijks hernieuwen door deze weinige woorden : Tuus totus ego sum et omnia mea tua sunt, « Ik behoor U geheel toe en al wat ik bezit draag ik U op, o mijn beminnelijke Jezus, door Maria, uw heilige Moeder11. »

 

_____

 

 

TWEEDE   OEFENING

 

Het Kroontje der H. Maagd.

 

234         Zij bidden al de dagen huns levens, zonder zich te verplichten, het Kroontje of Kransje der Allerheiligste Maagd, bestaande uit drie Onze Vaders en twaalf Weesgegroeten ter eere van de twaalf voorrechten en heerlijkheden der allerheiligste Maagd. Deze oefening is zeer oud en gegrond op de H. Schrift. De H. Joannes zag een Vrouw met twaalf sterren gekroond, bekleed met de zon, en de maan onder hare voeten. Die Vrouw is, volgens de schriftverklaarders, de allerheiligste Maagd.

235         Er zijn verschillende wijzen om dit Kroontje goed te bidden. Het zou te omslachtig zijn ze hier aan te geven. De H. Geest zal ze aan de trouwe beoefenaars dezer godsvrucht leeren kennen. Om echter dat Kroontje gansch eenvoudig te bidden, moet men eerst zeggen : Dignare me laudare te, Virgo sacrata ; da mihi virtutem contra hostes tuos, « Gedoog dat ik U love, o gezegende Maagd ; geef mij kracht tegen uwe vijanden. » Daarna bidt men de Twaalf artikelen des Geloofs, vervolgens één Onze Vader, vier Weesgegroeten en één Glorie zij den Vader. En zóó drie keeren. Aan het einde bidt men : Sub tuum prœsidium, « Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht. »

 

 

DERDE   OEFENING

 

Het dragen van een uitwendig teeken zijner liefdeslavernij.

 

236         Het is zeer loffelijk, eervol en heilzaam voor hen die aldus slaven van Jezus door Maria zijn geworden, dat zij, een teeken hunner liefdeslavernij, kleine ijzeren kettinkjes dragen, die met een bijzondere wijding gezegend worden12. Deze uiterlijke teekenen behooren weliswaar niet tot het wezen dezer godsvrucht, en men kan ze heel goed achterwege laten, ook al heeft men deze godsvrucht omhelsd. Nochtans kan ik niet nalaten diegenen te prijzen, die, na de schandelijke ketenen te hebben verbroken van de slavernij des duivels, waarin de erfzonde en misschien ook de dagelijksche zonden hen hadden gekluisterd, zich vrijwillig in de glorievolle slavernij van Jezus Christus hebben gesteld, en met den H. Paulus er zich op beroemen, geketend te zijn ter wille van Jezus Christus. Die ketenen, al zijn ze ook slechts van ijzer en zonder glans, zijn thans roemrijk en kostbaar, meer dan de gouden halsketens der keizers.

237         Was er eertijds niets zoo schandelijk als het kruis, thans is er niets zoo roemvol als het Christendom. Zeggen wij hetzelfde van de ketenen der slavernij. Niets was schandelijker in de oudheid, niets is thans nog schandelijker onder de heidenen, dan die ketenen ; maar onder de Christenen is er niets zoo luisterrijk als de ketenen van Jezus Christus, omdat zij ons van de verfoeilijke banden der zonde en des duivels bevrijden en ons daarvoor vrijwaren ; omdat zij ons in vrijheid stellen en ons binden aan Jezus en Maria, niet als galeislaven door dwang en geweld, maar als kinderen door liefde en genegenheid. Traham eos in vinculis charitatis 13, « Door liefdeketenen zal ik hen tot Mij trekken, » zegt God door den mond van een Profeet : ketenen, bijgevolg, die sterk zijn als de dood, en in zekeren zin nog sterker, voor hen die deze roemrijke teekenen getrouw dragen tot in den dood. Immers, ofschoon de dood hun lichaam verdelgt, door het tot ontbinding te doen overgaan, de banden hunner liefdeslavernij zal hij niet vernietigen ; deze zijn immers van ijzer en vergaan niet licht. En op den dag der verrijzenis der lichamen, bij het laatste oordeel, zullen die ketenen, die hun beenderen nog zullen omknellen, een gedeelte hunner glorie uitmaken en in ketenen van licht en glorie veranderd worden. Gelukkig dus duizendmaal de roemrijke liefdeslaven van Jezus en Maria, die hun ketenen dragen tot in het graf.

 

238         Ziehier de redenen waarom men deze kettinkjes draagt :

 

1˚ Om den Christen te herinneren aan de beloften en de verbintenissen van zijn H. Doopsel, aan de volmaakte hernieuwing, welke hij daarvan door deze godsvrucht gedaan heeft, en aan de strikte verplichting, die op hem rust, om er getrouw aan te blijven. De mensch, die zich vaak meer door de zintuigen dan door het zuiver geloof laat leiden, vergeet allicht zijn verplichtingen jegens God, als hem niets uiterlijks daaraan komt herinneren. Welnu, deze kettinkjes kunnen wonderlijk dienen om hem te doen denken aan de ketenen der zonden en aan de slavernij des duivels, waarvan het H. Doopsel hem heeft verlost ; aan de afhankelijkheid van Jezus, die hij Hem in het H. Doopsel heeft beloofd ; en aan de bekrachtiging dier beloften door deze toewijding. Een der redenen waarom zoo weinig Christenen aan de beloften van het H. Doopsel denken, en even losbandig leven alsof zij niets aan God beloofd hadden gelijk de heidenen, is, dat zij geen uitwendig teeken dragen dat hen daaraan herinnert.

239         2˚ Om te toonen, dat men zich niet schaamt over de slavernij van Jezus Christus, en dat men aan de noodlottige slavernij der wereld, der zonde en des duivels verzaakt.

 

3˚ Om zich te behoeden en te vrijwaren tegen de ketenen der zonde en des duivels. Want wij moeten of ketenen van ongerechtigheid, of ketenen van liefde en zaligheid dragen : Vincula peccatorum aut vincula charitatis.

 

240         O dierbare broeder, laat ons de ketenen verbreken van de zonde en van de zondaren, van de wereld en de wereldlingen, van den duivel en zijn trawanten, en hun noodlottig juk ver van ons af te werpen. Dirumpamus vincula eorum et projiciamus a nobis jugum ipsorum 14. Plaatsen wij onze voeten (om mij van de woorden des H. Geestes te bedienen), in de glorievolle boeien van Jezus Christus en onzen hals in zijne halsbanden : Injice pedem tuum in compedes illius et in torques illius collum tuum 15. Bukken wij onze schouders om de Wijsheid te dragen, die Jezus Christus is, en laten zijn ketenen ons niet tot last wezen : Subjice humerum et porta illam et ne acedieris vinculis ejus 16. Merk op, dat de H. Geest, alvorens die woorden uit te spreken, de ziel er toe voorbereidt, opdat deze zijn gewichtige raadgeving niet versmade. Ziehier zijn woorden : Audi, fili, et accipe consilium intellectus, et ne abjicias consilium meum 17, « Luister, mijn zoon, en ontvang een verstandigen raad en verwerp mijn raadgeving niet. »

241         Sta toe, dierbare vriend, dat ik mij met den H. Geest vereenige, om u denzelfden raad te geven : Vincula illius alligatura salutaris 18, « Zijne ketenen zijn ketenen van zaligheid. » Jezus Christus aan het Kruis moet alles goedschiks of kwaadschiks tot zich trekken : de verworpelingen met de ketenen hunner zonden, om ze als galeislaven en booze geesten aan zijn eeuwigen toorn en aan zijn wrekende gerechtigheid te kluisteren ; de uitverkorenen echter zal Hij, in deze laatste tijden vooral, door liefdebanden aantrekken : Omnia traham ad meipsum 19, « Alles zal ik tot Mij trekken. » Traham eos in vinculis charitatis.

242         Die liefdeslaven of gekluisterden van Jezus Christus, vincti Christi,20 kunnen hun ketenen om den hals, om de armen, om de lendenen of om de voeten dragen. Pater Vincentius Caraffa, de zevende Generaal van de Sociëteit van Jezus, die in het jaar 1643 in geur van heiligheid gestorven is, droeg, als teeken van zijn slavernij, een ijzeren band om de voeten, en verklaarde, dat het hem leed deed zijn keten niet openlijk te kunnen dragen. De Eerw. Moeder Agnès de Jésus, van wie reeds sprake was, droeg een ijzeren ketting om de lendenen. Anderen droegen ze om den hals uit boete voor de parelsnoeren, die zij in de wereld droegen. Anderen wederom droegen ze om de armen, om bij hun handenarbeid zich te herinneren, dat zij Jezus’ slaven waren.

 

 

VIERDE   OEFENING

 

Het Feest van Maria-Boodschap.

 

243         Zij moeten een bijzondere devotie hebben voor het groote geheim der Menschwording van Christus, dat den 25en Maart gevierd wordt. Dit is het eigenlijke geheim dezer godsvrucht, want de H. Geest heeft deze devotie geopenbaard :

1˚ Om de onuitsprekelijke afhankelijkheid te eeren en na te volgen, die God de Zoon Maria heeft willen betoonen ter verheerlijking van zijn goddelijken Vader en om onze zaligheid. Die afhankelijkheid blijkt vooral in dit geheim, waarin Jezus als gevangene en slaaf in Maria’s schoot opgesloten en in alles van Haar afhankelijk was.

2˚ Om God te danken voor de onvergelijkelijke genaden, die God aan Maria geschonken heeft, en vooral omdat Hij Haar als zijn zeer waardige Moeder heeft gekozen, welke in dit geheim is geschied. Dit zijn de twee voornaamste doeleinden der slavernij van Jezus in Maria.

244         Gelieve op te merken, dat ik gewoonlijk zeg : slaaf van Jezus in Maria, slavernij van Jezus in Maria. Men kan weliswaar, gelijk velen tot nu toe gedaan hebben, zeggen : slaaf van Maria, slavernij der H. Maagd; ik geloof echter, dat het verkieselijker is, zich slaaf van Jezus in Maria te noemen, gelijk M. Tronson,— algemeen overste van het Seminarie van St. Sulpice, vermaard om zijn zeldzame bedachtzaamheid en uiterst diepe godsvrucht,— een geestelijke aanried, die hem hierover raadpleegde. Ziehier om welke redenen :

245         1˚ Wij leven in een eeuw van hoogmoed, waarin vele opgeblazen geleerden, verwaande, vitzuchtige menschen gevonden worden, die zelfs op onomstootelijk vaststaande en zeer degelijke godsvruchtoefeningen iets aan te merken hebben. Om hun niet nutteloos aanleiding te geven tot critiek, is het beter te spreken van de slavernij van Jezus in Maria, en zich slaaf van Jezus Christus te noemen, eerder dan slaaf van Maria. Zoodoende wordt deze godsvrucht bij voorkeur genoemd naar haar laatste doeleinde, nl. Jezus Christus, en niet naar den weg en het middel om tot dat doeleinde te geraken, nl. Maria ; alhoewel men eigenlijk beide benamingen onverschillig kan gebruiken, zooals ik zelf doe. Zoo kan, bij voorbeeld, iemand die van Orléans naar Tours gaat en den weg neemt over Amboise, even goed zeggen dat hij op reis is naar Amboise als naar Tours ; met dit verschil nochtans, dat Amboise slechts de korste weg is naar Tours, en Tours alléén het einddoel en de bestemming van zijn reis.

246         2˚ Daar het hoofdgeheim, in deze devotie geëerd en gevierd, dat der Menschwording is, waarin men Jezus Christus slechts vindt in Maria en opgesloten in haar schoot, is het geschikter te spreken van de slavernij van Jezus in Maria, van Jezus verblijvend en heerschend in Maria, volgens het schoone gebed van zoovele groote mannen : O Jesu vivens in Maria.21

247         3˚ Die aanspreekwijze toont beter de innige vereeniging aan, die er tusschen Jezus en Maria bestaat. Zij zijn zóó innig vereenigd dat de een geheel in de andere is : Jezus is geheel in Maria, en Maria geheel in Jezus ; of liever Zij is niet meer, doch Jezus is geheel in Haar ; en men zou eerder het licht van de zon, dan Maria van Jezus kunnen scheiden ; zoodat men Onzen Heer Jezus van Maria, en de heilige Maagd Maria van Jezus zou kunnen noemen.

248         De tijd laat mij niet toe, de uitmuntendheid en grootheid van het geheim van Jezus, levend en heerschend in Maria, of van de menchwording des Woords, uitvoerig te verklaren. Daarom stel ik mij tevreden met in enkele woorden aan te duiden, dat dit het eerste, het verborgenste, het verhevenste en minst gekende geheim van Jezus Christus is. In dit geheim heeft Jezus, in overeenstemming met Maria en in haar schoot, (die daarom door de Heiligen Aura sacramentorum : de zaal van Gods geheimenissen genoemd wordt,) alle voorbestemden uitverkoren. In dit geheim heeft Hij reeds al de andere geheimen zijns levens volbracht door de toestemming, welke Hij daaraan gaf : Jesus ingrediens mundum dicit : Ecce venio ut faciam voluntatem tuam, « Jezus op de wereld komende zegt : Zie, ik kom om uwen wil te volbrengen. » Dientengevolge is dit geheim een samenvatting van alle geheimen, daar het den wil en de genade van alle andere bevat.

Eindelijk is dit geheim de troon van Gods barmhartigheid, milddadigheid en glorie. De troon zijner barmhartigheid voor ons ; men kan immers in dit geheim tot Jezus niet naderen, dan door Maria, en alleen door haar bemiddeling Hem aanschouwen en tot Hem spreken. Welnu, daar Jezus altijd zijn dierbare Moeder verhoort, zoo verleent Hij er altoos zijn genade en barmhartigheid aan de arme zondaren : Adeamus ergo cum fiducia ad thronum gratiœ,22 « Naderen wij dus met vertrouwen tot den troon der barmhartigheid. »

Het is de troon zijner glorie voor zijn hemelschen Vader. Daar immers heeft Jezus volkomen den toorn zijns Vaders gestild, die tegen de menschen vergramd was. Daar heeft Hij de eer, die de zonde Hem had ontroofd, volkomen hersteld. Daar heeft Hij door het offer van zijn wil en van zichzelf meer eer gebracht, dan al de offers van het oude verbond konden doen. Daar heeft Hij Hem ten slotte een oneindige glorie geschonken, zooals Hij nog nooit van den mensch had ontvangen.

 

 

VIJFDE   OEFENING

 

Het Weesgegroet en de Rozenkrans.

 

249         Zij moeten een groote godsvrucht hebben voor het Weesgegroet of de Groetenis des Engels, waarvan weinige, zelfs verlichte Christenen, de waarde, de verdienste en de noodzakelijkheid beseffen. De H. Maagd moest verscheidenen malen aan groote en zeer verlichte Heiligen, zooals den H. Dominicus, den H. Joannes Capistranus, den Gelukz. Alanus de Rupe verschijnen, om hun de waarde van het Weesgegroet bekend te maken. Zij hebben geheele boekdeelen geschreven over de wonderen van dit gebed en zijn macht om de zielen te bekeeren. Zij hebben luide verkondigd en openlijk gepredikt, dat gelijk het heil der wereld door het Weesgegroet begonnen is, zoo ook de zaligheid van een ieder in het bijzonder aan dit gebed verbonden is ; dat dit gebed aan de dorre en onvruchtbare aarde de Vrucht des Levens heeft doen voortbrengen, en dat ditzelfde gebed, goed verricht, het woord Gods in onze zielen moet doen ontkiemen en de vrucht des levens, Jezus Christus, moet doen voortbrengen ; dat het Weesgegroet een hemelsche dauw is, die de aarde, met andere woorden de ziel, besproeit om haar te gelegener tijd haar vrucht te doen dragen ; en dat een ziel, die niet door dit gebed of dezen hemelsche dauw wordt besproeid, geen vrucht, maar distelen en doornen draagt, en op het punt staat vervloekt te worden.

 

250         Ziehier wat de H. Maagd aan den Zaligen Alanus de Rupe openbaarde,23 gelijk in zijn boek : De dignitate Rosarii, opgeteekend staat, en later door Cartagena werd overgenomen : « Weet, mijn zoon, en maak aan allen bekend, dat het een waarschijnlijk en naast teeken van eeuwige verdoemenis is, wanneer men afkeer, lauwheid en nalatigheid toont in het bidden van de Groetenis des Engels, waardoor heel de wereld hersteld is. » Scias enim et secure intelligas et inde late omnibus patefacias, quod videlicet signum probabile est et propinquum œternœ damnationis horrere et acediari ac negligere Angelicam Salutationem totius mundi reparativam.24

Ziehier voorzeker troostrijke en tevens vreeselijke woorden, die men bezwaarlijk zou gelooven, werden ze niet gewaarborgd door dezen heiligen man, door den H. Dominicus vóór hem, en sindsdien door vele andere groote mannen en door de ervaring van vele eeuwen. Altoos toch heeft men opgemerkt, dat degenen die teekenen van verwerping dragen, zooals alle ketters, goddeloozen, hoogmoedigen en wereldlingen, het Weesgegroet en den H. Rozenkrans haten of verachten. De ketters leeren en bidden nog wel het Onze Vader, maar niet het Weesgegroet, noch den H. Rozenkrans. Zij hebben daarvoor een afschuw : liever droegen zij een slang bij zich dan een rozenkrans. Ook de hoogmoedigen onder de Katholieken, als bezield zijnde met dezelfde neigingen als hun vader Lucifer, leggen niets dan verachting en onverschilligheid voor het Weesgegroet aan den dag, en beschouwen den Rozenkrans als een kwezeldevotie, alleen goed voor onwetenden en ongeletterden. Daarentegen heeft men door de ondervinding geleerd, dat zij die ook anderzins duidelijke teekenen van voorbeschikking dragen, het Weesgegroet liefhebben, smaken en gaarne bidden, en dat, hoe meer zij met God vereenigd zijn, des te liever zij het bidden. Dit verklaarde ook de H. Maagd aan den Zaligen Alanus in de woorden, welke op de boven aangehaalde volgen.

 

251         Ik weet niet, hoe het komt, noch waarom, en toch is het waar : ik ken geen beter geheim om te weten of iemand uit God is, dan te onderzoeken of hij het Weesgegroet en den H. Rozenkrans bemint. Ik zeg bemint ; het kan immers gebeuren, dat iemand in de natuurlijke of bovennatuurlijke onmogelijkheid verkeert om het te bidden ; maar hij bemint het dan toch altijd en spoort de anderen aan om het te bidden.

252         Uitverkoren zielen, slaven van Jezus in Maria, verneemt, dat het Weesgegroet het schoonste gebed is na het Onze Vader, Het is de volmaaktste groet, dien gij Maria kunt aanbieden, dewijl het de groetenis is, die de Allerhoogste Haar door een Aartsengel liet brengen, om haar hart te winnen ; zóó machtig was die groet op haar hart om de geheime bekoorlijkheden waarmede hij vervuld is, dat Maria, ondanks haar diepe nederigheid, haar toestemming gaf tot de menschwording des Woords. Door dien groet ook zult gij onfeilbaar haar hart winnen, zoo gij dien naar behooren bidt.

 

253         Het Weesgegroet, goed gebeden, d.w.z. met aandacht, godsvrucht en ingetogenheid, is, volgens de Heiligen, de vijand des duivels die dezen op de vlucht drijft, en de hamer die hem verplettert. Het is de heiliging der ziel, de vreugde der Engelen, de melodie der uitverkorenen, de lofzang van het Nieuwe Verbond, het genoegen van Maria en de glorie der allerheiligste Drieëenheid. Het Weesgegroet is een hemelsche dauw, die de ziel vruchtbaar maakt ; het is een kuische, liefdevolle kus aan Maria gegeven, een purperen roos Haar aangeboden, een kostbaren parel Haar geschonken, een schotel ambrozijn, een beker goddelijken nectar, dien men Haar toereikt. Al deze vergelijkingen zijn aan de Heiligen ontleend.

254         Ik vraag dus dringend, om de liefde die ik u toedraag in Jezus en Maria, u niet tevreden te stellen met het Kroontje der H. Maagd te bidden ; doch bidt ook dagelijks het Rozenhoedje, en zelfs, zoo gij den tijd daarvoor hebt, den geheelen Rozenkrans. Bij uw sterfuur zult gij den dag en het uur zegenen, waarop gij mij geloofd hebt ; en na in Jezus en Maria’s zegeningen te hebben gezaaid, zult gij eeuwige zegeningen oogsten in den Hemel. Qui seminat in benedictionibus, de benedictionibus et metet, « Wie in zegeningen zaait, zal ook van zegeningen maaien. »25

 

 

 

 

 

 

 

 

ZESDE   OEFENING

 

Het Magnificat.

 

255         Om God te danken voor de gunsten die Hij aan de allerheiligste Maagd verleend heeft, moeten zij, naar het voobeeld der Zalige Maria Doignies en verscheidene andere Heiligen, dikwijls het Magnificat bidden. Dit is het eenige gebed en het eenige werk, dat de H. Maagd, of liever Jezus door Haar, heeft opgesteld, want Hij sprak door harer mond. Het is het grootste lofoffer, dat God in de genadewet ontvangen heeft. Het is eensdeels de nederigste en dankbaarste, en anderdeels de verhevenste en edelste aller lofzangen. Er zijn in dit loflied geheimen zóó groot en zóó verborgen, dat zelfs de Engelen ze niet alle kennen. Gerson, die een vroom en wijs godgeleerde was, na een groot gedeelte zijns levens besteed te hebben aan het schrijven van verhandelingen vol geleerdheid en godsvrucht over de moeilijkste vraagstukken, dorst slechts aarzelend bij het einde zijns levens de verklaring van het Magnificat ondernemen, om daarmede zijn werken te bekronen. In een lijvig boekdeel, dat hij daarover schreef, deelt hij wondere dingen mede over dit heerlijk loflied. Zoo zegt hij, dat de allerheiligste Maagd het dikwijls zelf bad, voornamelijk na de heilige Communie, als dankzegging. De godgeleerde Benzonius verhaalt in zijn verklaring van hetzelfde Magnificat, vele mirakelen, door de macht van dezen lofzang verricht, en hij zegt, dat de duivelen sidderend wegvluchten bij het hooren dezer woorden : Fecit potentiam in brachio suo, dispersit superbos mente cordis sui,26 « Hij heeft macht gewrocht door zijnen arm, verstrooid die trots zijn in den waan huns harten. »

 

 

 

ZEVENDE   OEFENING

 

Verachting der booze wereld.

 

256         Maria’s trouwe dienaren moeten de bedorven wereld ten zeerste verachten, haten en vluchten, en zich bedienen van de oefeningen van verachting der wereld, die wij in het eerste deel hebben aangegeven.

 

______

 

 

  • II.

 

 

Inwendige Oefeningen.

 

257         BEHALVE de uitwendige oefeningen, die ik zooeven heb aangehaald,—en die men niet uit nalatigheid of minachting, voor zooverre eenieders staat en omstandigheden toelaten, mag verzuimen,—volgen hier thans inwendige oefeningen, uiterst bevordelijk ter zelfheiliging voor degenen die door den H. Geest tot een hooge volmaaktheid zijn geroepen.

In vier woorden samengevat, bestaan ze in het verrichten van al zijn handelingen door Maria, met Maria, in Maria, voor Maria, teneinde ze volmaakt te verrichten door Jezus, met Jezus, in Jezus, en voor Jezus.

 

  1. Alles door Maria.

 

258         Men moet zijn handelingen verrichten door Maria, d.w.z. men moet in alles aan de allerheiligste Maagd gehoorzamen, en zich in alles laten leiden door haar geest, die Gods H. Geest is. Zij die door den Geest Gods geleid worden, zijn kinderen Gods : qui Spiritu Dei aguntur ii sunt filii Dei.[28] Zij die door Maria’s geest geleid worden, zijn kinderen van Maria en bijgevolg kinderen van God, zooals wij hebben aangetoond. En onder zoovele vereerders der H. Maagd, zijn die alleen haar ware en trouwe vereerders, die zich door haren geest laten leiden. Ik zeide, dat de geest van Maria de Geest Gods is. Nooit immers heeft Zij zich door haar eigen geest laten leiden, doch altoos door den Geest Gods, die zich zóózeer van Haar heeft meester gemaakt, dat Hij haar eigen Geest is geworden.

Daarom zegt de H. Ambrosius : Sit in singulis, etc. : « Dat Maria’s ziel in een ieder weze om den Heer te verheerlijken ; dat Maria’s geest in eenieder zij om zich in God te verblijden. »[29] Hoe gelukkig is de ziel, die, naar het voorbeeld van een vromen leekebroeder der Jezuïeten, Rodriguez[30] genaamd en in geur van heiligheid gestorven, geheel beheerscht en bestuurd wordt door den geest van Maria : een geest, zacht en sterk, ijverig en voorzichtig, nederig en moedig, zuiver en diep !

259         Wil men zich door den geest van Maria laten leiden, dan moet men :

1˚ aan zijn eigen geest, aan zijn eigen weten en willen verzaken alvorens iets te doen : b.v. alvorens de overweging te houden, de H. Mis op te dragen of bij te wonen, alvorens te communiceren, enz. Immers, de duisternissen van onzen geest, de boosheid van onzen eigen wil en werking, al lijken ze ons goed, zouden, indien wij ze volgden, Maria’s geest belemmeren.

2˚ Men moet zich aan Maria’s geest overleveren, om er naar haar goedvinden door bewogen en geleid te worden. Men moet zich aan haar maagdelijke handen toevertrouwen en daarin blijven, als een werktuig in de handen van den werkman, als een luit in de handen van een bekwaam speler. Men moet zich aan Haar overleveren, zich geheel in Haar verliezen, gelijk een steen die in de zee geworpen wordt. Dit kan heel eenvoudig en in één oogwenk geschieden : door een vluchtigen oogopslag van den geest, een lichte beweging van den wil, of ook mondeling, door b.v. te zeggen : Ik verzaak aan mijzelf, ik geef mij aan U, mijn lieve Moeder. En al ondervindt men dan ook geen gevoelige zoetheid bij ’t verrichten dezer opdracht, toch is ze wel echt ; juist als iemand die,— wat God verhoede,—meeneens zou zeggen : Ik geef mij aan den duivel, hierdoor, al zeide hij het ook zonder gevoelige aandoening, den duivel waarlijk zou toebehooren.

3˚ Tijdens en na zijn handelingen, moet men nu en dan dezelfde akte van opdracht en vereeniging hernieuwen. Hoe meer men het doet, des te eerder zal men zich heiligen en tot de vereeniging met Jezus Christus geraken, die altijd noodzakelijkerwijs de vereeniging met Maria volgt, daar de geest van Maria de geest van Jezus is.

 

  1. Alles met Maria.

 

260         Men moet zijn handelingen verrichten met Maria, d.w.z. men moet in zijn handelingen Maria voor oogen houden, als het volmaakte toonbeeld van alle deugden en volmaaktheid, door den H. Geest in een zuiver schepsel gevormd, opdat wij het, naar ons zwak vermogen, navolgen. Bij iedere handeling moeten wij dus beschouwen, hoe Maria die gedaan heeft, of zou doen, indien Zij in onze plaats was. Wij moeten daartoe de verheven deugden, welke Zij gedurende haar leven beoefend heeft, nagaan en overwegen, voornamelijk 1˚ haar levendig geloof, waardoor Zij zonder aarzelen aan het woord des Engels geloofde ; in dat geloof bleef Zij trouw en standvastig tot aan de voet des kruises volharden ; 2˚ haar diepe nederigheid, die er Haar toe bracht zich te verbergen, te zwijgen, zich aan alles te onderwerpen en steeds de laatste plaats te kiezen ; 3˚ haar onuitsprekelijke zuiverheid, die nooit op aarde haar gelijke had noch hebben zal ; en ten slotte al haar andere deugden.

Men herinnere zich, ik herhaal het nog eens, dat Maria de groote en eenige vorm Gods is, geschikt om met weinig moeite en in korten tijd het levend evenbeeld van God te maken ; en dat de ziel, die dezen vorm gevonden heeft en zich daarin verliest, weldra zal hervormd worden in Jezus Christus, dien deze vorm natuurgetrouw weergeeft.

 

  1. Alles in Maria.

 

  1. Men moet alles in Maria doen. Om deze oefening goed te begrijpen, moet men weten :

1˚ dat de allerheiligste Maagd het ware aardsche paradijs is van den nieuwen Adam, waarvan het oude slechts een voorafbeelding was. In dit aardsch paradijs dan bevinden zich onnoemelijke schatten, schoonheden, zeldzaamheden en geneugten, die de nieuwen Adam, Jezus Christus, er in heeft achtergelaten. In dit aardsch paradijs heeft Hij negen maanden zijn welbehagen genomen, zijn wonderen verricht en zijn schatten met de heerlijkheid van een God ten toon gespreid. Dat hoogheilig oord bestaat enkel uit maagdelijke en onbevlekte aarde, waaruit de nieuwe Adam gevormd en waarmede Hij gevoed werd, zonder vlek of smet, door de werking van den H. Geest, die daarin woont. In dit aardsch paradijs bevindt zich de ware Boom des Levens, die Jezus Christus, de Vrucht des Levens gedragen heeft ; de Boom der kennis van goed en kwaad, die het licht aan de wereld geschonken heeft. Daar staan in dit goddelijk oord boomen, door de hand Gods geplant en met zijn goddelijke zalving besproeid, die vruchten van een goddelijken smaak gedragen hebben en nog iederen dag dragen. Men treft er bloemperken aan, met schoone en veelkleurige bloemen van deugden bezaaid, zóó welriekend, dat zij de Engelen zelfs doorgeuren. Men vindt er groene weiden van hoop, onneembare torens van sterkte, bevallige huizen van vertrouwen, enz. De waarheid, onder deze stoffelijke beelden verborgen, kan alleen de H. Geest doen kennen. Daar is de onbedorven lucht van volmaakte zuiverheid ; de schoone, nimmer eindigende dag der heilige Menschheid ; de heerlijke, schaduwlooze zon der Godheid ; de steeds brandende oven der liefde, waarin al het ijzer gloeiend wordt en in goud verandert. Daar ontspringt uit den grond de stroom der nederigheid, die zich in vier takken verdeelt en heel dat verrukkelijk oord besproeit ; die vier takken zijn de vier hoofddeugden.

262         De H. Geest noemt de heilige Maagd ook door den mond der HH. Vaders, de Oosterpoort, waardoor de Hooge-priester Jezus Christus, de wereld in- en uitgaat ; Hij is daardoor de eerste maal binnengekomen, Hij zal daardoor ook den tweeden keer binnentreden.

2˚ Verder moet men weten, dat Maria het heiligdom der Godheid is, de rustplaats der allerheiligste Drieëenheid, de troon Gods, de stede Gods, het altaar Gods, de tempel Gods, de wereld Gods. Al deze verschillende benamingen en lofspraken zijn zeer waar, met ’t oog op de verschillende genadewonderen, die de Allerhoogste in Maria uitgewerkt heeft.

O wat een rijkdom ! O wat een glorie ! O wat een genot ! O wat een geluk te mogen binnengaan en verblijven in Maria, waarin de Allerhoogste den zetel zijner opperste heerlijkheid heeft gevestigd.

263         Doch hoe bezwaarlijk is het voor zondaren gelijk wij zijn, om de noodige toestemming en bekwaamheid, het vereischte licht te verkrijgen om in zulk een verheven en heilig oord binnen te treden ; een oord dat bewaakt wordt niet enkel door een Cherubijn, gelijk het vroegere aardsch paradijs, maar door den H. Geest zelf, die daar een onbeperkt gezag uitoefent en van Maria gezegd heeft : Hortus conclusus soror mea sponsa, hortus conclusus, fons signatus,[31] « Een gesloten hof is mijn zuster en bruid, een gesloten hof, een verzegelde bron. » Maria is gesloten, Maria is verzegeld. De rampzalige kinderen van Adam en Eva, verjaagd uit het vroegere aardsch paradijs, kunnen dit nieuwe niet binnentreden dan door een bijzondere gunst van den H. Geest, die zij moeten verdienen.

264         Wanneer men door zijn getrouwheid deze voortreffelijke gunst verkregen heeft, moet men in het heerlijk binnenste van Maria met welbehagen verblijven, er in vrede rusten, met vertrouwen er op steunen, er zich veilig in verschuilen en zonder voorbehoud verliezen, opdat in dien maagdelijke schoot ; 1˚ de ziel gevoed worde met de melk harer genade en moederlijke barmhartigheid ; 2˚ er bevrijd worde van ontsteltenis, angstvalligheid en vrees ; 3˚ er in veiligheid weze tegen al haar vijanden, den duivel, de wereld en de zonde, die daar nooit toegang hebben gevonden. Daarom zegt Zij, dat degenen die in Haar werken niet zondigen : Qui operantur in me, non peccabunt,[32] d.w.z. dat zij die geesterlijkerwijze in Maria verblijven, geen groote zonden zullen begaan ; 4˚ opdat de ziel in Jezus Christus en Jezus Christus in haar gevormd worde. Immers Maria’s schoot is, gelijk de HH. Vaders getuigen, de zaal van Gods geheimenissen, waarin Jezus Christus en al zijn uitverkorenen gevormd worden : Homo et homo natus est in ea,[33] « Een mensch en een mensch is in Haar geboren. »

 

  1. Alles voor Maria.

 

265         Eindelijk moet men alles doen voor Maria. Daar men zich immers geheel aan haar dienst heeft overgeleverd, is het billijk, dat men alles voor Haar doet, gelijk een dienstknecht, dienaar en slaaf. Niet dat men Haar als laatste doel zijner verdiensten neemt : dit is Jezus Christus alleen ; doch men neemt Haar als zijn naaste doeleinde, zijn geheimzinnig midden en gemakkelijk middel om tot Hem te gaan.

Gelijk een goede dienstknecht en slaaf, mag men niet werkeloos blijven ; doch men moet, steunende op haar bescherming, groote dingen voor die doorluchtige Vorstin ondernemen en tot stand brengen. Men moet haar voorrechten verdedigen, wanneer ze Haar betwist worden. Men moet haar eer ophouden, wanneer die wordt aangevallen. Men moet iedereen, zoo men kan, tot haar dienst en tot deze ware godsvrucht overhalen. Men moet spreken en zijn stem verheffen tegen hen die van haar godsvrucht misbruik maken om haar Zoon te beleedigen, en tegelijkertijd deze ware godsvrucht verspreiden. Tot loon voor deze geringe diensten moet men op niets anders aanspraak maken dan op de eer aan zulk een beminnelijke Vorstin toe te behooren, en het geluk door Haar met een onverbreekbaren band met Jezus, haar Zoon, vereenigd te zijn in tijd en eeuwigheid.

 

Eer aan Jezus in Maria !

Eer aan Maria in Jezus !

Eer aan God alleen !

 

 

 

 

 

 

MARIA’S GENADEGEHEIM

 

OF

 

BRIEF OVER DE SLAVERNIJ

DER H. MAAGD.

 

DOOR DEN ZALIGEN LOUIS-MARIE

GRIGNION DE MONTFORT

 

______

 

  1. — Gewicht dezer Godsvrucht.

 

  1. UITVERKOREN ziel, ziehier een geheim, dat de Allerhoogste mij geleerd heeft en dat ik in geen enkel boek, noch oud, noch nieuw, heb kunnen vinden.

Ik vertrouw het u toe door den H. Geest, op voorwaarde :

1˚ Dat gij het slechts aan diegenen zult mededeelen, die het verdienen door hun gebeden, aalmoezen, verstervingen, vervolgingen, door hun onthechting en hun ijver voor het zieleheil.

2˚ Dat gij er u zult van bedienen om heilig en hemelschgezind te worden ; want dit geheim wordt slechts groot, naarmate de ziel er gebruik van maakt. Wacht u dus, de handen in den schoot te leggen en werkeloos te blijven ; want dan zou mijn geheim vergif voor u worden en uw veroordeling zijn.

3˚ Dat gij al de dagen uws levens God zult bedanken voor de genade, welke Hij u schonk, met u een geheim te leeren, dat gij niet waardig zijt te kennen.

Naar gelang gij er gebruik van zult maken in de gewone handelingen uws levens, zult gij er de waarde en voortreffelijkheid van begrijpen ; in den beginne zult gij deze slechts op onvolmaakte wijze kennen, wegens de menigte en zwaarte uwer zonden en uw geheime gehechtheid aan uzelf.

  1. Alvorens verder te gaan uit haastige en natuurlijke zucht om de waarheid te kennen, kniel neer en bid godvruchtig het Ave Maris Stella en het Veni Creator, om aan God de genade te vragen dit goddelijk geheim te begrijpen en te smaken.[34]

Omdat ik maar weinig tijd heb om te schrijven, en gij om te lezen, zal ik alles kort bespreken.

 

 

  1. — De verplichting

om naar heiligheid te streven.

 

  1. ZIEL, levend beeld van God, vrijgekocht door het kostbaar bloed van Jezus Christus, ’t is Gods wil, dat gij heilig wordt zooals Hij in dit leven, en verheerlijkt zooals Hij in het andere. Gods heiligheid te verwerven is uw zekere roeping ; dat moet het doel zijn van al uw gedachten, woorden en werken, van al uw lijden en van al wat gij in uw leven verricht ; anders verzet gij u tegen God, door datgene te verwaarloozen, waarvoor Hij u geschapen heeft en thans nog in het leven behoudt.

O, wat een wonderbaar werk! Het stof in licht veranderd, het vuil in zuiverheid, de zonde in heiligheid, het schepsel in zijn Schepper en de mensch in God! Ja, wonderbaar werk, ik herhaal het ; maar moeilijk op zichzelf en voor de natuur alleen onmogelijk! God alleen door zijne genade, en wel door eene overvloedige en buitengewone genade, kan het tot stand brengen ; en de schepping van het heelal is niet zoo’n verheven meesterwerk als dit.

 

 

III. — Middelen ter Heiliging.

 

  1. O ZIEL, hoe zult gij het aanleggen? Welke middelen zult gij kiezen om op te klimmen tot waar God u roept?

De middelen om zalig en heilig te worden zijn aan allen bekend. Ze staan opgeteekend in het Evangelie, worden door de meesters van het geestelijk leven uitgelegd, zijn door de Heiligen beoefend en noodzakelijk voor allen, die zalig willen worden en de volmaaktheid bereiken, zooals : ootmoed des harten, voortdurend gebed, algeheele versterving, overgave aan de Goddelijke Voorzienigheid en gelijkvormig-heid aan den Wil van God.

  1. Om al deze middelen ter zaligheid en heiligheid te beoefenen, is Gods genade en hulp volstrekt noodzakelijk ; en die genade wordt aan allen in meerdere of mindere mate geschonken ; niemand die hieraan twijfelt. Ik zeg ; in meerdere of mindere mate ; want God, ofschoon oneindig goed, verleent niet aan allen even krachtige genade, alhoewel Hij aan iedereen voldoende genade geeft. Met een groote genade verricht de getrouwe ziel groote, met een geringe genade een kleine daad. De waarde en voortreffelijkheid der genade, welke God geeft en waaraan de ziel beantwoordt, maakt de waarde en voortreffelijkheid onzer handelingen uit. Dit zijn onbetwistbare grondstellingen.
  2. Alles komt dus hierop neer, dat wij middel vinden om van God de noodige genade te verkrijgen om heilig te worden, en dat middel wil ik u leeren. Welnu, ik zeg : om deze genade Gods te vinden, moet men Maria vinden.

 

 

  1. — Maria en de genade.[35]

 

  1. MARIA alleen heeft genade gevonden bij God, èn voor Haar zelve, èn voor ieder mensch in het bijzonder. Noch de Patriarchen, noch de Profeten, noch al de Heiligen van het oude Verbond hebben die genade kunnen vinden.
  2. 2˚ Zij heeft het aanzijn en het leven aan den Oorsprong aller genade geschonken, en wordt daarom Moeder der genade, Mater Gratiœ, genoemd.
  3. 3˚ God de Vader, van Wien alle volmaakte gave en alle genade, als uit haar wezenlijke bron, afdaalt, heeft Haar, door Haar zijn Zoon te geven, al zijne genaden geschonken ; zoodat, gelijk de H. Bernardus zegt, in Hem en met Hem Gods wil Haar werd gegeven.
  4. 4˚ God heeft Haar tot schatbewaarster, beheerster en uitdeelster van al zijne genaden gekozen, zoodat al zijne genaden en gaven door hare handen gaan ; en — zegt de H. Bernardinus — overeenkomstig de macht, welke Zij daartoe ontving, geeft Zij aan wie Zij wil, zooals Zij wil, wanneer Zij wil en zooveel Zij wil, de genaden des eeuwigen Vaders, de deugden van Jezus Christus en de gaven des H. Geestes.
  5. 5˚ Evenals een kind in de orde der natuur een vader en eene moeder moet hebben, zoo moet ook een waar kind der Kerk in de orde der genade God tot Vader en Maria tot Moeder hebben ; en beroemt zich iemand God tot Vader te hebben, terwijl hij voor Maria de teedere liefde van een waar kind niet heeft, dan is hij een bedrieger, die den duivel alleen tot vader heeft.
  6. 6˚ Daar Maria het Hoofd der uitverkorenen, namelijk Jezus Christus, gevormd heeft, moet Zij ook de ledematen van dat Hoofd, de ware Christenen, vormen[36]. Een moeder toch vormt het hoofd niet zonder de ledematen, noch de ledematen zonder het hoofd. Wie dus lidmaat wil zijn van Jezus Christus, vol van genade en waarheid, moet in Maria gevormd worden door middel der genade van Jezus Christus, waarvan Zij de volheid bezit, om ten volle aan de ware ledematen van Jezus Christus, haar ware kinderen,[37] te worden medegedeeld.
  7. 7˚ De H. Geest heeft Maria tot Bruid genomen ; in Haar, door Haar en uit Haar heeft Hij zijn meesterstuk, Jezus Christus, het Vleeschgeworden Woord, voortgebracht, en nooit heeft Hij Haar verstooten ; Hij blijft dus nog dagelijks in Haar en door Haar, op een geheimzinnige doch waarachtige wijze, de uitverkorenen voortbrengen.
  8. 8˚ Maria heeft van God een bijzondere heerschappij over de zielen ontvangen om ze te voeden en in God te doen groeien. De H. Augustinus zegt zelfs, dat in dit leven de uitverkorenen allen in den schoot der allerheiligste Maagd besloten zijn en dan eerst geboren worden, wanneer die goede Moeder hen tot het eeuwig leven baart. Derhalve, evenals een kind al zijn voedsel aan zijne moeder ontleent en het van haar in verhouding met zijne zwakheid ontvangt, zoo ook ontleenen de uitverkorenen al hun geestelijk voedsel en geheel hun kracht aan Maria.
  9. 9˚ Tot Maria heeft God de Vader gezegd : In Jacob inhabita ; mijne Dochter, verblijf in Jacob, d.w.z. in mijn uitverkorenen door Jacob voorafgebeeld. Tot Maria heeft God de Zoon gezegd : In Israel haereditare ; mijne lieve Moeder, neem uw erfdeel in Israël, d.w.z. in de uitverkorenen. Tot Maria heeft God de H. Geest gezegd : In electis meis mitte radices ; mijne trouwe Bruid, schiet wortels in mijn uitverkorenen.

De H. Maagd woont dus in ieder uitverkorene en voorbeschikte, nl. in zijn ziel ;[38] en Zij schiet er wortels van diepen ootmoed, brandende liefde en van alle deugden.

 

V.— Hoe Maria Jezus in ons vormt.

 

MARIA wordt door den H. Augustinus genoemd, en is inderdaad, de levende vorm Gods, forma Dei, d.w.z. dat in Haar alleen de God-mensch natuurgetrouw gevormd werd, zonder dat Hem een enkele trek der Godheid ontbreekt. Zoo kan alleen in Haar de mensch natuurgetrouw in God gevormd worden, door de genade van Jezus Christus, in zoover de menselijke natuur daartoe in staat is.

Een beeldhouwer kan op tweeërlei wijze een welgelijkend beeld of afbeeldsel vervaardigen : 1˚ hij kan gebruikmaken van zijne kunstvaardigheid, kracht en kennis en van deugdelijke werktuigen, om aan de harde en vormlooze stof die gelijkenis te geven ; 2˚ hij kan de stof in een vorm gieten. De eerste wijze is omslachtig, moeilijk en aan veel ongevallen onderhevig. Een enkele verkeerde beitel- of hamerslag is dikwijls voldoende om het geheele werk te bederven. Op de tweede wijze gaat het vlug, gemakkelijk en licht, bijna zonder moeite en zonder kosten, als de vorm maar volmaakt en welgelijkend is, en de stof, die men gebruikt, goed kneedbaar is en aan de hand des kunstenaars geen weerstand biedt.

  1. Maria is de verheven vorm Gods, door den H. Geest vervaardigd om een God-mensch natuurgetrouw te vormen door de hypostatische vereeniging[39] en een mensch-God door de genade.

Aan deze vorm ontbreekt geen enkele trek der Godheid. Wie er zich inwerpt en goed bewerken laat, krijgt al de trekken van Jezus Christus, waarlijk God, en zulks geschiedt op zachte, met de menschelijke zwakheid overeenkomstige wijze, zonder veel strijd of moeite ; op veilige wijze, zonder gevaar voor misleiding, want de duivel heeft geen toegang gehad en zal dien nooit hebben tot Maria ; en ten laatste op heilige en vlekkelooze wijze, zonder schaduw der minste zondesmet.

  1. O, wat een verschil tusschen eene ziel, in Jezus Christus gevormd op de gewone wijze dergenen die, gelijk de beeldhouwers, op hun behendigheid vertrouwen en zich op hun kunstvaardigheid verlaten,— en eene ziel welke, goed handelbaar, goed onthecht, goed gesmolten, zonder ook maar enigszins op zich zelve te steunen, zich in Maria werpt en zich daar door de werking van de H. Geest laat vormen. Wat al vlekken, wat al gebreken, wat al duisternissen, wat al begoochelingen, wat al natuurlijks en menschelijks in de ééne ziel ; en wat is de andere zuiver, goddelijk en gelijkvormig aan Jezus Christus !
  2. Er is geen schepsel, er zal nooit geen schepsel zijn, waarin God, buiten Zich zelven en in Zich zelven, zoozeer uitmunt als in de allerheiligste en allerverhevenste Maagd Maria, de Gelukzaligen, Cherubijnen, zelfs de verhevenste Serafijnen in het Paradijs niet uitgezonderd. Maria is het Paradijs Gods en zijn onbeschrijfelijke wereld, waar de Zoon Gods is binnengetreden om er zijn wonderen te verrichten, er over te waken en er zijn welbehagen te nemen. God heeft een wereld geschapen voor den mensch op zijn aardsche reize : de wereld die wij bewonen. Hij heeft een wereld geschapen voor de Gelukzaligen : den hemel. Maar een andere wereld heeft Hij geschapen voor zichzelf en haar genoemd : Maria ; een wereld onbekend aan schier alle stervelingen hier op aarde en onbegrijpelijk voor alle Engelen en Gelukzaligen des hemels, die, vol bewondering God zoo verheven te zien, zoo ver van hen allen verwijderd, zoo afgezonderd en verborgen in zijne wereld, de allerheiligste Moeder Gods Maria, onophoudelijk roepen : Heilig, Heilig, Heilig !
  3. Gelukkig, duizendmaal gelukkig hier op aarde de ziel, aan wie de H. Geest Maria’s geheim openbaart, opdat zij Haar leere kennen ; voor wie Hij dezen afgesloten hof opent om er haar te doen binnentreden ; voor wie Hij die verzegelde bron ontsluit om er de levende wateren der genade te putten en met volle teugen te drinken ! Die ziel vindt slechts God alleen, zonder schepsel, in dit beminnenswaardig schepsel, maar God eindeloos heilig en verheven, en toch op wonderlijke wijze afdalend tot die ziel en zich aanpassen aan hare zwakheid.

God is overal tegenwoordig ; men kan Hem dus overal vinden tot zelfs in de hel ; maar nergens kunnen wij, schepselen, Hem zoo nabij vinden en zich zoo aanpassend aan onze zwakheid als in Maria ; want te dien einde is Hij in Haar nedergedaald. Overal elders is Hij het Brood der sterken en der Engelen, doch in Maria is Hij het Brood der kinderen.

  1. Men verbeelde zich dus niet met sommige dwepers, dat Maria, een schepsel zijnde, een beletsel is voor onze vereeniging met den Schepper. Niet Maria leeft meer, doch Jezus Christus alleen, God alleen in Haar. Hare hervorming in God overtreft meer die van den H. Paulus en de andere Heiligen dan de hemel zich boven de aarde verheft. Maria is niet dan voor God geschapen ; en verre van eene ziel aan zichzelve te binden, stort Zij haar integendeel in God en vereenigt ze des te volmaakter met Hem, naarmate de ziel inniger met Haar vereenigt is. Maria is de wonderbare Echo Gods. Roept men  : « Maria », dan antwoordt Zij : « God ». Noemt men Haar zalig met de H. Elizabeth, dan verheerlijkt Zij God alleen. Hadden degenen die zich valschelijk door God verlicht achtten en zoo deerlijk door den duivel tot in het gebed werden verleid, Maria weten te vinden, en door Maria Jezus, en door Jezus God, dan waren zij niet zoo schrikwekkend diep gevallen. Heeft men Maria eenmaal gevonden, en door Maria Jezus, en door Jezus God den Vader, zoo heeft men alle goed gevonden, naar het woord der Heiligen : Inventa Maria, inventur omne bonum. Wie alles zegt, zondert niets uit : dus alle genade en vriendschap bij God, alle veiligheid tegen de vijanden Gods, alle waarheid tegen de leugen, alle gemak in ’t overwinnen der moeilijkheden onzer zaligheid, alle zoetheid en vreugde in de bitterheden des levens.
  2. Dat wil niet zeggen, dat wie Maria door een ware godsvrucht gevonden heeft, van kruisen en lijden ontslagen is. Verre vandaar. Hij wordt er meer dan iemand anders door bestormd ; want Maria, de Moeder der levenden, geeft aan al hare kinderen gedeelten van den Boom des levens, nl. van Jezus’ kruis. Maar met de groote kruisen, die Zij hun uitsnijdt, geeft Zij hun ook de genade om ze met geduld en zelfs met vreugde te dragen ; zoodat de kruisen welke Zij oplegt aan wie Haar toebehooren, veeleer zoetigheden en in suiker ingelegde kruisen zijn. Ofwel, indien zij voor een tijd de bitterheid proeven van den kelk, dien men om vriend van God te zijn, noodzakelijk moet drinken, zoo zal de vertroosting en de vreugde, welke deze goede Moeder op de droefheid laat volgen, hen oneindig aanmoedigen om nog zwaarder en bitterder kruisen te dragen.
  3. De vraag is dus : hoe kan men waarlijk Maria vinden, om aldus alle genaden in overvloed te bekomen ? God kan, als volkomen onafhankelijk Meester, onmiddelijk door Zichzelf mededeelen wat Hij gewoonlijk slechts door Maria geeft ; zelfs kan men niet zonder vermetelheid ontkennen, dat Hij het somwijlen doet.[40] Nochtans, volgens de orde welke de Goddelijke Wijsheid heeft vastgesteld, deelt Hij zich gewoonlijk slechts door Maria in de orde der genade aan de menschen mede, zegt de H. Thomas. Om tot Hem op te stijgen en zich met Hem te vereenigen, moet men zich van hetzelfde middel bedienen, dat Hij gebruikt heeft om tot ons neer te dalen, mensch te worden en ons zijne genade mede te deelen ; dit middel nu is een ware godsvrucht tot de H. Maagd.

 

 

VI.—Over de volmaakte Godsvrucht

tot de H. Maagd

 

  1. ER bestaan verschillende oefeningen tot de allerheiligste Maagd ; over de valsche spreek ik hier niet.
  2. 1˘ De eerste bestaat in het vervullen van de christelijke plichten ; zij doet ons de doodzonde vermijden, meer uit liefde dan uit vrees te handelen, nu en dan tot de H. Maagd bidden, zonder nochtans eenige bijzondere godsvrucht voor Haar te hebben.
  3. 2˚ De tweede doet ons volmaakter gevoelens van hoogachting, liefde, vertrouwen en vereering ten opzichte van Maria koesteren. Zij spoort ons aan lid te worden van de broederschappen van den H. Rozenkrans en van het Scapulier ; het Rozenhoedje of den H. Rozenkrans te bidden ; Maria’s beelden en altaren te vereeren, haren lof te verkondigen, zich te laten inschrijven in hare congregaties. En deze devotie, wanneer zij zich van zonde onthoudt, is goed, heilig en lofwaardig ; doch ze is niet zoo volmaakt als de volgende, en ook niet zoo geschikt om de zielen van de schepselen te verwijderen, aan zichzelf te onthechten en ten einde ze te vereenigen met Jezus Christus.
  4. 3˚ De derde godsvrucht tot de H. Maagd, door zeer weinigen gekend en beoefend, is welke ik u thans ga openbaren, uitverkoren zielen.
  5. Zij bestaat hierin, dat men zich geheel en al, als slaaf, aan Maria en door Haar aan Jezus geve ; vervolgens dat men alles verrichte door Maria, met Maria, in Maria en voor Maria. Deze woorden ga ik uitleggen.
  6. Men moet een merkwaardigen dag kiezen om zich weg te geven, toe te wijden en op te offeren, vrijwillig en uit liefde, zonder dwang, geheel en zonder eenig voorbehoud : nl. zijn lichaam en zijn ziel ; zijne uiterlijke bezittingen, als huis, gezin, inkomsten ; de innerlijke goederen zijner ziel, te weten : zijne verdiensten, genaden, deugden en voldoeningen.

                Men bemerke hier, dat men door deze godsvrucht aan Jezus door Maria alles opoffert wat een ziel het dierbaarst is en waarvan geen enkele kloosterorde het offer eischt, te weten : het recht dat men heeft, zelf te beschikken over de waarde zijner gebeden, aalmoezen, verstervingen en voldoeningen. Men laat er aldus de allerheiligste Maagd geheel over beschikken, die dit alles besteden zal naar haar wil, tot Gods meerdere glorie, welke Haar alleen volmaakt bekend is.

  1. Men laat Haar beschikken over de voldoenende en verkrijgende waarde zijner goede werken. Derhalve, heeft men de opdracht hiervan gedaan,—al geschiedt zulks ook zonder gelofte,—dan is men van al het goede wat men doet geen meester meer. De allerheiligste Maagd kan het toepassen, nu eens op eene ziel in het vagevuur om haar te verlichten of te bevrijden, dan weer op een armen zondaar om hem te bekeeren, enz.
  2. Door deze devotie stelt men de allerheiligste Maagd ook zijn verdiensten in handen. Maar dit doen wij, opdat Zij ze beware, vermeerdere en verfraaie ; want de verdiensten der heiligmakende genade of der glorie kunnen wij elkander niet toevoegen. Wel geeft men Haar zijne gebeden en goede werken, in zooverre deze een verkrijgende en voldoenende waarde bezitten, opdat Zij ze naar believen uitdeele en toevoege aan wie Zij wil. Hebben wij ons aldus aan de H. Maagd toegewijd, en verlangen wij eene ziel in het vagevuur te verlichten, een zondaar te redden, een onzer vrienden bij te staan door onze gebeden, aalmoezen, verstervingen en offers, dan moeten wij het Haar ootmoedig vragen en berusten in hare beslissing, al kennen wij deze niet, wel overtuigd, dat de waarde onzer werken, nu ze uitgedeeld wordt door denzelfden hand als waarvan God zich bedient om ons zijn gaven en genaden te doen toekomen, buiten allen twijfel tot zijne meerdere eer wordt aangewend.
  3. Ik zeide, dat deze godsvrucht bestaat in zich aan Maria te geven als slaaf.[41] Men merke wel op, dat er eene drievoudige slavernij bestaat.

De eerste is de slavernij van natuur. Alle menschen, goede en kwade, zijn op die wijze slaven van God.

De tweede is de slavernij uit dwang. Op deze wijze zijn de duivelen en verdoemden slaven van God.

De derde wijze is de slavernij uit liefde en uit vrijen wil ; door deze moeten wij ons aan God door Maria toewijden ; dit is de volmaakste wijze waarop een schepsel zich aan zijn Schepper geven kan.

  1. Men moet nog opmerken, dat er een groot verschil bestaat tusschen een dienaar en een slaaf. De dienaar eischt zijn loon voor zijn diensten ; de slaaf niet. Het staat den dienaar vrij zijn meester te verlaten wanneer hij wil, hij dient zijn meester slechts voor een tijd ; de slaaf echter kan hem niet zonder onrecht verlaten, hij behoort hem toe voor altijd. De dienaar geeft zijn meester geen recht van leven en dood over zijn persoon ; de slaaf geeft zich geheel en al, zoodat de meester hem ter dood zou kunnen brengen, zonder daarvoor door het gerecht verontrust te worden.

Men zal gemakkelijk inzien, dat de slaaf uit dwang zich in de allernauwste afhankelijkheid bevindt, welke dan ook alleen een mensch ten opzichte van zijn Schepper verbinden kan. Daarom bestaat die slavernij bij de Christenen niet, doch alleen bij de Turken en afgodendienaars.

  1. Gelukkig echter, ja duizendmaal gelukkig, de edelmoedige ziel die zich geheel en al als slaaf uit liefde aan Jezus door Maria toewijdt, na door het Doopsel de drukkende slavernij des duivels te hebben afgeschud !

 

 

VII.—Beweegredenen

dezer Toewijding.

 

  1. VEEL bovennatuurlijk licht zou mij noodig zijn om op volmaakte wijze de voortreffelijkheid dezer oefening te beschrijven. Het volgende slechts wil ik terloops aanstippen.

1˚ Zich aldus aan Jezus geven door de handen van Maria, is God den Vader navolgen, die ons zijn Zoon niet heeft gegeven en ons zijne genaden niet medegedeeld dan door Maria. Het is God den Zoon navolgen, die niet dan door Maria tot ons gekomen is, en die, daar Hij ons het voorbeeld heeft gegeven, opdat wij zouden doen zooals Hij gedaan heeft,—ons aldus aanspoort om tot Hem te gaan door hetzelfde middel, waardoor Hij tot ons gekomen is : Maria. Het is den H. Geest navolgen, die ons zijn genaden en gaven slechts door Maria mededeelt. « Betaamt het niet, » zegt de H. Bernardus, « dat de genade tot harer Gever wederkeere langs hetzelfde kanaal, waardoor zij ons werd aangevoerd? »

  1. 2˚ Zóó tot Jezus door Maria gaan is waarlijk Jezus eeren, daar wij aldus te kennen geven, dat wij om wille onzer zonden onwaardig zijn rechtstreeks en uit ons zelf tot zijne oneindige Heiligheid te naderen, en dat wij Maria, zijne H. Moeder, noodig hebben om onze voorspreekster en middelares te zijn bij Hem die onze Middelaar is. Zóó naderen wij tot Hem als tot onzen Middelaar en Broeder, en tegelijkertijd vernederen wij ons voor Hem als voor onzen God en Rechter. In één woord, zoo beoefenen wij de nederigheid, die immer Gods hart bekoort.
  2. 3˚ Zich aldus aan Jezus door Maria toewijden is zijn goede werken in Maria’s handen stellen. Al schijnen deze werken ook goed, toch zijn ze vaak besmet en niet waardig om door God, voor Wien de sterren niet zuiver zijn, beschouwd en aanvaard te worden. Ach, bidden wij deze goede Moeder en Meesteres, dat Zij, na ons armzalig geschenk aanvaard te hebben, het zuivere, heilige, veredele en verfraaie, om het Gode waardig te maken. Al wat onze ziel bezit is van minder waarde bij God, den Huisvader van het Evangelie, om zijne vriendschap en gunst te winnen, dan voor een koning de wormstekige appel, welken een arme landman, pachter Zijner Majesteit, den koning zou aanbieden om zijn pacht te betalen. Wat zou die arme man doen, als hij verstandig was en de gunst der koningin genoot ? Hij zou haar dien appel geven. De koningin zou dan, uit genegenheid voor den armen landman en eerbied voor den koning, al wat er wormstekigs en bedorvens aan den appel is wegnemen, hem op een gouden schaal leggen en met bloemen omringen. Zou de koning hem dan kunnen weigeren, zou hij hem niet veeleer met vreugde aannemen uit de handen der koningin, die dezen landman genegen is ? Modicum quid offerre desideras ? manibus Mariœ tradere cura, si non vis sustinere repulsam. « Wilt gij God iets aanbieden, al is het van geringe waarde, » zegt de H. Bernardus, « leg het in Maria’s handen, zoo gij niet wilt afgewezen worden. »
  3. Groote God, hoe gering is toch al wat wij doen ! Doch laten wij het door deze devotie Maria in handen stellen. Als wij ons geheel en al, zooveel als maar mogelijk is, aan Haar zullen gegeven hebben, door ons te harer eere van alles te berooven, zal zij zich ten onzen opzichte eindeloos vrijgeviger toonen, en voor het weinige dat wij Haar geven, ons zeer veel terugschenken. Zij zal zich geheel aan ons mededeelen met haar verdiensten en deugden. Zij zal onze geschenken op een gouden schaal harer liefde leggen. Zij zal ons kleeden, gelijk Rebecca voor Jacob deed, met de schoone kleederen van haar eerstgeboren en eenigen Zoon, Jezus Christus ; d.w.z. met zijne verdiensten waarover Zij te beschikken heeft. En zoodoende, na ons van alles te hebben ontdaan om Haar te eeren, zullen wij als haar dienstknechten en slaven dubbel gekleed zijn : Omnes domestici ejus vestiti sunt duplicibus. Al hare dienstknechten zijn met dubbele kleederen gekleed : kleederen, sieraden, reukwerken, verdiensten en deugden van Jezus en Maria, medegedeeld aan de ziel van Jezus’ en Maria’s slaaf, die onthecht is aan zichzelf en in deze onthechting volhardt.
  4. 4˚ Zich aldus aan de H. Maagd geven, is de naastenliefde beoefenen in den hoogst mogelijken graad ; want men geeft aan Maria het kostbaarste wat men heeft, opdat Zij er naar goeddunken over beschikke ten gunste van levenden en dooden.
  5. 5˚ Door deze devotie brengt men zijn genaden, verdiensten en deugden in veiligheid, wijl men ze Maria in bewaring geeft, Haar zeggende : « Ziehier, dierbare Meesteres, ziehier het goede dat ik door de genade van uw lieven Zoon gedaan heb. Ik ben niet in staat het te bewaren, wegens mijne zwakheid en onstandvastigheid, wegens het groot aantal en de boosheid mijner vijanden, die mij aanvallen dag en nacht. Helaas, dagelijks ziet men ceders van den Libanon neerstorten in het slijk, en arenden die zich verhieven tot de zon, als nachtvogels worden. Zoo ook vallen duizend rechtvaardigen aan mijn linker-, en tienduizend aan mijn rechterhand. Maar Gij, o machtige en zeer machtige Vorstin, houd mij staande, opdat ik niet valle ; bewaar al mijn goed, opdat het mij niet ontstolen worde. Ik geef U in bewaring al wat ik bezit : Depositum custodi. Scio cui credidi : Ik weet wel wie Gij zijt, daarom vertrouw ik mij geheel aan U toe. Gij zijt getrouw jegens God en jegens menschen, en Gij zult niet gedoogen, dat iets verloren gaat van hetgeen ik U toevertrouw. Gij zijt machtig en niemand kan U deren, noch iets uit uwe handen ontrooven. » Ipsam sequens non devias ; ipsam rogans, non desperas ; ipsam cogitans, non erras ; ipsa tenente, non metuis ; ipsa duce, non fatigaris ; ipsa propitia pervenis.[42] (H. Bernardus. Inter flores, cap. 135. De Maria Virgine.) En op een andere plaats : Detinet Filium ne percutiat ; detinet diabolum ne noceat ; detinet virtutes ne fugiant ; detinet merita ne pereant ; detinet gratias ne effluant.[43]

Deze woorden van de H. Bernardus bevatten in hoofdzaak wat ik zoeven gezegd heb.

Al bestond er geen andere beweegreden om mij tot de beoefening dezer devotie op te wekken, dan dat zij een zeker middel is om mij in Gods genade te doen volharden en ze zelfs in mij te vermeerderen, dan zou ik er vuur en vlam voor moeten zijn.

  1. 6˚ Deze godsvrucht maakt een ziel waarlijk vrij, naar de vrijheid der kinderen Gods. Daar men zich ter liefde van Maria vrijwillig in slavernij stelt, zoo verruimt en vergroot deze beminnelijke Meesteres uit erkentelijkheid ons hart en doet ons met reuzenschreden voortgaan op den weg der geboden Gods. Weerzin, droefheid en angstvalligheid neemt Zij weg. Deze devotie werd door Onzen Heer aan Mère Agnes de Jésus[44] geleerd als een zeker middel om uit haar groote kwellingen en twijfelingen te geraken. « Wordt slavin mijner Moeder, » voegde Hij haar toe. Dit deed zij, en oogenblikkelijk hield haar beproeving op.
  2. Ter aanbeveling dezer godsvrucht zou ik hier moeten vermelden al de bullen en aflaten der Pausen, de herderlijke brieven der bisschoppen, waarmede zij begunstigd werd, de broederschappen die te harer eer zijn opgericht, het voorbeeld van vele heiligen en beroemde personen, die haar beoefend hebben ; doch ik ga dit alles stilzwijgend voorbij.

 

VIII.—Inwendige Beoefening

dezer Godsvrucht.

 

  1. IK zeide, dat deze godsvrucht op de tweede plaats bestaat in het verrichten van al zijn handelingen[45] door Maria, met Maria, in Maria en voor Maria.
  2. Het is niet voldoende zich eenmaal aan Jezus gegeven te hebben als slaaf. ’t Is zelfs niet voldoende zulks maandelijks of wekelijks te doen. Dit ware een te zeer voorbijgaande godsvrucht, welke de ziel niet tot die volmaaktheid zou opvoeren, waartoe zij in staat is haar te doen stijgen. Het is zoo moeilijk niet, lid te worden eener broederschap of zelfs deze godsvrucht te omhelzen en dagelijks, zooals zij het voorschrijft, eenige mondelinge gebeden te verrichten. Maar de groote moeilijkheid is, in den geest dezer godsvrucht door te dringen, die hierin bestaat, dat de ziel inwendig afhankelijk en slaaf wordt van de allerheiligste Maagd en, door Haar, van Jezus.

                Vele personen heb ik aangetroffen, die met bewonderenswaardige ijver zich uiterlijk in deze slavernij hadden gesteld ; slechts zeer zelden heb ik er ontmoet, die den geest dezer devotie in zich hadden opgenomen, en minder nog, die er in bleven volharden.

  1. 1˚ De grondoefening dezer godsvrucht bestaat in het verrichten van al zijn handelingen met Maria. D.w.z. wij dienen de H. Maagd tot het volmaakte toonbeeld te nemen van al wat wij te doen hebben.[46]
  2. Daarom moeten wij alvorens met iets te beginnen, aan onszelf en aan onze beste inzichten verzaken ; wij moeten ons voor God vernietigen, als zijnde uit onszelf geheel onbekwaam tot alle bovennatuurlijk goed en tot al wat voor de zaligheid nuttig is. Wij moeten tot de allerheiligste Maagd onze toevlucht nemen, ons met Haar en hare inzichten, ofschoon onbekend, vereenigen. Door Maria moeten wij ons met de inzichten van Jezus Christus vereenigen. Met andere woorden, wij moeten ons als een werktuig in de handen der H. Maagd stellen, opdat Zij in ons handele, opdat Zij met ons en voor ons doe wat Haar belieft, tot de meerdere eer van Jezus Christus, haar Zoon, en door Hem tot meerdere eer van God de Vader : zoodat wij in geheel ons inwendig leven en in al onze geestelijke werken afhankelijk zijn van Maria.
  3. 2˚ Men moet alles doen in Maria, d.w.z. men moet zich langzamerhand gewennen in zichzelf te keeren, om zich in zijn binnenste eene voorstelling of geestelijke afbeelding van de H Maagd te vormen[47]. Dan wordt Maria als een Bidvertrek, waar de ziel al haar gebeden tot God opzendt, zonder vrees, door Hem te worden afgewezen : een Toren van David om er zich in veiligheid te stellen tegen al haar vijanden ; een brandende Lamp, die geheel haar binnenste verlicht en er het vuur der goddelijke liefde ontsteekt ; een heilig Rustaltaar, waar zij in en met Maria God kan aanschouwen. Maria eindelijk wordt voor deze ziel haar eenig Al bij God en haar gedurige toevlucht. Bidt zij, zoo is het in Maria ; zoo ontvangt zij Jezus in de H. Communie, zoo geeft zij Hem aan Maria over, opdat Hij in Haar zijn welbehagen neme. Verricht zij iets, zoo doet zij het in Maria ; en overal en in alles verzaakt zij aan zichzelf.
  4. 3˚ Nooit moeten wij tot O.L. Heer gaan tenzij door Maria, door hare voorspraak en haar invloed bij Hem. Nooit moeten wij alleen tot Hem bidden.
  5. 4˚ Eindelijk moet men al zijn handelingen verrichten voor Maria, d.w.z. als slaaf dier doorluchtige Vorstin werkt men, als naaste doel voor Haar alleen, voor haar voordeel en hare eer, en als laatste doel, voor de glorie van God. Bij al wat zij doet moet deze ziel aan haar eigenliefde verzaken, die zich bijna altijd op onmerkbare wijze tot het einddoel neemt, en dikwijls moet zij uit den grond des hartes herhalen : O mijn beminde Meesteres, voor U begeef ik mij hierheen of daarheen, verricht ik deze of gene handeling, verdraag ik dit leed, deze beleediging ![48]

 

IX.—Practische Wenken.

 

  1. WACHT u wel, uitverkoren ziel, te meenen dat het volmaakter is rechtstreeks tot Jezus, rechtstreeks tot God te gaan. Uw eigen werk, uw eigen meening zijn van weinig waarde. Maar gaat gij tot Hem door Maria, zoo is het Maria’s werking in u, en dus zal zij zeer verheven zijn en voor God zeer waardig.
  2. Wacht gij u bovendien u geweld aan te doen om te smaken en te voelen wat gij zegt of doet. Zeg en doe alles met het zuiver geloof, dat Maria op aarde heeft gehad en dat Zij u mettertijd zal mededeelen. Arme, kleine slaaf, laat aan uwe Vorstin de duidelijke aanschouwing van God, de geest-vervoeringen, vreugden, geneugten en rijkdommen des hemels ; en neem slechts voor u zelf het zuiver geloof, gepaard met tegenzin, verstrooidheid, verveling en dorheid. Zeg : Amen, Het zij zoo, op alles wat Maria uw Meesteres in den hemel doet. Dat is het beste wat gij voor het oogenblik kunt doen
  3. O, wacht u ook u ongerust te maken, zoo gij niet aanstonds de zoete tegenwoordigheid der H. Maagd in uw binnenste geniet.[49] Deze gunst wordt niet aan iedereen geschonken ; en wanneer God, uit groote barmhartigheid, eene ziel er mede begunstigt, kan deze ze gemakkelijk verliezen, indien zij verzuimt dikwijls in zichzelve te keeren. Mocht u dit ongeluk overkomen, keer dan zachtjes terug en vraag uw Vorstin om vergeving.

 

 

X.—Vruchten dezer Devotie.

 

  1. DE ondervinding zal u hieromtrent oneindig meer leeren, dan ik ga zeggen ; en, indien u getrouw zijt aan het weinige dat ik u voorhoud, zult gij zulk een rijkdom van genaden in deze godsvrucht vinden, dat gij er verwonderd over zult zijn en uwe ziel geheel met vreugde zal vervuld worden.
  2. Beijveren wij ons dus, dierbare ziel, en bewerken wij door de trouwe beoefening dezer godsvrucht, dat Maria’s ziel in ons zij om de Heer te verheffen, dat Maria’s geest in ons zij om zich in God, Haar verlosser, te verblijden. Aldus de H. Ambrosius : Sit in singulis anima Mariœ ut magnificet Dominum ; sit in singulis spiritus Mariœ ut exsultet in Deo.

Denken wij niet, dat het een grooter eer en grooter geluk is in Abrahams schoot, die het Paradijs genoemd wordt, dan in Maria’s schoot te wonen, waar God zijn troon heeft opgericht. Zoo spreekt de geleerde abt Guerric : Ne credideris majoris esse felicitatis  habitare in sinu Abrahœ, qui vocatur Paradisus, quam in sinu Mariœ, in quo Dominus posuit thronum suum.

  1. Deze godsvrucht getrouw beoefend, brengt ontelbare uitwerkselen teweeg in de ziel. Het voornaamste is wel, dat zij Maria’s leven in de ziel vestigt, zoodat niet meer de ziel leeft, doch Maria in haar ; want Maria’s ziel wordt om zoo te zeggen haar ziel. Welnu, wanneer de allerheiligste Moeder Gods,door een onuitsprekelijke doch waarachtige genade, Koningin is in een hart, wat al wonderen verricht Zij er niet ? Daar Zij de bewerkster is der groote wonderen, voornamelijk in het binnenste der zielen, werkt Zij aldaar in het geheim buiten medeweten zelfs der ziel, die anders door de kennis welke zij er van zou hebben, de schoonheid van Maria’s werken zou te niet doen.
  2. Daar Zij overal de vruchtbare Maagd is, brengt Zij in het binnenste waar Zij verblijft de zuiverheid van hart en lichaam voort, de zuiverheid van meening en inzichten, alsmede de vruchtbaarheid in goede werken. Meen niet, dierbare ziel, dat Maria, het vruchtbaarste onder alle zuivere schepselen, zóó zelfs dat Zij een God heeft voortgebracht, werkeloos blijft in eene Haar getrouwe ziel. Zij zal haar onophoudelijk doen leven in Jezus Christus en Jezus Christus in haar. Filioli mei, quos iterum parturio, donec formetur Christus in vobis[50]. (Gal. IV. 19.) Indien Jezus Christus zoowel voor iedere ziel in het bijzonder als voor allen in ’t algemeen Maria’s vrucht is, dan toch is Hij vooral in de ziel waar Zij woont, hare vrucht en haar meesterwerk.
  3. Maria eindelijk, wordt alles voor deze ziel bij Jezus Christus : Zij verlicht den geest met haar zuiver geloof, Zij verdiept het hart met hare nederigheid, Zij verruimt en ontsteekt het met hare zuiverheid, veredelt en verheft het door haar Moederschap.

Doch wat blijf ik hierbij stilstaan ? Slechts door ervaring leert men die wonderen van Maria kennen, wonderen, welke den geleerden en verwaanden, ja, zelfs het meerendeel der vrome zielen ongeloofelijk lijken.

  1. Daar God de eerste maal door Maria ter wereld is gekomen in een staat van vernedering en vernietiging, mag men dan niet zeggen, dat Hij ook ten tweeden male door Maria zal komen, zooals Hij door geheel de Kerk verwacht wordt, om overal te heerschen en te oordeelen de levenden en de dooden ? Hoe en wanneer dat zal gebeuren, wie weet het ? Maar dit weet ik wel, dat God, wiens gedachten meer van de onze verwijderd zijn dan de hemel van de aarde, komen zal op een tijd en wijze, waarop de menschen het minst bedacht zijn, ook de geleerdste en scherpzinnigste Schriftuurkenners, daar de H. Schrift omtrent dit punt zeer duister is.
  2. Ook moet aangenomen worden, dat God op het einde der dagen, en misschien eerder dan men denkt, groote mannen zal verwekken, vervuld met den H. Geest en met den geest van Maria, door wier middel deze verhevene Vorstin groote wonderen in de wereld zal verrichten, om er de zonde uit te roeien en het rijk van Jezus Christus, haren Zoon, in de plaats van ’t rijk der bedorven wereld te vestigen. En het is door middel dezer godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, waarvan ik wegens mijne zwakheid slechts eene zeer gebrekkige voorstelling kan geven, dat die heilige mannen dit alles tot stand zullen brengen.

 

 

_________

 

 

 

XI.—Uitwendige Oefeningen

dezer Godsvrucht.

 

  1. BEHALVE de inwendige beoefening dezer godsvrucht waarover wij zooeven gesproken hebben, zijn er ook uitwendige oefeningen, die wij niet mogen achterwege laten, noch verwaarloozen.
  2. De eerste is zich op een merkwaardigen dag aan Jezus Christus te geven door de handen van Maria,Wier slaaf men wordt. Dien dag gaat men met dat doel te Communie en brengt hem in gebed door. Ten minste eens in ’t jaar hernieuwt men die toewijding op denzelfden dag.

De tweede is jaarlijks op dienzelfden dag de H. Maagd eene lichte schatting te brengen, ten teeken zijner slavernij en afhankelijkheid. Dit was ten allen tijden het huldebetoon der slaven tegenover hun meesters. Die schatting kan bestaan in eene versterving, eene aalmoes, eene bedevaart of eenige gebeden. De zalige Marinus,—zoo verhaalt de H. Petrus Damianus, zijne broeder, —geeselde zich jaarlijks op denzelfden dag in het openbaar voor het altaar der H. Maagd. Zulk een ijver wordt noch vereischt, noch aangeraden ; maar al geeft men niet veel aan Maria, laat men dan ten minste Haar dat weinige aanbieden met een echt nederig en dankbaar gemoed.

  1. De derde oefening is jaarlijks met eene bijzondere godsvrucht het feest van Maria-boodschap te vieren. Dit is de voornaamste feestdag dezer devotie, ingesteld om de afhanke-lijkheid te eeren en na te volgen, waarin het Eeuwig Woord zich op dien dag gesteld heeft uit liefde voor ons.
  2. De vierde uitwendige oefening is dagelijks, (zonder zich daartoe op straf van zonde te verplichten, in geval men het verzuimt) het Kroontje der H. Maagd te bidden, bestaande uit drie Onze Vaders en twaalf Weesgegroeten ; dikwijls het Magnificat te bidden, den eenige lofzang dien wij van Maria bezitten, om God te bedanken voor zijne weldaden en er nieuwe te bekomen. Vooral verzuime men niet, het tot dankzegging te bidden na de H. Communie, zooals de H. Maagd zelve deed volgens de meening van den geleerde Gerson.

 

 

________

 

 

AANKWEEKING EN GROEI

VAN DEN BOOM DES LEVENS

 

OF

 

De wijze om Maria in onze zielen

te doen leven en heerschen.

 

UITVERKOREN ziel, hebt gij door de werking des H. Geestes begrepen wat ik tot nu toe gezegd heb ? Dank God daarvoor.
’t Is een geheim door bijna niemand gekend. Indien gij den schat in Maria’s akker verborgen en kostbare parel van het Evangelie gevonden hebt, moet gij alles verkoopen om ze in uw bezit te krijgen, in Maria’s handen het offer brengen van uzelf, en u tot uw geluk, in Haar verliezen om er te vinden God alléén.

Heeft de H. Geest in uwe ziel den waren Boom des levens geplant, nl. de godsvrucht, welke ik u hierboven heb uitgelegd, dan moet gij alle zorg besteden om hem aan te kweeken, opdat hij op zijn tijd zijne vrucht voortbrenge.

Deze godsvrucht is het mosterdzaadje uit het Evangelie, dat, in schijn het kleinste van alle zaden, nochtans een groote boom wordt en zijn stam zoo hoog doet opschieten, dat de vogelen des hemels, d.w.z. de uitverkorenen, tusschen zijn takken nestelen, in zijn lommer rusten bij de hitte der zon en er zich in veiligheid verschuilen tegen de wilde dieren.

 

ZIEHIER, UITVERKOREN ZIEL,

DE WIJZE

OM HEM AAN TE KWEEKEN.

 

1˚ Is eenmaal deze Boom in een welgetrouw hart geplant, dan wil hij in de vrije lucht staan, zonder eenige menschelijke steun. Daar het een goddelijke Boom is, wil hij steeds los zijn van alle schepsel, dat hem zou kunnen verhinderen zich tot God, zijn oorsprong te verheffen. Daarom moet men niet steunen op eigen bedrevenheid of natuurlijke eigenschappen, op eigen macht of invloed van andere menschen : men moet zijn toevlucht nemen tot Maria en zich enkel op haren bijstand verlaten.

2˚ De ziel, waarin die Boom geplant is, moet hem onophoudelijk, als een goed tuinman, bewaken en gadeslaan. Want daar het een levende Boom is en hij eene levensvrucht moet voortbrengen, wil hij door een voortdurenden blik of beschouwing der ziel aangekweekt en ontwikkeld worden ; en eene ziel, welke naar de volmaaktheid streeft, moet daar dikwijls aan denken, ja, zelfs er haar voornaamste bezigheid van maken.

3˚ De doornen en distels welke mettertijd dezen Boom zouden verstikken en beletten vrucht te dragen, moet men uitroeien en afsnijden, d.w.z. door zich zelf te versterven en zichzelf geweld aan te doen, moet men getrouw alle nuttelooze vermaken en ijdel verkeer met de schepselen vermijden en afbreken, m.a.w. zijn vleesch kruisigen, het stilzwijgen bewaren en zijn zinnen versterven.

4˚ Men moet zorgen, dat de rupsen dien boom niet beschadigen. Die rupsen zijn de eigenliefde, de gemakzucht, welke de groene bladeren opvreten en de schoone hoop vernielen, dat de Boom vruchten zal dragen. Eigenliefde en liefde voor Maria zijn volstrekt onvereenigbaar.

5˚ Men moet de dieren niet tot dezen Boom laten naderen. Deze dieren zijn de zonden, welke alleen al door hun aanraking den Boom des levens zouden kunnen dooden. Zelfs hun adem mag er niet op neerkomen, d.w.z. de dagelijksche zonden, die altijd zeer gevaarlijk zijn, wanneer men er zich niet om bekommert.

6˚ Men moet dien goddelijke Boom dikwijls besproeien, door zijne oefeningen van godsvrucht met vurigheid te verrichten : biecht, communie en andere openbare of bijzonderen gebeden ; zoo niet, dan houdt de Boom op vruchten te dragen.

7˚ Men moet zich niet bezorgd maken, wanneer de Boom door den wind wordt bewogen en geschud ;[51] want de wind der bekoringen moet waaien om hem te doen vallen ; sneeuw en vorst moeten hem omknellen om hem met ondergang te bedreigen ; deze godsvrucht tot de H. Maagd zal zeker bestreden en tegengesproken worden ; maar als men haar blijft aankweeken, heeft men niets te vreezen.

Uitverkoren ziel, als gij aldus den Boom des levens aankweekt, die pas door den H. Geest in u geplant werd, dan verzeker ik u, dat hij in korten tijd zoo hoog zal opschieten, dat de vogelen des hemels er komen wonen, en dat hij zoo volmaakt zal worden, dat hij eindelijk op zijn tijd zijn vrucht van eer en genade zal voortbrengen, t.w. den beminnelijken en aanbiddelijken Jezus, die altijd geweest is en altijd wezen zal Maria’s eenige vrucht.

Gelukkig de ziel, waarin Maria, de Boom des levens, is geplant. Gelukkiger de ziel, waarin Zij kon groeien en bloeien. Zeer gelukkig de ziel, waarin Zij hare vrucht draagt. Maar allergelukkigst de ziel, die Maria’s vrucht smaakt en bewaart tot aan den dood en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

 

 

Qui tenet, teneat, !

 

GOD ALLEEN !

 

 

Brief aan de

 

„Vrienden van het Kruis.”

_____

 

 

Ter Inleiding

 

De vereeniging der « Vrienden van het Kruis » was ten jare 1708 door den Zaligen de Montfort opgericht in een der voorsteden van Nantes, tijdens een missie die hij aldaar preekte in de parochie St. Similien.

’t Was een leekenvereeniging, of broederschap, zooals ze ook wel werd genoemd.

In de zomer van ’t jaar 1714 bracht de Gelukzalige wederom eenige dagen te Nantes door. Gaarne had hij den leden van het vrome genootschap vanaf de kansel der waarheid het verheven geheim des Kruises ontvouwd ; maar zijn vijanden hadden van den bisschop weten te verkrijgen, dat hem het preeken verboden werd. Te Rennes, waar hij toen heentrok, tof hem eenzelfde verbod. Alsdan begaf hij zich naar ’t klooster der Paters Jezuïeten en hield er een achtdaagse retraite. Op den laatsten dag schreef hij aan de « Vrienden van het Kruis » den heerlijken brief waarvan de vertaling hier volgt.

Niet genoeg kunnen wij, vooral in onze dagen van gemakzucht en verfijnd zinnegenot, de lezing dezer bladzijden aanbevelen. In sommigen Trappistenkloosters worden ze dagelijks overwogen en ter overweging voorgelegd aan allen die er geestelijke oefeningen komen volgen.

Moge de lezer, door Maria voorgelicht, dieper doordringen in de kennis van ’t geheim des Kruises, en door Haar geholpen zich de kennis ten nutte maken, door ze toe te passen op gansch zijn leven !

_______

 

Brief aan de

Vrienden van het Kruis.

 

Geliefde Vrienden van het Kruis,

 

Daar het goddelijk Kruis mij verborgen houdt en mij het preeken belet, is het mij niet mogelijk, en vind ik het ook niet wenschelijk, u mondeling de gevoelens mijns harten mede te deelen omtrent de uitmuntendheid uwer vereeniging in het aanbiddelijk Kruis van Jezus Christus en omtrent de verheven oefening uwer broederschap.

Heden nochtans, op den laatsten dag mijner retraite, treed ik om zoo te zeggen uit de aantrekkelijkheid van mijn binnenste, om eenige zwakke trekken van het Kruis op dit papier te teekenen, en uw goede harten daarmede als met pijlen te doorboren. Gave God, dat er, om die pijlen te scherpen, niets anders noodig ware dan het bloed mijner aderen in plaats van den inkt mijner pen ! Doch helaas ! mocht het al noodig zijn, het is te misdadig ! Zij dan de geest van den levenden God als het leven, de kracht en de inhoud van dezen brief, zijn zalving als de inkt van mijn inktkoker, het goddelijk Kruis mijn pen en uw hart mijn papier !

Gij zijt onderling vereenigd, Vrienden van het Kruis, als even zooveel gekruisigde soldaten, om de wereld te bestrijden ; niet door ze te ontvluchten, gelijk de kloosterlingen, uit vrees van overwonnen te worden, maar als dappere krijgslieden op het slagveld, zonder de hielen te lichten of den rug te keeren. Houdt moed en strijdt dapper. Vereenigt u hecht en sterk door de verbintenis der harten en zielen : deze is oneindig sterker dan de innerlijke kracht van een eendrachtig rijk, en meer te vreezen voor de wereld en de hel, dan laatstgenoemde voor de vijanden van den staat. De duivelen vereenigen zich om u in ’t verderf te storten ; gij, vereenigt u om ze te verslaan. De hebzuchtigen vereenigen zich om handel te drijven en goud en zilver te verdienen ; werkt gij samen om de schatten der eeuwigheid, die in ’t Kruis besloten zijn, te verwerven. De losbandigen vereenigen zich om zich te vermaken ; gij, vereenigt u om te lijden.

Gij heet Vrienden van het Kruis ; hoe verheven is die naam ! Ik beken u, dat hij mij bekoort en verblindt. Hij is schitterender dan de zon, verhevener dan de hemel, eervoller en luisterrijker dan de meest grootsche titels van koningen en keizers ; ’t is de groote naam van Jezus Christus, waarlijk God en tevens waarlijk mensch ; ’t is de ondubbelzinnige naam van een echt christen.

Maar, zoo zijn luister mij verrukt, in niet mindere mate voel ik mij bevreesd voor zijn last. Wat een niet te ontwijken en zware verplichtingen zijn in dien naam vervat en in deze woorden van den H. Geest uitgedrukt : Genus electum, regale sacerdotium, gens sancta, populus acquisitionis ![52] Een Vriend van het Kruis is door God uitverkoren onder tienduizend anderen, die slechts naar de zinnen leven en de bloote rede leven. Hij moet een gansch goddelijk mensch zijn, boven de rede verheven en geheel in tegenstrijd met de zinnen, door een leven en licht van zuiver geloof en door een vurige liefde tot het Kruis. Een Vriend van het Kruis is een alvermogend Koning en een held, die zegeviert over den duivel, de wereld en het vleesch, in hun drie begeerlijkheden. Door zijn liefde tot de vernederingen velt hij Satans hoogmoed neer ; door zijn liefde tot de armoede zegeviert hij over de hebzucht der wereld ; door zijn liefde tot het lijden bedwingt hij de zinnelijkheid des vleesches. Een Vriend van het Kruis is een heilig man, van al het zichtbare afgescheiden. Zijn hart is verheven boven al wat broos en vergankelijk is. Zijn wandel is in den hemel ; hij trekt hier voorbij als een vreemdeling en pelgrim ; hij hecht zijn hart niet aan de aarde, maar beziet ze van ter zijde, met onverschilligheid, en treedt ze minachtend met voeten. Een Vriend van het Kruis is een roemrijke verovering van den op den Calvarieberg gekruisigde Christus en zijn H. Moeder. Hij is een Benoni of Benjamin, kind der smart en der rechterzijde, in Jezus’ lijdend Hart geteeld, ter wereld gekomen langs zijn doorboorde rechterzijde en geheel in zijn bloed gepurperd. Naar zijn bloedige afkomst aardend, snakt hij slechts naar kruis en bloed, naar afsterven aan wereld, vleesch en zonde, om hier op aarde geheel verborgen te zijn met Jezus Christus in God. Tenslotte, een volmaakt Vriend van het Kruis is een waar Christusdrager, of, beter gezegd, een andere Jezus Christus, zoodat hij in waarheid kan zeggen : Vivo, jam non ego, vivit vero in me Christus : ik leef, neen, ik niet meer, maar Jezus Christus leeft in mij.

Geliefde Vrienden van het Kruis, zijt gij door uw gedrag uw verheven naam waardig, of hebt gij ten minste een oprecht verlangen en een waren wil, om zulks met Gods genade te worden in de schaduw van het Kruis op den Calvarieberg, in de schaduw ook der Vrouwe van Smarten ?

Gebruikt gij de daartoe vereischte middelen ? Hebt gij den waren weg des levens ingeslagen, den engen weg des Kruises ? Bevindt gij u niet, zonder dat gij het vermoedt, op den breeden weg der wereld, die ten verderve leidt ? Weet gij wel, dat er een weg is, die den mensch recht en veilig toeschijnt, maar die voert tot den dood ? Onderscheidt gij de stem van God en die zijner genade wel van de stem der wereld en der natuur ? Hoort gij de stem van God wel, de stem van onzen goeden Vader, die, na een drievoudigen vloek te hebben uitgesproken over al degenen die de begeerlijkheden der wereld najagen : Vae, vae, vae habitantibus in terra, U liefdevol toeroept, terwijl Hij zijn armen naar u uitstrekt : « Separamini, popule meus : scheidt u af, mijn uitverkoren volk, beminde Vrienden van het Kruis mijns Zoons ; scheidt u af van de wereldlingen, die door mijn Majesteit vervloekt, door mijn Zoon in den ban gedaan en door mijn H. Geest veroordeeld zijn. Wacht er u wel voor, op hun gansch verpesten stoel te gaan zitten, gaat niet naar hun vergaderingen, blijft niet eens stilstaan op hun wegen. Vlucht uit den boezem van het groote en schandelijke Babylon. Luistert alleen naar de stem, volgt alleen de voetstappen van mijn welbeminden Zoon, dien ik u tot weg, tot waarheid, tot leven en tot toonbeeld heb gegeven : ipsum audite. »

Luistert gij naar dien beminnelijke Jezus, die, met zijn Kruis beladen, u toeroept : « Venite post me, volgt Mij ; wie Mij volgt, wandelt niet in de duisternis ; confidite, ego vici mundum, hebt vertrouwen, ik heb de wereld overwonnen ? »

 

Ziet, beminde medebroeders, dagelijks treden twee legers aan : dat van Jezus Christus en dat van de wereld. Het leger onzen beminnelijken Zaligmaker bevindt zich rechts, en gaat opwaarts langs een smallen weg, die enger dan ooit is geworden door de verdorvenheid der wereld. Onze goede Meester gaat voorop, blootvoets, het hoofd met doornen gekroond, het lichaam gansch vol van bloed, en met een zwaar kruis beladen. Slechts een handvol soldaten, maar van de dappersten, volgt Hem ; want zijn zoo zachte stem wordt niet gehoord te midden van het gewoel der wereld. Trouwens, daar mist men ook den moed om Hem na te volgen in zijn armoede, zijn smarten, zijn vernederingen en zijn andere kruisen, die men noodzakelijk in zijn dienst moet dragen, alle dagen zijns levens.

Links bevindt zich het leger der wereld of des duivels. Het is het talrijkst, het prachtigst en het schitterendste, althans in schijn. Al wat tot de groote wereld behoort, loopt er samen. Men verdringt er zich, hoe breed de wegen ook zijn, en alhoewel ze breeder dan ooit zijn geworden, door de menigte die er op stroomen op voorttrekt ; ze zijn met bloemen bezaaid, met genoegens en met vermakelijkheden bezoomd, met goud en met zilver bedekt.

 

Rechts wordt door de kleine kudde die Jezus Christus volgt, over niets anders gesproken dan over tranen, boetplegingen, gebed en wereldverachting. Onophoudelijk hoort men er deze door snikken onderbroken woorden : « Laat ons lijden, weenen, vasten, bidden. Verbergen wij ons ; want wie den geest van Jezus Christus niet heeft, d.i. den geest des Kruises, behoort Hem niet toe : zij die aan Jezus Christus toebehooren, hebben hun vleesch met hun begeerlijkheden gekruisigd. Men moet gelijkvormig zijn aan het beeld van Jezus Christus, of verloren gaan !

« Moed ! —zoo roepen zij uit,— moed ! Indien God mèt ons, in ons en vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? Die in ons is, is sterker dan die in de wereld is. De knecht is niet meer dan zijn meester. Eén oogenblik van lichte beproeving werkt een eeuwig gewicht van glorie uit. Er zijn minder uitverkorenen dan men denkt : alleen moedigen en geweldenaars veroveren den hemel stormenderhand ; niemand zal gekroond worden dan wie behoorlijk gestreden heeft, naar het Evangelie en niet naar de mode.

« Stijden wij dan met kracht, haasten wij ons om ons doel te bereiken, om de kroon te verwerven. »

 

Ziet daar ten deele met welke goddelijke woorden de Vrienden van het Kruis elkander aanmoedigen.

De wereldlingen integendeel, ten einde elkander op te wekken om zonder schroom te blijven volharden in hun booze gevoelens, roepen dagelijks uit : « Leven, leven ; vrede, vrede ; vreugde, vreugde ! Laat ons eten, drinken, zingen, dansen, spelen : God is goed, God heeft ons niet geschapen om ons te verwerpen. God verbiedt niet dat men zich vermake ; wij zullen daarom niet verloren gaan : geen overdreven angstvallig-heid, non moriemini, etc. »

 

Herinnert u, lieve medebroeders, dat onze goede Jezus u thans aanschouwt en tot ieder uwer in ’t bijzonder zegt : « Zie, bijna iedereen verlaat mij op den koninklijke weg des Kruises : de blinde afgodendienaars bespotten mijn Kruis als een dwaasheid ; de halsstarrige Joden ergeren er zich over als over een voorwerp van afschuw ; ketters verbrijzelen het en halen het omver als iets verachtelijks. Doch,—en dit kan ik niet anders zeggen dan met tranen in de oogen en met een van droefheid doorstoken hart,— mijn kinderen, die ik in mijn schoot heb gekweekt en in mijn school onderwezen ; mijn ledematen, die ik met mijn geest bezield heb, zij zelfs hebben mij verlaten en veracht, door vijanden te worden van mijn Kruis.

« Numquid et vos vultis abire ? Wilt ook gij mij verlaten, door mijn Kruis te vluchten, gelijk de wereldlingen, die zoodoende even zooveel Antichristen zijn : Antichriti multi ? Zult gij, ten einde gelijkvormig te zijn aan deze wereld, de armoede van mijn Kruis versmaden om jacht te maken op aardsche goederen, de smart van mijn Kruis schuwen om naar genot te streven, de vernederingen van mijn Kruis haten om naar eerbewijzen te trachten ?

» Ik heb vele schijnvrienden, die betuigen dat zij mij liefhebben, maar die mij in werkelijkheid haten ; omdat zij mijn Kruis niet beminnen ; vele vrienden van mijn tafel en zeer weinig van mijn Kruis. »

 

Verheffen wij ons boven onszelf bij dien liefderijken oproep van Jezus. Laten wij ons niet verleiden door onze zinnen, zooals Eva. Zien wij slechts op tot den Bewerker en Voltooier van ons geloof, den gekruisigden Jezus. Vluchten wij het verderf en de begeerlijkheid der bedorven wereld. Beminnen wij Jezus op de rechte manier, d.w.z. door allerlei kruisen heen. Overwegen wij ernstig deze bewonderenswaardige woorden van onzen beminnelijken Meester, waarin de gansche volmaaktheid van het christelijk leven vervat is : Si quis vult venire post me, abneget semetipsum, et tollat crucem suam et sequatur me.

 

Inderdaad, de christelijke volmaaktheid komt geheel hierop neer : 1˚ heilig willen worden : Indien iemand Mij volgen wil ; 2˚ zich ter zijde stellen : hij verzake zichzelf ; 3˚ lijden : hij drage zijn kruis ; 4˚ handelen : en hij volge Mij.

Si quis, indien iemand, iemand, en niet sommigen, om het geringe aantal der uitverkorenen aan te duiden, die aan den gekruisigden Jezus willen gelijkvormig worden door het dragen van hun Kruis. Het is zóó klein, zóó klein, dat wij, indien wij het kenden, van droefheid zouden in onmacht vallen. Het is zóó klein, dat God, indien Hij hen wilde vereenigen, hun zou toeroepen, zooals Hij eertijds deed door den mond van een profeet : Congregamini unus et unus : vereenigt u één voor één, één uit dit gewest, één uit dit koninkrijk[53].

Si quis vult, indien iemand een waren, volkomen wil heeft, niet door natuurlijke aandrift, gewoonte, eigenliefde, baatzuchtigheid of menschelijk opzicht bepaald, maar door een ten volle zegevierende genade des H. Geestes, die niet aan iedereen gegeven wordt. Non omnibus datum est nosse mysterium : de practische kennis van het geheim des Kruises is slechts aan weinigen gegeven. Om den Calvarieberg te bestijgen en er zich met Jezus aan ’t Kruis te laten hechten, midden in zijn eigen land, behoort men een dappere te zijn, een held, een vastberadene, een in God verheven man, die de wereld en de hel, zijn lichaam en zijn eigen wil veracht, en die vastbesloten is, alles te verlaten, alles te ondernemen en alles te lijden voor Jezus Christus.

Weet wel, lieve Vrienden van het Kruis, dat degenen onder U die deze vastberadenheid niet bezitten, slechts met één voet gaan, slechts met één vleugel vliegen, en dat zij uwer niet waardig zijn, want ze zijn niet waardig Vrienden van het Kruis te worden genoemd ; van het Kruis, dat men met Jezus Christus moet liefhebben corde magno et animo volenti. Eén zulke halve wil is voldoende, om, gelijk een schurftig schaap, de gansche kudde aan te tasten. Mocht er reeds een door de booze deur der wereld in uw schaapstal zijn binnengedrongen, in naam van den gekruisigden Jezus Christus, men jage hem weg als een onder de schapen geslopen wolf.

 

Si quis vult post me venire, indien iemand na Mij wil komen, na Mij, Die Mij zóózeer vernederd en vernietigd heb, dat ik eerder een aardworm dan een mensch geworden ben, ego sum vermis et non homo ; na Mij, Die slechts ter wereld ben gekomen om het Kruis te omhelzen, ecce venio ; om het midden in mijn hart te plaatsen, in medio cordis ; om het van mijn jeugd af te beminnen, hanc amavi a juventute mea ; om er naar te verzuchten mijn leven lang, quomodo coarctor ; om het met blijdschap te dragen, het verkiezend boven alle vreugden en geneugten van hemel en aarde, proposito sibi gaudio, sustinuit Crucem ; na Mij, ten slotte, Die niet ben tevreden geweest, dan toen Ik stierf in zijn goddelijke omhelzingen.

Wil dus iemand Mij volgen in dien staat van vernietiging en kruisiging, zoo stelle hij zijn roem slechts, evenals Ik, in de armoede, de vernederingen en de smarten van mijn Kruis.

 

Abneget semetipsum, hij verzake zichzelf. Verre van de vereeniging der Vrienden van het Kruis, die hoogmoedige lijders, die wijzen der wereld, die groote vernuften en die alweters, stijfhoofdig en opgeblazen door hun kennis en talenten. Verre van hier die groote zwetsers, die veel leven maken en geen andere vrucht voortbrengen dan die der ijdelheid. Verre van hier die trotsche vromen, die overal het « wat mij betreft » van den hoogmoedigen Lucifer met zich dragen, non sum sicut ceteri ; zij kunnen niet dulden, dat zij gelaakt worden, zonder zich te verontschuldigen ; dat zij aangevallen worden, zonder zich te verdedigen ; dat zij vernederd worden, zonder zich te verheffen !

Wacht er u wel voor, in uw vereeniging van die teergevoelige en zinnelijke lieden toe te laten, die bang zijn voor het minste prikje, die gillen en klagen bij de minste pijn, die nooit van boetkleed, haren gordel, geeselroede of andere boetetuigen geproefd hebben, en die hun devoties van den dag met de meest gepleisterde en verfijnde teergevoeligheid en zinnelijkheid doormengen.

 

Tollat Crucem suam, hij drage zijn Kruis. Suam, het zijne. Dat diegene, die zeldzame man of vrouw, de ultimis finibus pretium ejus, waarvoor de gansche aarde, van het eene tot het andere einde, geen voldoenden prijs kan storten,—zijn Kruis met vreugde opneme, het met vurigheid omhelze en het met moed op zijne schouders drage. Zijn Kruis, en niet dat van een ander. Zijn Kruis, dat Ik voor hem, in mijn wijsheid, met getal, gewicht en maat vervaardigd heb. Zijn Kruis, waaraan Ik eigenhandig en met groote nauwkeurigheid, zijn vier afmetingen gegeven heb, t.w. zijn dikte, lengte, breedte en diepte. Zijn Kruis, dat Ik hem, ten gevolge der oneindige genegenheid die Ik hem toedraag, uit een stuk van het Kruis dat Ik naar den Calvarieberg opdroeg, heb gesneden. Zijn Kruis, het grootste geschenk dat Ik mijn uitverkorenen op aarde geven kan. Zijn Kruis, bestaande in zijn dikte, uit goederenverlies, vernederingen, versmadingen, pijnen, ziekten en geestes-kwellingen, die hem naar de beschikking mijner Voorzienig-heid, dagelijks tot aan zijn dood moeten overkomen. Zijn Kruis, bestaande in de lengte, uit een zeker tijdvak van maanden of dagen, dat hij met laster overladen, op een bed uitgestrekt, tot den bedelstaf zal veroordeeld worden, en ten prooi zal zijn aan bekoringen, dorheid, verlatenheid en andere geestes-kwellingen. Zijn Kruis, bestaande, in de breedte, uit de hardste en bitterste bejegeningen van de kant zijner vrienden, huisgenooten en bloedverwanten. Zijn Kruis, bestaande, in de diepte, uit het geheimste leed, waarmee Ik hem zal bezoeken, zonder dat hij troost zal kunnen vinden bij de schepselen ; deze zullen hem zelfs, ingevolge mijn beschikking, den rug toekeeren, en zich bij Mij aansluiten om hem te doen lijden.

 

Tollat, hij drage zijn Kruis, en niet, hij sleepe het, noch, hij schudde het van zich af, noch, hij legge het ter zijde, noch, hij berge het weg ; maar hij drage het hoog in de hand, zonder ongeduld of verdriet, zonder vrees of vrijwillig gemor, zonder vermindering of natuurlijk zelfontzien, zonder schaamte of menschelijk opzicht.

Tollat, hij plaatse het op zijn voorhoofd en zegge met den H. Paulus :  Mihi absit gloriari nisi in Cruce Domini nostri Jesu Christi !  Moge God verhoeden, dat ik op iets anders roem drage dan op het Kruis van Jezus Christus, mijn Meester !

Hij drage het Kruis op zijn schouders, naar ’t voorbeeld van Jezus Christus, opdat het ’t wapen worde zijner verover-ingen en de schepter van zijn heerschappij, imperium principatus ejus super humerum ejus.

Hij plaatse het eindelijk door de liefde in zijn hart, om hiervan een vurig braambosch te maken, dat dag en nacht van zuivere liefde brande tot God, zonder ooit verteerd te worden.

 

Crucem, het Kruis. Hij drage het, want niets is zoo noodzakelijk, niets zoo nuttig en zoet, niets ook zoo eervol, als iets voor Jezus Christus te lijden.

Inderdaad, lieve Vrienden van het Kruis, gij zijt allen zondaars. Niet één uwer, of hij verdient de hel, en ik nog meer dan elk ander. Onze zonden moeten gestrafd worden, hetzij hier op aarde, hetzij hiernamaals. Worden zij ’t hier, dan worden zij ’t hiernamaals niet. Straft God ze hier op aarde te zamen met ons, dan is de straf liefdevol ; immers, dan worden zij gestraft door zijn barmhartigheid, die hier op aarde regeert, en niet door zijn strenge gerechtigheid ; de straf zal licht en kortstondig zijn, vergezeld gaan van geneugten en verdiensten, en gevolgd worden door belooningen, in tijd en eeuwigheid. Wordt echter de straf voor onze zonden tot hiernamaals uitgesteld, dan is zij het werk van Gods wrekende gerechtigheid, die alles te vuur en te zwaard verwoest. Verschrikkelijke straf, horrendum ; onuitsprekelijke, onbegrijpelijke straf, quis novit potestatem irae tuae ? straf zonder erbarming, judicium sine misericordia, zonder mededoogen, zonder verlichting, zonder verdiensten, zonder perk en zonder einde.

Ja, zonder einde : die door u in een oogwenk bedreven doodzonde ; die vrijwillige slechte gedachte, waaraan gij niet eens meer denkt ; dat door den wind meegevoerde woordje ; die geringe en zoo kortstondige daad tegen de wet van God, zal eeuwig, zoolang God God blijft, met de duivelen in de hel gestraft worden, zonder dat die God der wrake zich zal ontfermen over uw folteringen, noch over uw snikken en tranen, wel in staat nochtans om rotsen te doen splijten.

Altijd door lijden, zonder verdiensten, zonder ontferming en zonder einde ! Denken wij daar wel aan, beminde Broeders en Zusters, wanneer wij hier op aarde iets te lijden hebben ? Wat zijn wij toch gelukkig, dat wij op zulk een voordeelige wijze een eeuwige en verdienstenlooze straf kunnen omruilen tegen een kortstondige en verdienstelijke, door ons Kruis geduldig te dragen ! Hoeveel onvoldane schulden hebben wij niet ? Hoeveel zonden hebben wij niet bedreven, voor welker uitboeting wij, zelfs na een bitter berouw en een oprechte biecht, eeuwenlang in ’t Vagevuur zullen moeten lijden, omdat wij hier op aarde genoegen nemen met eenige zeer lichte penitenties ? Ach ! laten wij hier op aarde in der minne voldoen, door ons Kruis behoorlijk te dragen ; hiernamaals moet alles tot den laatsten penning streng voldaan worden, zelfs een onnuttig woord. Konden wij den duivel maar eens het boek des doods ontnemen, waarin hij al onze zonden heeft opgeteekend met de daarvoor verschuldigde straf, wat zouden wij een hoogoploopende debet-rekening vinden, en wat zouden zij blij zijn, jarenlang hier op aarde te mogen lijden, in plaats van slechts een enkelen dag hiernamaals !

 

Vleit gij u niet, Vrienden van het Kruis, met het denkbeeld dat gij Gods vrienden zijt of althans wilt worden ? Besluit dan tot het drinken van den kelk dien men noodzakelijk drinken moet om Gods vriend te worden : Calicem Domini biberunt, et amici Dei facti sunt. De welbeminde Benjamin kreeg den kelk, de andere broeders slechts het graan. De groote gunsteling van Jezus kreeg diens Hart, besteeg den Calvarieberg, dronk aan den kelk : Potestis bibere calicem ? Het is goed naar Gods glorie te verlangen ; doch er naar verlangen en er om vragen zonder bereid te zijn alles te lijden, is een dwaze en onzinnige eisch. Nescitis quid petatis… opertet per multas tribulationes : Het moet, opertet, ’t is iets noodzakelijks, iets onvermijdelijks ; wij moeten door veel beproevingen en kruisen het rijk der hemelen binnengaan.

Gij draagt er terecht roem op, kinderen Gods te zijn ; draagt dan ook roem op de zweepslagen, welke die goede Vader u reeds gegeven heeft en u in ’t vervolg nog geven zal ; want Hij kastijdt al zijn kinderen. Indien gij niet tot het getal zijner welbeminde kinderen behoort, dan behoort gij,—o ramp, o donderslag !—dan behoort gij, zooals de H. Augustinus zegt, tot het getal der verworpenen. Wie hier op aarde niet zucht als een pelgrim en vreemdeling, zal hiernamaals niet juichen als hemelburger, zegt dezelfde H. Augustinus. Zoo God de Vader u niet van tijd tot tijd eenige goede kruisjes overzendt, is dit een teeken, dat Hij zich niet meer om u bekommert, dat Hij vertoornd is op u. Hij beschouwt u nog slechts als een vreemdeling, buiten zijn huis en zijn bescherming gesteld, of als een bastaardkind, dat geen recht heeft op eenig aandeel in de erfenis zijns Vaders, en daarom ook diens zorg en kastijding niet waard is.

Vrienden van het Kruis, leerlingen van een gekruisigden God, het geheim des Kruises is een geheim dat de heidenen niet kennen, dat de Joden verwerpen en dat de ketters en slechte Katholieken verachten. ’t Is nochtans het groote geheim dat gij practisch leeren moet in de school van Jezus Christus, en dat gij dáár slechts leeren kunt. Tevergeefs zoekt gij in de academies der oudheid naar een wijsgeer die het onderwezen heeft. Tevergeefs gaat gij te rade bij ’t licht der zinnen en der rede. Jezus Christus alleen kan u, door zijn overwinnende genade, dit geheim leeren kennen en doen smaken. Zorgt dus, dat gij ervaren wordt in deze alles  overtreffende wetenschap, onder leiding van zoo groot een Meester. Alsdan zult gij alle andere wetenschappen bezitten, want zij bevat ze alle bij uitnemendheid. Zij is onze natuurlijke en bovennatuurlijke wijsbegeerte, onze goddelijke en geheimnisvolle godgeleerdheid, en onze steen der wijzen, die, door geduld in ’t lijden, de grofste metalen in kostbare, de hevigste pijnen in geneugten, de ellende in rijkdom en de diepste vernedering in glorie verandert. Hij die onder u het best zijn Kruis weet te dragen, al kent hij overigens geen a of b, is de geleerdste van allen. Luistert naar den grooten H. Paulus : bij zijn terugkomst uit den derden hemel, waar hij de geheimen leerde kennen, die zelfs aan de Engelen verborgen zijn, roept hij uit, dat hij niets kent en niets kennen wil, dan den gekruisigden Jezus Christus. Verheug u, onnoozele, arme vrouw zonder verstand of kennis ; zoo gij met vreugde weet te lijden, kent gij meer dan den doctor van de Sorbonne, indien deze niet zoo goed weet te lijden als gij.

Gij zijt ledematen van Jezus Christus : wat een eer ! Maar ook, wat een noodzakelijke verplichting tot lijden legt die hoedanigheid u op ! Het Hoofd is met doornen gekroond en de ledematen zouden het met rozen zijn ?  Het Hoofd wordt verguisd en beslijkt op den Kruisweg, en de ledematen zouden met reukwerken doortrokken zijn op een troon ? Het Hoofd heeft geen kussen om op te rusten, en de ledematen zouden zacht neergevleid zijn op een pluimen of donzen bed ? Dat ware een ongehoorde gedrochtelijkheid !

Neen, neen, lieve metgezellen van het Kruis, laat u niet misleiden : christenen, zooals gij er allerwegen ziet : naar de mode opgedirkt, uiterst fijngevoelig, bovenmate grootsch en deftig, zijn geen ware volgelingen, noch ware ledematen van den gekruisigden Jezus ! Door anders te denken, zoudt gij aan dat met doonen gekroonde Hoofd en aan de waarheid van het Evangelie te kort doen. O God ! wat al schimmen van christenen, die zich ledematen van den Verlosser wanen, en die zijn verradelijkste vervolgers zijn ; want, terwijl zij met de hand het kruisteeken maken, zijn zij vijanden van ’t Kruis in hun hart ! Indien gij door eenzelfden geest geleid wordt als Jezus Christus, uw met doornen gekroonde Hoofd, en eenzelfde leven met Hem leeft, verwacht dan niets anders dan doornen, geeselslagen, nagels ; niets anders in één woord, dan het Kruis ; want de leerling moet noodzakelijk als zijn meester, het lidmaat als het hoofd behandeld worden. En mocht de hemel u, evenals aan de H. Catharina van Siënna, een doornen- en een rozenkroon voorhouden, kiest dan met die Heilige, zonder te aarzelen, de doornenkroon, en drukt ze u in het hoofd, om gelijkvormig te zijn aan Jezus Christus.

 

Het is u niet onbekend, dat gij de levende tempels des H. Geestes zijt, en dat gij, als even zooveel levende steenen, door dien God van liefde in ’t gebouw van ’t hemelsch Jeruzalem moet geplaatst worden. Rekent er dan op, dat gij met de hamer des Kruises zult gehouwen, gekapt en bewerkt worden ; anders blijft gij gelijk aan de ruwe steenen, die nergens toe dienen, die men versmaadt en ver van zich afwerpt. Wacht er u wel voor, den hamer, waarmee op u geslagen wordt, te doen afspringen, en let op den beitel die u kapt en op de hand die u draait. Mogelijk wil die bekwame en liefdevolle bouwmeester u tot een der voornaamste steenen maken van zijn eeuwige bouw, tot een der schoonste beelden van zijn hemelsch rijk. Laat Hem dus begaan : Hij heeft u lief, Hij weet wat Hij doet, Hij is ervaren ; al zijn slagen zijn doeltreffend en liefdevol ; nooit slaat Hij mis, als gij zijn slagen maar niet vergeefsch doet zijn door uw ongeduld.

Het Kruis wordt door den H. Geest vergeleken :

1˚ Bij een wan, waardoor het goede graan van het kaf en het vuil gezuiverd wordt. Laat u dus, als het graan in de wan, zonder tegenstreven, schommelen en schudden : gij zijt in de wan van den Vader des huisgezins en weldra zult gij in zijn graanschuur zijn.

2˚ Bij een vuur, dat het roest van het ijzer wegneemt door de hevigheid zijner vlammen. Onze God is een verslindend vuur, dat door het Kruis in de ziel blijft branden om haar te zuiveren zonder haar te verteren, zooals eertijds het vuur in het brandende braambosch.

3˚ Bij de smeltkoes van een goudsmid, waarin het echte goud gelouterd wordt en het valsche in rook opgaat. Het echte goud doorstaat geduldig de vuurproef, het valsche stijgt in rook tegen de vlammen op. Zoo worden de ware Vrienden van het Kruis in de smeltkroes der kwelling en beproeving door hun geduld gelouterd, terwijl de vijanden van het Kruis in rook opgaan door hun ongeduld en hun gemor.

 

Aanschouwt, geliefde Vrienden van het Kruis, de groote schare van getuigen die u voorafgaat : zonder een woord te spreken, bewijzen zij wat ik u voorhoud. Aanschouwt, als in ’t voorbijgaan, den rechtvaardigen Abel, door zijn broeder gedood ; den rechtvaardigen Abraham, vreemdeling op aarde ; den rechtvaardigen Loth, uit zijn land verjaagd ; den rechtvaardigen Jacob, door zijn broeder vervolgd ; den rechtvaardigen Tobias, met blindheid geslagen ; den rechtvaardigen Job, arm geworden, vernederd, en met wonden bedekt van het hoofd tot de voeten. Aanschouwt de Apostelen en de zoo talrijke martelaren in ’t purper van hun bloed ; de zoo talrijke Maagden en Belijders, arm vernederd, verjaagd en verstooten. Allen roepen uit : Aanschouwt den goeden Jezus, den Bewerker en Voltooier van ’t geloof. dat wij hebben in Hem en in zijn Kruis : Hij heeft moeten lijden, om door het Kruis zijn heerlijkheid in te gaan.

Aanschouwt, naast Jezus Christus, de H. Maagd Maria, in Wie noch erfzonde, noch dadelijke zonde ooit gevonden werd : een scherp zwaard dringt door in het diepste van haar teeder en onschuldig Hart.

Hoe gaarne zou ik uitweiden over beider Passie, om aan te toonen, dat, hetgeen wij te lijden hebben, niets is in vergelijking met hetgeen Zij geleden hebben !

Wie kan zich, na dit alles, onthouden zijn Kruis te dragen ? Wie onzer zal niet met spoed daarheen snellen waar hij weet dat het Kruis hem wacht ? Wie zal niet met den H. Ignatius, martelaar, uitroepen : Dat het vuur, de galg, de wilde dieren en al de folteringen des duivels over mij neerkomen, opdat ik Jezus Christus moge genieten !

 

Wilt gij echter niet geduldig lijden en uw Kruis met gelatenheid dragen naar het voorbeeld der uitverkorenen, dan zult gij het met gemor en ongeduld dragen zooals de verworpe-lingen. Gij zult dan gelijk zijn aan de twee dieren die de ark des verbonds al loeiende voortsleepten. Gij zult navolgers zijn van Simon van Cyrene, die het eigen Kruis van Jezus Christus onwillig opnam, en terwijl hij het droeg, niets deed dan morren. Gij zult eindelijk het lot ondergaan van den boozen moordenaar, die van zijn kruis in het diepste des afgronds neerstortte.

Neen, neen, de vervloekte aarde, waarop wij leven, maakt niemand gelukkig ; men ziet niet helder in dit land der duisternissen ; men is niet volkomen gerust op deze onstuimige zee ; men blijft niet zonder strijd in dit oord van beproeving en op dit slagveld ; men gaat niet zonder zich te steken over dezen met doornen begroeide grond ; beiden, uitverkorenen en verworpelingen, moeten er hun kruis dragen, goedschiks of kwaadschiks.

Onthoudt dit vierregelig versje :

 

Kies een der Kruisen die ge op Golgotha ontwaart

Kies echter wijselijk ; want lijden moet ge op aard,

Als een heilige, als een boeteling, of,  —wilt ge anders niet,—

Als een verworpeling dien ’t lijden steeds verdriet.[54]

 

Dat wil zeggen : zoo gij niet met vreugde wilt lijden, gelijk Jezus Christus, of met geduld, gelijk de goede moordenaar, zult gij uws ondanks moeten lijden, gelijk de booze moordenaar. Gij zult den bitterste kelk tot den laatsten druppel moeten ledigen zonder de minste genadevertroosting. Gij zult den ganschen last te dragen hebben, dien de duivel aan uw kruis zal toevoegen, door het ongeduld waartoe het u zal brengen. En, na ongelukkig te zijn geweest met den boozen moordenaar hier op aarde, zult gij hem moeten volgen in de vlammen der hel.

 

Lijdt gij integendeel zooals het hoort, dan wordt het Kruis een uiterst zacht juk dat Jezus Christus met u draagt. Het wordt de dubbele vleugel uwer ten hemel opstijgende ziel. Het wordt een scheepsmast, die u voorspoedig en zonder moeite in de haven des heils zal doen aanlanden. Draagt geduldig uw Kruis : zoodoende zult ge verlicht worden in uw geestelijke duisternissen, want wie geen beproeving lijdt, kent niets. Draagt uw Kruis met blijdschap, dan zult gij blaken van goddelijke liefde. Zonder het lijden is ’t onmogelijk in de zuivere liefde des Zaligmakers te leven. Men plukt geen rozen dan tusschen doornen. Het Kruis alleen is het voedsel der liefde tot God, zooals het hout het voedsel is van het vuur.

Herinnert u dan deze schoone spreuk uit de Navolging[55] : Naarmate gij u geweld aan zult doen, door geduldig te lijden, zult gij vorderingen maken in de goddelijke liefde.

Verwacht niets bijzonders van die teergevoelige en trage zielen, die het Kruis afweren wanneer het tot hen komt, en die er zich nooit een, in alle bedachtzaamheid, vrijwillig bezorgen. Zij zijn als een onbebouwd land, dat niets dan doornen voortbrengt, omdat het niet door een verstandig landman beploegd, bewerkt en omgekeerd wordt. Zij zijn als een slijkerig, stilstaand water, dat niet deugt om er iets in te wasschen noch om er van te drinken.

Draagt uw Kruis met blijdschap, en gij zult er een overwinnende kracht in vinden, waaraan geen uwer vijanden zal kunnen weerstaan. Gij zult er ook een heerlijk genot in smaken, waarbij niets kan vergeleken worden. Ja, Broeders, weest overtuigd dat dit het ware aardsch Paradijs is : iets te lijden voor Jezus Christus. Ondervraagt alle Heiligen : zij zullen u zeggen, dat hun ziel nooit een heerlijker feestmaal genuttigd heeft dan wanneer zij de hevigste pijnen doorstonden. Dat al de folteringen des duivels over mij neerkomen, zeide de H. Ignatius Martelaar. Ofwel lijden, ofwel sterven, zeide de H. Theresia. Niet sterven, doch lijden, zeide de H. Magdalena de Pazzi. Lijden en veracht worden om uwentwillen, zeide de H. Joannes van het Kruis. En een menigte anderen hebben in denzelfden geest gesproken, zooals in hun levensbeschrijving te lezen staat.

Gelooft God, lieve Broeders ; wanneer men blijmoedig lijdt voor God, dan is het Kruis, naar ’t woord van den H. Geest, een bron van allerlei geneugten voor alle soorten van personen. De vreugde die het Kruis biedt, overtreft de vreugde van een arme die met allerlei schatten overladen wordt ; de vreugde van een landman die op een troon verheven wordt ; de vreugde van een koopman die goud wint met millioenen ; de vreugde van legeraanvoerders die overwinningen behalen ; de vreugde van gevangenen die uit hun boeien verlost worden. In één woord : men denke zich de grootste vreugden dezer aarde uit : de vreugde van een gekruisigd mensch die naar behooren lijdt, bevat en overtreft ze alle.

Verheugt u dus en springt op van blijdschap, wanneer God u met een goed Kruis bedeelt, want het hoogste goed dat er voor u bestaat in den hemel en bij God zelf, valt u ten deel, zonder dat gij het merkt. O, wat een groot geschenk van God is het Kruis ! Kondt gij dit beseffen, gij zoudt H. Missen laten lezen, de grafplaatsen der Heiligen bezoeken en er novenen houden, verre bedevaarten doen, zooals de Heiligen, om dit goddelijk geschenk van den hemel te verkrijgen. De wereld noemt het een dwaasheid, een schande, een onnoozelheid, een onbezonnenheid, een onvoorzichtigheid. Laat die blinden maar praten : hun verblindheid, die hun het Kruis menschelijkerwijze en gansch verkeerd doet beoordeelen, maakt deel uit van onze glorie, telkenmale als zij ons het een of ander kruis bezorgen door hun minachting en hun vervolgingen. Zij geven ons juweelen, zij plaatsen ons op een troon, zij kronen ons met lauweren. Wat zeg ik ? Alle schatten, eerbewijzen, schepters, alle schitterende kronen van potentaten en keizers, kunnen, naar ’t woord van den H. Joannes Chrysostomus, niet vergeleken worden bij de glorie welke het Kruis ons schenkt. Deze is grooter dan die van een Apostel of van een gewijden schrijver. Gaarne,—zoo zeide die door den H. Geest voorgelichte Heilige,— gaarne zou ik den hemel verlaten, indien mij de keus gelaten werd, om voor den God des hemels te lijden. Ik zou kerkers en gevangenissen verkiezen boven de tronen van den hoogste hemel. Ik verlang niet zoozeer naar de glorie der Serafijnen als naar de grootste kruisen. Ik geef minder om de gave van mirakelen, waardoor man aan den duivelen gebiedt, de elementen schokt, de zon doet stilstaan en de dooden in ’t leven terugroept, dan om de eer van te lijden. De HH. Petrus en Paulus zijn roemwaardiger in hun gevangenis, met boeien aan hun voeten, dan waar de laatste tot den derden hemel verheven werd en de eerste de sleutel des hemels ontving. Inderdaad, is ’t het Kruis niet dat aan Jezus Christus een naam heeft gegeven boven allen naam, opdat bij den naam Jezus alle knie buige, in den hemel, op aarde en in de hel ?

De glorie van iemand die waardig lijdt is zóó groot, dat de hemel, de engelen en de menschen, ja, dat zelfs de God des hemels er met vreugde naar ziet, als het heerlijkste schouwspel, en dat de Heiligen, indien zij nog eenig verlangen konden koesteren, op aarde zouden willen terugkeeren om het een of ander kruis te dragen. Is de glorie hier op aarde alreeds zoo groot, hoe groot zal ze dan in den hemel niet zijn ? Wie zal ooit het eeuwig gewicht van glorie kunnen verklaren of zelfs begrijpen, dat door het kortstondig, doch waardig dragen van het Kruis in ons wordt uitgewerkt ? Wie zal de glorie begrijpen, die in den hemel verkregen wordt voor een jaar, en meer nog, voor een gansch leven van kruisen en kwellingen ? Voorzeker, lieve Vrienden van het Kruis, de hemel bestemt u tot iets groots, zooals een groot Heilige zegt, aangezien de H. Geest u zoo nauw vereenigt met iets dat alle anderen zoo zorgvuldig ontwijken. Voorzeker, God wil van u even zooveel Heiligen maken als gij Vrienden van het Kruis zijt, als gij maar getrouw blijft aan uw roeping en uw Kruis naar behooren draagt, gelijk Jezus Christus het zijne.

 

Doch ’t is niet genoeg te lijden : de duivel en de wereld hebben ook hun martelaren. Men moet lijden en zijn Kruis dragen in navolging van Jezus Christus : sequatur me, hij volge mij ; d.w.z. men moet zijn kruis dragen zooals Hij het zijne gedragen heeft.

Ziehier de regels die gij te dien opzichte moet in acht nemen.

1˚ Bezorgt u geen kruisen met opzet en door eigen schuld. Men mag geen kwaad doen ter bereiking van een goed doel. Behoudens een bijzondere ingeving, mag men zijn handelingen niet verkeerd verrichten om daardoor de minachting der menschen op zich te laden. Veeleer dient men Jezus Christus na te volgen, van Wien geschreven staat, dat Hij alles wel deed. Doet ook gij zoo, niet uit eigenliefde of ijdelheid, maar om aan God te behagen en de evennaaste te winnen. Zelfs al volbrengt gij uw plichten zoo goed mogelijk, zal het u niet ontbreken aan tegenkantingen, vervolgingen, versmadingen, die de goddelijke Voorzienigheid u zal overzenden tegen uw wil in, en zonder dat gij ze zelf kiest.

 

2˚ Neemt uw evenmensch ergenis, zij het dan ook ten onrechte, aan een onverschillige handeling die gij verricht, laat ze dan liever achterwege, uit naastenliefde, om een eind te stellen aan de ergenis der zwakken. De heldhaftige daad van naastenliefde welke gij alsdan verricht, is oneindig meer waard dan wat gij deedt of wildet doen. Betreft het echter een goed werk dat noodzakelijk of nuttig is voor uw evenmensch, en ergert deze of gene Farizeër of kwaadgezinde er zich zonder reden over, raadpleegt dan een ervaren leidsman, om te vernemen of dat werk waarlijk noodzakelijk of zeer nuttig is voor het meerendeel uwer medemenschen ; zoo ja, gaat dan voort met uw werk, en laat ze praten, als ze u maar laten begaan. In dit geval kunt gij antwoorden zooals O.L. Heer tot eenige zijner volgelingen, die Hem kwamen zeggen, dat de Schriftgeleerden en Farizeërs zich ergerden over zijn woorden en daden : Laat ze, het zijn blinden.

 

3˚ Sommige groote Heiligen hebben weliswaar kruisen, versmadingen en vernederingen afgebeden en gezocht, en er zich zelfs vrijwillig bezorgd door bespottelijke daden. Laten wij de buitengewone werking des H. Geestes in hun ziel aanbidden en bewonderen, en ons verootmoedigen bij ’t aanschouwen van een zoo verheven deugd, zonder dat wij het wagen zoo hoog te vliegen ; want vergeleken bij die vlugge arenden en die brieschende leeuwen, zijn wij slechts vreesachtige hoenders en levenlooze honden.

 

4˚ Nochtans moogt en moet gij zelfs de wijsheid des Kruises vragen, t.w. een behaaglijke en proefondervindelijke kennis der waarheid, waardoor men in ’t licht van ’t geloof de meest verborgen geheimen aanschouwt, o.a. het geheim des Kruises. Die kennis verkrijgt men echter niet dan met veel moeite, door diepe vernederingen en vurig gebed. Hebt gij behoefte aan dien verheven geest, die de zwaarste kruisen met moed doet dragen ; aan dien goeden en zoeten geest, die de hoogere vermogens der ziel smaak doet vinden in de meest weerzinwekkende bitterheden ; aan dien gezonden en rechten geest, die niets zoekt dan God ; aan de kennis des Kruises, die alles bevat ; in één woord, aan dien oneindige schat, die, goed gebruikt, de ziel deelachtig maakt aan de vriendschap Gods : vraagt de wijsheid des Kruises, vraagt ze zonder ophouden en met aandrang, vraagt ze zonder te twijfelen, zonder te vreezen dat gij ze niet zult verkrijgen ; gij zult ze dan onfeilbaar bekomen, en de ondervinding zal u duidelijk doen inzien, hoe het mogelijk is, dat men naar het Kruis verlangt, dat men het Kruis zoekt en er smaak in vindt.

 

5˚ Hebt gij onwetend, of zelfs door uw schuld, een misslag begaan, die u een of ander kruis bezorgt, vernedert er u dan aanstonds over in uw binnenste onder de machtige hand van God, zonder er u vrijwillig over te verontrusten. Zegt, bij voorbeeld, inwendig : Zie, heer, dat is weer een van mijn streken. Was uw fout een zonde, zoo aanvaardt de vernedering die zij berokkent, als een straf daarvoor. Was ze geen zonde, beschouw dan uw kruisje als een middel om uw hoogmoed te vernederen. Dikwijls, zeer dikwijls zelfs, laat God toe, dat zijn grootste dienaren, zij die ’t hoogst verheven zijn in zijn genade, de meest vernederende fouten begaan. Hij wil hen zoodoende in hun eigen oog en in dat hunner medemenschen vernederen, en hen beletten, hun blik, ja zelfs hun gedachte, met zelfbehagen te vestigen op de genaden die Hij hun verleent en op het goede dat zij verrichten ; opdat, naar ’t woord des H. Geestes, geen vleesch zich roeme voor God.

 

6˚ Weest wel overtuigd, dat alles in ons, door de zonde van Adam en door de dadelijke zonden, geheel bedorven is ; niet alleen de zintuigen van ons lichaam, maar ook alle vermogens onzer ziel. Zoodra dus onze bedorven geest voorbedachtelijk en met zelfbehagen de een of andere gave Gods in ons beschouwt, wordt die gave, die handeling, die genade, gansch bezoedeld en bedorven, en wendt God er zijn goddelijk aanschijn van af. Bederven de blikken en gedachten van ’s menschen geest alreeds dusdanig zijn beste handelingen en Gods hoogste gaven, wat dan te zeggen van de werken van den eigenwil, die nog meer bedorven zijn dan die van de geest ? Geen wonder dan ook, dat God er behagen in schept, de zijnen in ’t geheim van zijn aangezicht te verbergen, opdat zij niet bezoeldeld worden door den aanblik der menschen en hun ijdele zelfkennis.

En wat doet die naijverige God niet om hen aldus te verbergen ? Hoeveel vernederingen bezorgt Hij hun niet ? In hoeveel fouten laat Hij hen niet vallen ? Door welke bekoringen laat Hij hen niet bestormen, zooals de H. Paulus ? In welke onzekerheid laat Hij hen niet ? O, wat is God wonderbaar in zijn Heiligen en in de wijze waarop Hij hen tot nederigheid en heiligheid brengt.

 

7˚ Wacht er u dus wel voor, met de hoovaardigen en verwaande schijnvromen te meenen, dat uw kruisen van groot belang zijn, dat ze dienen om uw getrouwheid op de proef te stellen en blijk geven van een bijzondere liefde die God u toedraagt : die strik, door den geestelijke hoogmoed gespannen, is uiterst sluw en fijn, doch vol vergif.

Ziehier wat gij moet gelooven :

1˚ dat uw hoogmoed en teergevoeligheid u stroospiertjes voor balken, prikjes voor wonden, een rat voor een olifant, een luttel, zonder erg uitgesproken woordje voor een grove beleediging, en wat eigenlijk maar een nietigheid is voor een wreede verlatenheid doen aanzien ;

2˚ dat de kruisen, die God u overzendt, eerder liefdevolle straffen zijn voor uw zonden, — dat zijn ze ook inderdaad, — dan blijken van een buitengewone goedgunstig-heid ;

3˚ dat, wat kruis of vernedering Hij u ook overzendt, Hij u toch nog oneindig spaart, in aanmerking genomen uw menigvuldige en gruwelijke misdaden ; deze immers moet gij niet anders beschouwen dan door de heiligheid heen van God, Die niets onzuivers duldt en aan Wien gij u vergrepen hebt ; door een stervende God heen, met smarten overladen om den schijn uwer zonden ; door de eeuwige hel heen, die gij duizend en misschien wel honderduizend maal verdiend hebt ;

4˚ dat er, in ’t geduld waarmee gij lijdt, meer menschelijk en natuurlijk gevoel schuilt dan gij wel denkt : getuige, dat ontzien van uzelf in allerlei kleinigheden ; die geheime jacht naar vertroosting ; die louter natuurlijke gemoedsuitstortingen bij uw vrienden, misschien zelfs bij uw biechtvader ; die slimme en haastige verschooningen ; die netjes ingekleede en met huichelachtige liefde uitgesproken klachten, of liever die kwaadsprekerij over wie u leed deed ; dat gedurig herdenken uwer kwalen en het week genot dat gij daarin zoekt ; die duivelachtige waan dat gij een verheven iets zijt, enz… Er kwam nooit een eind aan, indien ik al de wegen en omwegen wilde beschrijven die de natuur ons doet betreden, zelfs in het lijden.

 

8˚ Doet uw voordeel met uw geringe wederwaardig-heden, meer zelfs dan met de groote. God let niet zoozeer op hetgeen men lijdt dan op de manier. Veel, doch slecht lijden, is lijden als een verdoemde ; veel lijden zelfs met moed, doch om een slechte zaak, is lijden als een martelaar van den duivel ; weinig of veel lijden, maar voor God, is lijden als een heilige. Kan ooit met waarheid gezegd worden, dat men mag kiezen tusschen de kruisen, dan is ’t voornamelijk ten opzichte der geringe en geheime, wanneer deze ons gelijktijdig met groote schitterende worden aangeboden. De hoogmoed der natuur kan wel groote en schitterende kruisen afbidden en najagen, ze zelfs bij voorkeur kiezen en omhelzen ; doch de geringe en geheime kruisjes kiezen en ze vreugdevol dragen, dat kan slechts uitwerksel zijn van een groote genade en van een groote getrouwheid aan God.

Handelt dan gelijk een winkelier bij zijn toonbank : doet uw voordeel met alles, laat niet het kleinste stukje van het ware Kruis verloren gaan, al is ’t maar een mugge- of speldesteek, een lichte dwarsdrijverij van een buurman, een geringe beleediging ten gevolge van een misverstand, het onbeduidend verlies van een penning, een weinig-beteekenende zielskwelling, een voorbijgaande vermoeidheid in uw lichaam, een lichte pijn in een uwer ledematen, enz. Doet met alles uw voordeel, zooals de winkelier met zijn waren, en gij zult spoedig rijk worden in God, evenals een winkelier rijk wordt aan geld door penning op penning in zijn winkellade te bergen. Zegt bij de minste wederwaardigheid die u overkomt : God zij geloofd ! Mijn God, ik dank u !  Verbergt dan het zoo pas verdiende Kruis in ’t geheugen van God, dat om zoo te zeggen uw geldlade is, en denkt er verder niet meer aan,, dan alleen om te zeggen : Van harte dank, of  Wees mij barmhartig.

9˚ Wordt u gezegd, dat gij het Kruis moet liefhebben, dan is er geen sprake van een gevoelige liefde, want daartoe is de natuur niet in staat.

Onderscheidt dus nauwkeurig drie soorten van liefde : de gevoelige liefde, de verstandelijke liefde, de bovennatuurlijke en de hoogste liefde ; m.a.w. de liefde van het lagere bestanddeel uwer natuur, nl. het vleesch ; de liefde van het hoogere bestanddeel, nl. het verstand ; en de liefde van het opperste deel of het toppunt uwer ziel, nl. het verstand, voorgelicht door het geloof.

God vergt niet van u, dat gij ’t Kruis liefhebt met den wil des vleesches ; deze immers is geheel bedorven en misdadig, zoodat al wat er uit geboren wordt ook bedorven is. Uit zichzelf kan de wil des vleesches niet eens aan Gods wil en aan zijn kruisigende wet onderworpen zijn. Van dien wil sprekend, riep Jezus dan ook in den Hof van Olijven uit : Vader, uw wil geschiede en niet de mijne !  Indien het lagere bestanddeel van den mensch zelfs in Jezus Christus, waar het heilig was, het Kruis niet gestadig heeft kunnen liefhebben, zal het in ons, waar het geheel bedorven is, het Kruis des te zekerder verwerpen.

Somtijds, weliswaar, kunnen wij zelfs een gevoelige vreugde smaken in ons lijden, zooals dit met verscheidene Heiligen het geval is geweest. Maar die vreugde komt niet van het vleesch, ofschoon zij in ’t vleesch gevoeld wordt. Zij komt uitsluitend voort uit het hoogere bestanddeel : dit is zóó overvol van de goddelijke vreugde des H. Geestes, dat het die uitstort over het lagere deel. In zulke oogenblikken kan zelfs de meest gekruisigde mensch uitroepen : Mijn hart en ziel zijn van vreugde opgesprongen in den levenden God !

Er bestaat een andere liefde tot het Kruis, die ik verstandelijk noem, omdat ze tot het hoogere of verstandelijke deel van den mensch behoort. Deze liefde is gansch geestelijk ; en daar zij voortspruit uit de kennis van ’t geluk dat er in gelegen is, iets voor God te lijden, kan ze door de ziel worden waargenomen en wordt dit ook inderdaad, met het gevolg, dat zij de ziel inwendig verblijdt en versterkt. Maar die verstandelijke en door de rede waargenomen liefde, alhoewel goed en zelfs zeer goed, is niet altijd noodzakelijk om met vreugde en volgens God te lijden.

Er bestaat dan ook nog een andere liefde, die het toppunt of de spits der ziel, zooals de leermeesters van het geestelijk leven zeggen, of van het verstand, zooals de wijsgeeren zeggen. Ofschoon men door deze liefde geen genot smaakt in het zinnelijke gedeelte en geen verstandelijke vreugde in de ziel, heeft men toch het Kruis, dat men te dragen heeft, lief, en vindt men er smaak in, door ’t licht van het geloof alleen, al is dikwijls alles in opstand en beroering in het lagere gedeelte. Dit zucht dan, en klaagt, en schreit, en zoekt naar verlichting ; doch men zegt met Jezus Christus : Vader, uw wil geschiede en niet de mijne, of met de H. Maagd : Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.

Met een dezer twee soorten van liefde onzer hoogere vermogens moeten wij het Kruis liefhebben en aanvaarden.

 

10˚ Neemt het besluit, lieve Vrienden van het Kruis, alle soorten van Kruisen te dragen, zonder uitzondering, en zonder keus : alle armoede, alle onrecht, alle verlies, alle ziekte, alle vernedering, alle tegenspraak, allen laster, alle dorheid, alle verlatenheid, alle in-  en uitwendige kwelling. Zegt steeds : Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid.

Weest er dan ook werkelijk op voorbereid om door de menschen, de Engelen, en als ’t ware door God zelf verlaten te worden ; om vervolgd, benijd, verraden, belasterd, verdacht gemaakt en door allen in de steek gelaten te worden ; om honger en dorst te lijden, tot den bedelstaf gebracht en van alles ontbloot te worden ; om tot ballingschap, tot den kerker, het schavot en allerhande folteringen te worden veroordeeld, en wel onschuldig, om misdaden die men u valschelijk ten laste legt. Stelt u ten slotte voor, dat gij, na goed en eer verloren te hebben, zooals Job en de H. Elisabeth, koningin van Hongarije, uit uw huis geworpen zijt ; dat gij met laatstgenoemde Heilige in het slijk, of met Job op een mesthoop gesleurd wordt en daar een walgelijken reuk verspreidend en gansch met etterbuilen overdekt, blijft neerliggen, zonder dat u een lijnwaad gegeven wordt om uw wonden te verbinden of een stuk brood om uw honger te stillen : iets wat men een paard of een hond niet zou weigeren ; dat God u, te midden van dien uitersten nood, ten prooi laat aan al de bekoringen der duivelen, zonder de minste gevoelige vertroosting in uw ziel te storten. Weest dan vast overtuigd, dat dit het toppunt is der bovennatuurlijke glorie en der ware zaligheid voor een echt en volmaakt Vriend des Kruises.

 

11˚ Als een hulpmiddel om waardig te lijden moet gij het u tot een heilige gewoonte maken aan de vier navolgende dingen te denken :

Ten eerste aan het oog van God, Die, gelijk een groot koning, als van een toren op zijn strijder neerziet, hem met welgevallen gadeslaat in de hitte van ’t gevecht en hem prijst om zijn moed. Waarnaar ziet God op aarde ? Naar de koningen en keizers op hun tronen ? Dikwijls beschouwt Hij dezen slechts met verachting. Naar de groote overwinningen der legermachten van een land, naar onze kostbare edelsteenen, in één woord, naar al wat groot is in het oog der menschen ? Wat groot is in het oog der menschen, is een voorwerp van afschuw bij God. Waarnaar ziet Hij dan met genoegen en welgevallen, en waarover vraagt Hij inlichtingen bij de Engelen en zelfs bij de duivelen ? Naar iemand die voor God aan ’t strijden is tegen het noodlot, de wereld, de hel en zichzelf, en die zijn Kruis met vreugde draagt. Hebt gij niet een groot wonder op aarde gezien, dat de gansche hemel met bewondering gadeslaat ? zegt de Heer tot Satan. Hebt gij mijn dienaar Job niet gezien, die voor Mij lijdt ?

 

Denkt ten tweede aan de hand van dien machtigen Heer : immers alle natuurlijk leed dat ons overkomt, van het grootste tot het kleinste, is hààr werk. Dezelfde hand, die een leger van honderdduizend man in ’t stof deed bijten, doet de bladeren van de boomen en het haar van uw hoofd vallen. De hand die zwaar op Job neerkwam, raakt u maar zachtjes aan, door de lichte pijn die zij u veroorzaakt. Met dezelfde hand brengt God den dag en den nacht, de zon en de duisternis, het goed en het kwaad voort. Hij laat de zonden toe die men bedrijft, wanneer men u beleedigt ; Hij is niet de oorzaak van het kwaad der zonde, maar de daad zelf laat Hij toe. Ondervindt gij dus ooit, dat een Semeï u schimpwoorden toevoegt of met steenen naar u werpt, zooals eertijds naar koning David, zegt dan bij uzelf : « Wreken wij ons niet, laten wij hem begaan, want de Heer heeft hem gelast aldus te handelen. Ik weet, dat ik alle mogelijke beleedigingen verdiend heb en dat ik terecht door God gestraft word. Verroert u niet, mijn armen ; gij, mijn tong, zwijg stil : slaat niet, spreek geen woord. Die man of die vrouw beleedigt mij met woord of daad : ’t zijn gezanten van God, die in naam zijner barmhartigheid tot mij komen om in der minne wraak te nemen. Vertoornen wij zijn gerechtigheid niet, door ons zijn recht tot wraakoefening wederrechtelijk toe te eigenen. Versmaden wij zijn barmhartigheid niet, door ons te verzetten tegen haar gansch liefderijke zweepslagen : Hij mocht ons anders, om zich te wreken, naar de strenge gerechtigheid verwijzen der eeuwigheid. »

Ziet hoe één van Gods handen, — een almachtige en oneindig voorzichtige hand, — u ondersteunt, terwijl de andere u slaat. Met de eene hand doodt Hij en met de andere doet Hij leven. Hij vernedert en heft weer op. Met zijn twee armen reikt Hij zacht en krachtig van het eene tot het andere eind uws leven : zacht, door niet toe te laten dat gij boven uw kracht beproefd en bedroefd wordt ; krachtig, door u met een krachtige genade bij te staan, berekend naar de kracht en de duur uwer beproeving en droefenis ; krachtig ook, omdat Hij zelf, zooals Hij door den Geest zijner H. Kerk zegt, uw steun wordt op den rand van den afgrond waarbij gij u bevindt, uw reisgezel op den weg waarop gij aan ’t dwalen raakt, uw lommer in de hitte die u verzengt, uw kleed in den regen die u overvalt en in de koude die u doet bevriezen, uw wagen in de vermoeidheid die u terneerdrukt, uw hulp in den tegenspoed die u overkomt, uw stok op de gladde wegen, en uw haven te midden der stormen die u met ondergang en schipbreuk bedreigen.

 

Denkt ten derde aan de wonden en smarten van den gekruisten Jezus. Hij zelf zegt u : « O gij allen die langs den doornigen kruisweg komt, dien Ik betreden heb, aanschouwt en ziet. Ziet, zelfs met de oogen van uw lichaam, en ziet ook met de oogen der geestelijke beschouwing, of uw armoede, uw naaktheid, uw versmading, uw smart, uw verlatenheid, bij de mijne kan vergeleken worden. Ziet naar Mij, die onschuldig ben, en beklaagt u dan, gij die schuldig zijt. »

Ook de H. Geest vemaant ons door den mond der Apostelen, den gekruisigden Jezus Christus aldus te beschouwen ; Hij vermaant ons ons te wapenen met deze gedachte, die scherper is en verschrikkelijker voor al onze vijanden, dan eenig ander wapen. Wordt gij overvallen door armoede, vernedering, pijnen, bekoring, of welk kruis ook, wapent u dan met een schild, een pantser, een helm, een tweesnijdend zwaard, nl. met de gedachte aan den gekruisten Jezus Christus : dat is het middel om alle moeilijkheden op te lossen en om over alle vijanden te zegevieren.

 

Ten vierde, ziet opwaarts, naar de schoone kroon die u in de hemel wacht, indien gij uw Kruis behoorlijk draagt. Die belooning heeft de Patriarchen en Profeten in hun geloof en hun vervolgingen gesteund, de Apostelen en Martelaren in hun werken en pijnen bemoedigd. Liever, zoo zeiden de Patriarchen met Mozes, liever worden wij met het volk Gods beproefd, om er eeuwig mede gelukkig te zijn, dan één oogenblik een misdadig genot te smaken.Wij verduren hevige vervolgingen ter wille der belooning, zeiden de Profeten met David. —Wij zijn als ter dood verwezen slachtoffers, als een schouwspel voor de wereld, de Engelen en de menschen door ons lijden, als uitvaagsel en de gebanvloekten der wereld,— zeiden de Apostelen en Martelaren met den H. Paulus, —ter wille van het oneindig gewicht der eeuwige glorie, dat door dit enkel oogenblik van lichte pijn in ons wordt uitgewerkt.

Aanschouwen wij, boven ons hoofd, de Engelen die ons toeroepen : « Zorgt, dat gij de kroon niet verliest, die bestemd is voor het u toebedeelde Kruis, indien gij het waardig draagt. Doet gij dit niet, zoo zal een ander het doen en uw kroon bemachtigen. »

« Strijdt moedig, door geduldig te lijden,—zeggen ons alle Heiligen,— en gij zult een eeuwig rijk verwerven. »

Luisteren wij ten slotte naar Jezus Christus, Die ons zegt : « Aan hem slechts zal ik mijn belooning geven, die lijdt, en door geduld overwint. »

Wenden wij onze oogen afwaarts naar de plaats die wij verdienen, en die ons te wachten staat in de hel, met den boozen moordenaar en de verworpelingen, indien wij, zooals zij, al morrend en met spijt en wraakzucht lijden. Roepen wij met den H. Augustinus uit : Brand, Heer ; kap, snijd en hak hier op aarde tot straf voor mijne zonden, als Gij ze mij maar kwijtscheldt voor de eeuwigheid.

 

12˚ Beklaagt u nooit vrijwillig, en mort niet over de schepselen waarvan God zich bedient om u te beproeven.

Onderscheidt te dezen opzichte een drievoudig klagen in ’t lijden dat men te verduren heeft.

Het eerste is onvrijwillig en natuurlijk : ’t klagen van het lichaam, dat kermt, zucht, kreunt, schreit en jammert. Als de ziel zich maar in haar hoogere vermogens aan Gods wil onderwerpt, is dit klagen, zooals ik reeds gezegd heb, geen zonde.

Het tweede is redelijk, wanneer men nl. bij dezulken beklaagt en hun zijn lijden blootlegt, die het kunnen verhelpen, b.v. een overste of een dokter. Dit klagen kan een onvolmaaktheid zijn, als men er te licht toe overgaat, maar ’t is geen zonde.

Het derde is misdadig, wanneer men zich nl. over zijn evennaaste beklaagt om bevrijdt te worden van het leed dat hij ons aandoet of om er wraak over te nemen, of wanneer men, als men klaagt over hetgeen men te lijden heeft, in dit klagen toestemt, ongeduldig wordt en aan ’t morren slaat.

 

13˚ Aanvaardt nooit een Kruis zonder het ootmoedig en met dankbaarheid te kussen. Mocht de algoede God u met een eenigszins aanzienlijk Kruis begunstigen, bedankt Hem dan op bijzondere wijze en doet Hem ook door anderen bedanken, naar ’t voorbeeld eener arme vrouw, die, na alwat zij bezat te hebben verloren in een proces dat men haar onrechtvaardig had aangedaan, onmiddelijk een H. Mis liet lezen voor het eenige tienstuiverstukje dat zij nog overhad, om God te danken voor het buitenkansje dat haar was ten deel gevallen.

 

14˚ Wilt gij waardig worden de beste Kruisen te ontvangen, die nl. welke u zonder uw toedoen overkomen, belaadt u dan met vrijwillige Kruisen, in overleg met een wijzen zielsbestierder. Hebt gij b.v. thuis het een of ander meubelstuk, waaraan gij min of meer gehecht zijt, geeft het aan een arme en zegt : « Zoudt gij iets overtolligs willen hebben, waar Jezus zoo arm is ? » Staat de een of andere spijs, de een of andere oefening van deugd, of een onaangename reuk u tegen : eet van die spijs, beoefent die deugd, ruikt dien reuk, overwint u. Zijt gij met een eenigszins overdreven teederheid en vurigheid aan sommige personen of zaken gehecht ; gaat weg, onthoudt u, verwijdert u van hetgeen u streelt. Gevoelt gij een natuurlijken aandrang om iets te zien of te doen, om gezien te worden of om ergens heen te gaan : bedwingt u, zwijgt, verbergt u, wendt uw oogen af. Hebt gij een natuurlijken afkeer van dit of dat voorwerp, voor dezen of dien persoon : gaat er dikwijls heen, overmeestert u.

Als gij ware Vrienden des Kruises zijt, zal de altijd vindingrijke liefde u duizenden dergelijke kruisjes doen ontdekken, waarmede gij u langzamerhand zult verrijken, zonder gevaar voor het ijdel zelfbehagen, dat dikwijls het geduld aankleeft waarmee men schitterende Kruisen draagt.

En omdat gij zoodoende getrouw zult zijn geweest in het kleine, zal u de Heer, naar zijn belofte, over het groote aanstellen, d.w.z. over menigvuldige genaden die Hij u zal overzenden, en over een groote glorie die Hij u zal bereiden.

 

[1] Hooglied III. 6.

[2]Luc. I. 46.

[3] Ps. XLIV. 14.2. —

[4] I Cor. II. 9.—

[5] De H. Eucherius.

[6] De Zalige Schrijver bedoelt hiermede, dat de H. Maagd onvoldoende bekend is, en dat haar vereering moet bevorderd worden, zooals we in de laatste 70 jaren in de H. Kerk op aandringen der Pausen, op zeer merkwaardige wijze zien geschieden.

1 De verdeelingen, welke door den tekst zelf van het boekje zijn aangegeven, zijn niet in het handschrift door titels en opschriften verduidelijkt, doch door de bewerkers aangebracht.

2 Exod. III. 14.

3 Een uitdrukking aan den H. Bernardus ontleend, die letterlijk waterleiding  beteekent.

4 Eccli. XXIV. 13.

5 Eccli. XXIV. 13.—

6 Ps. LXXXVI. 3.

7 Gal. IV 19. — Ephes. IV. 13.—

8 Eccli. XXIV. 13.

9 Luc. XVII. 21.

10 Ps. XLVI. 13.

11 Men kan niet nalaten op te merken, dat juist in onze dagen, waarin een uiterste krachtinspanning des duivels is waar te nemen, ook de vereering der Allerh. Maagd een ongekende vlucht heeft genomen.

12  Deze voorspelling omtrent diepere kennis, vuriger liefde en hoogere vereering der H. Maagd, gaat in onzen tijd op treffende wijze in vervulling. Men denke slechts aan de Dogmaverklaring der Onbevlekte Ontvangenis, de Encyclieken van Leo XIII over den Allerh. Rozenkrans, Lourdes, de Maria-congressen, enz. enz.

13 Ps. LXVII. 14.

14 Ps. XXXIX. 1

1 Deze heerlijke bladzijden zijn nagenoeg geheel aan de H. Schrift ontleend. Vgl. o.a. Apoc. 1. 8 ; Eph. IV. 13 : Coloss. II. 9 ; Matth. XXIII. 10 ; Act. VII. 12 ; Matth. VII. 26, seqq ; Joann. XV. 6 ; Rom. VIII. 38. enz.

2 Toen de Zal. de Montfort dit schreef, heerschte het Jansenisme in Frankrijk. Zelfs geleerden en schrijvers van naam ondergingen zijn verderfelijke invloed. Men weet dat de Jansenisten door alle macht en door allerlei drogredenen de vereering der H. Maagd tegenwerkten.

3 Ten gerieve van hen die de Latijnsche taal niet machtig zijn, laten wij hier een overzetting van dit heerlijk gebed volgen :

« Gij zijt, o Jezus, de Christus des Heeren, mijn heilige Vader, mijn barmhartige God, mijn groote Koning, mijn goede Herder, mijn eenige Meester, mijn Helper vol goedheid, mijn Welbeminde vol schoonheid, mijn levend Brood, mijn Priester in eeuwigheid, mijn Gids naar het Vaderland, mijn waarachtig Licht, mijn heilige Zoetheid, mijn rechte Weg, mijn verhevene Wijsheid, mijn zuivere Eenvoud, mijn vredelievende Eensgezindheid, mijn algeheele Bescherming, mijn kostbaar Erfdeel, mijn eeuwig Heil.

O Christus Jezus, beminnelijke Heer, waarom heb ik heel mijn leven iets anders liefgehad, waarom iets anders verlangd, dan U, o Jezus, mijn God ? Waar was ik, toen ik niet met mijne ziel bij U was ? Van nu af ten minste, gij, al mijne begeerten, ontvlamt voor den Heer Jezus en vloeit naar Hem toe ; spoedt u, gij hebt reeds genoeg getalmd ; haast u naar uw doel ; zoekt in waarheid, dien gij zoekt. O Jezus, vervloekt hij, wie U niet bemint ; wie U niet bemint worde met bitterheid vervuld !.… O zoete Jezus, mogen al mijn zielskrachten die U kunnen verheerlijken, U beminnen, zich in U verheugen, U bewonderen. God mijns harten en mijn aandeel, Christus Jezus, moge mijn hart aan zijn eigen leven verzaken, en moget Gij voortaan in mij leven ! moge de gloeiende vuurkool uwer liefde in mijn binnenste ontvlammen en zich daar uitbreiden tot een laaien brand ; moge uw liefde onophoudelijk op het altaar mijns hart gloeien, moge zij in mijn binnenste branden, in het diepste mijner ziel ontvlammen. En moge ik zelf op den dag mijner ontbinding geheel verteerd voor U verschijnen. Amen. »

4 I Cor. VI. 19.

5 Vgl. Ps. I. 3 ; Joann. XV. 1–5 ; X. 11–16 ; Matth. XIII. 3–8 ; XXI. 13 ; XXV. 24 ; Eph. II. 10, etc.

5 Ps. XXXIII. 1.—

6 I Reg. XVI. 7. (I Samuël)

7 Philipp. II. 7.—

8 Gal. I. 10, en elders.

9 Men late zich niet afschrikken door den onaangenamen neventoon van het woord slaaf, wegens de misbruiken aan die instelling onder de menschen verbonden. Slavernij beteekent hier niets minder en niets meer dan algeheele, eeuwige en belangelooze dienstbaarheid, welke wij Jezus Christus moeten, en Maria ten minste kunnen betoonen. Het woord wordt niet alleen zeer dikwijls in de H. Schrift, doch ook door de allergrootste ascetische schrijvers gebezigd. Zie hierover : La Vie  Spirituelle à l’école du  Bx L. M. de Montfort par A. Lhoumeau, 3e ed. Oudin. Paris. p. 135 seq. Ook verkrijgbaar bij de Paters Montfortanen te Leuven en Hoensbroek (Holland. L.)

10 Aan Gods heerschappij is alles onderworpen, ook de H. Maagd ; aan de heerschappij der H. Maagd is alles onderworpen, zelfs God.

11 Gen. VI. 12.

12 De volgende woorden klinken hard in onze verwende ooren. In de 17e eeuw waren deze zegswijzen nog veelal in gebruik bij de missionarissen, zooals blijkt bijv. uit de preeken van P. Lejeune. Men bedenke, dat de Zal. Schrijver spreekt van wat de mensch is uit kracht zijner bedorven natuur, zonder de hulp der genade. Is ’t niet waar dat, juist omdat hij met verstand is begaafd, de mensch dikwijls verder gaat dan ’t dier in ’t bevredigen zijner verkeerde neigingen? Trouwens het zou niet moeilijk zijn dergelijke krasse bewoordingen in de H. Schrift te vinden.

13 Joann. XII. 25.—

14 I Cor. VII. 31.—

15 I Cor. XV. 31.—

16 Joann. XII. 24.

17 Col. III. 3.

18 II Cor. IV. 7.

1 Deze en de volgende bladzijden dragen wederom duidelijke sporen van den tijd en de omgeving waarin de Montfort schreef. Al deze opwerpingen tegen de vereering der H. Maagd zijn weer te vinden in het boek van een Duitsche Calvinist, Windenfelt, dat, onder den titel van « De la Dévotion à la Sainte Vierge et de culte qui lui est dû », in Frankrijk door de Jansenisten verspreid en aldaar zeer veel kwaad stichtte. Zie : Vie Spirituelle  par A. Lhoumeau, blz. 17.

2 Deze voorspelling mag gelden als een der treffendste en der duidelijkst vervulde, welke in de geschriften der Heiligen worden aangetroffen. De Gelukzalige voorspelt, dat zijn boekje in  de donkere stilte eener kist, « dans les ténèbres et le silence d’un coffre » zou begraven worden. Zoo geschiedde. Geschreven in de laatste levensjaren van den heiligen missionaris (hij stierf in 1716), werd het slechts in 1842 door een Pater van het Gezelschap van Maria te Saint-Laurent- sur-Sèvre in een kist te midden van oude boeken en geschriften geheel bij toeval gevonden. Het zou ook verscheurd worden, zegt de voorspelling. En inderdaad werd het boekje niet in zijn geheel teruggevonden.

3 Wie leest, begrijpe.—Matth. XXIV. 15.

4 Wie begrijpen kan, begrijpe.—Ibid. XIX. 12.

1 De godsvrucht door de Montfort beschreven, is niet de eenige oefening van ware godsvrucht tot de H. Maagd. Ze is echter de ware godsvrucht, d.i. de volmaakste uiting van ware godsvrucht, de ware godsvrucht bij uitnemendheid.

2 Epist. 49 ad Paulin.

3 De voornaamste gelofte is die, welke wij in het Doopsel afleggen.

1 Met den vrijgevige zal Hij vrijgevig zijn.

2 Wij bieden den lezer hier een vertaling dezer teksten :

« Maria heeft twee zonen : een Godmensch en een zuiver mensch ; van Gene is Zij Moeder op lichamelijke wijze, van deze op geestelijke wijze. » « Het is de wil Gods, dat wij alles verkrijgen door Maria ; weten wij dus wel, dat alle hoop, genade en heil van Haar afstroomt. »

« Al de gaven, deugden en genaden des H. Geestes worden door harer handen uitgedeeld aan wie Zij wil, wanneer Zij wil, zooals Zij wil en voor zooveel Zij wil. »

« Onwaardig als gij waart iets rechtstreeks te ontvangen, is het aan Maria gegeven, opdat gij alles door Haar zoudt ontvangen. »

3 Joann. XIX. 27.

4 Luc. I. 46.

5 Lib. de Aquæd.

[7]Prov. XXI. 28.

[8]Ps. XVII. 33.

[9]Ook in veel vroeger tijden werd deze uitmuntende devotie beoefend. De heilige koning Dagobert II (7e eeuw) uit dankbaarheid voor de verrijzenis van zijn zoontje op Maria’s voorbede verkregen, verklaarde zich,  volgens een gewoonte dier tijden, bij openlijke akte, slaaf der H. Maagd, en beloofde Haar altijd te zullen dienen. (Kronenburg, Maria’s Heerlijkheid in Nederl. I. blz. 98.)

Van Paus Joannes VII (705-707) is het volgende merkwaardige opschrift weergevonden : Johannis servi Scœ Mariœ. Johannou doulou tès Theotokou, « Johannes, slaaf der Moeder Gods » (Battandier, Annuaire Pontifical 1906, blz. 145.)

[10]Door Paus Leo XII tot Kerkleeraar verheven.

[11]De zalige Schrijver bedoelt hier klaarblijkelijk Cesarius von Heisterbach, ordebroeder en tijdgenoot van Walter van Bierbeek. Deze, zoo genaamd naar het dorp Bierbeek, bij Leuven, was een beroemd ridder uit het begin der 13e eeuw. Hij wijdde zich aan Maria als lijfeigene toe, en trad in de orde der Cisterciënsers. Cesarius heeft zijn leven beschreven in zijn Dialogus Miraculorum. De Bollandisten hebben Walter van Bierbeek met den titel van Gelukzalige in hun Acta Sanctorum opgenomen. Zie : Kronenburg, Maria’s Heerlijkheid in Nederl. V ; Bourassé, Summa Aurea de laudibus B. V. M. XI. Ed. Migne ; Acta Sanctorum. 22 Jan.

[12]De H. Germanus van Constantinopel. (Sermo 2 in Dormit.)

[13]Dezelfde (Orat. in Encoen. vener. aedis. B. V.)

[14]Van ganscher harte en met vasten wil. (II. Mach. I, 3.)

[15]I Cor. XII. 31.

[16]Bewaar het U toevertrouwde pand (I Tim.VI. 20).

[17]De H. Joannes Damascenus.

[18]Eccli. XXIV. 20. (Jesus Sir. XXIV. 25)—

[19]II Tim. II. 12.—

[20]Prov. VIII. 17.

[21]Ps. CXVIII, 56.—

[22]Cf. Joann. XIX, 27.—

[23]Ibid. XVII, 10.

1Gen. XXVII.

2 Ps. XLIV. 14.

3 Ps. CXI. 3.

4 Ps. LXXXIII. 7.

5 Honora Dominum de tua substantia. (Prov. III. 9.)

6 Gen. XXVII. 8.—

7 Joann. II. 5.

8 Hom. 36. in Ev.

9 Prov. VIII. 32.

10 Ps. CXVIII. 21.—

11 Prov. VIII. 17.

12 Rom. IX. 13.

13 Cf. al. 23 en volgd.

14 Prov. XXXI. 21.

15 Gen. XXVII. 28.

16 Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegening in Christus Jezus. (Ephes. I. 3.)

17 Ps. XCIII. 3,4.—

18 Ps. XXXVI. 35.

19 Sap. III. 8.

20 Eccli. XXIV. 26.

21 Pov. IX.—

22 Cantic. V. 1.

[24]Is. LXVI. 12.—

[25]Is. X. 27.

[26]Cant. VI. 3.

[27]Gen. XXVII. 27.

1 Zie voetnoot bij alinea 79.

2 S. Luc. I. 38.

3 Ps. CXIX. 94.

4 S. Bonav. in Psalt. Min. B.V.—

5 Ibid.

6 Ps. CXXX. 1, 2.

7 Idiota (In contempl. B. M. V.).

8 S. Luc. V. 5.—

9 Agg. I. 6.

10 S Luc. I. 46.

1 Matth. XXIII. 23.

2 Matth. V. 16.—

3 Hom. II in Evang.

4 Deze wensch van den Zaligen schrijver is verwezenlijkt ; die Broederschap is opgericht onder den naam van : « Aartsbroederschap van Maria, Koningin der harten. »  Zie bijvoegsel.

5 Hier verwijst de Zalige schrijver naar « het eerste deel van deze voorbereiding tot Jezus’ rijk. » Iets verder spreekt hij van de Litanie van den H. Geest en een gebed, « welke in het eerste deel van dit werk worden aangegeven. » In de 7e uitwendige oefening verwijst hij naar oefeningen van verachting der wereld, welke hij in het eerste deel heeft aangeduid. Dat alles schijnt wel te bewijzen, dat niet de geheele arbeid van den Gelukzalige in 1842 werd teruggevonden. Men mag veronderstellen, dat het volledige werk als eene « Voorbereiding tot Jezus’ Rijk »  was bedoeld. Het eerste deel daarvan behandelde waarschijnlijk den geest der booze wereld, welke met den geest van Jezus Christus tegenstrijdig is, en waaraan wij dus moeten verzaken. Het tweede deel, de ware Godsvrucht tot de H. Maagd, geeft ons dan een kort, gemakkelijk en zeker middel aan, om Jezus’ rijk in onze zielen te vestigen.

6 Zie voetnoot bij alinea 79

7 Voor deze gebeden en andere voorbereidende oefeningen, zie verder : « Oefeningen en Gebeden. »

8 Zie voetnoot bij alinea 67

9 De Litanie van den Zoeten Naam of van ’t Goddelijk Hart van Jezus.

10 Deze plechtige hernieuwing der toewijding, voorafgegaan door de hier beschreven voorbereiding, kan ook gedaan worden op een ander hoogfeest van de H. Maagd, bijvoorbeeld Maria-Boodschap.

11 300 Dagen aflaat voor de leden van de Aartsbroederschap van Maria, Koningin der harten. Zie Bijvoegsel.

12 Deze kettinkjes kunnen vervangen worden door een medaille, zooals den leden der Aartsbroederschap wordt aanbevolen. Zie Bijvoegsel.

13 Os. XI. 4.

14 Ps. II. 3.—

15 Eccli. VI. 25.—

16 Ibid. 26.—

17 Eccli. VI. 24.—

18 Ibid. 31.

19 Joann. XII. 32.—

20 Eph. III. 1.

21 O Jesu, vivens in Maria, veni et vive in famulis tuis, in spiritu sanctitatis tuæ, in plenitudine virtutis tuæ, in perfectione viarum tuarum, in veritate viritutum tuarum, in communione mysteriorum tuorum ; dominare omni adversæ potestati, in Spiritu tuo, ad gloriam Patris. Amen.

22 Hebr. IV. 16.—

23 Hierbij moet worden aangestipt, dat thans wel algemeen wordt aangenomen, dat de openbaringen van Alanus de Rupe, als zoodanig, weinig vertrouwen verdienen.

24 Lib. de Dignitate Ros. Cap. II.

25 II Cor. IX. 6.

26 Luc. I. 51.

[28] Rom. VIII. 14.—

[29] Expos. in Luc., lib. II, n. 26.—

[30] De H. Alfonsus Rodriguez

[31]Cant. IV. 12.

[32]Eccli. XXIV. 30—

[33]Ps.LXXXVI. 5.

[34]Deze raadgeving vooral worde niet in den wind geslagen. Het begrijpen en smaken is eene genade, eene zeer groote genade, die door het gebed moet verkregen worden. Men vrage dus dagelijks aan God eene ware en volmaakte godsvrucht tot de H. Maagd, die, zooals hieronder blijken zal, alle andere genaden bevat.

[35]Men doorgronde wel de hier volgende dogmatische waarheden. De « Ware Godsvrucht » wortelt diep in de grondwaarheden van het christendom. Ze steunt bijzonder op het algemeen Middelaarschap van Maria in het mededeelen der genaden, zoodat men terecht op ’t Maria-congres te Brussel mocht beweren, dat de Ware Godsvrucht van den Zaligen de Montfort « de meest logische en de meest volmaakte erkenning is onzerzijds van Maria’s algemeen Middelaarschap ». (Zie : Handelingen van het Vlaaamsch Maria-Congres, blz. 351-358.)

[36]Op dezelfde wijze redenaart Z. H. Pius X in de Encycliek Ad diem illum : « Is Maria niet de Moeder van Christus? Zoo ja, dan is Zij ook onze Moeder. » Dit bewijs steunt hecht en vast op de wonderschoone en zoo troostvolle leer van de eenheid van Christus met zijn mystiek Lichaam, de geloovigen.

[37]Allergewichtigste waarheid : Maria is wezenlijk en waarlijk onze Moeder, even waarlijk onze  Moeder naar het leven der genade, als Zij naar het vleesch de Moeder van Jezus is. En Zij is onze Moeder naar een steeds werkdadig Moederschap, zooals de Montfort in 8˚ verklaart. Onophoudelijk deelt Zij ons het goddelijk leven der genade mede. Welke plaats moet zulk eene Moeder in heel ons leven innemen?

[38]Er is hier geen sprake van eene zelfstandige of persoonlijke tegenwoordigheid van Maria in die zielen. Die tegenwoordigheid bestaat hierin : 1˚ dat Maria in het licht van God alles kent en ziet wat in ons en met ons gebeurt ; 2˚ Zij beïnvloedt onze zielen door de genade, welke Zij ons mededeelt. Zij is dus aldaar door hare werking aanwezig. In dienzelfden zin ongeveer zegt men, dat de zon in een vertrek is, hetwelk ze door haar licht en warmte doorstraalt.

[39]De vereeniging van twee naturen in één persoon.

[40]Wanneer men deze zin vergelijkt met hetgeen de Zalige de Montfort hierboven (blz. 251.) en in zijne andere werken, vooral in zijn hoofdwerk « De Ware Godsvrucht tot de H. Maagd. » heeft geleerd, en het logisch verband in ’t oog houdt met wat hier voorafgaat en volgt, dan kan deze zin geene andere beteekenis hebben dan : men kan niet zonder vermetelheid ontkennen, dat God somwijlen genaden mededeelt, welke  Hem niet uitdrukkelijk door Maria’s bemiddeling werden gevraagd.

[41]Men late zich niet afschrikken door het woord  slaaf of slavernij, maar beschouwe alleen de zaak, welke hierdoor beduid wordt. Het beteekent niets anders dan : algeheele, eeuwige  en belangelooze toewijding  en dienstbaarheid. Geen ander woord drukt tegelijk deze verschillende begrippen uit. Verre dat dit woord, in zijne essentieele beteekenis genomen te krachtig zou zijn om onze afhankelijkheid uit te drukken, blijft het integendeel beneden de werkelijkheid. Immers de ziel van den slaaf behoorde zijn meester niet, en zijn slavernij hield op bij den dood.

[42]Wanneer gij Haar volgt, dwaalt gij niet af ; wanneer gij Haar bidt, behoeft gij niet te wanhopen ; wanneer gij aan Haar denkt, wordt gij niet bedrogen ; wanneer Zij u ondersteunt, valt gij niet ; wanneer Zij u beschermt, hebt gij niets te vreezen ; wanneer Zij u geleidt, wordt gij niet moede ; wanneer Zij u gunstig is, bereikt gij de haven des heils.

[43]Zij weerhoudt haar Zoon, opdat Hij niet straffe ; Zij weerhoudt den duivel, opdat hij niet dere ; Zij behoudt de deugden, opdat zij niet wijken ; Zij behoudt de verdiensten, opdat zij niet verloren gaan ; Zij behoudt de genaden, opdat zij niet wegvlieden.

[44]Een kloosterzuster der orde van den H. Dominicus, in geur der heiligheid gestorven in ’t jaar 1634, in ’t klooster van Langeac (Auvergne).

[45]Het spreekt vanzelf dat ’t niet mogelijk is ieder oogenblik en onophoudelijk aan de Heilige Maagd te denken en zich onder één der hier aangegeven vormen met Haar te vereenigen. In «De Ware Godsvrucht » geeft de Montfort hieromtrent practische raadgevingen. « Alvorens eene handeling te beginnen, moet men zich aan Maria overleveren en zich geheel in Haar verliezen. Dit kan heel eenvoudig en in één oogwenk geschieden : door een vluchtige oogopslag van den geest, eene lichte beweging van den wil, of ook mondeling.— Gedurende en na zijne handelingen moet men nu en dan dezelfde akte van opdracht en vereeniging hernieuwen. Hoe meer men het doet, des te eerder zal men zich heiligen en tot de vereeniging met Jezus Christus geraken. » (noot 259 v.d. « Verhandeling over de Ware Godsvrucht tot de H. Maagd »)

[46]Men begrijpe goed de gedachte van den zaligen schrijver. ’t Is geenszins zijne bedoeling de ziel te verhinderen te bidden tot Jezus, te spreken tot God. Weliswaar wanneer wij tot Maria bidden, bidt Zij voor ons tot God ; wanneer wij Maria  zeggen, zegt Zij God. De zaligen de Montfort zegt echter, dat wij nooit alléén tot God moeten gaan. Om dezen raad getrouw te volgen is het voldoende, dat de ziel bij den aanvang bijv. van overweging of dankzegging, verzake aan eigen gevoelens en inzichten, zich vereenige met Maria, verder niet steune op eigen kracht, doch steeds op de voorspraak en de verdiensten van de H. Maagd ; hetgeen geschiedt door van tijd tot tijd een blik op Haar te werpen, een zucht tot Haar op te zenden : die ziel is waarlijk gegaan tot Jezus door Maria.

[47]Zie noot 16 voor de wijze waarop Maria in ons is en wij in Haar. Door de veelvuldige gedachte aan Haar en den liefdenvollen omgang met Haar moet deze vereeniging onzerzijds sterker en inniger worden. Men bediene zich hiervoor in den beginne, naar het voorbeeld van den Zaligen de Montfort zelf, van kleine middeltjes : bijv. men drage bij zich een beeldje van Maria, of plaatse eene beeltenis van Haar vóór zich gedurende den arbeid enz.

[48]Eene aantrekkelijke en zeer heilzame oefening is het alles voor Maria te doen in den geest van apostolaat, om door ons lijden, onze gebeden, onzen arbeid, zelfs door onze meest gewone handelingen, als eten, drinken, enz., te verkrijgen het rijk der Maria over alle harten, opdat daardoor Jezus volmaakt over alle zielen mogen heeerschen Dit schoone ideaal drukte de Zalige de Montfort aldus uit :

Ut adveniat regnum tuum,

                Adveniat regnum Mariœ !

                Opdat kome uw rijk !

                Laat komen het rijk van Maria !…

[49]« De zoete tegenwoordigheid der H. Maagd, » waarvan hier sprake is, behoort tot de hoogere orde van het geestelijk leven, mystiek genaamd, en bestaat in de gevoelde gewaarwording van Maria’s inwonen in de ziel. De Zalige de Montfort was in den hoogsten graad met deze genade begunstigd.

[50]Mijne kinderkens, die ik andermaal baar, totdat Christus in u gevormd zij.

[51]Meermalen voorzegt Montfort de tegenkantingen en vervolgingen die de beoefenaars der « Ware Godsvrucht » te verduren zullen hebben. Eene reden te meer, zegt terecht Pater Lhoumeau, om met vastberaden wil in zijne overgave aan Maria te volharden !

[52]Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priester-dom, een heilig volk, een aangewonnen volk. (I Petr. II. 9)

[53]De Gelukzalige spreekt hier slechts van de volmaakte  christenen, die in het kruisdragen geheel en al willen gelijkvormig worden aan Jezus.

[54]Choisis une Croix que tu voies au Calvaire.

Choisis bien sagement ; car il est nécessaire

De soufrir comme un saint ou comme un pénitent,

Ou comme un réprouvé qui n’est jamais content.

[55] De Navolging van Christus van Thomas a Kempis

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.