Brief aan de Vrienden van het Kruis

Uit het “Gouden Boek” van de H.Grignion de Montfort; blz. 293/347.

Brief aan de “Vrienden van het Kruis”

Inleiding

De vereniging van “Vrienden van het Kruis” was in 1708 door de zalige de Montfort opgericht in een van de voorsteden van Nantes, tijdens een missie die hij aldaar predikte in de parochie St. Similien. Het was een lekenvereniging, of broederschap, zoals ze ook wel werd genoemd. In de zomer van het jaar  1714 bracht de gelukzalige wederom enige dagen te Nantes door. Graag had hij de leden van het vrome genootschap vanuit de zetel van de waarheid het verheven geheim van het Kruis ontvouwd; maar zijn vijanden hadden van de bisschop weten te verkrijgen, dat hem het preken verboden werd. Te Rennes, waar hij toen heen trok, trof hem eenzelfde verbod. Alsdan begaf hij zich naar het klooster van de Paters Jezuïeten en hield er een achtdaagse retraite. Op de laatste dag schreef hij aan de “Vrienden van het Kruis” de heerlijke brief waarvan de vertaling hier volgt.

Niet genoeg kunnen wij, vooral in onze dagen van gemakzucht en verfijnd zingenot, de lezing van deze bladzijden aanbevelen. In sommige Trappistenkloosters worden ze dagelijks overwogen en ter overweging voorgelegd aan allen die er de geestelijke oefeningen komen volgen. Moge de lezer, door Maria voorgelicht, dieper doordringen in de kennis van het geheim van het Kruis, en door Haar geholpen, zich die kennis ten nutte te maken, door ze toe te passen op geheel zijn leven!

Brief aan de Vrienden van het Kruis

Geliefde Vrienden van het Kruis,

Daar het goddelijk Kruis mij verborgen houdt en mij het preken belet, is het mij niet mogelijk, en vind ik het ook niet wenselijk, u mondeling de gevoelens van mijn hart mee te delen omtrent de uitmuntendheid van uw vereniging in het aanbiddelijk Kruis van Jezus Christus en omtrent de verheven oefeningen van uw broederschap. Heden nochtans, op de laatste dag van mijn retraite, treed ik om zo te zeggen uit de aantrekkelijkheid van mijn binnenste, om enige zwakke trekken van het Kruis op dit papier te tekenen en uw goede harten daarmee als met pijlen te doorboren. Gave God, dat er, om die pijlen te scherpen, niets anders nodig was dan het bloed van mijn aderen in plaats van de inkt van mijn pen! Doch helaas!  mocht het al nodig zijn, het is te misdadig! Zij dan de geest van de levende God als het leven, de kracht en de inhoud van deze brief, zijn zalving als de inkt van mijn inktkoker, het goddelijk Kruis van mijn pen en uw hart mijn papier! Gij bent onderling verenigd, Vrienden van het Kruis, als evenzoveel gekruisigde soldaten, om de wereld te bestrijden; niet door ze te ontvluchten, gelijk de kloosterlingen, uit vrees van overwonnen te worden, maar als dappere en moedige krijgslieden op het slagveld, zonder de hielen te lichten of de rug toe te keren. Houdt moed en strijdt dapper. Verenigt u hecht en sterk door de verbintenis van de harten en zielen; deze is oneindig sterker dan de innerlijke kracht van een eendrachtig rijk, en meer te vrezen voor de wereld en de hel, dan laatstgenoemde voor de vijanden van de staat. De duivels verenigen zich om u in het verderf te storten; gij, verenigt u om ze te verslaan. De hebzuchtigen verenigen zich om handel te drijven en goud en zilver te verdienen; werkt gij samen om de schatten van de eeuwigheid, die in het Kruis besloten zijn, te verwerven. De losbandigen verenigen zich om zich te vermaken; gij verenigt u om te lijden.

Gij heet Vrienden van het Kruis; hoe verheven is die naam! Ik beken u, dat hij mij bekoort en verblindt. Hij is schittender dan de zon, verhevener dan de hemel, eervoller en luisterrijker dan de meest grootse titels van koningen en keizers: het is de grote naam van Jezus Christus, waarlijk God en tevens waarlijk mens: het is de ondubbelzinnige naam van een echt christen.

Maar zo zijn luister mij verrukt, in niet mindere mate voel ik mij bevreesd voor zijn last. Wat een niet te ontwijken en zware verplichtingen zijn in die naam vervat en in deze woorden van de H.Geest uitgedrukt: Een Vriend van het Kruis is door God uitverkoren onder tienduizend anderen  (I.Petr.11), die slechts naar de zinnen en de blote rede leven. Hij moet een gans goddelijk mens zijn, boven de rede verheven en geheel in tegenstrijd met de zinnen, door een leven en licht van zuiver geloof en door een vurige liefde tot het Kruis. Een Vriend van het Kruis is een alvermogend Koning en een held, die zegeviert over de duivel, de wereld en het vlees, in hun drie begeerlijkheden. Door zijn liefde tot de vernederingen velt hij Satans hoogmoed neer; door zijn liefde tot de armoede zegeviert hij over de hebzucht van de wereld; door zijn liefde tot het lijden bedwingt hij de zinnelijkheid van het vlees. Een vriend van het Kruis is een heilig man, van al het zichtbare afgescheiden. Zijn hart is verheven boven al wat broos en vergankelijk is. Zijn wandel is in de hemel; hij trekt hier voorbij als een vreemdeling en een pelgrim; hij hecht zijn hart niet aan de aarde, maar beziet ze van ter zijde met onverschilligheid, en treedt ze minachtend met voeten. Een Vriend van het Kruis is een roemrijke verovering van de op de Calvarieberg gekruisigde Christus en van zijn H.Moeder. Hij is een Benoni of Benjamin, kind der smart en der rechterzijde, in Jezus lijdens Hart geteeld, ter wereld gekomen langs zijn doorboorde rechterzijde en geheel in zijn bloed gepurperd. Naar zijn bloedige afkomst aardend, snakt hij slechts naar kruis en bloed, naar afsterven aan wereld, vlees en zonde, om hier op aarde geheel verborgen te zijn met Jezus Christus in God. Ten slotte, een volmaakt Vriend van het Kruis is een waar Christusdrager, of, beter gezegd, een andere Jezus Christus, zodat hij in waarheid kan zeggen: ik leef, neen, ik niet meer, maar Jezus Christus leeft in mij.

Geliefde vrienden van het Kruis, zijt gij door uw gedrag uw verheven naam waardig, of hebt gij ten minste een oprecht verlangen en een ware wil, om zulks met Gods genade te worden in de schaduw van het Kruis op de Calvarieberg, in de schaduw ook van de Vrouwe van Smarten?

Gebruikt gij de daartoe vereiste middelen? Hebt gij de ware weg van het leven ingeslagen, de enge en doornige weg van het Kruis? Bevindt gij u niet, zonder dat gij het vermoedt, op de brede weg van de wereld, die ten verderve leidt? Weet gij wel, dat er een weg is, die de mens recht en veilig toeschijnt, maar die ten dode voert? Onderscheidt gij de stem van God en die van zijn genade wel van de stem van de wereld en van de natuur? Hoort gij de stem van God wel, de stem van onze goede Vader, die, na een drievoudige vloek te hebben uitgesproken over al degenen die de begeerlijkheden van de wereld najagen: vae, vae, vae habitantibus in terra, u liefdevol toeroept, terwijl Hij zijn armen naar u uitstrekt: Separamini, popule meus,  scheidt u af, mijn uitverkoren volk, beminde Vrienden van het Kruis van mijn Zoon, scheidt u af van de wereldlingen, die door mijn Majesteit vervloekt, door mijn Zoon in de ban gedaan en door mijn H.Geest veroordeeld zijn. Wacht er u wel voor, op hun gans verpeste stoel te gaan zitten, gaat niet naar hun vergaderingen, blijft niet eens stilstaan op hun wegen. Vlucht uit de boezem van het grote en schandelijke Babylon. Luister alleen naar de stem, volgt alleen de voetstappen van mijn welbeminde Zoon, die ik u tot weg, tot waarheid, tot leven en tot toonbeeld heb gegeven.

Luistert gij naar die beminnelijke Jezus, die, met zijn Kruis beladen, u toeroept: volg mij; wie mij volgt, wandelt niet in duisternissen, hebt vertrouwen, ik  heb de wereld overwonnen?

Ziet, beminde medebroeders, dagelijks treden twee legers aan: dat van Jezus Christus en dat van de wereld. Dat van onze beminnelijke Zaligmaker bevindt zich rechts, en gaat opwaarts langs een smalle weg, die enger dan ooit is geworden door de verdorvenheid van de wereld. Onze goede Meester gaat voorop, blootvoets, het hoofd met doornen gekroond, het lichaam gans vol bloed, en met een zwaar kruis beladen. Slechts een handvol soldaten, maar van de dappersten, volgt Hem; want zijn zo zachte stem wordt niet gehoord te midden van het gewoel van de wereld. Trouwens, daar mist men ook de moed om Hem te volgen in zijn armoede, zijn smarten, zijn vernederingen en zijn andere kruisen, die men noodzakelijk in zijn dienst moet dragen, alle dagen van zijn leven.

Links bevindt zich het leger van de wereld of van de duivels. Het is het talrijkste het prachtigste en het schitterendste althans in schijn. Alwat tot de grote wereld behoort, loopt er samen. Men verdringt er zich, hoe breed de wegen ook zijn, en alhoewel ze breder dan ooit zijn geworden, door de menigte die er bij stromen op voorttrekt; ze zijn met  bloemen bezaaid, met genoegens en vermakelijkheden bezoomd, met goud en zilver bedekt.

Rechts wordt, door de kleine kudde die Jezus Christus volgt, over niets anders gesproken dan over tranen, boetplegingen, gebed en wereldverachting. Onophoudelijk hoort men er deze door snikken onderbroken woorden: laat ons lijden, wenen, vasten, bidden. Verbergen, vernederen, verarmen, versterven wij ons; want die de geest van Jezus Christus niet heeft, d.i. de geest van het Kruis, behoort Hem niet toe: zij die aan Jezus Christus toebehoren, hebben hun  vlees met hun begeerlijkheden gekruisigd. Men moet gelijkvormig zijn aan het beeld van Jezus Christus, of verloren gaan.

Moed!! zo roepen zij uit, moed! Indien God mèt ons, in ons en vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Die in ons is, is sterker dan die in de wereld is. De knecht is niet meer dan zijn meester. Eén ogenblik van lichte beproeving werkt een eeuwig gewicht van glorie uit. Er zijn minder uitverkorenen dan men denkt: alleen moedigen en geweldenaars veroveren de hemel stormenderhand; niemand zal gekroond worden dan wie behoorlijk gestreden heeft, naar het Evangelie en niet naar de mode.

Strijden wij dan met kracht, haasten wij ons om ons doel te bereiken om de kroon te verwerven.

Ziedaar ten dele met welke goddelijke woorden de Vrienden van het Kruis elkander aanmoedigen.

De wereldlingen integendeel, ten einde elkander op te wekken om zonder schroom te blijven volharden in hun boze gevoelens, roepen dagelijks uit: Leven, leven, vrede, vreugde, vreugde! Laat ons eten, drinken, zingen, dansen, spelen: God is goed, God heeft ons niet geschapen om ons te verwerpen. God verbiedt niet dat men zich vermake; wij zullen daarom niet verloren gaan: geen overdreven angstvalligheid.

Herinnert u, lieve medebroeders, dat onze goede Jezus u thans aanschouwt, en tot ieder van u in het bijzonder zegt: Zie, bijna iedereen verlaat mij op de koninklijke weg van het Kruis: de blinde afgodendienaars bespotten mijn Kruis als een dwaasheid; de halsstarrige Joden ergeren er zich over als over een voorwerp van afschuw; ketters verbrijzelen het en halen het omver als iets verachtelijks. Doch, -en dit kan ik niet anders zeggen dan met tranen in de ogen en met een van droefheid doorstoken hart, – mijn kinderen, die ik in mijn schoot heb gekweekt en in mijn school onderwezen, mijn ledematen, die ik met mijn geest heb bezield, zij zelfs hebben mij verlaten en veracht, door vijanden te worden van mijn Kruis.

Wilt ook gij mij verlaten, door mijn Kruis te vluchten, gelijk de wereldlingen, die zodoende even zoveel antichristen zijn? Zult gij, ten einde gelijkvormig te zijn aan deze wereld, de armoede van mijn Kruis versmaden om jacht te maken op aardse goederen, de smart van mijn Kruis schuwen om naar genot te streven, de vernederingen van mijn Kruis haten om naar eerbetoningen te haken?

Ik heb vele schijnvrienden, die betuigen dat ze mij liefhebben, maar die mij in werkelijkheid haten, omdat zij mijn Kruis niet beminnen; vele vrienden van mijn tafel en zeer weinig van mijn Kruis.

Verheffen wij ons boven onszelf bij die liefderijke oproep van Jezus. Laten wij ons niet verleiden door onze zinnen, zoals Eva. Zien wij slechts op tot de Bewerker en Voltooier van ons geloof, de gekruisigde Jezus. Vluchten wij het verderf en de begeerlijkheid van de bedorven wereld. Beminnen wij Jezus op de rechte manier, d.w.z. door allerlei kruisen heen. Overwegen wij ernstig deze bewonderenswaardige woorden van onze beminnelijke Meester waarin de hele volmaaktheid van het christelijk leven vervat is.

Inderdaad, de christelijke volmaaktheid komt geheel hierop neer: 1e heilig willen worden: Indien iemand Mij volgen wil; 2e zich ter zijde stellen: hij verzake zichzelf; 3e lijden: hij drage zijn kruis; 4e handelen: en hij volge Mij.

Si quis, indien iemand, iemand, en niet sommigen, om het geringe aantal der uitverkorenen aan te duiden, die aan de gekruisigde Jezus willen gelijkvormig worden door het dragen van hun Kruis. Het is zó klein, zó  klein, dat wij, indien wij het kenden, van droefheid zouden in onmacht vallen. Het is zó klein, dat God, indien Hij hen wilde  verenigen, hun zou toeroepen zoals Hij eertijds deed door de mond van een profeet: verenigt u één voor één, één uit dit gewest, één uit dit koninkrijk (De gelukzalige spreekt hier slechts van de volmaakte christenen, die in het kruisdragen geheel en al willen gelijkvormig worden aan Jezus).

Indien iemand een ware, volkomen wil heeft, niet door natuurlijke aandrift, gewoonte, eigenliefde, baatzuchtigheid of menselijk opzicht bepaald, maar door een ten volle zegevierende genade van de H.Geest, die niet aan iedereen gegeven wordt. De praktische kennis van het geheim van het Kruis is slechts aan weinigen gegeven. Om de Calvarieberg te bestijgen en er zich met Jezus aan het Kruis te laten hechten, midden in zijn eigen land, behoort men een dappere te zijn, een held, een vastberadene, een in God verheven man, die de wereld en de hel, zijn lichaam en zijn eigen wil veracht, en die vastbesloten is, alles te verlaten, alles te ondernemen en alles te lijden voor Jezus Christus.

Weet wel, lieve vrienden van het Kruis, dat degenen onder u die deze vastberadenheid niet bezitten, slechts met één voet gaan, slechts met één vleugel vliegen, en dat zij uwer niet waardig zijn, want ze zijn niet waardig vrienden van het Kruis te worden genoemd; van het Kruis, dat men met Jezus Christus moet liefhebben. Eén zulke halve wil is voldoende, om, gelijk een schurftig schaap, de gehele kudde aan te tasten. Mocht er reeds een door de boze deur van de wereld in uw schaapstal zijn binnengedrongen, in naam van de gekruisigde Jezus Christus, men jage hem weg als een onder de schapen geslopen wolf.

Indien iemand na mij wil komen, na mij, die mij zozeer vernederd en vernietigd heb, dat ik eerder een aardworm dan een mens geworden ben, na mij, die slechts ter wereld ben gekomen om het Kruis te omhelzen, om het midden in mijn hart te plaatsen, om het van mijn jeugd af te beminnen, om er naar te verzuchten mijn leven lang, om het met blijdschap te dragen, het bij voorkeurverkiezend boven alle vreugden en geneugten van hemel en aarde, na mij, ten slotte, die niet ben tevreden geweest, dan toen ik stierf in zijn goddelijke omhelzingen.

Wil dus iemand mij volgen in die staat van vernietiging en kruisiging, zo stelle hij zijn roem slechts, evenals ik, in de armoede, de vernederingen en de smarten van mijn Kruis.

Hij verzake zichzelf. Verre van de vereniging van de Vrienden van het Kruis, die hoogmoedige lijders, die wijzen van de wereld, die grote vernuften en die alweters, stijfhoofdig en opgeblazen door hun kennis en talenten. Verre van hier die grote zwetser, die veel leven maken en geen andere vrucht voortbrengen dan die der ijdelheid. Verre van hier die trotse vromen, die overal het -wat mij betreft- van de hoodmoedige Lucifer met zich dragen; zij kunnen niet dulden, dat zij gelaakt worden, zonder zich te verontschuldigen; dat zij aangevallen worden, zonder zich te verdedigen; dat zij vernederd worden, zonder zich te verheffen!

Wacht er u wel voor, in uw vereniging van die teergevoelige en zinnelijke lieden toe te laten, die bang zijn voor het minste prikje, die gillen en klagen bij de minste pijn, die nooit van boetekleed, haren gordel, geselroede of andere boetetuigen geproefd hebben en die hun devoties van de dag met de meest gepleisterde en verfijnde teergevoeligheid en zinnelijkheid doormengen.

Hij drage diegene, die zeldzame man of vrouw, waarvoor de gehele aarde, van het ene tot het andere einde, geen voldoende prijs kan storten, zijn Kruis met vreugde opnemen, het met vurigheid omhelze en het met moed op zijn schouders drage. Zijn Kruis, en niet dat van een ander. Zijn Kruis, dat Ik voor hem, in mijn wijsheid, met getal, gewicht en maat vervaardigd heb!!! Zijn Kruis, waaraan Ik eigenhandig en met grote nauwkeurigheid, zijn vier afmetingen gegeven heb, t.w. zijn dikte, lente, breedte en diepte. Zijn Kruis, dat Ik hem, ten gevolge van de oneindige genegenheid die Ik hem toedraag, uit een stuk van het Kruis dat ik naar de Calvarieberg opdroeg, heb uitgesneden. Zijn Kruis, het grootste geschenk dat Ik mijn uitverkorenen op aarde geven kan. Zijn Kruis, bestaande, in zijn dikte, uit goederenverlies, vernederingen, versmadingen, pijnen, ziekten en geesteskwellingen, die hem naar de beschikking mijner Voorzienigheid, dagelijks tot aan zijn dood moeten overkomen. Zijn Kruis bestaande, in zijn lengte, uit een zeker tijdvak van maanden of dagen, dat hij met laster overladen, op een bed uitgestrekt, tot de bedelstaf zal veroordeeld worden, en ten prooi zal zijn aan bekoringen, dorheid, verlatenheid en andere geesteskwellingen. Zijn Kruis, bestaande, in zijn breedte, uit de hardste en bitterste bejegeningen van de kant van zijn vrienden, huisgenoten en bloedverwanten. Zijn Kruis, bestaande, in zijn diepte, uit het geheimste leed, waarmee ik hem zal bezoeken, zonder dat hij troost zal kunnen vinden bij de schepselen; deze zullen hem zelfs ingevolge mijn beschikkingen, de rug toekeren, en zich bij mij aansluiten om hem te doen lijden.

Hij drage zijn Kruis, en niet, hij slepe het, noch, hij schudde het van zich af, noch, hij legge het ter zijde, noch, hij berge het weg; maar hij drage het hoog in de hand, zonder ongeduld of verdriet, zonder vrees of vrijwillig gemor, zonder vermindering of natuurlijk zelfontzien, zonder schaamte of menselijk opzicht.

Hij plaatse, het op zijn voorhoofd en zegge met de H.Paulus: Moge God verhoeden, dat ik op iets anders roem drage dan op het Kruis van Jezus Christus, mijn Meester!

Hij drage het Kruis op zijn schouders, naar het voorbeeld van Jezus Christus, opdat het het wapen worde van zijn veroveringen en de schepter van zijn heerschappij.

Hij plaatse het eindelijk door de liefde in zijn hart, om hiervan een vurig braambos te maken, dat dag en nacht van zuivere liefde brande tot God, zonder ooit verteerd te worden.

Hij drage het, want niets is zo noodzakelijk, niets zo nuttig  en zoet, niets ook zo eervol, als iets voor Jezus Christus te lijden.

Inderdaad, lieve Vrienden van het Kruis, gij zijt allen zondaars. Niet één uwer, of hij verdient de hel, en ik nog meer dan elk ander. Onze zonden moeten gestraft worden, hetzij hier op aarde hetzij in het hiernamaals. Worden zij het hier, dan worden zij in het hiernamaals niet. Straft God ze hier op aarde tezamen met ons, dan is de straf liefdevol; immers, dan worden zij gestraft door zijn barmhartigheid, die hier op aarde regeert, en niet door zijn strenge gerechtigheid; de straf zal licht en kortstondig zijn, vergezeld gaan van geneugten en verdiensten, en gevolgd worden door beloningen, in tijd en eeuwigheid. Wordt echter de straf voor onze zonden tot het hiernamaals uitgesteld, dan is zij het werk van Gods wrekende gerechtigheid, die alles te vuur en te zwaard verwoest. Verschrikkelijke straf, onuitsprekelijke, onbegrijpelijke straf, straf zonder erbarming, zonder mededogen, zonder verlichting, zonder verdiensten, zonder perk en zonder einde

Ja, zonder einde: die door u in een oogwenk bedreven doodzonde; die vrijwillige slechte gedachte, waaraan gij niet eens meer denkt; dat door de wind meegevoerde woordje, die geringe en zo kortstondige daad tegen de wet van God, zal eeuwig, zolang God God blijft, met de duivels in de hel gestraft worden, zonder dat die God van de wrake zich zal ontfermen over uw folteringen, noch over uw snikken en tranen, wel in staat nochthans om rotsen te doen splijten.

Altijddoor lijden, zonder verdiensten, zonder ontferming en zonder einde! Denken wij daar wel aan, beminde Broeders en Zusters, wanneer wij hier op aarde iets te lijden hebben? Wat zijn wij toch gelukkig, dat wij op zulk een voordelige wijze een eeuwige en verdiensteloze straf kunnen omruilen tegen een kortstondige en verdienstelijke, door ons Kruis geduldig te dragen! Hoeveel onvoldane schulden hebben wij niet? Hoeveel zonden hebben wij niet bedreven, voor welke uitboeting wij, zelfs na een bitter berouw en een oprechte biecht, eeuwenlang in het vagevuur zullen moeten lijden, omdat wij hier op aarde genoegen nemen met enige zeer lichte penitenties? Ach! Laten wij hier op aarde in der minne voldoen, door ons Kruis behoorlijk te dragen;  in het hiernamaals moet alles tot de laatste penning toe streng voldaan worden, zelfs een onnuttig woord. Konden wij de duivel maar eens het boek des doods ontnemen, waarin hij al onze zonden heeft opgetekend met de daarvoor verschuldigde straf, wat zouden wij een hooglopende debet-rekening vinden en wat zouden wij blij zijn, jarenlang hier op aarde te mogen lijden, in plaats van slechts een enkele dag in het hiernamaals! 

Vleit gij u niet, Vrienden van het Kruis, met het denkbeeld dat gij Gods vrienden zijt of dit althans wilt worden?  Besluit dan tot het drinken van de kelk die men noodzakelijk drinken moet om Gods vriend te worden: De welbeminde Benjamin kreeg de kelk, de andere broers slechts graan. De grootste gunsteling van Jezus kreeg, diens Hart, besteeg de Calvarieberg, dronk aan de kelk. Het is goed naar Gods glorie te verlangen; doch er naar verlangen en erom vragen zonder bereid te zijn alles te lijden, is een dwaze en onzinnige eis. Het moet, ’t is iets noodzakelijks, iets onvermijdelijks; wij moeten door veel beproevingen en kruisen het rijk der hemelen binnengaan.

Gij draagt er te recht roem op, kinderen Gods te zijn; draagt dan ook roem op de zweepslagen, welke die goede Vader u reeds gegeven heeft en u in het vervolg nog geven zal; want Hij kastijdt al zijn kinderen. Indien gij niet tot het getal van zijn welbeminde kinderen behoort, dan behoort gij, -o ramp, o donderslag!- dan behoort gij, zoals de H.Augustinus zegt, tot het getal der verworpenen. Wie hier op aarde niet zucht als pelgrim en vreemdeling, zal in het hiernamaals niet juichen als hemelburger, zegt dezelfde H.Augustinus. Zo God de Vader u niet van tijd tot tijd enige goede kruisjes overzendt, is dit een teken, dat Hij zich niet meer om u bekommert, dat Hij vertoornd is op u. Hij beschouwt u nog slechts als een vreemdeling, buiten zijn huis en zijn bescherming   gesteld, of als een bastaardkind, dat geen recht heeft op enig aandeel in de erfenis van zijn Vader, en daarom ook diens zorg en kastijding niet waard is.

Vrienden van het Kruis, leerlingen van een gekruisigde God, het geheim van het Kruis is een geheim dat de heidenen niet kennen, dat de Joden verwerpen en dat de ketters en slechte Katholieken verachten. Het is nochthans het grote geheim, dat gij praktisch leren moet in de school van Jezus Christus, en dat gij dáár slechts leren kunt. Tevergeefs zoekt gij in de academies van de oudheid naar een wijsgeer die het onderwezen heeft. Tevergeefs gaat gij te rade bij het licht van de zinnen en de rede. Jezus Christus alleen kan u, door zijn overwinnende genade, dit geheim leren kennen en doen smaken. Zorgt dus dat gij ervaren wordt in deze alles overtreffende wetenschap, onder de leiding van zo groot een Meester. Alsdan zult gij alle andere wetenschappen bezitten, want zij bevat ze alle bij uitnemendheid. Zij is onze natuurlijke en bovennatuurlijke wijsbegeerte, onze goddelijke en geheimnisvolle godgeleerdheid, en onze steen der wijzen, die, door geduld in het lijden, de grofste metalen in kostbare, de hevigste pijnen in geneugten, de ellende in rijkdom en de diepste vernederingen in glorie verandert. Hij die onder u het best zijn Kruis weet te dragen, al kent hij overigens geen a of b, is de geleerdste van allen. Luister dan naar de grote H.Paulus: bij zijn terugkomst uit de derde hemel, waar hij geheimen leerde kennen, die zelfs aan de Engelen verborgen zijn, roept hij uit, dat hij niets kent en niets kennen wil, dan de gekruisigde Jezus Christus. Verheug u, onnozele arme vrouw zonder verstand of kennis, zo gij met vreugde weet te lijden, kent gij meer dan een doctor van de Sorbonne, indien deze niet zo goed weet te lijden als gij.

Gij zijt ledematen van Jezus Christus: wat een eer! Maar ook, wat een noodzakelijke verplichting tot lijden legt die hoedanigheid u op! Het hoofd is met doornen gekroond, en de ledematen zouden het met rozen zijn? Het hoofd wordt verguisd en beslijkt op de kruisweg, en de ledematen zouden met reukwerken doortrokken zijn op een troon? Het hoofd heeft geen kussen om op te rusten, en de ledematen zouden zacht neergevlijd liggen op een pluimen of donzen bed? Dat ware een ongehoorde gedrochtelijkheid!

Neen, neen, lieve metgezellen van het Kruis, laat u niet misleiden: christenen, zoals gij er allerwegen ziet: naar de mode opgedirkt, uiterst fijngevoelig, bovenmate groots en deftig, zijn geen ware volgelingen noch ware ledematen van de gekruisigde Jezus! Door anders te denken, zoudt gij aan dat met doornen gekroonde Hoofd en aan de waarheid van het Evangelie te kort doen. O God! wat al schimmen van christenen, die zich ledematen van de Verlosser wanen, en die zijn verraderlijkste vervolgers zijn; want, terwijl zij met de hand het kruisteken maken, zijn zij vijanden van het Kruis in hun hart!  Indien gij door eenzelfde geest geleid wordt als Jezus Christus, uw met doornen gekroond Hoofd, en eenzelfde leven met Hem leeft, verwacht dan niets anders dan doornen, geselslagen, nagels; niets anders in één woord, dan het Kruis; want de leerling moet noodzakelijk als zijn meester, het lidmaat als het hoofd behandeld worden. En mocht de hemel u, evenals aan de H.Catharina van Siënna, een doornen- en een rozenkroon voorhouden, kiest dan met die Heilige, zonder te aarzelen, de doornenkroon, en drukt ze u in het hoofd, om gelijkvormig te zijn aan Jezus Christus.

Het is u niet onbekend, dat gij de levende tempels van de H.Geest bent, en dat gij, als even zoveel levende stenen, door die God van liefde in het gebouw van het hemels Jeruzalem moet geplaatst worden. Reken er dan op, dat gij met de hamer van het Kruis zult gehouwen, gekapt en bewerkt worden; anders blijft gij gelijk aan ruwe stenen, die nergens toe dienen, die men versmaadt en ver van zich afwerpt. Wacht er u wel voor, de hamer, waarmee op u geslagen wordt, te doen afspringen, en let op de beitel die u kapt en op de hand die u draait. Mogelijk wil die bekwame en liefdevolle bouwmeester u tot een der voornaamste stenen maken van zijn eeuwige bouw, tot een der schoonste beelden van zijn hemelse rijk. Laat Hem dus begaan: Hij heeft u lief, Hij weet wat Hij doet. Hij is ervaren; al zijn slagen zijn doeltreffend en liefdevol; nooit slaat Hij mis, als gij zijn slagen maar niet vergeefs doet zijn door uw ongeduld.

Het kruis wordt door de H.Geest vergeleken:

1e Bij een wan, waardoor het goede graan van het kaf en het vuil gezuiverd wordt. Laat u dus, als het graan in de wan, zonder tegenstreven, schommelen en schudden: gij zijt in de wan van de Vader van het huisgezin en weldra zult gij in zijn graanschuur zijn.

2e Bij een vuur, dat het roest van het ijzer wegneemt door de hevigheid van zijn vlammen. Onze God is een verslindend vuur, dat door het Kruis in de ziel blijft branden om haar te zuiveren zonder haar te verteren, zoals eertijds het vuur in het brandende braambos.

3e Bij de smeltkroes van een goudsmid, waarin het echte goud gelouterd wordt en het vale in rook vergaat. Het echte goud onderstaat geduldig de vuurproef, het valse stijgt in rook tegen de vlammen op. Zo worden de ware Vrienden van het Kruis in de smeltkroes van de kwelling en beproeving door hun geduld gelouterd, terwijl de vijanden van het Kruis in rook vergaan door hun ongeduld en hun gemor.

Aanschouwt, geliefde Vrienden van het Kruis, de grote schare van getuigen die u voorafgaat: zonder een woord te spreken, bewijzen zij wat ik u voorhoud. Aanschouwt, als in het voorbijgaan, de rechtvaardige Abel, door zijn broeder gedood; de rechtvaardige Abraham, vreemdeling op aarde; de rechtvaardige Loth, uit zijn land verjaagd; de rechtvaardige Jacob, door zijn broer vervolgd; de rechtvaardige Tobias, met blindheid geslagen; de rechtvaardige Job, arm geworden, vernederd en met wonden bedekt van het hoofd tot de voeten. Aanschouwt de apostelen en de zo talrijke martelaren in het purper van hun bloed; de zo talrijke Maagden en Belijders, arm en vernederd, verjaagd en verstoten. Allen roepen met de H.Paulus uit: aanschouwt de goede Jezus, de Bewerker en Voltooier van het geloof dat wij hebben in Hem en in zijn Kruis: Hij heeft moeten lijden, om door het Kruis zijn heerlijkheid in te gaan.

Aanschouwt, naast Jezus Christus, de H.Maagd Maria, in wie noch erfzonde, noch dadelijke zonde ooit gevonden werd: een scherp zwaard dringt door tot in het diepste van haar teder en onschuldig Hart.

Hoe graag zou ik uitweiden over beider Passie, om aan te tonen, dat, hetgeen wij te lijden hebben, niets is in vergelijking met hetgeen Zij geleden hebben!

Wie kan zich, na dit alles, ontslaan van zijn Kruis te dragen? Wie onzer zal niet met spoed daarheen snellen waar hij weet dat het Kruis hem wacht? Wie zal niet met de H.Ignatius, martelaar, uitroepen: Dat het vuur, de galg, de wilde dieren en al de folteringen van de duivels over mij neerkomen, opdat ik Jezus Christus moge genieten!

Wilt gij echter niet geduldig lijden en uw kruis met gelatenheid dragen naar het voorbeeld van de uitverkorenen, dan zult gij het met gemor en ongeduld dragen zoals de verworpelingen. Gij zult dan gelijk zijn aan de twee dieren die de ark van het  verbond al loeiende voortsleepten. Gij zult navolgers zijn van Simon van Cyrene, die het eigen Kruis van Jezus Christus onwillig opnam, en terwijl hij het droeg, niets deed dan morren. Gij zult eindelijk het lot ondergaan van de boze moordenaar, die van zijn kruis in het diepste van de afgrond neerstortte.

Neen, neen, de vervloekte aarde, waarop wij leven, maakt niemand gelukkig; men ziet niet helder in dit land van de duisternissen; men is niet volkomen gerust op deze onstuimige zee, men blijft niet zonder strijd in dit oord van beproeving en op dit slagveld; men gaat niet zonder zich te steken over deze met doornen begroeide grond; beiden, uitverkorenen en verworpelingen, moeten er hun kruis dragen, goed of kwaadschiks.

Onthoudt dit vierregelig versje:

Kies een van de Kruisen die ge op Golgotha ontwaart,

Kies echter wijselijk; want lijden moet ge op aard,

Als heilige, als boeteling, of -wilt gij anders- niet,

Als een verworpeling die  het lijden steeds verdriet.

Dat wil zeggen: zo gij niet met vreugde wilt lijden, gelijk Jezus Christus, of met geduld, gelijk de goede moordenaar, zult gij u ondanks moeten lijden, gelijk de boze moordenaar. Gij zult de bitterste kelk tot de laatste druppel moeten ledigen zonder de minste genadevertroosting. Gij zult de ganse last van uw kruis moeten dragen zonder de minste krachtdadige hulp van Jezus Christus. Gij zult bovendien de noodlottige last te dragen hebben, die de duivel aan uw keus zal toevoegen, door de ongeduldigheid, waartoe het u zal brengen. En, na, ongelukkig te zijn geweest met de boze moordenaar hier op aarde, zult gij hem moeten volgen in de vlammen van de hel.

Lijdt gij integendeel zoals het hoort, dan wordt het Kruis een uiterst zacht juk dat Jezus Christus met u draagt. Het wordt de dubbele vleugel van uw ten hemelopstijgende ziel. Het wordt een scheepsmast, die u voorspoedig en zonder moeite in de haven van het heil zal doen aanlanden. Draagt geduldig uw Kruis, zodoende zult gij verlicht worden in uw geestelijke duisternissen,  want wie geen beproeving lijdt, kent niets. Draagt uw Kruis met blijdschap, dan zult gij blaken van goddelijke liefde. Zonder lijden is het onmogelijk in de zuivere liefde van de Zaligmakers te leven. Men plukt geen rozen van tussen doornen. Het Kruis is het enig voedsel van de liefde tot God, zoals het hout het voedsel is van het vuur.

Herinnert u dan deze schone spreuk uit de Navolging: Naarmate gij u geweld zult aandoen, door geduldig te lijden, zult gij vorderingen maken in de goddelijke liefde.

Verwacht niets bijzonders van die teergevoelige en trage zielen, die het Kruis afweren wanneer het tot hen komt, en die er zich nooit een, in alle bedachtzaamheid, vrijwillig bezorgen. Zij zijn als een onbebouwd land, dat niets dan doornen voortbrengt, omdat het niet door een verstandig landman gespit, gehakt en omgekeerd wordt. Zij zijn als een slijkerig stilstaand water, dat niet deugt om er iets in te wassen noch om er van te drinken.

Draagt uw Kruis met blijdschap, en gij zult er een overwinnende kracht in vinden, waaraan geen van uw vijanden zal kunnen weerstaan. Gij zult er ook een heerlijk genot in smaken, waarbij niets kan vergeleken worden. Ja, Broeders, weest overtuigd dat dit het ware aardse Paradijs is: iets te lijden voor Jezus Christus. Ondervraagt alle Heiligen: zij zullen u zeggen, dat hun ziel nooit een heerlijker feestmaal genuttigd heeft, dan wanneer zij de hevigste pijnen doorstonden. Dat al de folteringen van de duivel over mij neerkomen, zei de H.Ignatius Martelaar. Ofwel lijden, ofwel sterven, zei de H.Theresia. Niet sterven, doch lijden, zei de H.Magdalena de Pazzi. Lijden en veracht worden om uwentwille, zei de H.Joannes van  het Kruis. En een menigte anderen hebben in dezelfde geest gesproken, zoals in hun levensbeschrijving te lezen staat.

Gelooft God, lieve Broeders; wanneer men blijmoedig lijdt voor God, dan is het Kruis, naar het woord van de H.Geest, een bron van allerlei geneugten voor alle soorten van personen. De vreugde, die het Kruis biedt, overtreft de vreugde van een arme die met allerlei schatten overladen wordt; de vreugde ook van een landman die op een troon verheven wordt; de vreugde van een koopman die goud wint met millioenen; de vreugde van legeraanvoerders die overwinningen behalen; de vreugde van gevangenen, die uit hun boeien verlost worden. In één woord: men denke zich de grootste vreugde van deze aarde uit: de vreugde van een gekruisigd mens, die naar behoren lijdt, bevat en overtreft ze alle!!

Verheugt u dus en springt op van blijdschap, wanneer God u met een goed Kruis bedeelt, want het hoogste goed dat er voor u bestaat in de hemel en bij God zelf, valt u ten deel, zonder dat gij het merkt. O, wat een groot geschenk van God is het Kruis! Zoudt gij dit beseffen, gij zoudt H.Missen laten lezen, de grafplaatsen van de heiligen bezoeken en er novenen houden, verre bedevaarten doen, zoals de heiligen, om dit goddelijk geschenk van de hemel te verkrijgen. De wereld noemt het een dwaasheid, een schande, een onozelheid, een onbezonnenheid, een onvoorzichtigheid. Laat die blinden maar praten: hun verblindheid, die hun het Kruis menselijkerwijze en gans verkeerd doet beoordelen, maakt deel uit van onze glorie, telkenmale als zij ons het een of ander kruis bezorgen door hun minachting en hun vervolgingen. Zij geven ons juwelen, zij plaatsen ons op een troon, zij kronen ons met lauweren. Wat zeg ik? Alle schatten, eerbewijzen, schepters, alle schitterende kronen van potentaten en keizers, kunnen, naar het woord van de H.Joannes Chrysostomus, niet vergeleken worden bij de glorie welke het Kruis ons schenkt. Deze is groter dan die van een Apostel of van een gewijde schrijver. Graag, -zo zei die door de H.Geest voorgelichte Heilige, – graag zou ik de hemel  verlaten, indien mij de keus gelaten werd, om voor de God van de Hemel te lijden. Ik zou de kerkers en gevangenisssen verkiezen boven de tronen van de hoogste hemel. Ik verlang niet zozeer naar de glorie van de Serafijnen als naar de grootste kruisen. Ik geef minder om de gaven van mirakelen, waardoor men aan de duivels gebiedt, de elementen schokt, de zon doet stilstaan en de dode in het leven terugroept, dan om de eer van te lijden. De HH Petrus en Paulus zijn roemwaardiger in hun gevangenis, met boeien aan hun voeten, dan waar de laatste tot de derde hemel verheven werd en de eerste de sleutels van de hemel ontving. Inderdaad, is het het kruis niet dat aan Jezus Christus een naam heeft gegeven boven alle naam, opdat bij de naam Jezus alle knieën buige, in de hemel, op aarde en in de hel?

De glorie van iemand die waardig lijdt is zó groot, dat de hemel, de engelen en de mensen, ja, dat zelfs de God van de hemel er met vreugde naar ziet, als naar het heerlijkste schouwspel, en dat de Heiligen, indien zij nog enig verlangen konden koesteren, op aarde zouden willen terugkomen om het een of ander Kruis te dragen!!!   Is die glorie hier op aarde al reeds zo groot, hoe groot zal ze dan in de hemel niet zijn? Wie zal ooit het eeuwig gewicht van glorie kunnen verklaren of zelfs begrijpen, dat door het kortstondig, doch waardig dragen van het Kruis in ons wordt uitgewerkt? Wie zal de glorie begrijpen, die in de hemel verkregen wordt voor een jaar en meer nog, voor een geheel leven van kruisen en kwellingen? Voorzeker, lieve Vrienden van het Kruis, de hemel bestemt u tot iets groots, zoals een groot Heilige zegt, aangezien de H.Geest u zo nauw verenigt met iets dat alle anderen zo zorgvuldig ontwijken. Voorzeker, God wil van u even zoveel Heiligen maken als gij Vrienden van het Kruis zijt, als gij maar getrouw blijft aan uw roeping en uw Kruis naar behoren draagt gelijk Jezus Christus het zijne.

Doch het is niet genoeg te lijden: de duivel en de wereld hebben ook hun martelaren. Men moet lijden en zijn Kruis dragen in navolging van Jezus Christus: hij volge mij; d.w.z. men moet zijn kruis dragen zoals Hij het zijne gedragen heeft.

Ziehier de regels die gij in dit opzicht in acht moet nemen.

1e Bezorgt u geen kruisen met opzet en door eigen schuld. Men mag geen kwaad doen ter bereiking van een goed doel. Behoudens een bijzondere ingeving, mag men zijn handelingen niet verkeerd verrichten om daardoor de minachting van de mensheid op zich te laden. Veeleer dient men Jezus Christus na te volgen, van Wie geschreven staat dat Hij alles wel deed. Doet ook gij zo, niet uit eigenliefde of ijdelheid, maar om aan God te behagen en de evennaaste te winnen. Zelfs al volbrengt gij uw plichten zo goed mogelijk, zal het u niet ontbreken aan tegenkantingen, vervolgingen, versmadingen, die de goddelijke Voorzienigheid u zal overzenden tegen uw wil in, en zonder dat gij ze zelf kiest.

2e Neemt uw evenmens ergernis, zij het dan ook ten onrechte, aan een onverschillige handeling die gij verricht, laat ze dan liever achterwege, uit naastenliefde, om een eind te stellen aan de ergernis van de zwakken. De heldhaftige daad van naastenliefde welke gij alsdan verricht, is oneindig meer waard dan wat gij deedt of wilde doen. Betreft het echter een goed werk dat noodzakelijk of nuttig is voor uw evenmens, en ergert deze of gene Farizeeër of kwaadgezinde er zich zonder reden over, raadpleeg dan een ervaren leidsman, om te vernemen of dat werk waarlijk noodzakelijk of zeer nuttig is voor het merendeel van de medemensen; zo ja, gaat dan voort met uw werk, en laat ze praten, als ze u maar laten begaan. In dit geval kunt gij antwoorden zoals O.L. Heer tot enige van zijn volgelingen, die Hem kwamen zeggen, dat de Schriftgeleerden en Farizeeërs zich ergerden over zijn woorden en daden:   Laat ze, het zijn blinden.

3e Sommige grote Heiligen hebben weliswaar kruisen, versmadingen en vernederingen afgebeden en gezocht, en er zich zelfs vrijwillig bezorgd door bespottelijke daden. Laten wij de buitengewone werking van de H.Geest in hun ziel aanbidden en bewonderen, en ons verootmoedigen bij het aanschouwen van een zo verheven deugd, zonder dat wij het wagen zo hoog te vliegen; want vergeleken bij die vlugge arenden en die briesende leeuwen, zijn wij slechts vreesachtige hoenders en levenloze honden.

4e Nochtans moogt en moet gij zelfs de wijsheid van het Kruis vragen, t.w. een behaaglijke en proefondervindelijke kennis van de waarheid, waardoor men in het licht van het geloof de meest verborgen geheimen aanschouwt, o.a. het geheim van het Kruis. Die kennis verkrijgt men echter niet dan met veel moeite, door diepe vernederingen en vurig gebed. Hebt gij behoefte aan die verheven geest, die de zwaarste kruisen met moed doet dragen; aan die goede en zoete geest, die de hogere vermogens van de ziel smaak doet vinden in de meest weerzinwekkende bitterheden; aan die gezonde en rechte geest, die niets zoekt dan God; aan de kennis van het Kruis, die alles bevat, in één woord, aan die oneindige schat, die, goed gebruikt, de ziel deelachtig maakt aan de vriendschap Gods: vraagt de wijsheid van het Kruis, vraagt ze zonder ophouden en met aandrang, vraagt ze zonder te twijfelen, zonder te vrezen dat gij ze niet zult verkrijgen; gij zult ze dan onfeilbaar bekomen, en de ondervinding zal u duidelijk doen inzien, hoe het mogelijk is, dat men naar het Kruis verlangt, dat men het Kruis zoekt en er smaak in vindt.

5e Hebt gij onwetend, of zelfs door uw schuld, een misslag begaan, die u het een of ander kruis bezorgt, vernedert er u dan aanstonds over in uw binnenste onder de machtige hand van God, zonder er u vrijwillig over te verontrusten. Zeg bijvoorbeeld inwendig: Zie, Heer, dat is weer een van mijn streken. Was uw fout een zonde, zo aanvaardt de vernedering die zij berokkent, als een straf daarvoor. Was ze geen zonde, beschouw dan uw kruisje als een middel om uw hoogmoed te vernederen. Dikwijls, zeer dikwijls zelfs, laat God toe dat zijn grootste dienaars, zij die het hoogst verheven zijn in zijn genade, de meest vernederende fouten begaan. Hij wil hen zodoende in hun eigen ogen en in dat van hun medemensen vernederen, en hen beletten, hun blik, ja zelfs hun gedachte, met zelfbehagen te vestigen op de genaden die Hij hun verleent en op het goede dat zij verrichten, opdat naar het woord van de H.Geest, geen vlees zich beroeme voor God.

6e Weest wel overtuigd, dat alles in ons, door de zonde van Adam en door onze dadelijke zonden, geheel bedorven is; niet alleen de zintuigen van ons lichaam, maar ook alle vermogens van onze ziel. Zodra dus onze bedorven geest voorbedachtelijk en met zelfbehagen de een of andere gave Gods in ons beschouwt, wordt die gave, die handeling, die genade, geheel bezoedeld en bedorven, en wendt God er zijn goddelijke aanschijn van af. Bederven de blikken en gedachten van ’s mensens geest alreeds dusdanig zijn beste handelingen en Gods hoogste gaven, wat dan te zeggen van de werken van de eigen wil, die nog meer bedorven zijn dan die van de geest? Geen wonder dan ook dat God er behagen in schept, de zijnen in het geheim van zijn aangezicht te verbergen, opdat zij niet bezoedeld worden door de aanblik van de mensen en hun ijdele zelfkennis.

En wat doet die naijverige God niet om hen aldus te verbergen? Hoeveel vernederingen bezorgt Hij hun niet? In hoeveel fouten laat Hij hen niet vallen? Door welke bekoringen laat Hij hen niet bestormen, zoals de H.Paulus? In welke onzekerheid, duisternis en besluiteloosheid laat Hij hen niet? O, wat is God wonderbaar in zijn heiligen en in de wijze waarop Hij hen tot nederigheid en heiligheid brengt.

7e Wacht er u dus wel voor, met de hoovaardige en verwaande schijnvromen te menen, dat uw kruisen van groot belang zijn, dat ze dienen om uw getrouwheid op de proef te stellen en blijk geven van een bijzondere liefde die God u toedraagt: die strik, door de geestelijke hoogmoed gespannen, is uiterst sluw en fijn, doch vol vergif.

Ziehier wat gij moet geloven:

1e dat uw hoogmoed en teergevoeligheid u strospiertjes voor balken, prikjes voor wonden, een rat voor een olifant, een luttel, zonder erg uitgesproken woordje voor een grove belediging, en wat eigenlijk maar een nietigheid is, voor een wrede verlatenheid doen aanzien;

2e dat de kruisen, die God u overzendt, eerder liefdevolle straffen zijn voor uw zonden -dat zijn ze ook inderdaad- dan blijken van een buitengewone goedgunstigheid;

3e dat, wat kruis of vernedering Hij u ook overzendt, Hij u toch nog oneindig spaart, in aanmerking genomen uw menigvuldige en gruwelijke misdaden; deze immers moet gij niet anders beschouwen dan door de heiligheid heen van God, die niets onzuivers duldt en aan wie gij u vergrepen hebt; door een stervende God heen, met smarten overladen om de schijn van uw zonden; door de eeuwige hel heen, die gij duizend en misschien honderdduizend malen verdiend hebt;

4e dat er, in het geduld waarmee gij lijdt, meer menselijk en natuurlijk gevoel schuilt dan gij wel denkt: getuige, dat ontzien van uzelf in allerlei kleinigheden, die geheime jacht naar vertroosting, die louter natuurlijke gemoedsuitstortingen bij uw vrienden, misschien zelfs bij uw biechtvader; die slimme en haastige verschoningen, die netjes ingeklede en niet huichelachtige liefde uitgesproken klachten, of liever die kwaadsprekerij over wie u leed deed; dat gedurig herdenken van uw kwalen en het week genot dat gij daarin zoekt; die duivelachtige waan dat gij een verheven iets zijt, enz… Er kwam nooit een eind aan, indien ik al de wegen en omwegen wilde beschrijven die de natuur ons doet betreden, zelfs in het lijden.

8e Doet uw voordeel met uw geringe wederwaardigheden, meer zelfs dan met de grote. God let niet zozeer op hetgeen men lijdt danwel op de manier. Veel, doch slecht lijden, is lijden als een verdoemde; veel lijden zelfs met moed, doch om een slechte zaak, is lijden als een martelaar van de duivel; weinig of veel lijden, maar voor God, is lijden als een heilige. Kan ooit met waarheid gezegd worden, dat men mag kiezen tussen de kruisen, dan is het voornamelijk ten opzichte van de geringe en geheime, wanneer deze ons gelijktijdig met grote en schitterende worden aangeboden. De hoogmoed van de natuur kan wel grote en schitterende kruisen afbidden en najagen, ze zelfs bij voorkeur kiezen en omhelzen; doch de geringe en geheime kruisjes kiezen en ze vreugdevol dragen, dat kan slechts het uitwerksel zijn van een grote genade en van een grote getrouwheid aan God.

Handelt dan gelijk een winkelier bij zijn toonbank: doe uw voordeel met alles, laat niet het kleinste stukje van het ware Kruis verloren gaan, als is het maar een mugge- of speldesteek, een lichte dwarsdrijverij van een buurman, een geringe belediging tengevolge van een misverstand, het onbeduidend verlies van een penning, een weinigbetekenende zielskwelling, een voorbijgaande vermoeidheid in uw lichaam, een lichte pijn in een van uw ledematen, enz. Doet met alles uw voordeel, zoals een winkelier met zijn waren, en gij zult spoedig rijk worden in God, evenals een winkelier rijk wordt aan geld door penning op penning in zijn winkellade te bergen. Zegt, bij de minste wederwaardigheid die u overkomt: God zij geloofd!! Mijn God, ik dank u!!! Verberg dan het zo pas verdiende Kruis in het geheugen van God, dat om zo te zeggen uw geldlade is, en denkt er verder niet meer aan, dan alleen om te zeggen: Van harte dank, of: Wees mij barmhartig.

9e Wordt u gezegd, dat gij het Kruis moet liefhebben, dan is er geen sprake van een gevoelige liefde, want daartoe is de natuur niet in staat.

Onderscheidt dus nauwkeurig drie soorten van liefde: de gevoelige liefde, de verstandelijke liefde, de bovennatuurlijke en hoogste liefde; m.a.w. de liefde van het lagere bestanddeel van uw natuur, nl. het vlees, de liefde van het hogere bestanddeel, nl. het verstand, en de liefde van het opperste deel of het toppunt van uw ziel, nl. het verstand, voorgelicht door het geloof.

God vergt niet van u dat gij het Kruis liefhebt met de wil van het vlees; deze immers is geheel bedorven en misdadig, zodat al wat er uit geboren wordt ook bedorven is. Uit zichzelf kan de wil van het vlees niet eens aan Gods wil en aan zijn kruisigende wet onderworpen zijn. Van die wil sprekend, riep Jezus dan ook in de Hof van Olijven uit: Vader, uw wil geschiede en niet de mijne! Indien het lagere bestanddeel van de mens zelfs in Jezus Christus, waar het heilig was, het Kruis niet gestadig heeft kunnen liefhebben, zal het in ons, waar het geheel bedorven is, het Kruis des te zekerder verwerpen.

Somtijds, weliswaar, kunnen wij zelfs een gevoelige vreugde smaken in ons lijden, zoals dit met verscheidene Heiligen het geval is geweest. Maar die vreugde komt niet van het vlees, ofschoon zij in het vlees gevoeld wordt. Zij komt uitsluitend voort uit het hogere bestanddeel: dit is nl. zó overvol van de goddelijke vreugde van de H.Geest, dat het die uitstort over het lagere deel. In zulke ogenblikken kan zelfs de meest gekruisigde mens uitroepen: Mijn hart en mijn ziel zijn van vreugde opgesprongen in de levende God!!

Er bestaat een andere liefde tot het Kruis, die ik verstandelijk noem, omdat ze tot het hogere of verstandelijke deel van de mens behoort. Deze liefde is geheel geestelijk; en daar zij voortspruit uit de kennis van het geluk dat erin gelegen is, iets voor God te lijden, kan ze door de ziel worden waargenomen en wordt dit ook inderdaad, met het gevolg, dat zij de ziel inwendig verblijdt en versterkt. Maar die verstandelijke en door de rede waargenomen liefde, alhoewel goed en zelfs zeer goed is, is niet altijd noodzakelijk om met vreugde en volgens God te lijden.

Er bestaat dan ook nog een andere liefde, die van het toppunt of de spits van de ziel, zoals de leermeesters van het geestelijk leven zeggen, of van het verstand, zoals de wijsgeren zeggen. Ofschoon men door deze liefde geen genot smaakt in het zinnelijk gedeelte en geen verstandelijke vreugde in de ziel, heeft men toch het Kruis, dat men te dragen heeft, lief, en vindt men er smaak in, door het licht van het geloof alleen, al is dikwijls alles in opstand en beroering in het lagere gedeelte. Dit zucht dan, en klaagt, en schreit, en zoekt naar verlichting; doch men zegt met Jezus Christus: Vader, uw wil geschiede en niet de mijne, of met de H.Maagd: Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.

Met een van deze twee soorten van liefde van onze hogere vermogens moeten wij het Kruis liefhebben en aanvaarden.

10e Neem het besluit, lieve vrienden van het Kruis, alle soorten van Kruisen te dragen, zonder uitzondering en zonder keus: alle armoede, alle onrecht, alle verlies, alle ziekte, alle vernedering, alle tegenspraak, alle laster, alle dorheid, alle verlatenheid, alle in- en uitwendige kwelling. Zeg steeds: Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid.

Wees er dan ook werkelijk op voorbereid om door de mensen, de Engelen, en als het ware door God zelf verlaten te worden; om vervolgd, benijd, verraden, belasterd, verdacht gemaakt en door allen in de steek te worden gelaten; om honger en dorst te lijden, tot de bedelstaf gebracht en van alles ontbloot te worden; om tot ballingschap, tot de kerker, het schavot en allerhande folteringen te worden veroordeeld, en wel onschuldig, om misdaden die men u valselijk ten laste legt. Stel u ten slotte voor, dat gij, na goed en eer verloren te hebben, zoals Job en de H.Elisabeth, koningin van Hongarije, uit uw huis geworpen bent; dat gij met laatstgenoemde Heilige in het slijk, of met Job op een mesthoop gesleurd wordt en daar een walgelijke reuk verspreidend en geheel met etterbuilen overdekt, blijft neerliggen, zonder dat u een lijnwaad gegeven wordt om uw wonden te verbinden of een stuk brood om uw honger te stillen: iets wat men aan een paard of hond niet zou weigeren; dat God u, midden in die uiterste nood, ten prooi laat aan al de bekoringen van de duivelen, zonder de minste gevoelige vertroosting in uw ziel te storten. Wees vast overtuigd, dat dit het toppunt is van de bovennatuurlijke glorie en de ware zaligheid voor een echt en volmaakt Vriend van het Kruis.

11e. Als een hulpmiddel om waardig te lijden moet gij het u tot een heilige gewoonte maken aan de vier navolgende dingen te denken:

Ten eerste, aan het oog van God, die, gelijk een groot koning, als van een toren op zijn strijder neerziet, hem met welgevallen gadeslaat in de hitte van het gevecht en hem prijst om zijn moed. Waarnaar ziet God op aarde? Naar de koningen en keizers op hun tronen? Dikwijls beschouwt Hij deze slechts met verachting. Naar de grote overwinningen van de legermachten van een land, naar onze kostbare edelstenen, in één woord, naar al wat groot is in het oog van de mensen? Wat groot is in het oog van de mensen, is een voorwerp van afschuw bij God. Waarnaar ziet Hij dan met genoegen en welgevallen, en waarover vraagt Hij inlichtingen bij de Engelen en zelfs bij de duivelen? Naar iemand die voor God aan het strijden is tegen het noodlot, de wereld, de hel en zichzelf, en die zijn Kruis met vreugde draagt. Hebt gij niet een groot wonder op aarde gezien, dat de gehele hemel met bewondering gadeslaat?  zegt de Heer tot Satan. Hebt gij mijn dienaar Job niet gezien, die voor mij lijdt?

Denkt ten tweede aan de hand van die machtige Heer: immers alle natuurlijk leed dat ons overkomt, van het grootste tot het minste, is háár werk. Dezelfde hand, die een leger van honderdduizend man in het stof deed bijten, doet de bladeren van de bomen en het haar van uw hoofd vallen. De hand die zwaar op Job neerkwam, raakt u maar zachtjes aan, door de lichte pijn die zij u veroorzaakt. Met dezelfde hand brengt God de dag en de nacht, de zon en de duisternis, het goed en het kwaad voort. Hij laat de zonden toe die men bedrijft wanneer men u beledigt; Hij is niet de oorzaak van het kwaad van de zonde, maar de daad zelf laat Hij toe. Ondervindt gij dus ooit, dat een Semeï u schimpwonden toevoegt of met stenen naar u werpt, zoals eertijds naar koning David, zeg dan bij u zelf: Wreken wij ons niet, laten wij hem begaan, want de Heer heeft hem gelast aldus te handelen. Ik weet, dat ik alle mogelijke beledigingen verdiend heb en dat ik terecht door God gestraft word. Verroer u niet, mijn armen; gij, mijn tong, zwijg stil: slaat niet, spreek geen woord. Die man of die vrouw beledigt mij met woord of daad: het zijn gezanten van God, die in naam van zijn barmhartigheid tot mij komen om in de minne wraak te nemen. Vertoornen wij zijn gerechtigheid niet, door ons zijn recht tot wraakoefening wederrechtelijk toe te eigenen. Versmaden wij zijn barmhartigheid niet, door ons te verzetten tegen haar gans liefderijke zweepslagen: Hij mocht ons anders, om zich te wreken, naar de strenge gerechtigheid verwijzen van de eeuwigheid.

Zie hoe één van Gods handen,  -een almachtige en oneindig voorzichtige hand, – u ondersteunt, terwijl de andere u slaat. Met de ene hand doodt Hij en met de andere doet Hij leven. Hij vernedert en heft weer op. Met zijn twee armen reikt Hij zacht en krachtig van het ene tot het andere eind van uw leven: zacht, door niet toe te laten dat gij boven uw kracht beproefd en bedroefd wordt; krachtig, door u met een krachtdadige genade bij te staan, berekend naar de kracht en de duur van uw beproeving en droefenis; krachtig ook, omdat Hij zelf, zoals Hij door de geest van zijn H.Kerk zegt, uw steun wordt op de rand van de afgrond waarbij gij u bevindt, uw reisgezel op de weg waarop gij aan het dwalen raakt, uw lommer in de hitte die u verzengt, uw kleed in de regen die u bevochtigt en in de koude die u doet bevriezen, uw wagen in de vermoeidheid die u teneerdrukt, uw hulp in de tegenspoed die u overkomt, uw stok op de gladde wegen, en uw haven temidden van de stormen die u met ondergang en schipbreuk bedreigen.

Denkt ten derde aan de wonden en smarten van de gekruiste Jezus. Hij zelf zegt: O gij allen die langs de doornige kruisweg komt, die ik betreden heb, aanschouwt en ziet. Ziet, zelfs met de ogen van uw lichaam, en ziet ook met de ogen van de geestelijke beschouwing, of uw armoede, uw naaktheid, uw versmading, uw smart, uw verlatenheid, bij de mijne kan vergeleken worden. Zie naar mij, die onschuldig ben, en beklaag u dan, gij die schuldig zijt.

Ook de H. Geest vermaant ons door de mond van de Apostelen, de gekruisigde Jezus Christus aldus te beschouwen!!; Hij vermaant ons, ons te wapenen met deze gedachte, die scherper is en verschrikkelijker voor al onze vijanden dan enig ander wapen. Wordt gij overvallen door armoede, vernedering, pijnen, bekoring, of door welk kruis ook, wapent u dan met een schild, een pantser, een helm, een tweesnijdend zwaard, nl. met de gedachte aan de gekruisigde Jezus Christus: dat is het middel om alle moeilijkheden op te lossen en om over alle vijanden te zegevieren!!!.

Ten vierde, zie opwaarts, naar de schone kroon die u in de hemel wacht, indien gij uw Kruis behoorlijk draagt. Die beloning heeft de Patriarchen en Profeten in hun geloof en hun vervolgingen gesteund, de Apostelen en Martelaren in hun werken en pijnen bemoedigd. Liever, zo zeiden de Patriarchen met Mozes, liever worden wij met het volk Gods beproefd, om er eeuwig mee gelukkig te zijn, dan één ogenblik een misdadig genot te smaken. – Wiij verduren hevige vervolgingen ter wille van de beloning, zeiden de Profeten met David. –  Wij zijn als ter dood verwezen slachtoffers, als een schouwspel voor de wereld, de Engelen en de mensen door ons lijden, als het uitvaagsel en de gebanvloekten van de wereld,-  zeiden de Apostelen en Martelaren met de H.Paulus, -ter wille van het oneindig gewicht van de eeuwige glorie, dat door dit enkel ogenblik van lichte pijn in ons wordt uitgewerkt.

Aanschouwen wij, boven ons hoofd, de Engelen die ons toeroepen: Zorgt dat gij de kroon niet verliest, die bestemd is voor het u toebedeelde Kruis, indien gij het waardig draagt. Doet gij dit niet, zo zal een ander het doen en uw kroon bemachtigen.

Strijdt moedig, door geduldig te lijden, -zeggen ons alle Heiligen, –  en gij zult een eeuwig rijk verwerven.

Luisteren wij ten slotte naar Jezus Christus, die ons zegt: Aan hem slechts zal ik mijn beloning geven, die lijdt, en door geduld overwint.

Wenden wij de ogen afwaarts naar de plaats die wij verdienen, en die ons te wachten staat in de hel, met de boze moordenaar en de verworpelingen, indien wij, zoals zij, al morrend en met spijt en wraakzucht lijden. Roepen wij met de H.Augustinus uit: Brand, Heer, kap, snijd en hak hier op aarde tot straf voor mijn zonden, als Gij ze mij maar kwijtscheldt voor de eeuwigheid.

12e Beklaag u nooit vrijwillig en mort niet over de schepselen waarvan God zich bedient om u te beproeven.

Onderscheid te dezen opzichte een drievoudig klagen in het lijden dat men te verduren heeft.

Het eerste is onvrijwillig en natuurlijk: het is het klagen van het lichaam, dat kermt, zucht, kreunt, schreit en jammert. Als de ziel zich maar in haar hogere vermogens, aan Gods wil onderwerpt, is dit klagen zoals ik reeds gezegd heb, geen zonde.

Het tweede is redelijk, wanneer men zich nl. bij dezulken beklaagt en hun zijn lijden blootlegt, die het kunnen verhelpen, b.v. een overste, of een dokter. Dit klagen kan een onvolmaaktheid zijn, als men er te licht toe overgaat, maar het is geen zonde. Het derde is misdadig, wanneer men zich nl. over zijn evennaaste beklaagt om bevrijd te worden van het leed dat hij ons aandoet of om er wraak over te nemen, of wanneer men, als men klaagt over hetgeen men te lijden heeft, in dit klagen toestemt, ongeduldig wordt en aan het morren slaat.

13e Aanvaardt nooit een Kruis zonder het ootmoedig en met dankbaarheid te kussen.  Mocht de algoede God u met een enigszins aanzienlijk Kruis begunstigen, bedankt Hem dan op bijzondere wijze en doe Hem ook door anderen bedanken, naar het voorbeeld van een arme vrouw, die, na alwat zij bezat te hebben verloren in een proces dat men haar onrechtvaardig had aangedaan, onmiddellijk een H.Mis liet lezen voor het enige tienstuiverstukje dat zij nog overhad, om God te danken voor het buitenkansje dat haar was ten deel gevallen.

14e Wilt gij waardig worden de beste Kruisen te ontvangen, die nl. welke u zonder uw toedoen overkomen, belaadt u dan met vrijwillige Kruisen, in overleg met een wijze zielsbestierder.  Hebt gij b.v. thuis het een of ander meubelstuk, waaraan gij min of meer gehecht bent, geef het aan een arme en zeg: Zoudt gij iets overtolligs willen hebben, waar Jezus zo arm is? Staat de een of andere spijs, de een of andere oefening van deugd, of een onaangename reuk u tegen: eet van die spijs, beoefen die deugd, ruik die reuk, overwin u. Bent gij met een enigszins overdreven tederheid en vurigheid aan sommige personen of zaken gehecht; ga weg, onthoudt u, verwijder u van hetgeen u streelt. Gevoelt gij een natuurlijke aandrang om iets te zien of te doen, om gezien te worden of om ergens heen te gaan: bedwing u, zwijg, verberg u, wendt uw ogen af. Hebt gij een natuurlijke afkeer van dit of dat voorwerp, voor die of die persoon: ga er dikwijls heen, overmeester u.

Als gij ware Vrienden van het Kruis bent zal de altijd vindingrijke liefde u duizenden dergelijke Kruisjes doen ontdekken, waarmee gij u langzamerhand zult verrijken, zonder gevaar voor het ijdel zelfbehagen, dat dikwijls het geduld aankleeft waarmee men schitterende Kruisen draagt.

En omdat gij zodoende getrouw zult zijn geweest in het kleine, zal u de Heer, naar zijn belofte, over het grote aanstellen, d.w.z. over menigvuldige genaden die Hij u zal schenken, over talrijke Kruisen die Hij u zal overzenden, en over een grote glorie die Hij u zal bereiden.

Share this:

Geef een reactie

Blog op WordPress.com.
Entries (RSS) and Comments (RSS).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.