Vastenmeditatie: Het Laatste Avondmaal

Zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat hij komt.                                                                  I Kor. 11,26

Nooit in de geschiedenis van de Katholieke Kerk is de geestelijke nood en ontreddering onder de gelovigen zo groot geweest als nu. De veertig dagen Vastentijd is de meest geschikte tijd om die ramp te boven te komen en ons tot Christus te bekeren. Het is – volgens de bedoeling van onze moeder de Heilige Kerk – een tijd van boete en zuivering, een tijd van ernstige bekering en zelfhervorming.

Deze meditatie gaat over het Heilig Misoffer, dat …pridie quam paterteturdaags voor zijn Lijden werd ingesteld. Toen de tijd van ‘s Heren ontferming en barmhartigheid gekomen was, waarop Hij besloten had Zijn volk te redden en te verlossen niet met vergankelijk zilver of goud, maar door Zijn eigen kostbaar Bloed,[1] wilde Hij met Zijn leerlingen voor de laatste keer het Paaslamoffer vieren in het Oude Verbond. Daarna stelde Hij het Paaslamoffer in van het Nieuwe Verbond. Dit Offer was Hijzelf en dat vieren wij tot op heden in het Heilig Misoffer.

Zoals in het Oude Verbond naar het bevel van God het dagelijkse offer in de Tempel plaats vond, zo ook draagt in het Nieuwe Verbond iedere priester dagelijks het Heilig Misoffer op.

Prof. Dr. Klaas Steur, hoogleraar dogmatische theologie te Warmond, 1953

+++

Vastenmeditaties in deze tijd! In de tijd van de verhevigde Godsnood en in de tijd van het verlevendigde Godsbesef; want deze tegenstellingen ontmoeten elkaar vandaag de dag. Enerzijds moeten ‘Heiligen naar de hel gaan’, naar de plaats, waar God niet is, tenzij als voorwerp van haat en vloek, om daar het priesterlijk dienstwerk en de boodschap van God te brengen. Anderzijds lopen honderden pardoes tegen God aan en zeggen: J’ai rencontré Dieu – Ik ben God tegengekomen op de hoek van de straat, in een park, ik heb Hem ontmoet, niet waar Hij woont, maar daar waar ik leef: in slop en krot, in mijngang en fabriek. De titels van twee veelgelezen, stukgelezen Franse boeken zeggen het voor iedere boekwinkelruit: Les saints vont en enfer – De heiligen gaan naar de hel; en J’ai recontré Dieu. We kunnen daarom niets ander doen dan als algemeen thema nemen: Hij, niet wij. Hij, God, daar is Hij, ons nabij, werkelijk, dat moet spreken uit ieder woord dat gezegd wordt vanaf de preekstoel en ook uit ieder woord dat gij tot u zelf spreekt in de stilte van uw hart.

Maar het is – we zullen het zelf bemerken – evenzeer nodig, dat wij daarna niet wij zeggen, want terwijl wij naar God willen kijken, met Hem willen praten in een intiem gesprek, dat ons hele leven op de meest reële manier raakt, zoemen wijzelf als een lastige vlieg steeds om ons heen en leiden de aandacht van God af: het gesprek stokt, de aandacht is verdeeld, het contact breekt zo licht. Er is maar één oplossing: Wij moeten op jacht naar ons zelf aan, wij moeten ons zelf van ons afslaan: niet wij.

Wij zullen gaan zien, hoe God de Vader Jezus Christus gestuurd heeft en heeft laten lijden en sterven, om dat Hij, niet wij ons te tonen en eeuwig in herinnering te houden, het in ons uit te werken ook. Wat wij, mensen, uit onszelf, ook met geloof en liefde, nog maar zo moeilijk kunnen, waar wij, aan ons zelf overgelaten, zo licht het spoor bijster raken, daar zond de Vader Zijn eigen Hemelse Zoon, Zijn beeld en eeuwige afglans2 om onder ons te verschijnen en Gods heerlijkheid te openbaren, klaarder dan de dag, opdat wij kleine kinderen van God in de wereld, Hem zouden zien en kennen en de weg zouden weten3. Die weg zou vooral in het Lijden blijken te lopen over het Niet wij, maar Hij. Nogmaals, dat moeten de woorden van hieruit vertolken, maar daar moet meer nog uw eigen gelovig hart de tolk van zijn.

Om dit thema in te scherpen, dient beter dan alle meditaties: het dagelijkse Heilig Misoffer. Want dat preekt dit thema ook: let maar op de woorden van de apostel Paulus, die U las aan het begin van deze meditatie. Die Heilige Mis preekt dit thema niet alleen, maar laat het niet bij woorden, ze doet het in levende lijve zien, ja, ze doet het Lijden herleven in Jezus Christus, wanneer Deze Offerend tegenwoordig komt. Die Heilige Mis is bovendien dagelijks onder ons: alleen daarom al is zij meer waard dan meditaties. De  Heilige Mis is de dagelijkse werkelijkheid van wat wij ieder jaar gedurende enkele ogenblikken overwegen en onder woorden proberen te brengen. Om die Heilige Mis begeven we ons nu ook eerst naar de zaal van het Laatste Avondmaal, waar de eerste  Heilige Mis werd opgedragen. Dit Avondmaal moet ons laten zien aan, dat iedere  Heilige Mis ons leert: God is alles , en wij zijn niets. Niet wij, maar Hij.

Maar laten we eerst bidden opdat onze meditatie gezegend moge zijn; dat is niet ouderwets; het nalaten ervan is een teken van een misschien op sterven liggende tijdgeest, die God vergeet en meent Hem niet nodig te hebben; in ons bidden moet de nieuwe tijd van het herleefde Godsbesef en Godsgeloof blijken: Niet wij, maar Hij. Ook hier. Wij kunnen niets, Hij kan alles4). Wij hebben Genade en Licht nodig, anders kan ik niets zeggen en U niets besluiten of doen.

 ‘Gerechte Vader, de wereld heeft U niet gekend. Maar Ik, Uw Zoon Jezus, Ik heb U wel gekend, en Ik heb aan hen Uw Naam bekend gemaakt5, Want dat is immers het hele Eeuwige Leven: dat zij U kennen, de enig waarachtige God6. Voor het leven was ik gekomen, dat allen het leven zouden hebben, het overvloedige leven7. Daarvoor heb ik Uw Naam bekend gemaakt: Uw Naam is Heilige, Almachtige, Sterke, Onsterfelijke God: Sanctus Deus, Sanctus fortis, Sanctus immortalis! Heilig ook ons in die Waarheid.8).

 ‘Heer Jezus Christus, goede Meester, die knecht hebt willen zijn: knecht van God en knecht van ons.9 Die gekomen zijt om te dienen, niet om gediend te worden10 ; leer ons, wat het zeggen wil: “Altijd te zijn in de dingen van Uw Vader”11).’

 

Voorbereiding tot het Paasmaal

Petrus en Johannes werden donderdagmorgen in de Goede Week door Jezus naar de stad gestuurd. Zij zouden een man met een kruik ontmoeten; die moesten zij volgen, zei Hij hun. Die kruik zou hun een teken wezen. Zo’n man was zeker een opvallend iets; want de vrouwen haalden altijd het water en zij droegen dat mee in kruiken op het hoofd. Dat was geen mannenwerk. De enige mannen die water droegen waren de waterventers, en die droegen het niet in een kruik, maar in waterzakken. Was deze aanwijzing van Jezus een profetie, of een afspraak? Het heeft er veel van weg dat er een afspraak gemaakt was tussen Jezus en die man over de zaal, waar Jezus het Avondmaal zou houden: daarom spreekt Jezus over mijn zaal en daarop wijst Hij ook, dat de zaal bereid, voorbereid genoemd wordt.12

De zaal was klaar, omdat er reeds over gesproken was: het was Zijn zaal, die reeds besproken was. Bij die gelegenheid was misschien ook het teken van de man met de kruik afgesproken.

Waarom opperen wij de vraag of het hier een profetie geldt of een afspraak? Omdat er iets geheimzinnigs zit in deze man met de kruik, en wij vragen ons – niet louter academisch of nieuwsgierig – af: waarom die geheimzinnigheid? Zat daar iets achter? Ik geloof het wel. De plaats van het vieren van het Paasmaal moest onbekend gelaten worden voor de leerlingen, om Judas te verhinderen het Laatste Avondmaal te storen. Daarom noemde Jezus niet de huiseigenaar en het straatnummer, opdat Judas het niet zou kunnen overbrieven aan de oversten van het volk. Dat Laatste Avondmaal was te voornaam en te gewichtig. Vurig had Hij verlangd, eer Hij ging lijden, dit Paasmaal met hen te eten.13) Hij had ernaar verlangd met even grote vurigheid als naar Zijn Dood.14 Het belang van beide was even groot, omdat de realiteit van beide niet verschilde. Hier stichtte Hij het Nieuwe en Eeuwige Verbond in Zijn Bloed.15 Deze grote gebeurtenis wierp haar schaduw reeds vooruit in de verre voorbereiding ervan. Jezus deed dat nog eens, toen Hij zijn leerlingen Zondags te voren uitstuurde voor de ezel, die Hem Jeruzalem zou binnendragen: ook zijn Triomftocht mocht niet worden gestoord.16) Waarom? Hij was gekomen om Gods Heerlijkheid uit te stralen: dat moest gebeuren. Dat zat bij Hem overal achter. De feiten, zoals het Paasmaal, hadden geen puur menselijke betekenis alleen, maar waren openbaringen van God. Ongestoord moesten dezen kunnen worden voltrokken. Van de eenvoudige ‘man met de kruik’ kunnen we met Augustinus zeggen: Iam incipiunt Mysteria…,17 met hem beginnen de Geheimen. Hij is reeds een voorwerp van ons Geloof; want in hem straalt reeds uit het eerste aanlichten van Gods Heerlijkheid. Hij is de bode van Jezus’ boodschap, die niet anders luidde dan: Ik zoek mijn eigen glorie niet maar die van Hem die mij zond.18) Dit moet uitstralen, ongestoord, ook als alles ervoor waakt om dit te verhinderen.19

1

Voetwassing

Ook zij moet bezien worden als een voorbereiding op de Instelling van de Eucharistie. De voetwassing moest de apostelen vertrouwd maken met het dienen, met het niet wij, maar Hij, dat in het Offer zijn toppunt bereiken zou. Het was niet enkel een gebeuren dat het gewone binnentreden van de stoffige weg af besloot en de maaltijd voorafging, maar een gebeuren dat de maaltijd onderbrak en de Eucharistie zin moest geven. Daarom deed Jezus het zelf. Van daaruit is alleen het plechtige begin te verklaren, waarmee Johannes het verhaal opent: ‘Wetend, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven, dat Hij van God was uitgegaan en tot God wederkeerde, omgordde Hij zich,20 dat alleen al wijst op de ernst van het gebeuren. Daarop wijst ook, dat Petrus’ verzet gebroken moest worden en dat eeuwige navolging geëist wordt. Het is geen gewone voetwassing met een profane bedoeling, waartoe Jezus zich zou vernederd hebben, maar zij is een symbolisch gegeven, een mysterie in de oorspronkelijke betekenis van het woord: een wonder gebeuren, dat daarom een teken was. Jezus zou nederigheid eisen tegenover hoogmoed, dienstbaarheid en deemoed tegenover ongehoorzaamheid en autonomie: ministrare, non ministrari: dienen, niet gediend worden.21 Jezus zou absolute gehoorzaamheid eisen zonder inzicht: de ‘hoge’ mens buigt voor het ‘domme’ bevel in de dienstbaarheid volgens Zijn voorbeeld. Daarom had het duel plaats tussen Petrus en zijn spontaan menselijke ‘Mij niet’ en Christus met Zijn rustig goddelijke:  ‘Dan geen deel met Mij.’ 22 Zonder inzicht wordt instemming geëist: dat is de nekbreuk van de  ‘mens’, die de geboorte van de ‘Christen’ wordt. Dat is de noodzakelijke voorbereiding op het offer: dat offer staat op zijn beurt weer tegenover de godloosheid van Adam en is dáárom noodzakelijk. Noodzakelijk voor iedereen die de eerste zonde erfde. Dienen was en is scheppingsdoel. In verband daarmee is de voetwassing een voornaam gebeuren, ja beslissend zelfs, want anders heeft men immers geen deel met Hem. Waarom? Waarom die deemoedeis en die dienplicht? Deze zijn het bewijs van ‘voor-God-willen zijn.’ Punt uit! Dat bewijs moesten de leerlingen aanvaarden van Christus, en hij eiste op zijn beurt hun navolging daarin. Hij zal door zijn voetwassing tone, dat het leven één groot niet wij, maar Hij moet zijn, en legt daarom de plicht tot navolging op. Dóór Hem zullen allen dat ook kunnen; Hij is de oorzaak en het oerbeeld van ons buigen, doordat Hij het eerst gebogen heeft. Wij moeten het Jacques van Ginneken na zeggen: Jezus, wat is Uw buigen schoon!23

Het besef van ‘voor-God-zijn’ is aller voornaamst. De voetwassing wil nu als het ware aangeven: Zalig, als gij het ook doet, als gij er ook naar handelt.24 Besef alleen is niet voldoende, al is het voornaam. Doen is meer. De leerlingen hadden die les metterdaad wel nodig, want hun ontbrak nog zo zeer het besef van voor-God-willenzijn en van dienstbaarheid. Kort vóór het lijden moest Jezus tot Petrus nog zeggen: ‘Ga achter Mij weg, satan, tegenstander, gij zijt mij een ergernis. Want ge hebt geen begrip voor de dingen Gods.’ Daarom noemt Jezus Petrus satan, tegenstander, want satan kon dat begrip voor God ook niet hebben om zijn devies: non serviam: ik dien niet; daarom was Petrus Jezus’ tegenstander, want Jezus was altijd in de dingen van Zijn Vader25 – ‘Gij hebt alleen maar begrip voor de dingen van de mensen.’26 Uit de ernst van dit gesprek ziet men wel naar voren komen, hoe zwaar Jezus aan de dienstbaarheid tilt. Maar uit de rangstrijd der apostelen bij het Laatste Avondmaal bleek dit wanbegrip nog27 en niet minder uit de strijd tussen Jezus en Petrus, waar hij het Mij niet van Petrus zelfbehoud betekende, waartegenover Jezus’ wijzen op het deelgenootschap met Hem overgave aan God was. Christus zet al dat wanbegrip recht door de voetwassing; ‘Ik heb u een voorbeeld gegeven; opdat ook gij zoude doen zoals Ik u gedaan heb.’28 Een allerduidelijkst voorbeeld, een ‘goddelijk’ voorbeeld, dat daarom een ‘wonderteken’ mag heten, want voetenwassen was een slavendienst, waarvoor zelfs een joodse slaaf niet gebruikt mocht worden. Dat deed Jezus, de Heer, de van eeuwigheid gezegende God.29  Wel een bewijs, dat in Zijn oog vernedering en verloochening van Zichzelf allervoornaamst zijn. Dát is Christendom, dát tot het uiterste.

1

Het Cenakel

 

Paasmaaltijd

Vooral deze laatste was een voorbereiding op het instellen van de Eucharistie: Jezus ging van het Paasmaal over op de eerste  Heilige Mis. Zoals Jezus indertijd aan Zijn rede te Kafernaüm ook de broodvermenigvuldiging en het wandelen op het meer – twee grote wondertekenen – liet voorgaan, om door die wonderen zijn woorden van belofte over het eten van Zijn Vlees en het drinken van Zijn Bloed aannemelijkheid te verschaffen,30 zo liet Hij nu ook aan de instelling van de Eucharistie de voetwassing en het Paasmaal voorafgaan als twee andere wondertekenen. Belofte en vervulling ervan komen zo in innige parallellie, echt Johanneïsche parallellie, naast elkaar staan. Niets is zonder zin bij Jezus. Dat zag St. Jan het scherpst. De visie moet wellicht ook antwoord geven op de vraag waarom de Zaligmaker het Paasmaal vooruit vierde, zoals juist ook Johannes zo scherp liet uitkomen, in tegenstelling met de andere evangelisten. De farizeeën en het volk deden dit pas op Goede Vrijdag. Op de morgen van die dag wilden zij het rechthuis van Pilatus, de heiden, niet binnentreden, om zich niet te verontreinigen en het Pascha te kunnen eten.31 Christus verzette het Paasmaal, omdat Hij er belang bij had dit te verbinden met de instelling van de Eucharistie. Er was voor Hem verband tussen beide. Hij had de Eucharistie toch ook los van het Paasmaal, ja zelfs na de Verrijzenis kunnen instellen (bijvoorbeeld te Emmaüs of bij het maal aan het meer van Tiberias), zoals Hij de Biecht ook instelde op Paasavond. Hij heeft dat niet gewild om het innige verband van Paasmaal en Eucharistie, even innig als tussen Doodsdatum en Pasen. Hij moest sterven op het Joodse Paasfeest: het feest der bevrijding uit Egypte moest de dag zijn van de Verlossing.

Maar de Eucharistische viering van Zijn Dood zou niettemin óók met de Paasviering allerintiemst verbonden blijven. Daarom vierde Hij het Paasfeest vooraf. Hij handelde hier als de Heer van de Sabbat, die ook de Heer van het Paasfeest was.32 Dan moet het Hem wel voornaam voorgekomen zijn, om dit verband te handhaven, want niet zo vaak treedt Hij op als Heer van alles, veel meer als Mensenzoon. De redenen die Hem ertoe bewogen, moeten wij zoeken in de belangrijkheid van dat verband.

Er was een veelvoudige verhouding tussen Paasmaal en Heilige Mis. Zo is het Paasmaal een tegenwoordig stellen van het verleden en een verwijzen naar de toekomst: de Eucharistische viering is dit ook. Het Paasmaal wees steeds voorruit naar Christus’ dood en herinnerde aan de bevrijding uit het diensthuis van Egypte.33 Het Heilig Misoffer op zijn  beurt herinnert weer aan Christus‘ dood en stelt de uiteindelijke bevrijding van de christen in diens christelijk sterven. Het joodse paasmaal is vervolgens niet alleen herinnering- en verwijzingmaal, maar het is ook een offermaal. Precies hetzelfde geldt ook van de Eucharistie. Het eerste is immers de herinnering aan de bevrijding uit Egypte en aan het sparend voorbijgaan van de verderfengel: deze herinnering leefde ieder jaar weer op aan een maaltijd, waar een geslacht lam de spijs was, die een offer besloot.

De  Heilige Mis herinnert aan Christus’ sterven als bevrijding van de duivel en aan het sparend voorbijgaan van deze om Christus’ Bloed, dat onze lippen verft, maar dat eerst vergoten wordt in een Offer, dat dagelijks nog tegenwoordig komt onder iedere Heilige Mis. Maar het voornaamste is wel, dat Paas- en Misoffer beide een verbond besloten en bekrachtigden. Het Paasoffer was de bezegeling van het Oude Verbond, het Misoffer is de bezegeling van het Nieuw en Eeuwig Verbond.

Het Joodse Paasmaal en het Heilig Misoffer zijn beide verbondsmaaltijden. Dit is het bloed van het Verbond over u allen.34

“Dit is Mijn Bloed van het Verbond:’35 Verbondsbloed! Wat is dat verbond, waaraan hier door de Paasviering zo sterk herinnerd wordt? Het antwoord op die vraag verklaart al het voorgaande. Het Verbond met God is kort en goed: dat wij van God zijn en God van ons. Niet meer zichzelf zijn. Verbond is: van God worden. ‘In hun hart staat geschreven: Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.36 Wij zijn niet meer van onszelf, maar van Hem: Zijn volk! Nogmaals, wat is een verbond? Vraag dat gehuwden: zij moeten het weten, want zij leven in een verbond. Hoor de Apostel Paulus daarover: ‘De man heeft geen macht meer over zichzelf, maar de vrouw heeft die macht, en omgekeerd.’37 Zo heeft de Christen geen macht meer over zichzelf, maar Christus heeft die macht in Gods Hand gelegd, toen Hij zich in onze naam met God verbond. En sloot hij dat verbond ook niet als een huwelijk, toen Hij op het Kruis de Kerk aan God voorstelde als Zijn Bruid, na haar gewassen te hebben in Zijn Bloed?,38 en was altijd niet het verbond een bruidsverbond, al in het Oude Testament? De wet van Paulus voor het echtverbond was de wet van elk verbond: Niet wij, maar Hij!

Verbondsbloed is altijd offerbloed dat ons pijn doet, en bloed dat ons goed doet: bloed dat aan onszelf ontvloeit en ons ontledigt, bloed, dat ons aan God toewijdt en rijk en levend maakt. Offerbloed spreekt van offeren: het offer wijst erop dat wij niet voor onszelf zijn, maar voor God. Vroeger werden het volk en het Altaar – dit laatste als vertegenwoordiger van God – besprenkeld met offerbloed. Nu is er nog een veel intiemer verbond, want wij eten het Lichaam en drinken het Bloed. Daarin gaf Christus het bewijs dat ook Hij niet van Zichzelf, maar van ons wilde zijn. Was er krachtiger bewijs mogelijk dan dat Hij Zich te eten en te drinken gaf? Christus’ Bloed werd vergoten, d.i. geofferd voor ons en voor velen, tot vergiffenis der zonden,39 als zoenoffer dus tot een Nieuw Verbond, een eeuwig verbond40 Dat is het Verbond in het Bloed van het Lam Gods.41 Niemand behoeft ons dit verbond te leren. Want God zelf is in ons door Jezus’ Bloed, dat wij drinken. Hij leert ons het verbond met God, dat ons uit ons zelf zou ontgaan.42 Zoals Christus van God werd in het Offer van Zijn Leven tot het uiterste Bloedvergieten toe, zo moeten ook wij van God zijn zonder reserve: usque ad sanquinem, ten bloede toe.43 God werd van Christus van ons totaal, gestorven voor ons; dan hebben wij van God te zijn even totaal, gestorven aan ons zelf. Dat heeft het Bloed gedaan van Christus. Dat niet als weleer over ons gesprenkeld werd. Maar dat door ons gedronken werd en dat ons door de ziel vloeit en ons stuwt naar God. Zoals het dit Hemzelf deed. Het is om de verbondsgedachte, dat Paasmaal en Mis elkaar moeten ontmoeten. De reeds eeuwen oude verbondstrouw van het Niet wij, maar Hij, volgens welke het vleselijk Israël geleefd had, moest het deel worden van het Israël naar de geest, het Israël Gods,44 want sinds het Laatste Avondmaal geldt van ons: wij zijn Zijn volk: Hij is onze God.45 Daar was heel het gebeuren in de bovenzaal, die voor Jezus klaar was, gericht: dat gebeuren wilde ook de leerlingen klaar maken voor het verbond, waarvan de instelling zo sober werd meegedeeld.

 

1

Instelling van de Eucharistie

En toch, wat kunnen wij hier meer en beter doen dan het evangelie zelf aan het woord laten? Dat moet voor zichzelf spreken in al zijn eenvoud. ‘Jezus nam – als een vader van zijn gezin – een stuk brood van de tafel, nam dit in zijn Heilige Handen, zegende het en brak het, Gaf het hun en zei: Neemt, eet, dit is Mijn Lichaam, dat voor U werd overgeleverd en gebroken.. Doet dit tot Mijn gedachtenis telkens en telkens.’ Hij nam – zoals een moeder een beker van de tafel neemt, – zo gaf Hij hun die Kelk en zij dronken er allen uit; Hij zelf liet hen drinken, zoals een moeder doet met haar kinderen, haar hand onder hun hoofdje. Hij sprak eerst een dankgebed uit en Hij zei hun: Drinkt hieruit allen, dit is de Kelk van Mijn Bloed van het Nieuwe Verbond, dat voor u en voor velen wordt vergoten tot vergiffenis van de zonden. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt tot Mijn gedachtenis, ter gedachtenis aan Mij. Nogmaals zeg ik U: zo dikwijls gij dit Brood eet en de Kelk drinkt, verkondigd Gij de dood des Heren, totdat Hij komt.46

Naar dit simpele gebeuren verwijst al het voorgaande: voetwassing en paasmaal. Hierom is het begonnen. Om dit gebeuren ongestoord te laten voltrokken worden, moest de voorbereiding erop met geheimzinnigheid omgeven worden.

Dit gebeuren is de kern van het Verbond. Dit zal blijken als wij antwoord geven op de vragen: Wat wil dit zeggen? Wat gebeurde hier?

Jezus stelt hier het Heilig Misoffer in als het religieus centrum van het Nieuw Verbond en Hij laat daaronder Zijn lijden en sterven eeuwig tegenwoordig blijven. Het  Heilig Misoffer is het altijd aanwezige Lijden en sterven van Gods Zoon, maar dan als Offer: Christus, altijd onder ons tegenwoordig als de dienstbare dienaar van Jahweh, zoals Isaïas Hem al zag.47 De gedachtenis van ons Heilig Sacrament is een gedenkteken. Het is geen wijdingsvolle herhaling door en in de gelovende gemeenschap alleen, maar een scheppende herinnering. God heeft in Jezus Christus eens gesproken, dat brood eens zijn Lichaam zou zijn, zoals het gebroken werd, wijn zijn Bloed, zoals het vergoten werd: God heeft eens gezegd, dat Zijn zoon in Zijn Offer eeuwig zou leven achter de rituele viering van het nieuwe Pasen. God zegt wat Hij wil als een feit voorgoed, en wat Hij wil  is ook zo. Sindsdien is Calvarië aan de geschiedenis ontheven en het blijvende bezit van alle mensengeslachten, ook van ons, iedere morgen in de Heilige Mis. Dat is het geheim van ons Geloof: het Mysterium Fidei.48

Wij kunnen ons allen de vraag nog stellen: waarom kwam en bleef Christus niet bij ons als Koning en Leraar, als rechter, als verrezen tegenwoordig op het Altaar onder de Heilige Mis? Waarom juist als Priester en Offeraar, Zichzelf voor ons offerend, als Offeraar, die zelf ook Zijn eigen offergave is? Waarom werd juist het offer van Jezus in de Heilige Mis vereeuwigd? Waarom kwam Hij als het Lam dat geslacht werd, als Hij, die geleden heeft: Christus passus. Het antwoord op deze vragen is: omdat  Christus in zijn sterven algehele toewijding is aan God door algehele uitschakeling van Zichzelf en dáár alleen, omdat Christus daarin offer is, dat wil zeggen Godgerichtheid, centrum van godsdienstigheid, zoals God deze wenste van de mens en zoals Christus die als Heer van leven en dood alleen kon tonen. Hij kon alléén zijn leven afleggen voor ons. Alleen in de stervende Christus vindt ons geloof, vindt onze godsdienst een waardig middelpunt. Daarin heeft het Christendom weer een hart; godsdienst cirkelt immers om een offer. Godsdienst is offerdienst. Jezus is ons offer. De bovennatuurlijke Godsdienst is één en al dienstbaarheid: niet de mens, maar God, voor-God-zijn, zoals het Woord voor de Vader is, altijd in de schoot van de Vader, semper in sinu Patris49 altijd volbrengend, wat de Vader behaagt.50  Daarom kunnen wij ook niets anders preken dan Jezus – et hunc crucifixum:51en deze gekruisigd. Want dat is ook de preek die Jezus Zelf doet horen vanaf het Altaar onder de  Heilige Mis: het grote teken van het geloof is: Jezus, Zich nog steeds offerend op ieder Altaar. Het Christendom heeft een centrum in Christus, maar dan in Hem als dienend in het Offer. Alle christenen staan onder dit teken: Het Kruis! Christen zijn is buigen onder het Kruis! Door Christus’ eeuwig onder de Heilige Mis aanwezige Kruisoffer krijgt het christelijk Geloof een deemoedstempel. Deemoed is niet dat het lagere buigt voor het hogere: dat is eerlijkheid, eerlijke plicht en onderdanigheid. Maar deemoed is dat het hogere buigt voor het lagere: God voor het schepsel, Jezus voet wassend als een slaaf, voor zijn leerlingen, enzovoort. Van boven naar beneden, niet van beneden naar boven: het eerste is Christendom, het tweede humanisme.

De Menswording is deemoed, deemoed bij uitstek: God, Zich buigend in Jezus voor de zondige mens.

De deemoed ontspringt zelfs aan God en was zelfs vóór de menswording onbekend. De heidenen kenden geen deemoed en zij kennen haar nóg niet; pas na de Menswording, waarin God deemoed bleek, kwam de deemoed ook voor onder de mensen. Bedenk wel, onderdanigheid is nog geen deemoed. Onderdanigheid is doen wat noodzakelijk is, zijn plicht doen. Deemoed is méér en anders. Dat is iets doen om de persoon, waarvoor men nooit genoeg kan doen, omdat Hij een eeuwige waarde vertegenwoordigt. Deemoed is niet de zaak dienen: daar zit ook altijd eigenbelang in; zo zeggen wij immers ook: ‘wie de zaak dient, dient zichzelf.’ Deemoed is daarentegen de persoon dienen om de persoon, en om de persoon weer de zaak dienen, alles doen daarvoor. De eis tot zelfvernietiging zit in de dienstbaarheid aan de persoon opgesloten: de persoon is een onvervangbare, onschatbare waarde: deze kan ons helemaal opvorderen. De eis tot zelfvernietiging is dus aan ieder Christen te stellen, want Christus eiste dat wij Hem nadeden, toen Hij de voeten waste, en toen al ontledigde Hij Zichzelf in deemoed,52 en Hij eiste ook, dat wij persoonlijke liefde zouden hebben, die zich voor zijn vrienden niet schroomt, om het leven zelf af te leggen, af te slaan, zoals Hij zelf het eerst had voorgedaan.53

 Slechts wat uit ootmoed wordt geboren, dat is van ‘t hemelse geslacht.                                                                               Vondel: Gijsbrecht van Aemstel

dat wil zeggen: dat is christen, dat alleen!

God wenste ons een voorbeeld te geven van deemoed, door Jezus te zenden: God hervindt Zichzelf in Jezus’ Hart, dat buigt voor de mensen in liefde, in Jezus’ hele mensheid, die buigt voor de zondaars onder het kruis, iedere dag op elk altaar ook nu nog! God buigt zo in Hem altijd, omdat wij buigen moeten. Hij gaf een kras voorbeeld om ons te treffen. Hij geeft dat dagelijks nog onder de Heilige Mis. Buigen, dienen is het wezen van het Christendom. Christelijke deemoed is het wezen van christenzijn, d.i. niets zijn; is zondaar zijn; dus nog minder dan niets zijn, slecht zijn, onbruikbaar zijn, ondeugdelijk zijn, lekke emmer wezen! Dat alles zijn als de persoon, die men is. Ja, weten hoe ‘hoog’ men is als persoon, en toch ‘laag’ doen: dat is christendom.54 De eucharistie is de uiterste deemoed van onze Heer en ons voorbeeld: Christus geeft daarin Zichzelf voor ons! God voor Zijn schepselen, de Heilige voor zondaars, de Meester voor zijn leerlingen. Altijd voor ons! Helemaal voor ons! Zijn Lichaam en zijn Bloed voor ons, Zijn leven dus, dat Hij alleen kon geven als Heer van leven en dood.55

De eucharistie is de eeuwige tegenwoordigheid van Zijn Dood voor de mensen. Zijn Dood in opdracht van zijn Vader, Zijn Dood, noodzakelijk in een bovennatuurlijke godsdienst, die tot het uiterste doorvoert: Niet wij, maar Hij!

Waar is nu onze deemoed? Zij moet toch het bewijs van ons christen zijn wezen. Wij leven toch in een verbond van deemoed: het Nieuwe Verbond gesloten in Christus’ Bloed. Wij zijn van God! En van welke God? Eén die alles geeft voor ons. En wij: geven wij alles aan God? Geven wij vooral onszelf, onze persoon? Die moet buigen en dienen. Waarom dan allerwegen die ontstellende teruggang in kerkbezoek en Communiegang, in biechten ook? Alleen toen er nood was, waren de kerken vol. En als er nood dreigt, worden zij het telkens weer… Nood leert bidden is zo waar. Maar wat betekent zo’n bidden? Is dat dienstbaarheid? Is dat niet meer om onszelf dan om Hem? Zo zijn wij niet Zijn volk en Hij zal niet onze God zijn. Veel godsdienstigheid is maar schijn, omdat het deze om zichzelf en niet om Hem begonnen is. Dat is nu eenmaal niet de godsdienst van het Verbond, dat tot devies heeft: Niet wij, maar Hij!

Wij moeten niet alleen dienen in godsvrucht en kerkelijkheid, maar wij moeten dienen in de schepping ook. Kostbaarder dan direct buigen voor God is buigen voor plaatsvervangers: de man voor zijn vrouw: Zij, niet ik; de vrouw voor de man: Hij, niet ik; ouders voor de kinderen: als zij het maar goed hebben, op ons komt het niet aan; werkgevers voor werknemers: zij hebben ook een voornaam, zij zijn ook persoon, geen machine-onderdeel. En geldt het omgekeerde vaak niet even sterk omdat de werkgever in de ogen van de ondergeschikte soms ook niet ander is dan een stuk kapitaal, geen mens voor wie hij sympathie heeft, geen persoon, voor wie hij werkt, met wie hij werkt? Dienen tot het scheppingsdoel is gave huwelijksbeleving: dat is enkel dienstbaarheid. De wereld kent die laatste niet en de gevolgen op zedelijk gebied blijken: zij zoekt alleen de zelfzucht te bevredigen en heeft de dienst in de schepping en in de herschepping opgezegd. Omdat de mens als redelijk persoonlijk wezen zich niet eerst gebogen heeft voor God, daardoor slaat de mens als vleselijk wezen op hol. Aalleen in dienstbaarheid is ware zedelijkheid mogelijk. De mens leeft niet in twee werelden. Hij roept als geestelijk wezen naar God, die hem zijn doel bepalen moet. God roept hem bij zijn eigen naam, als persoon en hij heeft antwoord te geven: Hier ben ik! Ik! Hij vindt alleen dan antwoord niet in eigen binnenste. Want voor zichzelf is de mens het grootste geheim: grande profundum est ipse homo.56 Hij zoekt en zoekt naar een weg, maar vindt die niet, want hij weet geen doel uit zichzelf, geen bestemming voor zichzelf. Hij kan zich niet oriënteren. God ontstak hem het licht, door Zichzelf tot doel te stellen aan hem, rechtstreeks en onmiddellijk. Dat was de deemoed van God als persoonlijke vriend. Gods licht was het ware licht, dat iedere mens verlicht, die in de wereld komt. Het was het volle licht! En dit licht was meteen het leven.57

En daarom – om Gods licht als ons doel en ons leven – is voor ons alleen maar zedelijkheid mogelijk vanuit godsdienstigheid. Daarom is er voor ons alleen maar sociale gerechtigheid en gezond huwelijksleven, als man en vrouw en kind geloven, als arbeider en baas hun christen zijn belijden in een gezamenlijk Mishoren en communiceren, waarbij zij één zijn in liefde, dus als personen. Waar allen zich voor God weten, geheel en al, en zichzelf uitgeschakeld hebben, totaal, daar is ook overgave mogelijk onderling, welke overgave dienstbaarheid is volgens het Nieuwe Verbond. Dan zal ons Verbond niet alleen nieuw, maar ook eeuwig zijn; dan zal dat Verbond ons voeren van Christus’ Kruis op Calvarië naar Christus’ Kruis op de wolken. Door dat verbond in het Bloed van Jezus, dat ons hele leven stelt onder het niet wij, maar Hij, worden wij hemelrijp: want de hemel laat slechts binnen, wat Heilig is: d.i. afgescheiden van zichzelf en toegewijd aan God58 daarom streven wij in een Heilig verbond59 naar Heiligheid, zonder welke niemand God kan zien.60 Door het leven in het verbond wordt voor ons waar: Ik leef niet meer61 en dan zal God waar maken, dat Hij in ons alles zal zijn.62 Amen!

[1] I Petrus 1,19

2 Hebr. 1,3

3 Joh. 14,4

4 Joh.15,5

5 Joh. 17 ,25-26

6 Joh 3.

7 Joh. 10,10

8 Joh. 17,17

9 Isaïas 49,56

10 Mt. 49,56

11 Lucas 2,49

12 Marcus 14,14,15.

13 Lucas 22,15.

14 Lucas 12,50.

15 Lucas 22,20.

16 Mt.21.1-3.

17 In Johannis Evangelium, Tract. 15.caput 4.P.L.35,-1512

18 Joh. 8,44

19 Joh. 4,44

20 Joh. 13,3

21 Mt. 20,28

22 Joh. 13,8)

23 Litanie van Jezus’ volkomenheden, in Wij gaan terug vóór 1517!, Stud. 1917, bl.138-139

24 Joh. 13-17

25 Lucas 2,49

26 Mt.16,21-23)

27 Lc. 22,24-40

28 Joh. 13,15

29 Rom.9,5

30 Joh. 6

31 Joh. 18-28

32 Mt.12,8

33 Ex. 11,24-27

34 Ex. 14,8.

35 Mt.26,28; Marcus14,24

36 Is. 31,31-34

37 I Kor. 7,4

38 Ef. 5,25-27

39 Matt. 26,28

40 Hebr. 12,24; 13,20

41 Openb. 7,14

42 Is. 31

43 Hebr. 12,4

44 Gal. 6,16

45 Hebr. 19,29

46 Synopsis uit Mt.26,26-27; Mc.14,22-23; Lc. 22,19-20; 1Kor.11,28

47 Is. 49,56

48 Vgl. R.Guardini: De Heer, blz. 604-614

49 Joh. 1,18

50 Joh. 8,29

51 I Kor.1,23

52 Joh. 13,15

53Joh. 13,34; Joh. 15,13

54 Vgl. Romano Guardini: De Heer, blz. 530-540.

55 Wijsheid 16,13

56 Augustinus, Belijdenissen, 4,14,2

57 Joh. 1,4

58 Openb. 21,27

59 Luc. 1,72

60 Hebr. 12,14

61 Gal. 2,20

62 1Kor. 15-28

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.