Brief aan de radeloze katholieken

Door Mgr M. Lefebvre

Mgr Lefebvre

Mgr. Marcel Lefebvre schreef dit boek in 1984. Op eenvoudige maar heldere wijze geeft hij uitleg en toont achtergronden bij de crisis die de katholieke Kerk van vandaag doormaakt. In zijn tijd had dit boek een profetisch karakter. Vandaag – nu we bijna veertig jaar verder zijn – vinden wij daarin een analyse van de veranderingen in de Kerk, die ons de principes die 
aan deze crisis ten gronde liggen doet begrijpen.

1. Waarom zijn de katholieken radeloos?
2. Men verandert Onze Godsdienst
3. Mis of Kermis?
4. De Mis van Altijd en de Mis naar Smaak van de Dag
5. Jullie zijn Passéïsten!
6. De nieuwe sacramenten
7. De Nieuwe Priesters
8. Van de Nederlandse Catechismus tot de ‘Pierres Vivantes’
9. De Nieuwe Theologie
10. De Oecumene
11. De Godsdienstvrijheid
12. Kameraden en Broeders
13. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap
14. Vaticanum II: het 1789 van de Kerk
15. De Vereniging van Kerk en Revolutie
16. Het Neomodernisme of ‘Pierres Vivantes’ in Puin
17. Wat is de Traditie?
18. Waarachtige Gehoorzaamheid
19. De Romeinse Sancties tegen Econe
20. De zogeheten Mis van de H. Pius V, de Mis van Alle Tijden
21. Noch Ketters noch Schismatiek
22. De Gezinnen moeten zich verweren
23. Opbouwen – Niet Verwoesten.

1. Waarom zijn de katholieken radeloos?

Hoofdstuk I

Wie zou kunnen ontkennen, dat de katholieken van de twintigste eeuw, die nu ten einde loopt, radeloos zijn? Het is voldoende te constateren, dat dit fenomeen relatief nieuw is en pas de laatste twintig jaar van de kerkgeschiedenis omvat. Nog maar kort geleden was heel de weg nauwkeurig uitgestippeld. Men volgde hem of men volgde hem niet. Men geloofde, men had het geloof verloren of men had het nooit gehad. Maar wie geloofde, wie door het doopsel in de H. Kerk was opgenomen, op ongeveer elfjarige leeftijd de doopbeloften had hernieuwd en op de dag van zijn vormsel de Heilige Geest had ontvangen, die wist wat hij moest geloven en wat hij te doen had. Vandaag weten velen het niet meer. Men hoort in de Kerk zoveel verbazingwekkende opvattingen, men leest zoveel verklaringen, die datgene wat van oudsher werd geleerd tegenspreken, dat geleidelijk twijfel in de zielen is binnengeslopen. Op 30 juni 1968 sloot zijne heiligheid paus Paulus VI het Jaar van het Geloof af, en legde voor alle in Rome aanwezige bisschoppen en honderdduizenden gelovigen een katholieke geloofsbelijdenis af. In zijn inleiding waarschuwde hij iedereen voor de aanvallen die op de leer plaatsvonden, «want», zo zei hij, «daardoor zouden, zoals men dat vandaag helaas kan zien, in veel gelovige zielen verwarring en radeloosheid ontstaan». Deze woorden zijn ook in een toespraak van zijne heiligheid paus Johannes Paulus II op 6 februari 1981 terug te vinden:«Het grootste deel van de christenen van onze dagen voelt zich verloren, verward, radeloos, ja, zelfs bedrogen». De Heilige Vader vatte de oorzaken als volgt samen:«Overal worden ideeën in omloop gebracht die de geopenbaarde en altijd verkondigde waarheid tegenspreken. Op het gebied van dogma en moraal werden regelrechte ketterijen verbreid, die twijfel, verwarring en verzet deden ontstaan. Zelfs de liturgie werd geweld aangedaan. De christenen zijn in een intellectueel en moreel “relativisme” binnengestoten en worden verleid tot een vage, moralistische verlichtingsleer, tot een sociologisch Christendom zonder gedefinieerd dogma en zonder objectieve moraal».

Deze radeloosheid openbaart zich bij iedere gelegenheid, in gesprekken, geschriften, kranten, radio- en televisie-uitzendingen en in het gedrag van de katholieken, namelijk in een, zoals de statistieken documenteren, aanzienlijke afname van de godsdienstige praktijk, in een toenemende onverschilligheid ten opzichte van de Mis en de sacramenten en in een algemene verslapping van de zeden. Men moet zich dus afvragen hoe het tot een dergelijke stand van zaken kon komen. Want elk gevolg heeft een oorzaak. Is het geloof van de mensen verslapt omdat het hen ontbreekt aan edelmoedigheid van de ziel, omdat zij genotzuchtig zijn, omdat zij zich al te zeer voelen aangetrokken tot de genoegens van het leven en tot de veelvoudige verstrooiïngen die de moderne wereld biedt? Neen, dat zijn niet de ware redenen. Dat alles is er, op een of andere wijze, altijd geweest. De ware reden voor het snelle afnemen van de godsdienstige praktijk moet veeleer worden gezocht in de nieuwe geest die zich in de Kerk heeft ingenesteld en een lang verleden van kerkelijk leven, kerkelijke leer en kerkelijke levensbeginselen verdacht heeft gemaakt. Dat alles was verankerd in het onveranderlijke geloof van de Kerk, overgeleverd door catechismussen die door alle bisdommen waren erkend. Toen men dit schokte, zaaide men radeloosheid.

Een voorbeeld: de Kerk leerde – en de totale gemeenschap van gelovigen geloofde – dat de katholieke godsdienst de enige ware was. Inderdaad werd zij door God zelf gesticht, terwijl de andere godsdiensten het werk is van mensen. Bijgevolg moet de christen elke relatie met valse godsdiensten vermijden en anderzijds alles doen om hun aanhangers tot de godsdienst van Christus te voeren. Is dat nog altijd waar? Natuurlijk! De waarheid kan niet veranderen, anders zou zij nooit de waarheid zijn geweest. Geen enkel nieuw gegeven, geen enkele theologische of wetenschappelijke ontdekking (gesteld dat er theologische ontdekkingen zouden bestaan) zou er ooit iets aan kunnen veranderen, dat de katholieke godsdienst de enige weg tot het heil is.

Nu echter neemt de paus zelf deel aan religieuze ceremoniën van valse godsdiensten en bidt en preekt op cultusplaatsen van ketterse sekten. De televisie verbreidt de beelden van deze ontstellende contacten over de hele wereld. De gelovigen begrijpen er niets meer van.

Luther, ik zal later nog op hem terugkomen, heeft hele volkeren van de Kerk gescheiden en Europa geestelijk en politiek ten diepste geschokt, doordat hij de katholieke hiërarchie, het priesterschap vernietigde en een valse heilsleer en een valse leer van de sacramenten verzon. Zijn opstand tegen de Kerk zou tot voorbeeld worden voor alle latere revolutionairen die in Europa en in de hele wereld verwarring stichtten. Het is onmogelijk hem 500 jaar later tot profeet of kerkleraar te maken, laat staan tot een heilige, zoals bepaalde mensen dat willen.

Daar vind ik echter bij het lezen van de “Documentation Catholique”*(3 juli 1983, nr. 1085, blz.696-697 e.v.) en enkele bisdombladen, uit de pen van de door het Vaticaan officieel erkende gemengde katholiek-lutherse commissie de volgende tekst:

«Onder de opvattingen van het Tweede Vaticaans Concilie, die de verlangens van Luther accepteren, vindt men bijvoorbeeld:

  • de omschrijving van de Kerk als “Volk Gods”(grondgedachte van het nieuwe kerkelijke recht: democratisch, niet meer een hiërarchisch principe);
  • het leggen van de nadruk op het algemene van het priesterschap van alle gedoopten;
  • het opkomen voor het recht van de mens op vrijheid met betrekking tot de godsdienst.

Andere eisen die Luther in zijn tijd had gesteld kunnen in de theologie en in de praktijk van de huidige Kerk als ingewilligd worden beschouwd: het gebruik van de volkstaal in de liturgie, de mogelijkheid om onder twee gedaanten te communiceren en de vernieuwing van de theologie en de viering van de Eucharistie»

Wàt een bekentenis!

Men voldoet aan de eisen van een Luther, die zich een vastbesloten en brute vijand betoond heeft van de Mis en van de paus. Men voldoet aan de wensen van de godlasteraar, die gezegd heeft:«Ik houd staande dat alle huizen van plezier, alle moorden, diefstallen en echtbreuken niet zo verwerpelijk zijn als deze afschuwelijke Mis!» Men kan tegenover zulk een absurde rehabilitatie slechts tot één conclusie komen: òf men moet het Tweede Vaticaans Concilie veroordelen, dat deze rehabilitatie heeft goedgekeurd, òf het Concilie van Trente en alle pausen, die sinds de zestiende eeuw het protestantisme voor ketters en schismatiek hebben verklaard.

Het is begrijpelijk dat de katholieken radeloos staan tegenover een dergelijke bewering in omgekeerde richting. Maar zij hebben voor deze radeloosheid nog zoveel andere aanleidingen. Zij hebben beleefd, hoe in de loop der jaren zowel de inhoud alsook de uiterlijke vorm van de eredienst, die de volwassenen in de eerste helft van hun leven hadden gekend, omgevormd werden. In de kerken werden de altaren verwoest of ontwijd en door een tafel vervangen die vaak zelfs verplaatsbaar is en kan worden verwijderd. Het tabernakel neemt niet meer de ereplaats in, meestal heeft men het aan de zijkant in een pilaar verborgen. Is het echter in het centrum gebleven, zo keert de priester het bij het lezen van de Mis de rug toe. Celebrant en gelovigen zijn naar elkaar toegewend en voeren dialogen. Iedereen mag de heilige vaten aanraken, die vaak zijn vervangen door korven, schotels of schalen van ceramiek. Leken, waaronder ook vrouwen, delen de H. Communie uit, die men op de hand ontvangt. Het lichaam van Christus wordt met een gebrek aan eerbied behandeld, waaruit twijfel aan de werkelijkheid van de transsubstantiatie blijkt.

De wijze waarop de sacramenten worden toegediend is van plaats tot plaats verschillend. Als voorbeeld noem ik even de leeftijd voor het doopsel en voor het vormsel of het verloop van het kerkelijke huwelijk, dat men met liederen en lezingen opsiert die niets met de liturgie te maken hebben, maar die ontleend zijn aan andere godsdiensten of aan uitgesproken profane literatuur, als ze al geen politieke ideeën tot uitdrukking brengen.

Het Latijn, de universele taal van de Kerk, en het Gregoriaanse gezang zijn in de praktijk bijna overal verdwenen. De kerkliederen zijn vervangen door moderne gezangen, die niet zelden hetzelfde ritme hebben als liedjes in amusementsgelegenheden.

Ook het plotselinge verdwijnen van de kerkelijke kleding heeft de katholieken verrast, als zouden priesters en kloosterlingen zich schamen, zich als datgene te vertonen wat zij zijn.

Ouders die hun kinderen naar catechismusles sturen, stellen vast, dat men deze niet meer de geloofswaarheden leert, zelfs niet de meest fundamentele: de allerheiligste Drieëenheid, het geheim van de menswording, de verlossing, de erfzonde, de Onbevlekte Ontvangenis. Dat roept de diepste ontsteltenis tevoorschijn: is dat alles dan niet meer waar, niet meer geldig, “verouderd”? De christelijke deugden worden zelfs niet meer genoemd. In welk godsdienstboek wordt bijvoorbeeld nog gesproken over nederigheid, kuisheid en ascese? Het geloof is tot een wisselend begrip geworden, de christelijke liefde tot een soort algemene solidariteit en de hoop vooral tot een hoop op een betere wereld.

Dat alles zijn geen vernieuwingen van de soort zoals men die in het aardse domein in de loop van de tijd tegenkomt, waaraan men gewend raakt en die men na aanvankelijke bevreemding aarzelend aanneemt. In de loop van een mensenleven veranderen er zeer veel manieren van doen. Als ik nog missionaris in Afrika zou zijn, zou ik daarheen reizen met het vliegtuig en niet meer per schip, alleen al vanwege de moeilijkheid een rederij te vinden die überhaupt nog op deze lijn vaart. In deze zin kan men zeggen dat men met zijn tijd moet meegaan en dat iemand zelfs niets anders overblijft. Maar de katholieken, aan wie men met dezelfde motivering vernieuwingen op geestelijk en bovennatuurlijk gebied wilde opdringen, hebben goed begrepen dat dat niet mogelijk is. Men kan het H. Misoffer en de door Jezus Christus ingestelde sacramenten niet veranderen, men kan de eens voor altijd geopenbaarde waarheden niet veranderen, men kan een dogma niet door een ander vervangen.

De volgende bladzijden willen op de vragen antwoorden, die u zichzelf stelt; u, die een ander gelaat van de Kerk hebt gekend. Ze willen ook de jonge mensen voorlichten, die na het concilie geboren zijn en aan wie de katholieke gemeenschap niet datgene biedt wat zij met recht van haar mogen verwachten. Ik wil mij tenslotte ook tot de onverschilligen of de agnostici richten, die op een dag door de genade Gods worden beroerd en die dan niets aantreffen dan kerken zonder priesters en een leer die niet aan de verwachtingen van hun ziel beantwoordt.

Voor het overige interesseren deze vragen heel duidelijk alle mensen, als ik oordeel naar de interesse waar de pers, in het bijzonder in ons land, blijk van geeft. Ook bij de journalisten laat de radeloosheid zich zien. Ik noem een paar willekeurige krantekoppen:«Zal het Christendom sterven?», «En als de tijd nu eens tégen de godsdienst van Jezus Christus zou werken?», «Zullen er in het jaar 2000 nog priesters zijn?».

Op deze vragen wil ik antwoorden; niet doordat ik van mijn kant nieuwe theorieën lever, maar doordat ik mij beroep op de ononderbroken traditie, die welzeker in de laatste jaren zozeer werd prijsgegeven, dat zij zonder twijfel vele lezers als iets nieuws zal voorkomen.

* Tweemaandelijks tijdschrift, dat in opdracht van de Franse bisschoppenconferentie teksten van de paus, van de H. Stoel en het Franse episcopaat, alsmede theologische artikelen e.d. publiceert, o.l.v. paters Assumptionisten(Bayard Pers).

2. Men verandert Onze Godsdienst

Hoofdstuk II

Onmiddellijk aan het begin wil ik een misverstand ophelderen, en wel zo nadrukkelijk, dat ik er niet meer op hoef terug te komen: ik ben geen leider van een beweging, nog veel minder het hoofd van een eigen Kerk. Ik ben niet, zoals men onophoudelijk schrijft, “de leider van de traditionalisten”. Ja, men is zelfs zo ver gegaan, zekere lieden als “Lefebvristen” te omschrijven, alsof het om een partij of om een theologisch leersysteem ging. Dat is een ontoelaatbare manier van spreken.

Ik vertegenwoordig op godsdienstig gebied geen persoonlijke leer. Mijn hele leven heb ik mij aan datgene gehouden, wat men mij op de schoolbanken van het Franse Seminarie in Rome heeft onderwezen, namelijk de katholieke leer, zoals het leergezag die sinds de dood van de laatste apostel – die het einde van de openbaring betekent – van eeuw tot eeuw heeft overgeleverd. Daarin kan niets aanwezig zijn, dat de sensatiehonger van de journalisten, en, door haar, de heersende publieke opinie tot voedsel zou kunnen dienen. Niettemin geraakte op 29 augustus 1976 heel Frankrijk in opschudding, toen bekend werd dat ik in Lille de Mis zou lezen. Wat was er zo buitengewoon aan, dat een bisschop het H. Misoffer celebreert? Ik moest voor een woud van microfoons preken, en iedere zin van mij werd als een opzienbarende verklaring begroet. Wat heb ik anders gezegd dan wat iedere willekeurige andere bisschop zou hebben kunnen zeggen?

Maar dat is nu net de oplossing van het raadsel: deze andere bisschoppen hebben sinds een reeks van jaren niet meer hetzelfde gezegd. Hebt u bijvoorbeeld vaak over het koningsschap van Onze Heer Jezus Christus over de maatschappij horen spreken?

Ik kan mij niet genoeg verbazen over mijn persoonlijke avontuur: deze bisschoppen waren toch voor het grootste deel in Rome mijn medestudenten, zij hebben dezelfde opleiding ontvangen als ik. En plotseling stond ik daar helemaal alleen. Want zij zijn het immers, die veranderd waren, zij hadden gebroken met wat zij geleerd hadden. Ik zelf heb niets nieuws uitgevonden, ik heb mij bij het oude gehouden. Kardinaal Garrone(1) heeft mij zelfs eenmaal gezegd:«Men heeft ons in het Franse Seminarie in Rome misleid!» Waarover misleid? Had hij niet de kinderen die zijn catechismusonderricht bezochten, duizenden malen de belijdenis van hun geloof laten herhalen:«Mijn Heer en mijn God, ik geloof alles wat Gij hebt geopenbaard, en door de H. Kerk ons leert. Dat geloof ik vast, omdat Gij het hebt gezegd, die alles weet en altijd waarheid spreekt»?(Catechismus v.d. Nederlandse Bisdommen, Den Bosch, 1948).

Hoe was het mogelijk, dat al deze bisschoppen een dergelijke ommekeer doorgemaakt hebben? Ik heb daarvoor de volgende verklaring: zij zijn in Frankrijk gebleven en hebben zich langzaam laten besmetten. In Afrika was ik beschermd. Ik ben precies in het jaar van het concilie teruggekomen(2): toen was het onheil al aangericht. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft slechts de sluizen geopend die de vernietigende vloed hadden tegengehouden.

En in de kortste keren, zelfs nog voor de sluiting van de vierde zittingsperiode was de ineenstorting daar. Alles, of bijna alles, zou weggespoeld worden, op de eerste plaats het gebed.

De christen voor wie God nog iets betekent en die eerbied voor Hem heeft, wordt door de aard van het gebed, dat men vandaag van hem verlangt, voor het hoofd gestoten. Men heeft de eertijds van buiten geleerde gebeden als “gedreun” voorgesteld, men leert ze de kinderen niet meer, zij komen in de catechismus niet meer voor, met uitzondering van het Onze Vader in een nieuwe, protestants geïnspireerde versie, die de aanspreekvorm “jij” voorschrijft. God in beginsel met “jij” aanspreken toont weinig eerbied en voldoet niet aan de geest van onze taal, die ons een reeks aanspreekvormen biedt, al naar gelang wij ons richten tot een meerdere, een familielid of een vriend. In dit naconciliaire Onze Vader bidt men God ons niet “in verzoeking te brengen”, wat op zijn minst een dubbelzinnige uitdrukking is, terwijl toch onze traditionele Franse vertaling, tegenover de Latijnse tekst, die nogal onhandig uit het Hebreeuws is gereproduceerd, een verbetering betekent(3). Wat is daaraan de vooruitgang? De aanspreekvorm “jij” is in de totale volkstaalliturgie binnengedrongen. Het “Nouveau Missel des dimanches”(Het nieuwe zondagsmissaal) gebruikt het uitsluitend en verplicht, zonder dat de reden voor een dergelijke, aan de Franse zeden en cultuur tegenstrijdige verandering zou kunnen worden ingezien(4).

Men heeft op katholieke scholen twaalf- en dertienjarige kinderen getest: slechts enkele kenden het Onze Vader van buiten, in het Frans natuurlijk, een paar het Wees Gegroet. Van een of twee uitzonderingen afgezien, kenden deze kinderen noch de Apostolische Geloofsbelijdenis, noch het confiteor, de oefeningen van geloof, hoop, liefde en berouw, noch het Engel des Heren of het Gedenk, o goedertierenste Maagd Maria……. Hoe zouden zij dat alle ook kennen, omdat toch de meesten van hen er niet eens van hebben gehoord? Het gebed moet “spontaan” zijn; men moet met God van ganser harte spreken, zegt men nu, en geringschat zo de voortreffelijke opvoedkunde van de Kerk, die al deze gebeden, waartoe de grootste heiligen hun toevlucht hebben genomen, zo kunstig heeft uitgewerkt.

Wie wekt vandaag de christenen nog op het ochtend- en avondgebed met het hele gezin te bidden, voor en na de maaltijd het tafelgebed te bidden? Ik hoor dat men op talrijke katholieke scholen niet meer voor het begin van de lessen wil bidden, onder voorwendsel dat men het geweten van ongelovige scholieren of die tot andere godsdiensten behoren niet mag kwetsen noch triomfalistische gevoelens ten toon mag spreiden. Op deze scholen houdt men zich ten goede een grote meerderheid van niet-katholieken, ja zelfs van niet-christenen op te nemen en niets te doen om hen tot God te voeren. De kleine katholieken moeten hunnerzijds, onder voorwendsel de opvattingen van hun kameraadjes te respecteren, hun geloof verbergen.

De kniebuiging wordt nog slechts door een gering aantal gelovigen gepractiseerd, men heeft die door een hoofdbuiging, of, veruit veelvuldiger, door helemaal niets vervangen. Men komt een kerk binnen en gaat zitten. Het kerkmeubilair werd vervangen, knielbanken tot brandhout gemaakt, op veel plaatsen werden leunstoelen opgesteld, die lijken op de stoelen in openbare toeschouwersruimten, wat overigens mogelijk maakt het publiek op comfortabele zitplaatsen onder te brengen wanneer de kerken voor concerten worden gebruikt. Men heeft mij verslag uitgebracht betreffende een sacramentskapel in een grote Parijse parochie, waar enige in de omgeving werkende mensen in hun middagpauze het Allerheiligste kwamen bezoeken. Op een dag was de kapel wegens aanpassingswerkzaamheden gesloten. Toen ze weer geopend werd waren de knielbanken verdwenen. Op een behaaglijk vast tapijt had men diepe, met kussens beklede, beslist zeer dure zitbanken opgesteld, die eruit zagen als die welke men aantreft in ontvangsthallen van grote firma’s of luchtvaartmaatschappijen. Het gedrag van de gelovigen veranderde onmiddellijk. Sommigen knielden op het vaste tapijt, maar de meesten gingen gemakkelijk zitten en mediteerden met over elkaar geslagen benen voor het tabernakel. De clerus van deze parochie had daar duidelijk heel bepaalde bedoelingen mee, want men besluit niet tot een zo kostbare inrichting zonder te overleggen wat men zal doen. Hieruit blijkt, dat men de betrekkingen van de mens tot God in de zin van vertrouwelijkheid en ongegeneerdheid tegenover Hem wil veranderen, als zou men met Hem als met een gelijke verkeren. Hoe kan men er van overtuigd zijn, dat men zich bevindt in de tegenwoordigheid van de Schepper en Heerser, van de Gebieder aller dingen, als men de houding afschaft waardoor de “deugd der godsvrucht” wordt belichaamd? Bestaat het gevaar niet, ook het gevoel voor Zijn werkelijke tegenwoordigheid in het tabernakel te verminderen?

De katholieken raken ook in verwarring door het opzettelijk banale, ja zelfs vulgaire, dat men aan de plaatsen van de eredienst systematisch opdwingt. Alles wat bijdroeg tot de schoonheid van de gebouwen en tot de luister van de ceremoniën werd als triomfalisme verdacht gemaakt. De inrichting moet met het alledaagse assimileren, moet dicht bij het leven staan. In geloofssterke eeuwen bood men God het kostbaarste aan dat men had. Juist in de dorpskerk kon men zien wat nu juist niet tot de wereld van alledag behoorde: goudsmidswerk, kunstwerken, fijn weefsel, kant, borduurwerk, met juwelen gekroonde beelden van de Moeder Gods. De christenen brachten financiële offers om de Allerhoogste naar beste krachten te eren. Dat alles ondersteunde het gebed, hielp de ziel zich te verheffen. Dit is een aan de mens natuurlijke houding. De heilige Driekoningen brachten goud, wierook en myrrhe mee, toen zij zich naar de armzalige kribbe van Bethlehem begaven. Men doet de katholieken geweld aan wanneer men hen dwingt in een triviale omgeving te bidden, in “multifunctionele ruimten”, die zich niet van andere openbaar toegankelijke ruimten onderscheiden, ja zelfs vaak daarbij achter staan. Hier en daar geeft men een heerlijke gothische of romaanse kerk op om daarnaast een soort loods te bouwen, kaal en doods; of men organiseert “huismissen” in eetkamers, ja zelfs in keukens. Men heeft mij van zulk een Mis verteld, die in de woning van een overledene, in aanwezigheid van zijn familie en vrienden werd gecelebreerd. Na de ceremonie ruimde men de kelk op en serveerde een lichte maaltijd op dezelfde tafel en hetzelfde tafellaken. Ondertussen was het, enkele honderden meters verder, alleen aan de vogels rondom de met prachtige gebrandschilderde ramen uitgeruste kerk uit de dertiende eeuw overgelaten de lof des Heren te bezingen.

Die lezers onder u, die de vooroorlogse tijd hebben gekend, herinneren zich zeker de innige plechtigheid van de Sacramentsprocessie met haar verscheidene altaren, de gezangen, de wierook, de stralende monstrans, die door de priester in de zon onder de met goud geborduurde baldakijn werd gedragen, de kerkvaandels, de bloemen, de klokken. Zo ontwaakte in de zielen van de kinderen het gevoel voor aanbidding en bleef daar, diep verankerd, voor het hele leven. Dit oorspronkelijke aspect van het gebed schijnt heden erg verwaarloost te worden. Zal men ook hier weer over de noodzakelijke ontwikkeling, over nieuwe levensgewoonten spreken? Niemand laat zich van de organisatie van betogingen op straat afhouden, omdat hij daarmee het wegverkeer zou hinderen. Degenen die daaraan deelnemen gevoelen niet het minste menselijke opzicht wanneer zij hun politieke meningen of hun gerechtvaardigde of niet gerechtvaardigde eisen kracht bij willen zetten. Waarom moet alleen God terzijde worden geschoven en waarom moeten alleen de christenen ervan afzien Hem die publieke eer te bewijzen die Hem toekomt?

De reden voor het bijna totaal verdwijnen van de processies in Frankrijk is niet het verkoelen van de gevoelens van de gelovigen; die ligt veeleer in de voorschriften van de nieuwe zielzorg, die echter anderzijds onophoudelijk vóór alles een “actieve deelname van het Volk Gods” op de voorgrond plaatst. In 1969 werd in het departement Oise een pastoor door zijn bisschop afgezet, omdat hij, ofschoon deze hem verboden had de traditionele Sacramentsprocessie te vieren, deze toch had laten plaatsvinden. Zij trok tienmaal meer mensen aan dan het dorp aan inwoners telde. Zal men dan nog zeggen dat de nieuwe zielzorg, die overigens in dit opzicht de Constitutie over de Liturgie van het concilie tegenspreekt, zich richt naar het diepe smachten van de christenen, die met zulke vormen van vroomheid verbonden blijven?

Wat biedt men hen ter vervanging aan? Weinig, want de zorg voor de eredienst is pijlsnel achteruit gegaan. Omdat de priesters het H. Misoffer niet meer dagelijks opdragen en voor het overige concelebreren is het aantal Missen aanzienlijk verminderd. Op het platteland is het praktisch onmogelijk door de week een Mis bij te wonen. Op zondag moet men met de auto naar het dorp rijden, dat aan de beurt is om de priester van de regio te ontvangen. Talrijke kerken in Frankrijk zijn voorgoed gesloten, andere slechts enkele malen per jaar geopend. Daar komt de roepingencrisis nog bij, of eerder de weinig begripvolle opname die men hen bereidt. De uitoefening van religieuze plichten wordt van jaar tot jaar moeilijker. De grote steden zijn in het algemeen beter verzorgd, maar meestal is het onmogelijk te communiceren op de eerste vrijdagen of zaterdagen van de maand. Aan de dagelijkse Mis valt natuurlijk niet meer te denken. In menige stadsparochie zijn er slechts Missen op bestelling, voor een bepaalde groep, op een daarmee afgesproken uur en in een vorm die met toespelingen op de activiteiten en het leven van die groep is gegarneerd, zodat de toevallig binnengekomen passant zich tegenover zo’n Misviering als een vreemdeling voelt. Men heeft de tot nu toe fungerende privé-Missen in contrast gesteld tegenover de gemeenschapsmissen en in discrediet gebracht. In werkelijkheid is de gemeenschap echter uiteen gevallen in kleine groepjes. Helemaal niet zelden celebreert een priester in de woning van een aan de katholieke actie of andere verenigingen deelnemende christen in tegenwoordigheid van andere activisten. Of men vindt het schema van de erediensten voor de zondagochtend opgedeeld onder de verschillende taalgemeenschappen: Portugese Mis, Franse Mis, Spaanse Mis….. In een tijd waarin reizen naar het buitenland wijd verbreid zijn, worden de katholieken gedwongen aan Missen deel te nemen waarvan zij niet het kleinste woordje verstaan, en dat, ofschoon zij te horen krijgen dat het niet mogelijk is te bidden zonder “deel te nemen”. Hoe moeten zij dat doen?

Geen Missen meer, of nog slechts weinige, geen processies, geen Lof, geen Vespers….. Het gemeenschappelijke gebed is tot de eenvoudigste formule gereduceerd. Wanneer echter de gelovige de moeilijkheden van het urenrooster en de veranderingen van plaats heeft overwonnen, wat treft hij dan aan om de dorst van zijn ziel mee te lessen? Over de liturgie en de misvormingen die zij ondergaat zal ik later nog spreken. Laten wij voorlopig meer bij de uiterlijke verschijning van de dingen blijven, bij de vormen van dit gemeenschappelijke gebed. Maar al te vaak verwondt de atmosfeer van de “vieringen” het godsdienstige gevoel van de katholieken, vooral door het binnendringen van profane ritmes met alle mogelijke soorten slagwerk, guitaar en saxofoon. Een muziekdeskundige, die verantwoordelijk is voor de sacrale muziek in een diocees in het noorden van Frankrijk, schreef, ondersteund door talrijke belangrijke persoonlijkheden uit de wereld van de muziek:«Ongeacht haar gebruikelijke beschrijving is de muziek van deze liederen niet modern. Deze muzikale stijl is niet nieuw, maar was reeds op zeer profane plaatsen en in evenzulke milieu’s gangbaar(in tingeltangels, variété’s, vaak voor meer of minder zinnelijke, met exotische namen opgesmukte dansen)….. Men wordt verleid te swingen, iederen voelt zich tot heupwiegen aangezet. Maar dat is een “lichaamstaal”, die vreemd is aan onze westeuropese cultuur, weinig gunstig voor de congregatie en naar haar oorsprong eerder verdacht…

Meestentijds houden onze ensembles – die al zoveel moeite hebben bij een zesachtste maat, de kwart- en achtstenoten niet gelijk te schakelen – het ritme niet exact vol en dan faalt het slagwerk. Men heeft dan weliswaar geen zin meer in heupwiegen, maar het ritme wordt vormloos en laat des te meer de gebruikelijke armzaligheid van de melodie onderscheiden».

Wat komt er bij dat alles van het gebed terecht? Gelukkig is men naar het schijnt echter op verscheidene plaatsen tot minder barbaarse gewoonten teruggekeerd. Men is dan, als men wil zingen, aan de producten van officiële, in kerkmuziek gespecialiseerde instituten onderworpen, want zich het wonderschone erfgoed van het verleden ten nutte te maken, daar is geen sprake van. De gangbare melodieën – het zijn altijd dezelfde – zijn producten van een ongemeen middelmatige inspiratie. Aan de beter uitgewerkte, door koren voorgedragen stukken, merkt men de profane invloed, zij prikkelen eerder de zinnelijkheid dan dat zij, zoals het Gregoriaanse koraal, de ziel doordringen. De volledig vrij verzonnen teksten zijn in de telkenmale moderne stijl opgesteld, en wel met een nieuwsoortige vocabulaire, als zou ongeveer twintig jaar geleden een zondvloed alle antiphonaria , waardoor men zich, zelfs wanneer men iets nieuws wilde scheppen, kon laten inspireren, hebben vernietigd; ze raken snel uit de mode en zijn in de kortste keren niet meer begrijpelijk. Ontelbare grammofoonplaten ter “animering” van parochies verspreiden parafrasen over psalmen, die echter als de psalmen zelf worden uitgegeven en de geheiligde, goddelijk geïnspireerde teksten verdringen. Waarom worden niet de psalmen zelf gezongen?

Enige tijd geleden is de volgende nieuwigheid opgekomen: op de kerkdeuren waren aanplakbiljetten aangebracht met de oproep:«Looft God met handgeklap!». Onder de Mis heffen dus de aanwezigen op een teken van de “animator” de handen boven het hoofd en klappen enthousiast en ritmisch en maken een, op heilige plaatsen ongebruikelijk, heidens kabaal. Deze soort vernieuwingen, die niet eens aansluiten op onze profane gewoonten en die proberen in de liturgie een kustmatige geste in te planten, hebben zeker geen toekomst. Maar ze dragen toch bij tot ontmoediging van de katholieken en maken hen nog radelozer. Men hoeft niet per sé naar “Gospel Nights”(5) te gaan, maar wat kan men beginnen, wanneer de zo weinige zondagsmissen door deze troosteloze praktijken worden veroverd?

De “gemeenschapspastoraal”, zoals de vakuitdrukking nu luidt, dwingt de gelovigen tot nieuwsoortige gesten, waarvan zij het nut niet inzien en die hen tegenstaan. Alles moet vooral op collectieve manier gebeuren, met samenspraken, het afwisselend citeren van plaatsen uit het evangelie, uitwisseling van opvattingen en handdrukken. Het volk volgt geërgerd, zoals de cijfers aantonen. De allerlaatste statistieken maken voor de tijd tussen 1977 en 1983 opnieuw een achteruitgang van het Misbezoek duidelijk, terwijl het persoonlijke gebed een lichte toename laat zien. Bij de in “Madame Figaro” gepubliceerde enquête van Sofres(6) van september 1983 luidde de eerste vraag:«Communiceert u eenmaal in de week of vaker, of ongeveer eenmaal per maand?». Dit komt ongeveer overeen met het Misbezoek, daar vandaag bijna iedereen communiceert. De bevestigende antwoorden zijn van van 16% teruggevallen tot 9%. De gemeenschapspastoraal kon dus het katholieke volk niet voor zich winnen. Daar lees ik in een parochieblad uit de Parijse regio het volgende:«Sinds twee jaar heeft de Mis van half tien van tijd tot tijd inzoverre een wat ongebruikelijke stijl, als de gelovigen elkaar na de lezing van het evangelie in groepen van ongeveer tien personen ontmoeten voor een gedachtenwisseling. Toen deze wijze van Misviering voor de eerste maal werd uitgeprobeerd, vormden inderdaad 69 mensen gespreksgroepen, terwijl 138 personen niet wilden meedoen. Men zou zich hebben kunnen voorstellen, dat deze stand van zaken mettertijd zou veranderen. Maar dat was niet het geval».

De parochieraad belegde daarom een vergadering om vast te stellen of men de “Missen met uitwisseling van meningen” moest voortzetten of niet. Men kan begrijpen dat dit tweederde deel van de parochianen, die tot dan toe de naconciliaire nieuwigheden hadden doorstaan, over dit geïmproviseerde gepraat midden in de Mis niet enthousiast waren. Wat is het toch moeilijk vandaag katholiek te zijn! Ook zonder “meningsuitwisseling” verdooft de Franse liturgie de aanwezigen met een vloed van woorden. Velen beklagen zich gedurende de Mis niet meer te kunnen bidden. Wanneer zullen zij dàn bidden? De verwarde christenen zien zich geplaatst tegenover religieuze recepten, die steeds door de hiërarchie worden toegestaan, onder voorwaarde dat zij zich van de katholieke spiritualiteit verwijderen. Yoga en Zen zijn onder deze recepten de meest vreemdsoortige – een noodlottig oriëntalisme, dat de vroomheid onder het voorwendsel van “hygiëne van de ziel” langs valse wegen leidt. En wat voor schade richt de “lichaamstaal” aan, die een verlaging van de waardigheid van de mens is en met deze lichaamsverheerlijking tegelijk in tegenspraak is met de verheffing van de ziel tot God! Deze nieuwe modes, die, samen met veel andere, zelfs in de kloosters van de contemplatieve orden werden ingevoerd, zijn uiterst gevaarlijk en geven diegenen gelijk, die zeggen:«Men verandert onze godsdienst!».

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk II

  1. Gabriël-Marie kardinaal Garrone† was prefect van de H. Congregatie voor de Seminaries en Universiteiten en voorzitter van de door Paulus VI benoemde commissie van kardinalen die de Priesterbroederschap St. Pius X moest opheffen.
  2. Zie inleiding blz…
  3. De Franse vertaling luidde tot dan toe:«…en laat ons niet aan de bekoring bezwijken».
  4. Ongeveer zoals wanneer men in het Duits van nu af aan God verplicht met “Sie” zou moeten aanspreken.
  5. Door de pater Oratoriaan Guy de Fatto georganiseerde, door pastoors verzochte religieuze, modern-muzikale bid- en zing-avonden, op de manier van Amerikaanse gospelsongs.
  6. Madame Figaro: weekbijlage van ‘Le Figaro’; Sofres: privé instituut voor de statistiek; werkt met enquêtes in Frankrijk, meestal over politieke of wetenschappelijke verhoudingen.

3. Mis of Kermis?

Hoofdstuk III

Voor mij liggen foto’s, die door katholieke kranten werden gepubliceerd en de Mis tonen, zoals die nu heel vaak wordt gevierd. Op de eerste foto valt het mij moeilijk te onderscheiden om welk gedeelte van de H. Mis het gaat. Achter een gewone houten tafel, die er niet erg schoon uitziet en niet door enig tafelkleed is bedekt, staan twee mannen in pak met stropdas, waarvan de ene een kelk, de andere een ciborie opheft of toont. De begeleidende tekst brengt mij ervan op de hoogte, dat dit priesters zijn en dat een van hen geestelijk adviseur is van de Katholieke Actie. Aan dezelfde kant van de tafel, naast de hoofdcelebrant, staan twee jonge meisjes in broek, daarnaast twee knapen in pullover. Een guitaar staat tegen een voetbankje geleund.

Op de andere foto: de scene speelt zich af in de hoek van een ruimte, die de zaal van een jeugdhonk zou kunnen zijn. De priester staat, in een albe zoals die in Taizé wordt gebruikt, voor een melkkrukje, dat voor altaar dient. Men ziet een grote schaal van aardewerk, een kleine kom van hetzelfde materiaal en twee brandende stompjes kaars. Vijf jongelui zitten in kleermakerszit op de grond, een van hen tokkelt op zijn guitaar.

De derde foto houdt verband met een evenement dat enige jaren geleden is: met de kruistocht van enkele milieubeschermers, die de Franse atoomproeven op het kleine atol Mururoa wilden verhinderen. Onder hen is een priester, die op het dek van een zeilschip in tegenwoordigheid van twee andere personen de Mis leest. Alledrie dragen shorts, een van hen heeft bovendien een bloot bovenlijf. De priester heft de hostie op, ongetwijfeld de consecratie. Hij staat noch knielt, maar zit of leunt veeleer tegen de bovenbouw van het dek.

Een ding hebben deze schandalige foto’s gemeen: de Eucharistie wordt door de banaliteit van de scenerie, de gebruikte voorwerpen, de houding en de kleding, verlaagd tot een alledaagse handeling. De zogenaamde katholieke tijdschriften die op de lectuurtafels van de kerken worden aangeboden, tonen de foto’s echter niet om zulk een optreden te bekritiseren, maar integendeel, om het aan te bevelen. La Vie(1) meent zelfs dat dit niet voldoende is. Naar gewoonte bedient zij zich van uittreksels uit brieven van lezers, om vrijblijvend te zeggen wat zij denkt. La Vie schrijft:

«De hervorming van de liturgie zou nog verder moeten gaan….. De herhalingen, die altijd weer opnieuw gebruikte formules, al deze voorschriften belemmeren een echte creativiteit». Wat zou de Mis moeten zijn? Dit:«Wij hebben velerlei problemen, onze moeilijkheden worden steeds groter en de Kerk schijnt daarin nog steeds niet geïnteresseerd te zijn. Men verlaat de Mis vaak geërgerd. Er bestaat een soort kloof tussen ons leven, onze zorgen van het moment en datgene wat men ons op zondag voor ons leven voorstelt».

Zeker komt men ontstemd uit een Mis die er moeite voor doet af te dalen naar het niveau van de mens, in plaats van die te verheffen tot God, en die, verkeerd opgevat, niet helpt “problemen” de baas te worden. De aanmoediging nog verder te gaan verraadt het vaste voornemen het heilige te vernietigen. Men berooft de christen zo van iets voor hem noodzakelijks, waar hij naar verlangt, want er is een drang in hem alles te eren, alles te vereren, wat betrekking heeft op God, zoveel te meer de grondstof voor het Offer, die ertoe bestemd is Zijn lichaam, Zijn bloed te worden! Waarom produceert men dan grijze of bruine hostie’s door wat zemelen in het meel achter te laten? Wil men, dat de uit het nieuwe offertorium geschrapte woorden helemaal worden vergeten; hanc immaculatam hostiam; deze smetteloze offerande?

Toch is dat nog altijd een onbeduidende vernieuwing. Men hoort vaak, dat stukken van gewoon gezuurd brood geconsacreerd worden in plaats van het voorgeschreven ongezuurde tarwebrood, op het uitsluitende gebruik waarvan nog kort geleden in de instructie Inæstimabele Donum(2) werd gewezen. Omdat alle grenzen worden overschreden, kon een Amerikaanse bisschop zelfs de fabricage aanbevelen van kleine koekjes, die melk, eieren, gist, honing en margarine bevatten. De ontwijding strekt zich ook uit tot aan God gewijde personen: priesters en kloosterlingen leggen het geestelijke kleed af. Men noemt elkaar bij de voornaam, zegt jij en jou, leeft op wereldse manier in naam van een nieuw principe, en niet, zoals men wil doen geloven, uit praktische noodzaak. Ik noem als bewijs die zusters, die uit hun klooster zijn weggetrokken, in de stad woningen huren en zo dubbele kosten veroorzaken; omdat zij de sluier afleggen moeten zij regelmatig de kapper bezoeken en betalen.

Het verloren gevoel voor het sacrale leidt ook tot heiligschennis. Een krant uit westelijk Frankrijk meldt, dat het nationale majorettenconcours 1980 in de Vendée werd gehouden. Daarbij werd een Mis gelezen, terwijl de meisjes dansten en enige van hen de communie uitreikten. Erger nog: de ceremonie werd bekroond met een rondedans, waaraan de priester in misgewaad deelnam. Het is niet mijn bedoeling hier een catalogus van misbruiken die men tegenkomt op te stellen. Ik wil slechts enkele voorbeelden aanhalen, die laten zien waarom de vandaag levende katholieken alle reden hebben radeloos en zelfs diep verontwaardigd te zijn. Ik onthul hier geenszins geheimen. De televisie legt het er zelfs op aan in de uitzendingen op zondagochtend de totaal ontoelaatbare, nadrukkelijk nonchalante houding van menige bisschop tegenover het lichaam van Christus publiek ten toon te stellen en in de woningen te verbreiden, zoals bijvoorbeeld de op 22 november 1981 uitgezonden Mis, waarin de ciborie door korven werd vervangen, die de gelovigen aan elkaar doorgaven en die tenslotte met de overgebleven geconsacreerde hostie’s op de vloer werden weggezet.

In Poitiers bestond op Witte Donderdag van datzelfde jaar een concelebratie in grote opmaak eruit, dat overal op de tafels door elkaar staande broden en kruiken met wijn geconsacreerd werden, waarna iedereen plaatsnam en zich bediende.

Concerten van profane muziek in kerken zijn nu algemeen gebruikelijk. Men is zelfs bereid kerken voor rockmuziek, emt alle excessen waartoe die gewoonlijk leidt, ter beschikking te stellen. Kerken en kathedralen werden aan uitspattingen, drugmisbruik en bezoedeling van allerlei soort uitgeleverd, en het was geenszins de plaatselijke clerus, die godsdienstoefeningen tot eerherstel liet houden, maar groepen gelovigen, die met recht over deze schandalen diep verontwaardigd waren. Waarom vrezen de bisschoppen en de priesters, die deze schandalen in de hand hebben gewerkt, niet de vloek van God over zichzelf en heel hun volk af te roepen? Die wordt al duidelijk door de steriliteit waarmee hun werken worden geslagen. Alles gaat onder, alles valt uiteen, omdat het H. Misoffer in zijn huidige geprofaneerde toestand geen genade meer schenkt, de genade niet meer doorgeeft. De geringschatting van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie is het meest flagrante feit waaruit de nieuwe geest, die niet meer katholiek is, blijkt. Men kan dat iedere dag constateren, ook zonder de spectaculaire excessen waarover ik zojuist heb gesproken. Het Concilie van Trente heeft uitdrukkelijk, duidelijk en niet mis te verstaan verklaard, dat Onze Heer ook in het kleinste partikeltje van de geconsacreerde hostie aanwezig is. Wat moet men dus van de handcommunie denken? Wanneer men zich van een pateen bedient blijven er altijd deeltjes achter, zelfs wanneer de communicanten niet zeer talrijk zijn. Deze deeltjes blijven dus nu op de handen van de gelovigen achter. Het geloof wordt daardoor bij velen, in het bijzonder bij kinderen, geschokt.

Voor dit nieuwe gedrag kan er slechts één verklaring worden gegeven: als men naar de Mis gaat om het brood der vriendschap te breken, het brood van de gemeenschappelijke maaltijd, het gemeenschappelijke geloof, dan is het heel natuurlijk, dat men geen buitengewone voorzichtigheidsmaatregelen treft. Als de Eucharistie een symbool is, dat eenvoudig de herinnering aan een voorbije gebeurtenis en aan de geestelijke tegenwoordigheid van Onze Heer betekent, dan is het volkomen logisch, dat men geen bijzondere zorg draagt voor de kruimels die op de grond zouden kunnen vallen. Als het echter gaat om de tegenwoordigheid van God, onze Schepper, zoals het geloof van de Kerk dat eist, hoe kan men dan begrijpen, dat ondanks de laatste Romeinse documenten een dergelijke praktijk wordt toegelaten, ja zelfs aangemoedigd? De gedachte die men op deze manier wil verbreiden is een protestantse voorstelling, die de nog niet besmette katholieken tegenstaat. Om deze beter te kunnen doorvoeren, dwingt men de gelovigen staande te communiceren.

Is het passend, zonder het geringste teken van eerbied of hulde Christus te ontvangen, voor wie zich, zoals St. Paulus zegt, iedere knie moet buigen, «in de hemel, op aarde en onder de aarde»(Fil. 2, 10). Veel priesters knielen niet meer voor het Allerheiligste neer. De nieuwe Misritus moedigt hen daartoe aan. Ik zie daarvoor slechts twee mogelijke redenen: òf een monsterachtige hoogmoed, die ons God doet behandelen als waren wij Zijns gelijken, òf de zekerheid, dat Hij in de Eucharistie niet werkelijk aanwezig is. Schuif ik slechts de zogenaamde “conciliaire Kerk” bepaalde bedoelingen in de schoenen? Neen, ik verzin niets. Luister naar wat de faculteitsvoorzitter van de theologische faculteit van Straatsburg leert:

«Men spreekt ook over de aanwezigheid van een redenaar, een acteur, en omschrijft daarmee iets anders dan een slechts plaatselijk “daar zijn”. Tenslotte kan iemand ook door een symbolische handeling, die hij niet zelf uitvoert, die anderen echter helemaal naar zijn bedoeling in creatieve trouw volbrengen, aanwezig zijn. De ‘Festspiele’ in Bayreuth bijvoorbeeld, verwezenlijken zonder twijfel een aanwezigheid van Richard Wagner, waarvan de intensiteit veruit die overtreft, die occasionele uitvoeringen of concerten van werken van deze componist kunnen bewerken. In dit laatstgenoemde perspectief moet men, zo lijkt mij, de eucharistische tegenwoordigheid van Christus rangschikken».

Men vergelijkt dus de Mis met de ‘Festspielen’ van Bayreuth! Neen! Heel beslist gaan wij hiermee, ten aanzien van de woorden noch met betrekking tot de muziek, niet accoord.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk III

  1. Particulier progressief ‘christelijk’ weekblad, vroeger “La Vie catholique illustrée”.
  2. Johannes Paulus II, 3 april 1980.

4. De Mis van Altijd en de Mis naar Smaak van de Dag

Hoofdstuk IV

Ter voorbereiding op het Eucharistisch Congres van het jaar 1981 te Lourdes werd een vragenformulier uitgedeeld, waarop de eerste vraag luidde:«Welke van beide definities spreekt u op het eerste gezicht aan:”Heilig Misoffer” of “Eucharistische Maaltijd”?» Er zou veel te zeggen zijn over deze manier om katholieken te ondervragen, om zo op een bepaalde manier de keus aan hun te laten en hen op te roepen tot een persoonlijk oordeel, waarbij de spontaniteit niets te zoeken heeft.  Men kan zich niet een opvatting van de Mis uitzoeken, zoals men een politieke partij kiest.

Helaas is deze handige suggestie niet het resultaat van een gewone misslag van de opsteller van dit vragenformulier. Men moet dit helder inzien: de liturgiehervorming heeft tot doel het begrip en de werkelijkheid van het offer door de realiteit van een maaltijd te vervangen. Zo spreekt men over Eucharistieviering, over Avondmaal; het begrip “offer” wordt echter veel minder vaak genoemd. Het is bijna volledig uit de godsdienstboeken en uit de preek verdwenen. Het ontbreekt in de tweede canon, de zogenaamde canon van de H. Hippolytus.

Deze tendens sluit onmiddellijk aan bij die, die wij ten aanzien van de werkelijke tegenwoordigheid hebben vastgesteld: als er geen offerhandeling meer is, is er ook geen offerande nodig. De offerande is voor het offer daar. Om van de Mis een gedachtenismaal te maken, een broederlijke maaltijd, is de dwaalleer van de protestanten. Wat is er in de zestiende eeuw gebeurd? Precies dat, wat vandaag in volle gang is: men heeft onverwijld het altaar door een tafel vervangen, het kruisbeeld dat daarop stond afgeschaft en de “voorzitter der vergadering” naar de gelovigen toegewend. De regie van het protestantse  avondmaal vindt men in “Pierres Vivantes”(Levende Stenen), de door de Franse bisschoppen samengestelde verzamelband, die alle kinderen bij het godsdienstonderricht verplicht moeten gebruiken:«De christenen komen in vergadering bijeen om de Eucharistie te vieren. Dat is de Mis… Zij verkondigen het geloof van de Kerk, zij bidden voor de hele wereld, zij bieden brood en wijn aan… De priester, die de vergadering voorgaat, spreekt het grote dankgebed uit…».

In de katholieke godsdienst is het echter de priester die de Mis celebreert; hij is het, die brood en wijn aanbiedt. Het begrip voorganger is direct aan het protestantisme ontleend. Op de verandering van de geestelijke houding volgt de veranderde woordkeuze. Vroeger zei men:«Aartsbisschop Lustiger  zal een pontificale H. Mis celebreren». Men heeft mij ervan in kennis gesteld, dat door Radio Notre Dame nu de zinswending werd gebruikt:«Jean-Marie Lustiger zal bij een concelebratie voorgaan».

En leest u, hoe men in een door de Zwitserse bisschoppenconferentie uitgegeven brochure over de Mis spreekt:«De maaltijd des Heren verwerkelijkt allereerst de gemeenschap met Christus. Het is diezelfde gemeenschap, die Christus tijdens zijn aardse leven verwerkelijkte, doordat Hij met zondaars aan tafel ging; en die zich sedert de dag van de opstanding in het Eucharistisch maal voortzet. De Heer nodigt zijn vrienden uit, in vergadering bijeen te komen en Hij zal onder hen tegenwoordig zijn».

Maar hier is iedere katholiek verplicht categorisch neen te zeggen. Dat is de Mis niet! Zij is niet de voortzetting van een maaltijd, zoals die waartoe Onze Heer op een ochtend na zijn opstanding de H. Petrus en enige discipelen aan de oever van het meer heeft uitgenodigd:«Toen ze geland waren, zagen ze een kolenvuur liggen, en vis en brood er bovenop….. Jezus zei hun: Komt ontbijten. Niemand van de leerlingen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? Want ze wisten, dat het de Heer was. Jezus kwam nader, nam het brood en gaf het hun, en de vis eveneens»(Joh. 21, 9-12-13).

De communie van de priester en de gelovigen is een vereniging met het slachtoffer, dat zich op het offeraltaar heeft geofferd. Dit offeraltaar is massief, van steen. Wanneer het dat niet is, bevat het tenminste de altaarsteen, die een offersteen is: daarin werden relikwieën ingelegd, omdat zij hun bloed voor hun Meester geofferd hadden. Deze vereniging van het bloed van Onze Heer met het bloed van de martelaren moedigt ook ons aan, ons leven op te offeren.

Als de Mis een maaltijd is, begrijp ik dat de priester zich naar de gelovigen toewendt. Men zit geen maaltijd voor en keert de genodigden de rug toe. Maar een offer wordt aan God aangeboden, niet aan de aanwezigen. Om deze reden wendt de priester zich, aan het hoofd van de gelovigen, naar God toe, naar het kruisbeeld dat het altaar beheerst.

Bij iedere gelegenheid legt men de nadruk op het “Instellingsverhaal”, zoals het Nouveau Missel des dimanches(het nieuwe zondagsmissaal) zich uitdrukt. Het Centre Jean Bart(1), het officiële centrum van het aartsbisdom Parijs, verklaart:«In het middelpunt van de Mis staat een verhaal». Nogmaals: neen! De Mis is geen vertelling, zij is een handeling

Opdat de Mis de voortzetting van het kruisoffer zij, moet aan drie onmisbare voorwaarden worden voldaan: de aanbieding van het offer, de offerande; de transsubstantiatie, die werkelijk en niet slechts symbolisch aanwezing laat zijn, en de celebratie door een priester, die de plaatsvervanger is van de eigenlijke priester, d.w.z. Onze Heer, en die door zijn priesterwijding gewijd moet zijn.

Alleen zo kan de Mis vermindering van zonden bewerkstelligen. Een simpel gedenken: instellingswoorden, begeleid door een maaltijd, zouden daartoe niet in de verte toereikend zijn. De bovennatuurlijke werkdadigheid van de Mis komt slechts voort uit haar relatie tot het kruisoffer. Wanneer men daarin niet meer gelooft, dan gelooft men nergens meer in van de heilige Kerk, dan heeft de Kerk geen rechtvaardiging meer voor haar bestaan, dan mag men niet meer beweren katholiek te zijn. Luther heeft heel precies begrepen, dat de Mis het hart, de ziel van de Kerk is. Hij zei:«Laten wij de Mis vernietigen en wij zullen de Kerk vernietigen».

Nu zien wij echter, dat de Novus Ordo Missæ, dat wil zeggen de nieuwe, na het concilie aangenomen regeling, zich aanpast aan protestantse opvattingen, of die tenminste dicht benadert. Voor Luther kan de Mis een offer van lof zijn, dat wil zeggen een akte van lofprijzing, van dank, maar in geen geval een zoenoffer dat het kruisoffer vernieuwt en toepast. Voor hem heeft het kruisoffer op een bepaald tijdstip in de geschiedenis plaatsgevonden. Het is een gevangene van deze geschiedenis. Naar Luthers inzicht  kunnen wij de verdienste van Christus slechts door ons geloof in zijn dood en opstanding naar ons toekeren.. De Kerk daarentegen houdt eraan vast, dat dit offer zich bij iedere Mis op onze altaren op onbloedige wijze, door de scheiding van lichaam en bloed onder de gestalten van brood en wijn, mystiek verwerkelijkt. Deze vernieuwing van het offer staat het toe de aanwezige gelovigen de verdiensten van het kruis te schenken, deze bron van genade in tijd en ruimte te laten voortbestaan. Het evangelie van de H. Mattheus besluit met de woorden:«Ziet, Ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld»(Mt. 28, 20).

Het verschil in opvatting is geen gering verschil, maar men doet zijn best het te verkleinen, doordat men de katholieke leer misvormt, waarvoor in de liturgie talrijke aanwijzingen zijn te onderscheiden.

Luther zei:«De eredienst wendde zich tot God, om Hem te huldigen. Van nu af aan zal hij zich tot de mens wenden, om hem te troosten en bij te lichten. Het offer nam de eerste plaats in, de preek zal het verdringen». Dat betekende de invoering van de cultus van de mens, en, in de Kerk, het belang dat er werd toegekend aan de “liturgie van het woord”.

Wanneer wij de nieuwe misboeken openslaan, zien wij, dat deze revolutie reeds is voltrokken. Aan de twee bestaande lezingen werd er nog een toegevoegd, alsook een “algemeen gebed”(de voorbeden), dat er vaak voor wordt gebruikt politieke of sociale ideeën te verbreiden. Wanneer men de preek meerekent, levert dat een overgewicht van het woord op. Als de preek ten einde is, is ook de Mis spoedig afgelopen.

In de ware Kerk is de priester met een onuitwisbaar merkteken getekend, dat hem tot een ‘alter Christus'(een andere Christus) maakt. Hij alleen kan het heilig Offer opdragen. Luther beschouwt het verschil tussen priesters en leken als «de eerste door de roomsen opgetrokken vestingmuur». Alle christenen zijn priester. De pastor bekleedt slechts een functie als voorganger van de lutherse mis. In de Novus Ordo werd het “ik” van de celebrant door het “wij” vervangen. Men schrijft overal dat de gelovigen “vieren”, men laat ze aan cultushandelingen deelnemen, zij lezen het epistel, eventueel ook het evangelie, zij delen de Communie uit, houden vaak de preek, in plaats waarvan ook een “gedachtenwisseling van kleine groepen over het Woord Gods” kan komen; zij komen tevoren bij elkaar om de zondagsmis “gestalte” te geven. Maar dat is slechts een van de étappes. Sinds ettelijke jaren hoort men van de verantwoordelijken van de bisschoppelijke commissies uitlatingen van de volgende strekking:«Niet de ambtsdragers celebreren, maar de vergaderden»(Memo’s van het Centre national de pastorale liturgique  – nationaal centrum voor de liturgische pastoraal). Of:«De vergadering is het hoofdbestanddeel van de liturgie». Wat telt, is niet «het verloop van de riten, maar het beeld dat de vergadering van zichzelf geeft en de betrekkingen die tussen de meevierenden ontstaan»(Pater Gelineau(2), constructeur van de liturgiehervorming en professor aan het Institut Catholique te Parijs). Als het alleen de vergadering is die telt, begrijpt men dat privé-Missen geringschat worden, wat tot gevolg heeft, dat priesters zulke Missen niet meer lezen, omdat het steeds moeilijker wordt een vergadering te vinden, in het bijzonder door de week. Dat betekent een breuk met de onveranderlijke leer: de Kerk heeft het grote aantal Misoffers nodig, zowel voor het vernieuwen van het kruisoffer alsook voor alle opdrachten die haar zijn toevertrouwd: de aanbidding, de dankzegging, de verzoening met God, het afsmeken van de goddelijke genade en van de goddelijke zegen.

Maar het is nooit genoeg: het is het doel van menigeen, de priester rechtstreeks af te schaffen, hetgeen tot de veelbesproken A.D.A.P.(Assemblées dominicales en l’absence du prêtre – zondagsvergaderingen bij afwezigheid van de priester) leidt. Men zou kunnen begrijpen, dat gelovigen vergaderen om met elkaar te bidden en zo de dag des Heren te heiligen.  Nu zijn echter deze A.D.A.P.’s in werkelijkheid een soort van schijnmissen, waarbij slechts de consecratie ontbreekt, en dat daarenboven alleen maar, zoals men in een document van het Regionaal Centrum voor socio-religieuze studies te Lille(Centre régional d’études socio-religieuses de Lille) kan lezen, omdat «de leken, in afwachting van een nieuwe regeling, nog niet de macht bezitten deze akt te voltrekken». Het ontbreken van een priester kan gewenst zijn, «opdat de gelovigen leren zichzelf te redden». Pater Gelineau schrijft in zijn boek “Demain la liturgie”(3), dat «de A.D.A.P.’s slechts een pædagogische overgang zijn, tot de instelling van de mensen overeenkomstig is veranderd», en hij trekt met ontstellende logica de conclusie, dat er in de Kerk nog te veel priesters zijn, «te veel, zonder twijfel, om deze ontwikkeling snel voort te kunnen jagen».

 Luther heeft het offertorium afgeschaft: waarom ook de reine, smetteloze hostie aanbieden, als er geen offerande meer is? In de Franse Novus Ordo is het offertorium praktisch niet meer voorhanden. Het draagt deze naam trouwens ook niet meer. Het Nouveau Missel des dimanches spreekt over “prières de présentation”(gebed over de gaven). Het gebruik van deze formule herinnert eerder aan de dankzegging, aan het danken voor de vruchten der aarde. Om dit duidelijk in te zien, volstaat het deze formules met de door de Kerk gebruikte traditionele formulering te vergelijken, waarin het doel van boete en verzoening van het offer helder tot uitdrukking komt:

«Aanvaard, heilige Vader, almachtige eeuwige God, deze smetteloze offerande, die ik, Uw onwaardige dienaar, U opdraag, … voor mijn ontelbare zonden, overtredingen en nalatigheden, en voor alle omstanders, alsmede voor alle gelovige christenen, levenden en doden; opdat zij mij en hun strekke tot heil voor het eeuwige leven». Bij het opheffen van de kelk zegt de priester dan:

«Wij offeren U, Heer, de kelk des heils, en smeken Uw goedertierenheid: dat hij voor het aanschijn van Uw goddelijke Majesteit, tot heil van ons en van de gehele wereld, in zoete geur moge opstijgen».

Wat blijft daarvan in de nieuwe Mis over? Het volgende:

«Gezegend zijt Gij, God, Heer van al wat leeft. Uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen. Aan u dragen wij op de vrucht van de aarde, het werk van onze handen. Maak het voor ons tot brood van eeuwig leven», en evenzo voor de wijn, die «tot bron van eeuwig leven» zal worden. Waaraan iets later wordt toegevoegd:«Neem alle schuld van ons af, Heer, maak ons vrij van ongerechtigheid», en «dat mijn en uw offer aanvaard kan worden door God, de almachtige Vader»(4). Van welke ongerechtigheid? Welk offer? Welk verband kan de gelovige leggen tussen deze vage aanbieding van offergaven en de verlossing die hij verwachten kan? Ik stel echter nog een andere vraag: waarom wordt een heldere tekst, waarvan de zin volledig duidelijk is, door duistere, nauwelijks samenhangende frasen vervangen? Wanneer men de noodzaak voelt, iets te veranderen, dan mag het alleen gebeuren om iets te verbeteren. Deze paar citaten, die ons verhalen van de ontoereikendheid van het “gebed over de gaven”, doen ons weer aan Luther denken, die zijn best deed de veranderingen voorzichtig door te voeren. Hij bewaarde, zoveel als maar mogelijk was, de oude ceremoniën en beperkte zich ertoe hun zin te veranderen. De Mis behield grotendeels haar uiterlijke verschijningsvorm. Het volk trof in de kerken bijna dezelfde uitrusting aan, bijna dezelfde riten, met kleine veranderingen, die aangebracht werden om het te behagen, want van nu af richtte men zich veel vaker tot het volk als voordien. Het volk had nu, meer dan vroeger, de indruk in de eredienst mee te tellen. Door te zingen en hardop te bidden nam het daaraan actiever deel. Bij stukjes en beetjes werd het Latijn definitief door het Duits verdrongen. Doet dat u nergens aan denken? Ook Luther was erom bekommerd nieuwe liederen te scheppen, om daarmee het hele “papengebalk” te vervangen. Hervormingen hebben altijd een vernisje van culturele revolutie.

In de Novus Ordo werd het oudste deel van de Romeinse canon, dat tot in de apostolische tijd teruggaat, omgewerkt, om met een aanvulling en een schrapping de lutherse consecratieformule te benaderen. De Franse vertaling(alsook de Nederlandse) is nog verder gegaan en heeft de betekenis van de woorden «pro multis»(voor velen) vervalst. In plaats van «Mijn bloed dat voor u en voor velen vergoten zal worden», lezen wij «dat voor u en alle mensen wordt vergoten». Dat betekent niet hetzelfde en is theologisch geenszins neutraal.

 U hebt zeker opgemerkt, dat de meeste priesters vandaag het belangrijkste deel van de canon, dat met de woorden begint:«Toen Hij werd overgeleverd en vrijwillig zijn lijden op zich nam, nam Hij het brood…….»(Eucharistisch gebed 2c) aan één stuk door spreken, zonder de pauze in te lassen, die uit de rubriek van het Romeins Missaal volgt:«De priester neemt bij het woord ‘accepit'(nam) de hostie in beide handen, tussen duim en wijsvinger….. en spreekt zacht, maar duidelijk en aandachtig de woorden van de consecratie over de hostie uit». De toon wisselt, wordt bevelend, en de vijf woorden «Hoc est enim Corpus meum»(Dit is mijn Lichaam) voltrekken het wonder der transsubstantiatie, evenals de woorden, die voor de consecratie van de wijn worden gesproken. Het nieuwe misboek roept de celebrant op, de vertellende toon aan te houden, als zou hij inderdaad slechts een herdenkingsmaaltijd houden. Bij de vandaag gebruikelijke creativiteit beleeft men hoe bepaalde celebranten hun tekst uitspreken en daarbij de rondom hen vergaderden de hostie tonen of die zelfs nadrukkelijk te breken, om zo met woord en gebaar hun verhaal beter te illustreren. Van de vier kniebuigingen werden er twee afgeschaft, maar ook deze beide overgeblevene worden vaak achterwege gelaten. Men vraagt zich met recht af of het de priester zelf wel duidelijk is, dat hij consecreert, voor het geval men überhaupt kan aannemen dat hij inderdaad deze intentie heeft.

Daardoor echter wordt u van radeloze katholieken tot onrustige katholieken.  Was de Mis, waaraan u zojuist hebt deelgenomen, nog geldig? Was de hostie, die u hebt ontvangen, werkelijk het lichaam van Christus? Een zwaarwegend probleem! Hoe kan de gelovige dat beoordelen? Voor de geldigheid van de Mis bestaan essentiële voorwaarden: de materie, de vorm, de intentie en de geldig gewijde priester. Zijn deze voorwaarden vervuld, dan is niet in te zien waarom men er bang voor zou zijn, dat de Mis ongeldig zijn zou. De gebeden van het offertorium, de canon en de communie van de priester zijn noodzakelijk voor de volledigheid van het offer en van het sacrament, maar niet voor de geldigheid ervan. Kardinaal Mindszenty heeft het offer en het sacrament beslist voltrokken, toen hij in zijn gevangenis heimelijk over wat brood en wijn de consecratiewoorden uitsprak, om zich met het lichaam en bloed van Onze Heer te spijzigen zonder door zijn cipiers te worden opgemerkt.

 Een Mis, die gevierd wordt met de honingkoekjes van de hierboven genoemde Amerikaanse bisschop is zeker ongeldig; evenals een waarbij de consecratiewoorden wezenlijk vervalst of zelfs weggelaten werden. Ik zuig niets uit mijn duim. In een geval, dat bekend werd, legde een celebrant een zodanige creativiteit aan de dag, dat hij de consecratiewoorden eenvoudig vergeten had. Maar hoe moet men de intentie van de priester evalueren? Het is duidelijk dat er in de mate waarin het geloof van de priesters afneemt en zij niet meer de intentie hebben te doen wat de Kerk altijd heeft gedaan – want de Kerk kan haar bedoeling niet veranderen – steeds minder geldige Missen zijn. De huidige opleiding van de zogenaamde seminaristen bereidt hun er niet op voor geldige Missen te celebreren. Men leert hun niet meer het H. Misoffer als de wezenlijke opdracht van hun priesterlijke leven te beschouwen.

Anderzijds kan men zonder de geringste overdrijving zeggen, dat de meeste Missen die zonder altaarsteen worden gecelebreerd – met banale voorwerpen en gezuurd brood – waarin profane praatjes zijn ingevoerd, die zelfs in de eigenlijke canon en ook elders worden ingelast, heiligschennend zijn en dat ze het geloof vervalsen, doordat ze het verminderen. De ontheiliging gaat zelfs zo ver, dat deze Missen hun bovennatuurlijke karakter, het “mysterie van het geloof”, kunnen verliezen, zodat ze nog slechts handelingen zijn van een natuurlijke godsdienst.

Uw radeloosheid zal daarom misschien tot de volgende vragen leiden: mag ik, als er geen andere mogelijkheid tot vervulling van mijn zondagsplicht bestaat, naar een heiligschennende, maar toch nog geldige Mis gaan? Het antwoord is eenvoudig. Zodanige Missen kunnen geen onderwerp van verplichting zijn. Men moet hier bovendien de bepalingen van de moraaltheologie en het kerkelijk recht op toepassen, die betrekking hebben op de actieve deelname aan een voor het geloof gevaarlijke, of onder omstandigheden heiligschennende manifestatie of ook op alleen maar het bezoeken daarvan.

Zelfs wanneer een priester de nieuwe Mis met vroomheid leest en de liturgische voorschriften respecteert, valt deze onder dezelfde bepalingen, omdat zij van een protestantse geest is vervuld. Zij bevat een voor het geloof schadelijk vergif. Ten aanschouwen van deze feiten ziet de Franse katholiek zich vandaag voor zijn religieuze praktijk geplaatst tegenover voorwaarden, die lijken op die in de missielanden. Daar kunnen inwoners van sommige gebieden slechts drie- of viermaal per jaar een Mis bijwonen. De gelovigen van ons land moeten hun best doen, tenminste eenmaal in de maand de Mis van altijd, de ware bron van genade en heiliging, op een van die plaatsen te bezoeken waar zij ook in het vervolg in ere wordt gehouden(5).

Want ik ben het aan de waarheid schuldig te zeggen en te bekrachtigen, zonder te vrezen mijzelf te vergissen, dat de door Pius V gecodificeerde – en niet, zoals men vaak te horen krijgt “de door hem bedachte” – Mis duidelijk de volgende drie feiten tot uitdrukking brengt: het offer, de werkelijke tegenwoordigheid en het priesterschap van de priesters. Zij slaat ook acht op, zoals het Concilie van Trente het nauwkeurig heeft vastgelegd, de natuur van de mens, die bepaalde uiterlijke hulpmiddelen nodig heeft om zich tot de beschouwing van goddelijke dingen te verheffen. De bestaande riten werden niet lukraak ingevoerd, men kan ze niet ongestraft omverwerpen of plompverloren afschaffen. Hoeveel gelovigen, hoeveel jonge priesters, hoeveel bisschoppen hebben sinds de acceptatie van de hervorming het geloof verloren! Men kan niet tegenstrijdig aan de natuur en het geloof handelen, zonder dat die zich wreken.

Maar juist daar verzekert men ons: de mens is niet meer dezelfde die hij honderd jaar geleden was. Zijn natuur werd veranderd door de, door de techniek beheerste, beschaving waarin hij is weggezonken. Wat een onzin! De vernieuwers hoeden zich ervoor de gelovigen hun wens tot assimilatie met het protestantisme te verraden. Zij beroepen zich op een ander argument: de omwenteling. Het volgende wordt in de theologische avondschool van Straatsburg verklaard:«Het moet ons vandaag duidelijk zijn, dat wij een echte culturele omwenteling beleven. Een bepaalde wijze de gedachtenis des Heren te vieren, was aan een godsdienstige wereld gebonden, die niet meer de onze is». Dat is nog niet gezegd of alles is al verdwenen. Men moet weer bij nul beginnen. Dat zijn spitsvondigheden, waarvan men zich bedient om ons ertoe te brengen van geloof te veranderen. Wat is een «godsdienstige wereld»? Men zou liever oprecht moeten zeggen:«een godsdienst, die niet meer de onze is».

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk IV.

  1. Het ‘Centre nationale de pastorale liturgique’, C.N.P.L.(Nationaal centrum voor de liturgische pastoraal), wordt ook wel kortweg, naar de straat in Parijs waar het is gevestigd, nl. de Rue Jean Bart, het ‘Centre Jean Bart’ genoemd, en is een soort kantoor van de Franse bisschoppenconferentie.
  2. Pater Joseph Gelineau S.J., “een van de belangrijkste mannen” van het Centre Jean Bart.(Zie hoofdstuk………… aant. nr? )
  3. Edition du Cerf, 1976, Duitse uitgave:”Die Liturgie von Morgen”, Pustet Verlag, 1979(in het Nederlands:«De liturgie van morgen»).
  4. “De viering van de Eucharistie” – Liturgisch Apostolaat, Roermond, 1979; overgenomen uit:”Altaarmissaal voor de Nederlandse kerkprovincie”, Zeist, 1979(en uit de bijlage van dit altaarmissaal, blz. 8 van de Roermondse uitgave).
  5. Zie Aanhangsel VII.

5. Jullie zijn Passéďsten!

Hoofdstuk V

De katholieken merken heel goed, dat er radicale omwentelingen plaatsvinden, maar het valt hun desondanks zwaar de propaganda, die zoals bij alle revoluties zeer volhardend is, te weerstaan. Men zegt hun:«Jullie willen geen verandering, maar het hele leven verandert; jullie huldigen de onveranderlijkheid; wat vijftig jaar geleden goed was, beantwoordt niet meer aan de huidige mentaliteit en ook niet meer aan onze tegenwoordige levenswijze. Jullie klampen je vast aan jullie verleden. Jullie zijn niet in staat jullie gewoonten te veranderen». Uit angst voor dergelijke verwijten hebben velen zich aan de hervorming onderworpen. Zij vonden geen geschikte argumenten om zich tegen kleinerende praatjes, zoals:«Jullie zijn passéïsten, jullie gaan niet met je tijd mee», te kunnen beschermen.

Reeds kardinaal Ottaviani zei over de bisschoppen:«Zij zijn bang voor ouderwets gehouden te worden».

Maar wij hebben nooit zekere veranderingen, bepaalde aanpassingen geweigerd, die van de vitaliteit van de Kerk getuigen. Voor zover het de liturgie betreft is dit niet de eerste hervorming, die mensen van mijn leeftijd meemaken: ik was pas geboren toen de H. Pius X zich er intensief mee bezighield verbeteringen door te voeren: hij kende vooral meer belang toe aan de jaarcyclus, vervroegde de leeftijd voor de Eerste H. Communie van de kinderen en herstelde de liturgische gezangen weer in ere, die bijna in vergetelheid waren geraakt. Vervolgens verkortte Pius XII de duur van het Eucharistische vasten wegens moeilijkheden, die inhærent zijn aan het moderne leven en autoriseerde om dezelfde reden het celebreren van de Mis in de namiddag, verplaatste het officie van het vigilie van Pasen weer naar de avond van Paaszaterdag en gaf een nieuwe gestalte aan de liturgie van de Goede Week. Johannes XXIII bracht zelf, nog voor het concilie, enige verbeteringen aan in de ritus van de H. Pius V. Maar niets van dat alles benaderde ook maar in de verte wat er in 1969 plaatsvond, namelijk een nieuwe conceptie van de Mis.

Men verwijt ons ook dat wij ons aan uiterlijke en tweederangs vormen vastklampen, zoals bijvoorbeeld aan het Latijn. Het is, naar men verkondigt, een dode taal die niemand verstaat; alsof het christelijke volk van de 17de of 19de eeuw haar beter zou hebben begrepen. Welk een nalatigheid zou, naar hun mening, de Kerk aan de dag hebben gelegd, omdat zij met de afschaffing daarvan zo lang heeft gewacht! Ik geloof dat ze haar redenen had. Het is niet verwonderlijk, dat de katholieken behoefte hebben, de prachtige teksten waaruit zij hun geestelijk voedsel putten, beter te begrijpen; evenmin is het verwonderlijk dat zij zich inniger willen aansluiten bij de gebeurtenis die zich voor hun ogen afspeelt. Men zou echter hun behoefte geen recht laten wedervaren als men vanaf het begin tot aan het einde van het H. Misoffer de landstaal gebruikte. De lezing van het epistel en het evangelie in de landstaal betekent een verbetering. Men doet dat, wanneer dat te pas komt in de St. Nicolas-du-Chardonnet in Parijs, alsook in de priorijen van de broederschap die ik heb gesticht. Met betrekking tot de overige tekst staat datgene wat men wint in geen enkele verhouding tot datgene wat men zou verliezen. Want het begrijpen van de tekst is niet het opperste doel van het gebed, nog het enige middel om de ziel in gebedshouding, dat wil zeggen tot vereniging met God, te brengen. Als men de zin van de teksten een te grote opmerkzaamheid schenkt, kan dat zelfs een hindernis vormen. Ik verwonder mij erover, dat men dat niet begrijpt, ofschoon men tegelijkertijd een godsdienst van het hart predikt, die minder intellectueel, daartegenover echter spontaner moet zijn. De vereniging met God kan men alras bereiken door een vroom, hemels gezang, weldra door de algemene atmosfeer van de liturgische handeling, door de vroomheid en inkeer die het oord van de eredienst uitstraalt, door zijn bouwkundige schoonheid, door het vuur van de christelijke gemeente, de waardigheid en vroomheid van de celebrant, de symboliek van de ornamentering van het gebouw, de geur van wierook en vele andere dingen. Het komt niet op de soort springplank aan, als de ziel zich maar verheft. Wie eenmaal een Benedictijnerabdij bezoekt, die de eredienst in zijn volledige luister heeft behouden, zal deze ervaring opdoen.

Zeker is het ondanks dat noodzakelijk, een steeds beter begrip van de oraties, gebeden en hymnen, en een steeds volmaaktere deelname aan de eredienst na te streven. Maar het is een dwaling dit doel eenvoudig te willen bereiken door het enkele gebruik van de volkstaal en de totale afschaffing van de universele taal van de Kerk, die helaas bijna overal werd voltrokken. Men hoeft er slechts naar te kijken wat een toeloop de Missen hebben, die weliswaar naar de Novus Ordo gelezen worden, maar waarbij men de gezangen van het Credo, het Sanctus en het Agnus Dei heeft gehandhaafd.

 Het Latijn is immers een universele taal. Wanneer de liturgie haar gebruikt, maakt zij ons tot een universele gemeenschap, ja, precies tot een katholieke gemeenschap. Vormen zich daarentegen kleine plaatselijke gebiedjes met een telkenmale verschillende individualiteit, dan verliest de liturgie die dimensie, welke in de zielen zo’n diepgaand stempel drukt.

Om een dergelijke dwaalweg te vermijden is het genoeg de oosterse ritussen gade te slaan, waarbij de liturgie reeds lang in de volkstaal wordt gevierd. Men kan daar een isolatie constateren, waaronder de leden van deze gemeenschappen lijden. Wanneer zij namelijk buiten hun geboorteland, verstrooid, leven, hebben zij voor de Mis, de sacramenten en voor de ceremoniën van allerlei soort hun eigen priesters nodig. Zij construeren eigen Kerken, waardoor zij noodzakelijkerwijs van het overige katholieke volk worden gescheiden.

Was dat tot hun voordeel? Het is nooit ondubbelzinnig aangetoond, dat de eigen liturgische taal deze gelovigen vuriger maakt en dat zij actiever praktiseren dan diegenen die het voordeel van een universele taal genieten, ook wanneer deze door velen misschien niet wordt begrepen, maar wel kan worden vertaald.

Laten wij eens naar de situatie buiten de Kerk kijken: hoe succesvol kon de Islam zijn saamhorigheidsgevoel veilig stellen, ofschoon hij zich toch over zulke verschillende gebieden en bij volkeren van uiteenlopende rassen heeft uitgebreid als in Turkije, in noord Afrika, Indonesië of donker Afrika? Juist daarom: omdat men overal het Arabisch als enige taal van de Koran heeft voorgeschreven. Ik heb in Afrika gezien hoe de marabouts de kinderen soera’s uit het hoofd lieten leren waarvan deze kinderen geen syllabe konden begrijpen. Daar komt nog bij dat de Islam zo ver gaat, de vertaling van zijn heilige boek helemaal te verbieden. Het is vandaag bon-ton de godsdienst van Mohammed te bewonderen – waartoe zich, zoals men hoort, duizenden Fransen hebben bekeerd – ja zelfs in kerken voor de bouw van moskeeën in Frankrijk te collecteren. Men hoedt zich ervoor zich te laten inspireren door het enige voorbeeld dat navolging verdient: volhardend aan een enkele taal voor het gebed en voor de eredienst vast te houden.

Dat het Latijn een dode taal zou zijn spreekt juist vóór de handhaving daarvan. Het is het beste middel om de geloofsartikelen te beschermen tegen taalkundige aanpassingen, die in de loop van de eeuwen heel natuurlijk ontstaan. Sinds ongeveer tien jaar is het bestuderen van de semantiek zeer verbreid, Men heeft het zelfs in het leerplan van het onderwijs in de Franse taal aan de gymnasia opgenomen. Een van de onderwerpen van de semantiek is de betekenisverandering, zijn de betekenisverschuivingen, die men in de loop van de tijd, vaak zelfs in zeer korte periodes, kan waarnemen. Laten wij ons toch deze wetenschap ten nutte maken om te begrijpen hoe gevaarlijk het is het geloofsgoed uit te leveren aan onbestendige uitdrukkingswijzen. Gelooft u dat men de onaantastbare formuleringen van de eeuwige waarheden gedurende twee millennia zonder enige vervalsing zou hebben kunnen bewaren met talen, die onophoudelijk veranderen en per land, ja per streek, verschillend zijn? De levende talen zijn veranderlijk en onbestendig. Als men de liturgie aan de actuele spreektaal toevertrouwt, zal men die bestendig moeten aanpassen, en wel rekening houdend met de semantiek. Geen wonder dat men dan voortdurend nieuwe commissies moet benoemen en de priesters geen tijd meer hebben de Mis te lezen. Toen ik Zijne Heiligheid Paulus VI in 1976 in Castelgandolfo bezocht, zei ik hem:«Ik weet niet, Heilige Vader, of het u bekend is, dat er nu in Frankrijk dertien officiële Eucharistische gebeden zijn». Daarop heeft de paus zijn armen ten hemel geheven en mij geantwoord:«Maar veel meer, monseigneur, veel meer!» Ik heb dus reden mij af te vragen: zouden er evenveel zijn als de liturgisten gedwongen zouden zijn ze in de Latijnse taal op te stellen? Naast deze vaste gebeden, die daar zo ongeveer gedrukt in omloop gebracht werden, zou men ook over die canons moeten spreken die door de priester pas bij de celebratie zelf worden geïmproviseerd, en over alle tussengevoegde zinnen, die hij vanaf het gebed dat de ‘schuldbelijdenis’ inleidt tot aan de ‘zegen en wegzending’ inlast. Gelooft u dat dat mogelijk zou zijn wanneer hij in het Latijn zou moeten celebreren?

Een andere uiterlijke vorm, waartegen men bijna algemeen in opstand is gekomen, is het dragen van de soutane, niet zozeer in de kerk of bij het bezoeken van het Vaticaan als wel in het dagelijkse leven. De vraag betreft niet de kern van de zaak, maar is toch van groot belang. Iedere keer wanneer de paus dit in herinnering bracht – en Johannes Paulus II heeft dat zijnerzijds zeer nadrukkelijk gedaan – kwamen er uit de rijen van de clerus verontwaardigde protesten. In een Parijs’ dagblad heb ik de volgende verklaringen van een avantgardistische priester over dit thema gelezen:«Dat is pure folklore…… In Frankrijk heeft het dragen van priesterkleding geen zin, want er bestaat niet de geringste noodzaak een priester op straat als zodanig te herkennen. Integendeel, de soutane of het ‘clergy'(2) roept alleen maar innerlijke weerstand op… De priester is een mens als alle anderen, al gaat hij dan ook bij de Eucharistieviering voor».

Deze “voorganger” uitte daar gedachten, die in tegenspraak zijn met het evangelie en ook met de door de ervaring zeer duidelijk bekrachtigde maatschappelijke realiteit. In alle godsdiensten dragen personen van hogere geestelijke status onderscheidingstekenen. De antropologie, waarvan men zoveel ophef maakt, kan het bevestigen. Bij de mohammedanen ziet men het gebruik van onderscheidende kleding, van kettingen en ringen. De boeddhisten bekleden zich met een saffraankleurig gewaad en scheren zich op heel bepaalde wijze het hoofd kaal. Men kan in de straten van Parijs en andere grote steden jonge mensen zien, die zich bij deze leer hebben aangesloten en wier kleding toch generlei kritiek oproept.

De soutane waarborgt de herkenbaarheid van de geestelijke, de religieus of religieuze, zoals de uniform die van de militair of de politieman. Maar nochtans bestaat er één verschil: wanneer deze hun burgerkleding aantrekken worden ze weer burgers zoals ieder ander, terwijl de priester zijn kleed, dat hem van alle anderen onderscheidt, onder alle omstandigheden van het sociale leven moet aanhouden. Inderdaad laat het sacrale karakter dat hij bij de priesterwijding heeft ontvangen hem in de wereld leven, zonder van de wereld te zijn. Wij lezen bij de H. Johannes:«…maar omdat gij niet van deze wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren…»(Joh. 15, 19).  Zijn kleed moet hem van anderen onderscheiden en tegelijk een geest van ingetogenheid, bescheidenheid en armoede uitstralen.

Een tweede reden voor het dragen van de soutane is de plicht van de priester van Onze Heer getuigenis af te leggen:«…zult gij mijn getuigen zijn…»(Hand. 1, 9). «Ook steekt men geen licht aan om het onder de korenmaat te zetten»(Mt. 5, 15). De godsdienst mag zich niet in de sacristie terugtrekken, zoals de machthebbers van de landen in het oosten sinds lang hebben beschikt. Christus heeft ons bevolen ons geloof ook uiterlijk te bekennen, het door een getuigenis zichtbaar te maken, dat door allen moet worden gezien en gehoord. De getuigenis van het Woord, dat voor de priester zeker wezenlijker is dan de getuigenis van de kleding wordt echter verregaand vergemakkelijkt door de ondubbelzinnig getuigenis van het priesterschap, dus ook door het dragen van de soutane.

De scheiding van Kerk en staat heeft – eenmaal aangenomen en menigmaal zelfs als de beste toestand beschouwd – bewerkstelligd dat het atheïsme langzamerhand is binnengedrongen op alle gebieden waar de mens actief is, en wij moeten vaststellen dat een groot aantal katholieken, en zelfs priesters, geen nauwkeurige voorstelling meer heeft van de eigenlijke rol van de katholieke godsdienst in de burgermaatschappij. Het laïcisme heeft alles onder de voet gelopen.

 De priester die in zulk een samenleving leeft, krijgt steeds meer de indruk in deze maatschappij een vreemde te zijn, ja, haar in de weg te staan, getuige te zijn van een verleden dat tot de ondergang gedoemd is. Zijn aanwezigheid wordt hoogstens getolereerd, meer niet; zo ziet hij het tenminste. Vandaar zijn wens met de laïcistische wereld te assimileren, in de massa onder te duiken. Een dergelijke priester ontbreekt het aan de ervaring van diegenen die landen hebben bereisd die minder ontkerstend zijn dan het onze. Vooral ontbreekt het hem echter aan het diepe geloof in zijn priesterschap.

Doch het betekent ook, het religieuze gevoel dat nog voorhanden is onderschatten, als men absoluut ongegrond aanneemt, dat zij met wie wij te maken hebben of diegenen die wij toevallig ontmoeten, a-religieus zijn. De jonge priesters die uit Ecône komen, en allen die niet aan de hang naar anonimiteit hebben toegegeven, constateren dat iedere dag. Worden zij afgewezen? Absoluut integendeel. De mensen spreken hen op straat aan, op het station, om met hun te praten, vaak slechts om hun hun vreugde mee te delen priesters te zien. In de nieuwe Kerk beveelt men de dialoog aan. Hoe moeten wij die voorbereiden, wanneer we ermee beginnen ons voor de blikken van mogelijke gesprekspartners te verbergen? In de communistische dictaturen was de eerste zorg van de toenmalige machthebbers de soutane te verbieden. Dat behoort tot de middelen, die ervoor zijn bedoeld de godsdienst te verstikken. Men kan er zeker van zijn dat het tegendeel evenzo waar is. Een priester die zich door zijn uiterlijke verschijning als zodanig manifesteert is een levende verkondiging. Het ontbreken van uiterlijk herkenbare priesters in een grote stad toont een zwaarwichtige achteruitgang van de verkondiging van het evangelie aan, het is de voortzetting van het noodlottige werk van de Franse Revolutie en de wetten van de scheiding van staat en Kerk.

Niet op de laatste plaats beschermt de soutane de priester tegen het kwaad. Zij gebiedt hem een houding, herinnert hem ieder ogenblik aan zijn missie op aarde en bewaart hem tegen bekoringen. Een priester in soutane heeft geen identiteitscrisis, en de gelovigen weten hunnerzijds met wie zij te doen hebben. De soutane is een garantie voor de echtheid van het priesterschap. Dikwijls hebben katholieken mij verteld hoe moeilijk het hun valt bij een priester in burger te biechten, omdat zij het gevoel hebben de geheimen van hun geweten toe te vertrouwen aan zomaar een willekeurig iemand. De biecht is een gerechtelijke handeling. Waarom wel zou de civiele justitie het nodig achten hun rechters het dragen van de toga voor te schrijven?

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk V

  1. Afgeleid van het Franse “passéisme”. “Passéistes”(passéïsten) zijn mensen met een exclusieve smaak voor alles wat van vroeger is. “Un goűt exclusif pour le passé”.
  2. Donker costuum met priesterboord en plastron.

6. De nieuwe sacramenten

Het Nieuwe Doopsel, het Nieuwe Huwelijk, de Nieuwe Biecht en het Nieuwe Heilig Oliesel

Hoofdstuk VI

Een katholiek, of  hij nu regelmatig practiseert of slechts bij de grote aanleidingen van zijn leven de weg naar de kerk vindt, moet zichzelf vandaag fundamentele vragen stellen, zoals ongeveer deze: wat is eigenlijk het doopsel?

Hier vertoont zich een nieuw fenomeen: nog helemaal niet zolang geleden kon iedereen deze vraag beantwoorden; overigens, niemand heeft zo’n vraag gesteld. Dat wist men van vader op zoon, van moeder op dochter.

Maar vandaag spreekt men nergens meer daarover. Bij de vereenvoudigde ceremonie die heden in de Kerk plaatsvindt, wordt de zonde op een manier genoemd, die doet vermoeden dat het daar gaat om die zonde of  zonden die de dopeling in zijn leven zal begaan en niet om de erfzonde, waarmee beladen wij allen worden geboren.

Het doopsel verschijnt voortaan slechts als sacrament dat ons met God verenigt of, eerder nog, in de gemeenschap opneemt. Zo verklaart de “ontvangstritus”(rite d’acceuil) zichzelf, die de toekomstige dopeling op veel plaatsen als een eerste trede in een eerste ceremonie wordt opgelegd. Dit voert niet terug tot privé-initiatieven, want wij vinden uitvoerige uiteenzettingen over het trapsgewijze doopsel in de gedrukte memo’s van het Centre national de pastorale liturgique. Men noemt het ook “uitgesteld doopsel”(baptême différé). Na de “ontvangst”(acceuil), het “op weg zijn”(cheminement) en het “zoeken”(recherche) wordt het sacrament uiteindelijk toegediend, of niet toegediend wanneer het kind, zo heet het, vrij kan beslissen. Dat kan op tamelijk gevorderde leeftijd het geval zijn, op ongeveer achttienjarige leeftijd of later. Een professor in de dogmatiek(1), die in de nieuwe Kerk zeer in aanzien staat, heeft onderscheid gemaakt tussen christenen wier geloof en religieuze vorming hij meent te kunnen bevestigen, en de overige christenen, die meer dan drievierde van het totaal uitmaken, aan wie hij, wanneer zij voor hun kinderen het doopsel komen vragen, slechts een vermoedelijk geloof toekent. Deze christenen van de “volksgodsdienst” worden in de voorbereidende  samenkomsten opgespoord, waarna hun wordt afgeraden verder te gaan dan de “ontvangstceremonie”(cérémonie d’acceuil). Deze indeling zou «beter afgestemd zijn op de culturele situatie van onze beschaving».

Kort geleden verlangde een pastoor in het departement Somme, die twee kinderen voor de plechtige Eerste H. Communie moest inschrijven, de doopbewijzen, die hem door de parochie van geboorte van de familie werden toegezonden. Hij moest constateren dat, in tegenstelling tot de overtuiging van de ouders, één van de kinderen gedoopt was, het andere echter niet. Het was alleen in het “ontvangstregister”(registre d’acceuil) ingeschreven. Dat is een van de situaties die uit  deze praktijken resulteren. Wat zich hier voordoet is in werkelijkheid een schijndoop, die de deelnemers in goed vertrouwen voor het werkelijke sacrament houden.

Dat dit alles u in verwarring brengt is begrijpelijk. U moet echter ook met een schijnargumentatie in het reine komen, die men zelfs in parochiebladen vindt, gewoonlijk in de vorm van aansporingen die slechts met voornamen getekend, dus anoniem zijn. In een van zulke artikelen lezen wij dat Alain en Evelyne verklaren:«Het doopsel is geen magische ritus, die door een wonder een of andere erfzonde uit de weg zou ruimen.. Wij geloven dat het heil totaal, om niet, en voor allen is: God heeft in zijn liefde alle mensen uitverkoren, uitverkoren onder welke voorwaarde ook, of veeleer zonder enige voorwaarde. Zich laten dopen wil voor ons zeggen dat men besluit een ander leven te leiden. Dat is een persoonlijke verplichting, die niemand plaatsvervangend kan aangaan. Het is een bewuste verplichting, die een daaraan voorafgaand onderricht veronderstelt». Hoeveel monsterachtige dwalingen in een paar zinnen! Zij bedoelen daarmee een andere weg te rechtvaardigen: de afschaffing van het kinderdoopsel. Dat is een verder assimileren met de protestanten, met geringschatting van datgene wat van in den beginne de leer van de Kerk was, zoals de heilige Augustinus schrijft aan het einde van de vierde eeuw:

«Het gebruik, de kinderen te dopen is geen kortgeleden ingevoerde vernieuwing, maar een getrouwe weerklank van de apostolische traditie. Dit gebruik constitueert reeds op zichzelf en afgezien van alle schriftelijke documenten de zekere regel van de waarheid»(2). Het Concilie van Carthago, in het jaar 251, schreef voor, dat het doopsel van de kinderen «zelfs vóór hun achtste dag» moet worden toegediend, en de H. Congregatie voor de Geloofsleer bracht deze verplichting op 21 november 1980 in de instructie “Pastoralis Actio” in herinnering als «een norm van de traditie sedert onheuglijke tijden».

Dat moet u weten, om een geheiligd recht te laten gelden wanneer men u weigert uw nieuwgeborenen aan het leven van de genade te laten deelnemen. Ouders wachten immers ook niet tot hun kind achttien jaar oud is, als ze op zijn plaats over zijn voeding of over een voor de gezondheid noodzakelijke operatie moeten beslissen. In de bovennatuurlijke orde is hun plicht nog veel indringender, en het geloof, waarop het sacrament berust, als het kind nog niet in staat is zelf een «persoonlijke verplichting» op zich te nemen, is het geloof van de Kerk. Denkt u een aan de verschrikkelijke verantwoording, die u op zich zoudt moeten nemen, als u uw kind van het eeuwige leven in het paradijs berooft. Onze Heer heeft dat duidelijk uitgesproken:«Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods» (Joh. 3, 5).

De vruchten van deze eigenaardige zielzorg hebben niet op zich laten wachten. In het bisdom Parijs werd in 1965 één op twee kinderen gedoopt, in 1976 echter slechts één op vier. De clerus van een parochie in een voorstad stelt zonder bijzondere spijt vast, dat er in 1965  450 doopsels zijn toegediend, maar in 1976 slechts 150. Heel Frankrijk zinkt steeds verder weg. Van 1970 tot 1981 viel het totale aantal terug van 596.673 tot 530.385, terwijl de bevolking in dezelfde tijd met meer dan drie miljoen aangroeide.

Dat alles komt, omdat men de definitie van het doopsel heeft vervalst. Sinds men niet meer zegt dat het doopsel de erfzonde delgt, vragen de mensen:«Wat is het doopsel eigenlijk?» en meteen daarop:«Waartoe dient dopen?». En als ze zover nog niet gekomen zijn, hebben ze toch altijd nog over de argumenten die men hun heeft voorgelegd nagedacht en erkend, dat er geen haast geboden is en dat het kind zich tenslotte altijd nog, op een wat latere leeftijd, wanneer het dat wil, bij de christelijke gemeenschap kan aansluiten, zoals men zich bij een partij of bij een vakbond laat inschrijven.

Dezelfde vraag kan men zich op gelijke wijze met betrekking tot het huwelijk stellen. Altijd werd bij de definitie van het huwelijk het nakomelingschap op de eerste plaats genoemd, en op de tweede plaats de echtelijke liefde. Tijdens het concilie wilde men deze definitie veranderen en zeggen, dat er hier geen grondslagen van de eerste rang meer zouden moeten zijn, maar dat beide aangevoerde gronden van gelijke rang zouden zijn. Het was kardinaal Suenens die deze verandering heeft voorgesteld en ik herinner mij nog hoe kardinaal Brown, generaal overste van de Dominicanerorde, is opgestaan en geroepen heeft:«Caveatis! Caveatis!»(Pas op! Pas op!). Als wij deze definitie aanvaarden, stellen wij ons op tegen de totale traditie van de Kerk en wij zullen de zin van het huwelijk misvormen. Wij hebben niet het recht de traditionele definities van de Kerk te veranderen».

Hij citeerde teksten om zijn waarschuwing te ondersteunen en in het middenschip van de Sint Pieter heerste grote opwinding. Kardinaal Suenens werd door de Heilige Vader verzocht, de uitdrukkingen die hij had gebruikt te verzachten, je zelfs ze te veranderen. De pastorale constitutie ‘Gaudium et Spes’ bevat niettemin een voor meer dan één uitleg vatbare passage, waarin het accent op het nakomelingschap gelegd wordt, «zonder achterstelling van de overige huwelijksdoeleinden»(nr.50). Het Latijnse woord “posthabere” staat de vertaling toe:”zonder andere doeleinden van het huwelijk achter te stellen”, wat betekent, ze allemaal op gelijk niveau te stellen. En precies zo wil men het vandaag begrijpen. Alles wat over het huwelijk wordt gezegd volgt het door kardinaal Suenens geformuleerde valse begrip, volgens welk de echtelijke liefde, die men snel, eenvoudig en veel grover ‘seksualiteit’ heeft genoemd, op de eerste plaats van de huwelijksdoeleinden wordt gesteld. Het gevolg daarvan is: met een beroep op de seksualiteit is alles toegestaan: anticonceptie, geboortenbeperking, en, tenslotte, abortus.

Eén slechte definitie – en reeds bevinden wij ons in opperste verwarring.

De Kerk laat, in haar traditionele liturgie, de priester zeggen:«Zie neder, vragen wij, Heer, op deze uw dienaren en verleen goedgunstig uw bijstand bij uw instelling waardoor Gij de voortplanting van het menselijk geslacht hebt geregeld…»(3).

Zij heeft de woorden uit de brief van Paulus aan de Efesiërs(0, 22-23) gekozen, die de plichten preciseert van de huwelijkspartners, doordat hij hun wederzijdse relatie verklaart aan de hand van het beeld van de betrekking die Christus met zijn Kerk verbindt. Maar nu worden de toekomstige huwelijkspartners zeer vaak aangemoedigd hun Mis zelf samen te stellen, ja zelfs zonder dat zij gehouden zijn de lezing uit de H. Schrift te kiezen. Zij vervangen die door een profane tekst en kiezen voor het evangelie een passage zonder betrekking op het sacrament dat zij ontvangen. En de priester hoedt zich ervoor in zijn vermaning de eisen te noemen waaraan zij zullen moeten voldoen, omdat hij bang is de Kerk onvriendelijk te doen lijken of misschien gescheiden bruiloftsgasten te choqueren.

Zoals bij het doopsel, heeft men ook experimenten met stapsgewijze huwelijken of niet-sacramentele huwelijken ondernomen, die bij de katholieken ergernis wekken. Deze door het episcopaat getolereerde experimenten vinden plaats op basis van nauwkeurige documenten, die door de officiële instituten geleverd, en door de diocesane verantwoordelijken aanbevolen worden. Een memo van het Centre Jean Bart geeft enige manieren voor het verloop aan, bijvoorbeeld de volgende:

«Lezing van de tekst: het wezenlijke is onzichtbaar voor de ogen(eerste brief van Petrus). Geen wederzijdse instemmingsverklaringen, maar een “liturgie van de handen” als teken van arbeid en solidariteit met de arbeiders. De (niet gezegende) ringen worden zwijgend uitgewisseld. Toespeling op Robert’s beroep: legeringen maken en lassen(hij is installateur). De kus. Het Onze Vader, gebeden door de gelovigen onder de deelnemers. Het Ave Maria. Het jonge paar legt een bos bloemen aan de voet van het Mariabeeld neer».

Waartoe heeft Onze Heer sacramenten ingesteld, als men ze door dit soort ceremoniën zou mogen vervangen, waaraan, met uitzondering van de beide slotgebeden, al het bovennatuurlijke ontbreekt? Enige jaren geleden heeft men veel gesproken over Lugny in het departement Saône et Loire. Daar heeft men, om deze nieuwe “inleidingsliturgie”(liturgie d’acceuil) te rechtvaardigen, gezegd, men zou in de jonge paren de wens wekken later terug te komen om dan voorgoed te huwen. Van de ongeveer tweehonderd valse huwelijken van dit soort is in de volgende twee jaar geen enkel paar teruggekomen om hun relatie in orde te brengen. En zelfs als ze het wel gedaan zouden hebben, dan nog zou de pastoor van deze kerk niettemin twee jaar lang officieel iets hebben toegestaan en gedekt met zijn zedelijke ondersteuning, zelfs met zijn zegen, dat niets anders is dan een concubinaat. Uit een door de Kerk georganiseerde enquête is gebleken, dat in Parijs al 23% van de parochies niet-sacramentele vieringen voor bruidsparen heeft georganiseerd, waarvan de ene helft, soms allebei, ongelovig was, omdat de pastoor de familie, of het bruidspaar zelf – dat dat echter vaak slechts uit puur maatschappelijke overwegingen verlangde – een genoegen wilde doen.

Het spreekt vanzelf, dat een katholiek aan een dergelijk theater niet mag deelnemen. De zogenaamd gehuwden zullen in ieder geval altijd nog kunnen zeggen dat zij in de kerk waren, en zij zullen ten langen leste zelf nog geloven, dat bij hun alles in orde is, als zij dikwijls genoeg zien dat hun vrienden hetzelfde doen. Verwarde gelovigen vragen zich af of zoiets niet toch beter is dan helemaal niets. Zo krijgt het indifferentisme vaste grond onder de voeten. Men is bereid iedere willekeurige andere modus te accepteren, de enkele burgerlijke huwelijkssluiting voor de wet, of zelfs het samenleven van jongeren, waar zoveel ouders “begrip” voor tonen, om tenslotte bij de vrije liefde terecht te komen. Het einde van dit alles is de totale ontkerstening. Deze echtparen zal het voor de opvoeding van hun kinderen, voor het geval zij überhaupt bereid zijn kinderen te krijgen, aan de genade ontbreken die uit het sacrament van het huwelijk voortvloeit. Het aantal echtscheidingen bij deze niet geheiligde echtparen neemt afmetingen aan, die de economische- en sociale raad reeds verontrusten. Kort geleden heeft die een rapport uitgebracht, dat laat zien dat zelfs de laïcistische samenleving zich ervan bewust is tengevolge van de onbestendigheid van het gezin of pseudogezin haar ondergang tegemoet te gaan.

Ook het heilig Oliesel is niet meer werkelijk het sacrament voor de stervenden, voor de ernstig zieken. Dat is nu het sacrament voor de ouderen.. Menig priester dient het de mensen op de seniorenleeftijd toe, ook als bij hun niet de minste aanwijzing van dreigend levensgevaar bestaat. Het is niet meer het sacrament dat op het laatste uur voorbereidt, dat voor de dood de zonden delgt en voorbereidt op de definitieve vereniging met God. Ik heb een aankondiging voor mij liggen, die in een Parijse kerk aan alle gelovigen werd uitgedeeld, om deze attent te maken op de eerstvolgende datum waarop weer het heilig Oliesel zou worden toegediend:«Deze plechtige toediening van het sacrament van de zieken, voor nog krachtige personen, geschiedt temidden van de hele christelijke gemeenschap tijdens de Eucharistieviering. Datum: zondag de zoveelste, tijdens de Mis van 11 uur». Dit soort H. Oliesel is ongeldig.

Dezelfde collectivistische geest heeft de golf boetevieringen tevoorschijn geroepen. Het sacrament van de boete kan slechts afzonderlijk worden ontvangen. Naar zijn definitie en wezen is het – waaraan ik al verder hierboven heb herinnerd – een gerechtelijke handeling, een oordeel. Men kan niet oordelen zonder de stand van zaken te hebben onderzocht. Men moet ieders geval afzonderlijk aanhoren om erover te kunnen oordelen, en hem dan de zonden vergeven of laten behouden. Zijne Heiligheid Johannes Paulus II heeft meermaals nadrukkelijk op dit punt gewezen; in het bijzonder heeft hij op 1 april 1982 tegenover de Franse bisschoppen verklaard, dat de persoonlijke belijdenis van de zonden en de daarop volgende individuele absolutie «vóór alles een eis van dogmatische rang is». Het is daarom onmogelijk de “verzoeningsceremoniën” met de verklaring te rechtvaardigen dat de kerkelijke discipline verzacht zou zijn, aangepast zou zijn aan de behoeften van de moderne wereld. Het gaat hier juist niet om een disciplinair probleem.

Vroeger was er één uitzondering: de verstrekking van de generale absolutie in geval van schipbreuk of oorlog – een absolutie waarvan de geldigheid overigens door de opstellers in twijfel wordt getrokken. Het is ontoelaatbaar om van uitzondering regel te maken. Als men de Acta Apostolicæ Sedis raadpleegt, constateert men de volgende uitdrukkingen, die zowel door Paulus VI alsook door Johannes Paulus II bij verschillende gelegenheden werden herhaald:«het uitzonderingskarakter van de collectieve absolutie», «in geval van uiterste nood», «in buitengewone situaties van uiterste nood», «onvoorwaardelijk uitzonderingskarakter», «uitzonderlijke omstandigheden».

Desondanks zijn vieringen van deze soort gewoonte geworden, ofschoon zij in een en dezelfde parochie niet frequent zijn, omdat het aan gelovigen ontbreekt die bereid zijn hun verhouding tot God vaker dan twee- of driemaal per jaar in het reine te brengen. Men heeft er geen behoefte meer aan, wat te voorzien was, omdat men immers in de zielen het begrip van de zonde heeft uitgedoofd. Hoeveel priesters herinneren de mensen nog aan de noodzaak van het sacrament van de boete? Een gelovige katholiek heeft mij verteld dat hij, al naar gelang zijn buitendienst, in verschillende Parijse kerken gaat biechten, waarvan hij weet dat men daar een dienstdoende priester(prêtre d’acceuil) kan vinden. Vaak wordt hij dan door deze gefeliciteerd, of deze priester bedankt hem, totaal verrast dat er iemand bij hem komt biechten.

Bij deze boetevieringen, die toevertrouwd zijn aan de creativiteit van de animatoren, worden liederen gezongen of men draait platen. Er volgt een korte woorddienst, waarna een soort litanie wordt gebeden, waarop de vergaderden antwoorden:«Heer, ontferm u over de zondaar die ik ben», of men wordt tot een soort algemeen gewetensonderzoek aangespoord. Op het confiteor volgt in plaats van alle absoluties één enkele, en die wordt voor alle aanwezigen gegeven. Daaruit volgt echter weer een probleem: ontvangt een aanwezige die de absolutie helemaal niet wilde deze desondanks? Uit een stencil dat in Lourdes werd rondgedeeld aan de deelnemers aan een van deze ceremoniën, lees ik, dat de verantwoordelijke leider zichzelf deze vraag blijkbaar ook heeft gesteld:«Dompelen wij, zo wij de absolutie willen ontvangen, onze handen in het water van de bron en betekenen wij onszelf met het teken van het kruis», en aan het einde heet het:«Zij, die zichzelf met het water uit de bron hebben bekruisd, legt de priester de handen op(?). Verenigen wij ons met zijn gebed en ontvangen wij Gods vergeving».

Een Britse katholieke krant, The Universe, maakte zich enige jaren geleden tot spreekbuis van een door twee bisschoppen gelanceerde actie, waarmee gelovigen, die sinds lang de godsdienstige praktijk hadden opgegeven, weer nader tot de Kerk moesten worden gebracht. De door de bisschoppen gepubliceerde oproep leek op de aansporingen, die door de families van jeugdige weglopers worden gepubliceerd:«De kleine N.N. kan naar huis terugkeren, hij hoeft niet bang te zijn voor verwijten».

Aan deze te verwachten verloren zonen werd dus gezegd:«Jullie bisschoppen nodigen jullie  gedurende deze vastentijd uit, jezelf te verheugen en te vieren. De Kerk biedt, in navolging van Christus, al haar kinderen vergeving aan van hun zonden, in alle vrijheid en gerustheid, zonder dat zij dit verdienen en zonder dat zij erom vragen. Zij dringt er bij hun op aan deze vergevin aan te nemen, en smeekt hen, naar huis terug te keren. Er zijn er veel, die na jaren van verwijdering weer in de Kerk willen terugkeren, maar niet kunnen besluiten, te gaan biechten. In ieder geval niet onmiddellijk…»

Zij konden het volgende aanbod aannemen:«Bij de dekenaatsmis in uw dekenaat, waaraan de bisschop zal deelnemen, (hier worden dag en uur gegeven), worden alle aanwezigen uitgenodigd de vergeving van alle door hen begane zonden aan te nemen. Het is niet nodig op dat tijdstip te biechten. Het zal voor hen voldoende zijn, berouw over hun zonden te gevoelen en de wens te hebben tot God terug te keren en hun zonden later te biechten, nadat zij opnieuw in de schoot van de Kerk zijn opgenomen.

 Tot die tijd hoeven zij zich alleen maar door Onze Vader in de hemel in zijn armen te laten sluiten en teder te laten omhelzen! Tegen een grootmoedige oefening van berouw zal de bisschop alle aanwezigen die dat wensen vergeving van hun zonden verschaffen. Onmiddellijk daarop kunnen zij dan weer te Communie gaan…».

Het halfmaandelijks verschijnende ‘Journal de la Grotte’ van Lourdes heeft dit merkwaardige herderlijke schrijven van de bisschoppen, onder de titel «Generale absolutie, communiceer nu, biecht later»(General absolution, Communion now, confession later) zo becommentarieerd:«De evangelische geest, die dit herderlijk schrijven heeft geïnspireerd, en het pastorale begrip voor de concrete situaties van de mensen, zal onze lezers duidelijk zijn».

Ik weet niet welk resultaat men hier beoogde, maar de beslissende vraag is een andere: de door de twee bisschoppen uitgesproken amnestie herinnert aan de balansopruiming bij de commerciële afsluiting van het seizoen. Kan de zielzorg de leer zover achter zich laten, dat de gelovigen, van wie er vele waarschijnlijk na zovele jaren van niet praktiseren in een toestand van zware zonde verkeren, opgeroepen worden het lichaam van Christus in de Communie te ontvangen? Zeker niet. Hoe kan men zo lichtvaardig bereid zijn de bekering met een heiligschennis te betalen? Heeft deze bekering veel uitzicht op duurzaamheid? Wij kunnen in ieder geval constateren, dat men voor het concilie en het optreden van deze “zielzorg van de tegemoetkoming” in Groot Brittannië 14.000 tot 15.000 bekeringen per jaar(4) telde. Die zijn tot ongeveer 5.000 per jaar gezonken. Men kent de boom aan zijn vruchten.

De katholieken zijn, zowel in Groot Brittannië als in Frankrijk, radeloos. Is een zondaar of een apostaat die de raad van zijn bisschop volgt en zich onder zulke omstandigheden begeeft naar de collectieve absolutie en naar de tafel des Heren, niet in gevaar zijn vertrouwen in de geldigheid van zo lichtvaardig toegediende sacramenten te verliezen, waar hij echter alle reden heeft zich hunner niet waardig te achten? Wat zal er gebeuren wanneer hij vervolgens verzuimt de zaak door een biecht te ‘reguleren’? Zijn achterwege gebleven terugkeer in het huis van de Vader zal een definitieve bekering alleen nog meer bemoeilijken.

Zover komt het met de dogmatische slapheid. En kan dan de christen, ook bij minder extravagante boeteceremoniën in onze parochies, zeker zijn werkelijk vergeving te vinden? Hij is overgeleverd aan de onrust, die ook de protestanten kennen, de kwelling van de ziel die de twijfel bereidt. Hij heeft bij deze verandering zeker niets gewonnen. Als met betrekking tot de geldigheid de zaak er zo slecht voor staat, dan evenzo in psychologisch opzicht. Welk een absurditeit, allen collectief vergeving te verschaffen onder het voorbehoud dat diegenen die met zware zonden belast zijn, ze dan later persoonlijk moeten biechten! Deze mensen zullen natuurlijk niet voor de anderen te kennen geven dat zij zware zonden op hun geweten hebben. Dat zou bijna gelijkstaan aan een schending van het biechtgeheim.

Daar komt dan nog bij, dat de gelovige die na de generale absolutie heeft gecommuniceerd, de noodzaak er niet meer van inziet opnieuw voor het boetetribunaal te verschijnen, hetgeen ook begrijpelijk is. De ceremoniën van de verzoening zijn dus geen vervollediging van de oorbiecht, maar elimineren die en vervangen die. Men is ermee bezig het sacrament van de boete af te schaffen, ofschoon het, zoals de overige zes sacramenten, door Onze Heer zelf is ingesteld. Geen enkele pastorale zorg kan dat rechtvaardigen.

Voor de geldigheid van een sacrament zijn de materie, de vorm en de intentie vereisten. Dat kan zelfs de paus niet veranderen. Het vereiste van de materie is door God zelf ingesteld. De paus kan niet zeggen:«Morgen moet men alcohol gebruiken om kinderen te dopen, of melk». Hij kan ook de vorm niet wezenlijk veranderen. Er bestaan ook woorden van essentieel karakter. Men kan bijvoorbeeld niet zeggen:«Ik doop u in de naam van God», want Christus zelf heeft de vorm vastgelegd:«Gij zult dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest».

Het sacrament van het vormsel is eveneens ernstig toegetakeld. Een vandaag gangbare vorm luidt:«Ik teken je met het kruis en ontvang de H. Geest». Maar de bedienaar zegt daarbij niet precies welke de bijzondere genade van het sacrament is waardoor de H. Geest zich meedeelt, en daarmee is het sacrament ongeldig.

Daarom honoreer ik ook altijd verzoeken van die ouders, die twijfelen ten aanzien van de geldigheid van het aan hun kinderen toegediende vormsel, of die bang zijn hun kinderen op ongeldige wijze te laten vormen, omdat zij zien wat er om hen heen gebeurt. De kardinalen voor wie ik mij in 1975 moest rechtvaardigen hebben mij dit verweten en sindsdien publiceert men onophoudelijk bij al mijn reizen communiqué’s vol verwijten in de pers. Ik heb verklaard waarom ik aldus handel. Ik vervul de wens van de gelovigen, die mij om een geldige vorming vragen, zelfs wanneer dat niet is toegestaan. Want wij leven in een tijd waarin het goddelijke natuurlijke en bovennatuurlijke voorrang heeft op het positief-kerkelijke recht, wanneer dit in tegenspraak is met het goddelijke, in plaats daarvan bemiddelaar te zijn. Wij bevinden ons in een buitengewone crisis en daarom mag men zich er niet over verwonderen wanneer ik menigmaal een van het gebruikelijke afwijkende houding aanneem.

De derde voorwaarde voor de geldigheid van een sacrament  is de intentie. De bisschop of priester moet de intentie hebben te doen wat de Kerk wil. Ook dat kan zelfs de paus niet veranderen.

Het geloof van een priester is geen onmisbaar vereiste. Eén priester of bisschop kan geen geloof meer hebben, een andere een gering, weer een andere een niet geheel ongeschonden geloof. Dat heeft allemaal geen directe invloed op de geldigheid van het sacrament, maar kan een indirecte invloed hebben. Men herinnert zich de verklaring van paus Leo XIII, dat alle anglicaanse wijdingen ongeldig zijn wegens het ontbreken van de intentie. Omdat de anglicanen het geloof hadden verloren – dat niet slechts het geloof in God is, maar in alle in het Credo besloten waarheden, met inbegrip van het «credo in “unam”, sanctam, cattolicam et apostolicam Ecclesiam», wat wil zeggen:«Ik geloof in de “ene”…..Kerk» – konden zij niet doen wat de Kerk wil.

Is bij priesters die het geloof verliezen, niet hetzelfde het geval? Wij hebben immers al priesters die het sacrament van de Eucharistie niet meer naar de definitie van het Concilie van Trente willen voltrekken:«Neen!», zeggen zij, «het Tridentijns Concilie behoort reeds lang tot het verleden. Sindsdien hebben wij het Tweede Vaticaans Concilie gehad. Wij beleven nu de transsignificatie, de transfinalisatie. De transsubstantiatie? Neen, die bestaat niet meer. De werkelijke tegenwoordigheid van de Zoon Gods onder de gestalten van brood en wijn? Maar nu vraag ik u toch – toch niet meer in onze tegenwoordige tijd!»

Als een priester dat tegen u zegt, dan is de consecratie ongeldig. Dan is er geen Mis voorhanden en geen Communie.

Want datgene wat het Concilie van Trente met betrekking tot de Eucharistie heeft gedefinieerd, moeten de christenen tot aan het einde der tijden geloven. Men kan de bewoordingen van een dogma uitleggen, maar niet meer veranderen, dat is onmogelijk. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft niets toegevoegd en niets ervan geschrapt, het zou dat overigens ook helemaal niet hebben kunnen doen. Wie verklaart de transsubstantiatie niet aan te nemen, is, volgens de woorden van juist dit Concilie van Trente, uitgesloten, dus van de Kerk afgescheiden.

Juist daarom is het de plicht van de katholieken in deze ten einde lopende twintigste eeuw, waakzamer te zijn dan hun voorouders. Men zou u in deze zaak absoluut niets in naam van de nieuwe theologie, in naam van de nieuwe godsdienst mogen kunnen opdwingen. Wat deze nieuwe godsdienst wil, is niet datgene wat de Kerk wil.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk VI

  1. Pater Yves Marie-Jean Congar O.P., concilie-expert, «een der aanstichters van de hervormingen»( zie blz 58.en blz.60)
  2. Gen. litt. X 39; serm. 174, 9; bapt. IV 30-31.
  3. De Huwelijkssluiting. Groot Gebedenboek, Uitg. Spectrum, Utrecht-Brussel, 1950.
  4. Gegevens niet meer actueel

7. De Nieuwe Priesters

Hoofdstuk VII

Dat er steeds minder en minder priesters zijn is reeds een gemeenplaats geworden. De gemiddelde man wordt, ook al is hij nog zo weinig in godsdienstige kwesties geïnteresseerd, door zijn krant met regelmatige tussenpozen daarover geïnformeerd. Al meer dan vijftien jaar geleden is er een boek verschenen met de titel: Demain, une Église sans prêtres?(1)(morgen een Kerk zonder priesters?)

Maar de situatie is nog ernstiger dan het lijkt. Men moet er immers aan toevoegen: hoeveel priesters geloven nog? En men moet zelfs nog een derde vraag stellen: zijn bepaalde priesters, die in deze laatste jaren zijn gewijd, werkelijk priester? Met andere woorden: zijn de wijdingen geldig, tenminste sommige daarvan? De twijfel is dezelfde die de overige sacramenten belast. Die strekt zich zelfs uit tot zekere bisschopswijdingen, bijvoorbeeld tot die, welke tijdens de zomer van 1982 in Brussel heeft plaatsgevonden en waarbij de wijdende bisschop tot de wijdelingen gezegd heeft:«Weest apostelen zoals Gandhi, Helder Camara en Mohammed!» Kan men deze verwijzingen, tenminste wat betreft Gandhi en Mohammed, met de ondubbelzinnig geboden intentie te doen wat de Kerk wil, in overeenstemming brengen?

Voor mij liggen twee registraties van het verloop van een priesterwijding, die zich enige jaren geleden in Toulouse heeft afgespeeld: een ‘animator’ opent de viering, waarbij hij de wijdeling voorstelt onder zijn voornaam, C., en zegt:«Hij heeft besloten zijn leven(de volledige overgave, die hij God en de mensen beloofd heeft) te verdiepen doordat hij zich totaal en helemaal wijdt aan de dienst van de Kerk binnen de arbeidersklasse». C. heeft zijn “opgang”(“cheminement”), dat wil zeggen, zijn seminarie, helemaal binnen de groep doorgemaakt.  Deze groep is het ook die voor hem aan de bisschop voorstelt:«Wij vragen u zijn stap te erkennen en te legaliseren en hem tot priester te wijden». De bisschop richt met het oog daarop, in plaats van een definitie van het priesterschap, verscheidene vragen tot hem: wil je priester worden gewijd «om met de gelovigen teken en getuige daarvan te zijn, waarnaar de mensen in hun streven naar gerechtigheid, broederschap en vrede zoeken», «om het volk Gods te dienen», «om in het leven der mensen Gods werken in de veelheid van wegen, culturen en beslissingsmogelijkheden te erkennen», «om de daad van Christus te vieren en dit dienstwerk te bedienen», wil je «met mij en met de gezamenlijke bisschoppen de verantwoordelijkheid delen, die ons voor onze dienst aan het evangelie is toevertrouwd?»

De materie van het sacrament is gehandhaaft: het is de handoplegging die vervolgens plaatsvindt; zo ook de vorm: het zijn de woorden van de priesterwijding. Maar men moet constateren, dat de intentie niet erg duidelijk is. Wordt de priester uitsluitend voor de dienst aan een bepaalde sociale klasse gewijd en vooral om voor gerechtigheid, broederschap en vrede te zorgen, op een niveau dat beperkt lijkt te zijn tot de natuurlijke orde? De nu volgende Eucharistieviering, in de grond de “eerste Mis” van de nieuwe priester, speelt zich af in dezelfde sfeer. Het offertorium werd naar deze aanleiding samengesteld:«Wij nemen je op, Heer, en verkrijgen van jou dit brood en deze wijn die jij ons schenkt. Wij willen daarmee onze gezamenlijke arbeid voorstellen, onze inspanningen een rechtvaardiger, menselijker wereld op te bouwen, al datgene wat wij zoeken te verwezenlijken, opdat betere levensvoorwaarden gewaarborgd worden…». Het gebed over de gaven is nog twijfelachtiger:«Zie Heer, wij bieden jou aan dit brood en deze wijn: mogen zij voor ons tot een van de vormen van jouw aanwezigheid worden». Neen, die mensen die op deze manier celebreren geloven niet in de werkelijke tegenwoordigheid!

Een ding is zeker: het eerste slachtoffer van deze schandalige priesterwijding is de jongeman die zich zojuist voor altijd heeft verplicht, zonder nauwkeurig te weten waaraan, of in de mening verkeert dat hij het weet. Hoe zou hij zich niet in kortere of langere tijd genoodzaakt zien, zichzelf zekere vragen te stellen, want het ideaal dat men hem voor ogen heeft gesteld kan hem niet lang bevredigen, de onduidelijkheid van zijn missie zal hem duidelijk worden.  Men noemt dat de “identiteitscrisis van de priester”. De priester is wezenlijk een man van het geloof. Als hij niet meer weet wat hij is, verliest hij het geloof in zichzelf en in zijn priesterschap. De definitie van het priesterschap volgens de H. Paulus en het Concilie van Trente wordt radicaal veranderd. De priester is niet meer degene die tot het altaar opgaat en God een offer opdraagt tot lofprijzing en voor de vergeving van de zonden. Men heeft de ordening van de opdrachten omgekeerd, want het eerste doel van het priesterschap is het opdragen van het offer; de verkondiging van het evangelie daarentegen komt op de tweede plaats.

Het geval C., dat bij lange na niet het enige is – er zijn voorbeelden te over – toont hoezeer de verkondiging van het evangelie het offer en de sacramenten naar de achtergrond dringt; zij wordt tot doel op zichzelf. Deze ernstige dwaling heeft tragische gevolgen: als de verkondiging van het evangelie haar doel verliest, zal zij tot de dwaling geraken, zij zal motieven zoeken die de wereld behagen, zoals een valse sociale gerechtigheid, een valse vrijheid, die nu nieuwe namen aannemen: ontwikkeling, vooruitgang, opbouw van de wereld, verbetering van de levensvoorwaarden, pacifisme. Wij bevinden ons op het gebied van de taal die tot alle revoluties voert.

Wanneer het Misoffer niet meer de hoofdreden van het priesterschap is, worden ook alle sacramenten in gevaar gebracht. Voor deze zullen nu de «eindverantwoordelijke van de parochiesector» en zijn «pastoraal team» leken aantrekken, omdat de priesters zelf te zeer door vakbondsactiviteiten of politieke bezigheden in beslag worden genomen, meestal meer politieke- dan vakbondsactiviteiten. Inderdaad kiezen die priesters die zich met de sociale strijd bezighouden bijna uitsluitend de sterkst gepolitiseerde organisaties uit. Van daar uit trekken zij dan tegen de politieke, kerkelijke, gezins- en parochiële structuren te velde. Niets mag er meer blijven bestaan. Nooit heeft het communisme zulke bekwame agenten gevonden als deze priesters.

Ik heb op een dag aan een kardinaal uiteengezet, dat in mijn seminaries de spiritualiteit vooral gericht is op de verdieping van de theologie van het Misoffer en het liturgische gebed. Hij heeft mij gezegd:

«Maar monseigneur, dat is precies tegengesteld aan wat de jonge priesters bij ons wensen. Men definieert de priesters alleen meer met betrekking tot de verkondiging van het evangelie».

Ik heb geantwoord:

«Wat voor verkondiging van het evangelie? Wanneer die niet een fundamentele en wezenlijke betrekking tot het Misoffer heeft, hoe verstaat u die dan? Als politieke, sociale, humanitaire verkondiging van het evangelie?»

Als een apostel niet meer Jezus Christus verkondigt, wordt hij een militante vakbondsman en marxist. Dat is heel natuurlijk. Men kan dat zeer goed begrijpen. Hij heeft een nieuwe mystiek nodig en vindt die op deze manier, maar hij verliest tegelijk die van het altaar. Omdat hij de oriëntering volkomen heeft verloren, mag men zich er niet over verwonderen als hij trouwt en zijn priesterschap opgeeft. In 1970 waren er in Frankrijk 285 priesterwijdingen, in 1980 waren het er 111. Maar hoevelen zijn in het burgerlijke leven teruggekeerd of zullen nog terugkeren? Zelfs de dramatische aantallen die men opvoert komen niet overeen met de werkelijke aanwas van de clerus. Datgene wat men de jongeren aanbiedt en waarvan men beweert dat zij het «tegenwoordig zo wensen» beantwoordt blijkbaar niet aan hun verlangen.

Dat is overigens gemakkelijk te bewijzen. Er zijn geen roepingen meer, omdat men niet meer weet wat het Misoffer is. Dientengevolge kan men ook de priester niet meer definiëren. Daar, in tegenstelling hieraan, waar men het Misoffer zó kent en waardeert, zoals de Kerk het altijd heeft geleerd, zijn de roepingen talrijk.

Men ziet het aan de seminaries. Daar vindt niets anders plaats dan het opnieuw bekrachtigen van de altijd geleerde waarheden. De roepingen zijn helemaal vanzelf tot ons gekomen, zonder werving. De enige werving hebben de modernisten bewerkt. Ik heb in dertien jaar 187 priesters gewijd. Sinds 1983 werd een regelmatig gemiddelde van 35 tot 40 priesterwijdingen per jaar bereikt. Ik zeg dat niet om mijzelf op een of andere manier te roemen. Ook op dit gebied heb ik niets uitgevonden. De jongelui die om opname vragen in Ecône(Zwitserland), Winona(U.S.A.), Zaitzkofen(Duitsland) en in Flavigny(Frankrijk)(2), worden aangetrokken door het Misoffer. Welk een buitengewone genade voor een jongeman, tot het altaar op te gaan als dienaar van Onze Heer, om een tweede Christus te zijn! Niets is op aarde schoner, niets verhevener. Het loont de moeite daarvoor zijn familie te verlaten, van de stichting van een gezin af te zien, de wereld te verloochenen en de armoede te aanvaarden.

Maar wanneer deze prikkel er niet meer is, dan, moet ik onomwonden zeggen, staat er onvoldoende tegenover, en daarom staan de seminaries leeg.

Wanneer men de door de Kerk sinds twintig jaar aangehouden richting handhaaft, kan men de vraag:«Zullen er in het jaar 2000 nog priesters zijn?» met «Neen» beantwoorden. Als men echter terugkeert tot de ware begrippen van het geloof, zullen er roepingen komen, zowel in de seminaries alsook in de gemeenschappen van de religieuze orden. Want waaruit bestaat de grootheid en de schoonheid van een religieus of religieuze? Die bestaat eruit, zichzelf met Onze Heer Jezus Christus op het altaar als offerande op te dragen. Anders heeft het kloosterleven niet meer de geringste zin. De jeugd is in onze tijd precies zo grootmoedig als in vroeger tijden. Zij verlangt ernaar zich op te offeren. Het is onze tijd die zo krachteloos is.

Alles hangt samen: tast men de funderingen van het gebouw aan, dan verwoest men het hele gebouw. Is er geen Mis meer, dan zijn er ook geen priesters. Het Rituale liet, voor het werd hervormd, de bisschop zeggen:«Ontvang de macht aan God het H. Offer op te dragen en de H. Mis te celebreren, zowel voor de levenden alsook voor de doden, in de naam des Heren». Tevoren had hij de handen van de wijdeling gezegend met de woorden:«Opdat alles wat zij zullen zegenen, gezegend zij, en alles wat zij zullen wijden, gewijd en geheiligd worde». De verleende macht wordt zonder enige dubbelzinnigheid uitgedrukt. «Dat zij tot heil van Uw volk en door hun heilige wijding de transsubstantiatie van het brood en van de wijn in het lichaam en bloed van Uw goddelijke Zoon voltrekken».

Vandaag de dag zegt de bisschop:«Ontvang de gave van het heilige volk, om die aan God aan te bieden». Hij maakt de nieuwe priester meer tot een bemiddelaar dan tot een bekleder van het ambt van het priesterschap, tot een offerpriester. Een met de vroegere volkomen verschillende opvatting. De priester werd in de H. Kerk altijd als iemand beschouwd, die een door het sacrament van de priesterwijding verleend, onuitwisbaar merkteken bezit. Wij hebben meegemaakt, dat een – niet gesuspendeerde – bisschop schrijft:«De priester is niet iemand, die dingen doet die de eenvoudige gelovigen niet doen. Hij is niet méér een “tweede Christus” dan iedere willekeurige gedoopte dit is». Deze bisschop heeft heel eenvoudig de consequenties getrokken uit de sinds het concilie toonaangevende leer en uit de nieuwe liturgie.

Met betrekking tot het priesterschap van de gelovigen en het priesterschap van de priesters werd verwarring gesticht. Want de kardinalen, aan wie de kritische beoordeling van de maar al te beruchte Nederlandse Catechismus was toevertrouwd, verklaarden:«De verhevenheid van het ambtelijk priesterschap(dat der priesters) in zijn deelname aan het priesterschap van Christus onderscheidt zich van het algemene priesterschap der gelovigen niet slechts op graduele, maar ook op wezenlijke wijze». Het tegendeel te beweren betekent ook op dit punt een assimilatie met het protestantisme.

Het is de vaste leer van de Kerk, dat de priester met een onuitwisbaar merkteken van de wijding is uitgerust: Tu es sacerdos in æternum(Gij zijt priester in eeuwigheid). Wat hij ook doet, voor de engelen, voor God, in de eeuwigheid, hij blijft priester. Al geeft hij zijn priesterambt ook op, al draagt hij een rode of hoe dan ook gekleurde pullover, al begaat hij ernstige delicten, dat zal daaraan niets veranderen. Het sacrament van de priesterwijding heeft hem in zijn natuur gewijzigd.

Wij zijn ver verwijderd van die priester, «die door de gemeente wordt gekozen om een functie in de Kerk op zich te nemen», en al helemaal van het priesterschap voor een bepaalde termijn, zoals bepaalde lieden hebben voorgesteld, na afloop waarvan de leider van de eredienst – ik vind geen andere uitdrukking om het te omschrijven – weer zijn plaats onder de gelovigen inneemt.

Deze gedesacraliseerde voorstelling van het priesterlijk ambt leidt heel natuurlijk tot het vraagstuk van het celibaat van de priester. Veel kabaal makende pressiegroepen eisen, ondanks herhaalde waarschuwingen van het Romeinse leergezag, de afschaffing daarvan. In Nederland zijn er seminaristen geweest die het ontvangen van de priesterwijding hebben geweigerd, om desbetreffend “garanties” te verkrijgen. Ik wil de bisschoppelijke stemmen niet citeren, die zich hebben verheven om de H. Stoel te dwingen hieromtrent een proces aan te spannen. Het probleem zou zich überhaupt niet voordoen als de clerus de zin van de Mis en de zin van het priesterschap bewaard zou hebben.

Want de diepere grond van het celibaat openbaart zich vanzelf, wanneer men de volgende twee realiteiten werkelijk begrijpt. Het is dezelfde basis waarop de allerzaligste Maagd Maria altijd maagdelijk is gebleven: omdat zij Onze Heer in haar schoot heeft gedragen was het juist en passend, dat zij het is gebleven. Ook de priester doet, door de woorden die hij bij de transsubstantiatie spreekt, God naar de aarde afdalen. Hij heeft een zo nauwe band met God, een geestelijk Wezen, de Geest zonder meer, dat het goed, juist, en bovenal passend is, als ook hij maagdelijk en ongehuwd blijft.

Men zal hier tegen inbrengen dat er in het oosten gehuwde priesters zijn. Maar men moet zich hier niet vergissen: dat wordt slechts geduld. Noch de oosterse bisschoppen, noch diegenen die ambten van enig belang bekleden, mogen gehuwd zijn. Deze clerus eert het priesterlijke celibaat, dat tot de oudste tradities van de Kerk behoort en waaraan de apostelen sinds het moment van het Pinksterwonder hebben vastgehouden. Diegenen, die zoals de H. Petrus, gehuwd waren, leefden verder met hun vrouwen, “bekenden” ze echter niet meer.

Het is opmerkelijk dat priesters die worden neergeveld door het drogbeeld van een vermeende sociale of politieke missie, bijna automatisch huwen. Beide dingen gaan hand in hand.

Men wil ons wijsmaken dat de huidige tijd het prijsgeven van allerlei soort dingen rechtvaardigt; dat het onder de huidige levensomstandigheden onmogelijk is kuis te zijn; dat de gelofte der maagdelijkheid voor de kloosterlingen een anachronisme is. De ervaring van deze laatste twintig jaren toont aan dat de aanvallen, die onder het voorwendsel van aanpassing aan de huidige tijd op het priesterschap plaatsvinden, voor het priesterschap dodelijk zijn. Een «Kerk zonder priesters» is echter onvoorstelbaar; de Kerk is priesterlijk overeenkomstig haar wezen. Een treurige tijd, die voor de leken het vrije huwelijk en voor de priesters het huwelijk wil! Wanneer u in dit klaarblijkelijk tekort aan logica een onverzoenlijke logica herkent die tot doel heeft de christelijke samenleving te vernietigen, ziet u de dingen naar waarheid en velt u een juist oordeel.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk VII

  1. Jacques Duquesne, Edition Grasset, 1968.
  2. Seminaries v.d. Priesterbroederschap St. Pius X

8. Van de Nederlandse Catechismus tot de ‘Pierres Vivantes’

Hoofdstuk VIII

In katholieke kringen hoorde en hoor ik altijd weer de opmerking:«Men wil ons een nieuwe godsdienst opdwingen». Zijn zulke woorden overdreven? De modernisten, die overal de Kerk zijn binnengeslopen en daar het hoogste woord voeren, hebben eerst geprobeerd gerust te stellen:«Neen, neen, u hebt die indruk, omdat verouderde vormen om dringende redenen door andere zijn vervangen. Men kan niet meer precies zo bidden als vroeger, men moest wat verstoft was weer opfrissen, een voor de mensen van onze tijd begrijpelijke taal invoeren, ons open betonen tegenover onze afgescheiden broeders……. Maar veranderd is er natuurlijk niets».

Spoedig reeds werden zij minder voorzichtig, en de brutaalsten kwamen ermee voor de dag, zij het in de kleinste kring – voor mensen die voor hun zaak waren gewonnen -, zij het openlijk. Een zekere pater Cardonnel(1) ging zich veelvuldig te buiten in aankondigingen van een nieuw Christendom, waarin «de welbekende transcendentie, die God tot heerser van het universum maakt» moest worden bestreden; hij beriep zich openlijk op het modernisme van Loisy:«Als u in een christelijk gezin werd geboren, zijn de catechismussen die u hebt geleerd de skeletten van het geloof». «Ons Christendom», verkondigde hij, «verschijnt in het gunstigste geval in een neokapitalistische gestalte». Kardinaal Suenens riep, nadat hij de Kerk op zijn eigen manier opnieuw had gesticht, ertoe op «voor het breedst mogelijke theologische pluralisme open te staan», en eiste de invoering van een «hiërarchie der waarheden» ten aanzien van datgene wat men vast zou moeten geloven, datgene wat men tenminste enigermate zou moeten geloven, en datgene wat niet van betekenis zou zijn.

In 1973 gaf abbé Bernard Feillet(2) in de vertrekken van het aartsdiocees Parijs, in de meest officiële vorm, in het kader van de “christelijke volwassenenvorming”(formation chrétienne des adultes), een college, waarin hij meermaals beweerde:«Christus heeft de dood niet overwonnen. Hij werd door de dood gedood. Op het niveau van het leven is Christus overwonnen en zullen wij allemaal worden overwonnen. Want – het geloof wordt door niets bewezen – zal die schreeuw van protest luiden tegen dit universum, dat, zoals we zojuist hebben gezegt, eindigt met de waarneming van de absurditeit, met het bewustzijn van de verdoemenis en met de realiteit van het niets».

Ik zou een aanzienlijk aantal van zulke gevallen kunnen citeren, die meer of minder stof hebben doen opwaaien, die min of meer, menigmaal weliswaar ook helemaal niet, afgekeurd werden. Maar dat is de grote massa van het christelijke volk ontgaan; had men iets dergelijks via de krant ervaren, dan dacht men aan misbruiken, totaal zonder algemeen karakter, die het eigen geloof niet in gevaar brachten.

Men begon zich pas af te vragen en ongerust te worden, toen men in de handen van kinderen godsdienstboeken aantrof, die de katholieke leer niet meer zo uiteenzetten, zoals zij sedert onheuglijke tijden was verkondigd.

Alle nieuwe catechismussen waren min of meer door de Nederlandse Catechismus geïnspireerd, die voor het eerst in 1966 werd gepubliceerd. De beweringen die dit werk bevatte waren zó uit de lucht gegrepen, dat de paus een commissie van kardinalen opdracht heeft gegeven tot een controle, die dan in april 1967 in Gazzade  in Lombardije heeft plaatsgevonden. Deze commissie nu heeft er tien punten uitgelicht en de H. Stoel aanbevolen desbetreffend wijzigingen te eisen. Dat was een voor naconciliaire gewoonten veelbetekenende handelwijze: slechts te verklaren dat de betreffende punten niet met de leer van de Kerk overeenstemmen. Enige jaren voordien zou men ze rondweg hebben veroordeeld en de Nederlandse Catechismus zou op de Index* gekomen zijn. De aangepakte dwalingen of uitlatingen zijn inderdaad een aanval op de wezenlijke substantie van het geloof.

En wat vinden wij daar? De Nederlandse Catechismus weet niets van engelen en leert niet dat de menselijke ziel onmiddellijk door God wordt geschapen. Hij geeft te verstaan dat de erfzonde niet door onze oer-voorouders en al hun nakomelingen werd geërfd, maar dat de mensen zich dit tengevolge van hun leven midden in de menselijke samenleving, waarin het kwaad heerst, op de hals hebben gehaald. Dit zou in zekere zin een epidemisch karakter hebben. Van de maagdelijkheid van Maria wordt in deze catechismus niet ondubbelzinnig getuigd. Er wordt niet gezegd dat Onze Heer voor ons is gestorven, door de Vader met dit doel gezonden, en dat de goddelijke genade ons tegen deze prijs weer werd geschonken. Consequent wordt daarom de Mis als een feestmaal voorgesteld en niet als een offer. Noch de werkelijke tegenwoordigheid noch de realiteit van de transsubstantiatie worden op ondubbelzinnige wijze bevestigd.

De onfeilbaarheid van de Kerk en het feit dat zij in het bezit is van de waarheid, zijn uit deze manier van onderricht evenzo verdwenen als de mogelijkheid van het menselijk verstand «de geopenbaarde geheimen te duiden en te begrijpen». Zo eindigt men bij het agnosticisme en het relativisme. Het ambtelijk priesterschap wordt versmald. Het bisschopsambt wordt als een mandaat beschouwd, dat hem door het «Volk Gods» touvertrouwd zou zijn, en hun leergezag als een sanctioneren van datgene wat de gemeenschap van gelovigen zou geloven. De paus verliest zijn volle, hoogste en universele macht.

De allerheiligste Drievuldigheid, het geheim van de drie goddelijke Personen, wordt niet toereikend uiteengezet. De kardinalencommissie laakt ook de voorstelling van de werkzaamheid der sacramenten, de definitie van het wonder en het lot, dat de zielen der rechtvaardigen na de dood is voorbehouden. Zij toont ook onduidelijkheden aan in de uiteenzetting der zedenwetten en in de «oplossing van gewetensvraagstukken», waardoor de onontbindbaarheid van het huwelijk te licht wordt opgevat.

Zelfs wanneer al het overige in dit boek “goed en lofwaardig” is – waarover men zich niet moet verwonderen, want de modernisten hebben, zoals de H. Pius X nadrukkelijk heeft opgemerkt, altijd al waarheid en dwaling vermengd – bevat het zeker genoeg om te kunnen zeggen dat het hier om een volledig afwijkend, voor het geloof hoogst gevaarlijk werk gaat. Nu hebben echter de aanstichters van deze onderneming, zonder het rapport van de kardinalencommissie af te wachten, en zelfs in de grootste haast, vertalingen in verscheidene talen uitgegeven. En daarna werd de tekst nooit meer gewijzigd. Het rapport van de kardinalencommissie werd dikwijls aan de inhoudsopgave toegevoegd, menigmaal zelfs dat niet. Later zal ik nog over het probleem van de gehoorzaamheid spreken. Wie is in deze zaak ongehoorzaam? Iemand die een dergelijke catechismus aan de kaak stelt?

De Hollanders zijn op deze weg vooruitgegaan, wij hebben ze snel ingehaald. Ik wil geen historisch overzicht van de Franse catechese geven en mij liever meteen met haar laatste noodlottige fase bezighouden: namelijk met het “Recueil catholique de documents privilégiés de la foi”(Katholieke verzameling van preferente geloofsdocumenten) met de titel “Pierres Vivantes”(Levende Stenen) en een vloed van “catechetische leerdocumenten”(parcours catéchétiques).  Deze documenten zouden in vraag-en-antwoord vorm moeten zijn opgesteld om de definitie van het woord catechese, dat nadrukkelijk in al deze documenten wordt gebruikt, recht te laten wedervaren. Zij hebben echter deze opbouwende methode, die een systematisch aanleren van de geloofsinhoud toestond, opgegeven en geven bijna nooit een antwoord. Pierres Vivantes hoedt zich ervoor, waar dan ook over, beslist te getuigen, behalve over de nieuwe, ongebruikelijke en aan de traditie vreemde meningen.

De dogmata worden, als men ze überhaupt nog noemt, zo behandeld als zouden zij de speciale geloofsleer zijn van een deel van de mensheid, dat dit boek «de christenen» noemt en die mèt de joden, de protestanten en de boeddhisten, ja zelfs met de agnostici en de atheïsten op één lijn worden geplaatst. In verscheidene leerdocumenten worden de “animatoren van de catechese” aangemoedigd, zo te handelen, dat het kind een of andere godsdienst aanneemt, om het even welke. Overigens is het ook voor het kind van belang naar ongelovigen te luisteren, die het veel zouden kunnen leren. Het zou vooral belangrijk zijn «teams te vormen», in de klas onder elkaar hulpvaardig te zijn, voor morgen de sociale strijd voor te bereiden, waar men aan zou moeten deelnemen, zelfs aan de zijde van de communisten, zoals de opbouwende geschiedenis van Madeleine Delbrêl(3) het ons toont, die in de Pierres Vivantes even wordt aangeroerd en waarover in bepaalde leerdocumenten uitvoerig wordt verteld. Een andere ‘heilige’ die aan de kinderen ten voorbeeld wordt gesteld is Martin Luther King, terwijl men Marx en Proudhon als «grote verdedigers van de arbeidersklasse» roemt, die «schijnbaar van buiten de Kerk komen». De Kerk zou deze strijd immers reeds hebben willen opnemen, maar zij zou niet hebben geweten hoe zij dat zou hebben kunnen inrichten. Zij zou zich ermee tevreden hebben gesteld «de ongerechtigheid aan te klagen». Dergelijke dingen leert men de kinderen! Maar nog bedenkelijker is het feit, dat men de reputatie van de H. Schrift, het werk van de H. Geest, bederft. Terwijl men zou verwachten, dat de verzameling van de uit de bijbel uitgekozen teksten begint met de schepping van de wereld en van de mens, plaatst Pierres Vivantes het boek Exodus aan het begin, onder de titel:«God schept zijn volk». Hoe zouden de katholieken over deze verdraaiïng van de woorden niet in de hoogste mate buiten zichzelf raken en diep verontwaardigd zijn. Men moet doorgedrongen zijn tot het eerste boek Samuel, om daar op Genesis terug te komen en te ervaren dat God de wereld niet heeft geschapen. Ik verzin niets, ook ditmaal niet, hier staat het:«De auteur van dit verhaal van de schepping vraagt zich af, zoals veel mensen dat doen, hoe de wereld wel begonnen is. Enige gelovigen hebben nagedacht. Een van hen heeft een dichtwerk geschapen…». Daarna hebben aan het hof van Salomon andere wijzen nagedacht over het probleem van het kwaad. Om dit te verhelderen hebben zij een «beeldende vertelling» geschreven, en zo krijgen wij de bekoring van Adam en Eva, maar niet de straf. Hier breekt de vertelling af. God straft dus niet, juist zoals de nieuwe Kerk niet meer veroordeelt, behalve diegenen die trouw blijven aan de traditie. De erfzonde, die met aanhalingstekens wordt geciteerd, is een «aangeboren ziekte», een «gebrek, dat terugreikt tot de oorsprong der mensheid»: een zeer vage, onverklaarbare zaak.

Zo stort natuurlijk de totale godsdienst in elkaar. Wanneer men met betrekking tot het probleem van het kwaad niet meer kan antwoorden, heeft het geen zin meer te prediken, de Mis te lezen, biecht te horen. Wie zou er nog naar ons luisteren?

Het Nieuwe Testament begint met Pinksteren. Het accent ligt op deze eerste gemeente, die uitbreekt in een schreeuw van geloof. Daarna «herinneren» deze christenen het zich, en de geschiedenis van Onze Heer bij stukjes en beetjes omhoog uit de nevel van hun herinnering. Zij begint met het einde: met het Laatste Avondmaal en Golgotha. Dan komt het openbare leven van Jezus en tenslotte de jeugd, onder de dubbelzinnige titel:«De eerste discipelen vertellen over de jeugd van Jezus».

Op een dergelijke basis hebben de leerdocumenten het niet moeilijk begrijpelijk te maken, dat de evangeliën met betrekking tot de jeugd van Jezus een vrome legende zijn, zoals de oude volkeren ze plachten te dichten wanneer zij de biografieën van hun grote mannen natekenden. Pierres Vivantes levert overigens een late datering van de evangeliën, die hun geloofwaardigheid vermindert, en toont in een tendentieuze voorstelling de apostelen en hun opvolgers predikend, celebrerend en lerend, alvorens zij «het leven van Jezus, op grond van de ervaringen uit hun eigen leven, nogmaals lezen». Een volledige verdraaiïng: hun persoonlijke ervaring wordt tot oorsprong van de openbaring, in plaats van dat de openbaring hun gedachten en hun leven vormt!

Met betrekking tot de uitersten** zorgt Pierres Vivantes voor een verontrustende verwarring. Wat is de ziel? «Men heeft adem nodig om te rennen, men heeft adem nodig om moeilijke dingen klaar te spelen. Als iemand is gestorven zegt men: Hij heeft zijn laatste adem uitgeblazen. De adem is het leven, leven in het diepste binnenste van de mens. Men noemt dat ook wel de “ziel”». In een ander hoofdstuk wordt de ziel met het hart gelijkgesteld, het hart dat slaat, het hart dat liefheeft. Dat hart is ook de zetel van het geweten. Hoe moet men hier nog de weg vinden? Waaruit bestaat dus de dood? De auteurs van het boek zwijgen daarover:«Voor menigeen is de dood de definitieve stilstand van het leven. Anderen vermoeden dat men ook na de dood nog leven kan, maar ze weten niet of dat werkelijk zeker is. Weer anderen zijn er helemaal zeker van; tot dezen behoren ook de christenen». Het kind hoeft alleen maar te kiezen: over het wezen van de dood kan men van mening verschillen. Maar is dan de deelnemer aan het catechismusonderricht geen christen? Als dat het geval is, waarom spreekt men dan tot hem over christenen in de derde persoon, in plaats van beslist te zeggen:«Wij echter weten dat er een eeuwig leven is, dat de ziel niet sterft»? Het paradijs wordt voorwerp van een evenzo voor verschillende uitleg vatbare uiteenzetting:«De christenen spreken dikwijls over het paradijs om de volkomen vreugde erover tot uitdrukking te brengen, dat zij na de dood voor altijd met God verenigd zullen zijn: dat is de “hemel”, het rijk Gods, het eeuwige leven, het rijk van vrede».

Deze verklaring blijft zeer hypothetisch. Het schijnt, als zou men slechts met een manier van spreken te doen te hebben, een geruststellende, beeldende uitdrukking, die de christenen gebruiken. Onze Heer heeft ons echter, wanneer wij zijn geboden onderhouden, de hemel beloofd, die de Kerk altijd heeft gedefinieerd als «een plaats van volkomen gelukzaligheid, waar de engelen en de uitverkorenen God aanschouwen en Hem voor altijd bezitten».  De nieuwe catechese toont een ondubbelzinnige verwijdering van datgene, waarvan in de catechismussen tot nu toe werd getuigd. Dat kan slechts tot verdwijning van het vertrouwen in de tot nu toe geleerde waarheden en tot een geestelijke onttakeling leiden. Waartoe moet men zijn ongeordende begeerten overwinnen en de smalle weg begaan, wanneer men niet precies weet wat de christen na de dood wacht?

De katholiek gaat niet naar zijn priesters en naar zijn bisschop om daar inspiratie op te doen, die het hem mogelijk maakt zich een voorstelling te maken van God, de wereld en de uitersten: hij vraagt hen, wat hij moet geloven en wat hij moet doen.

Wanneer zij hem antwoorden met een assortiment van voorstellingen en ontwerpen voor het leven, blijft hem niets anders over dan zichzelf een persoonlijke godsdienst voor te stellen: hij wordt protestant. De catechese maakt kleine protestanten van de kinderen.

De leuze van de hervorming is de jacht op ‘zekerheden’. Men bekritiseert christenen die ze bezitten en ze zogenaamd behoeden als een vrek zijn schat. Zij worden beschouwd als egoïsten, als zelfvoldaan, men belastert ze. Men zou zich voor tegengestelde meningen moeten openstellen, de verschillen gedogen, de ideeën van de vrijmetselaars, de marxisten, de mohammedanen, ja zelfs de animisten moeten respecteren. Het kenmerk van een heiligend leven zou de dialoog met de dwaling zijn.

Dan echter is alles veroorloofd. Ik heb verder hierboven de gevolgen genoemd van de nieuwe definitie van het huwelijk. Het zijn niet slechts eventuele gevolgen, die kunnen optreden als de christenen deze definitie letterlijk zouden nemen. De feitelijke gevolgen hebben veeleer niet op zich laten wachten: wij constateren ze in de zedeloosheid, die zich van dag tot dag verder uitbreidt. Nog ontstellender echter is dat de catechese daarbij te hulp schiet. Laten wij het “catechetisch lesmateriaal”(matériel catéchétique), zoals men dat vandaag noemt, nemen, dat ongeveer in 1972 in Lyon met een imprimatur werd gepubliceerd en bestemd is voor de opvoeders. De titel is “Voici l’homme” (Ziedaar de mens – ecce homo). In de aan de moraal gewijde paragraaf wordt beweerd:«Jezus heeft niet de bedoeling gehad een ‘moraal’ na te laten aan latere generaties, noch een politieke, noch een seksuele of welke andere ook… De enige eis die bestaat, is de liefde van de mensen tot elkander. Voor het overige zijn jullie vrij: het is aan jullie om in iedere situatie de beste manier te kiezen om jullie liefde tot jullie medemensen uit te drukken».

De paragraaf “zuiverheid” in hetzelfde geschrift trekt dan de praktische consequenties uit deze algemene wet. Aangezien men met geringschatting voor Genesis verklaard heeft, dat de kleding eerst laat ontstaan is, «als teken van sociale rang, van een waardigheid» en «om een rol te spelen, iets voor te spiegelen», wordt de zuiverheid op de volgende manier gedefinieerd:«Zuiver zijn wil zeggen in orde zijn, de natuur trouw zijn… Zuiver zijn wil zeggen, in harmonie, in vrede met de aarde en de mensen zijn, met de grootse krachten van de natuur, zonder weerstand, zonder geweld, in harmonie zijn». Dan volgt een vraag met een antwoord:«Is een dergelijke zuiverheid met de christenen te verenigen? Zij is niet slechts daarmee te verenigen, zij is voor een waarachtige, menselijke en christelijke zuiverheid noodzakelijk. Jezus Christus heeft geen van deze ontdekkingen, deze verworvenheden, die de vrucht zijn van het lange zoeken der volkeren, verloochend of verworpen. Juist integendeel. Hij is gekomen om haar buitengewoon te verruimen:”Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet komen opheffen, maar volmaken”(Mt. 5, 17)». Om hun beweringen kracht bij te zetten voeren de opstellers de H. Maria Magdalena als voorbeeld op:«In dit gezelschap was zij de reine, omdat zij veel heeft liefgehad, diep heeft bemind». Zo misvormt men het evangelie: bij Maria Magdalena houdt men alleen aan haar zonde vast, aan haar verdorven leven. De vergeving, die Onze Heer haar geschonken heeft, wordt voorgesteld als een goedkeuring van haar vroeger leven, zonder acht te slaan op de goddelijke vermaning:«Ga heen, en zondig voortaan niet meer».(Joh. 8, 11) Men slaat ook geen acht op het vaste besluit, dat de zondares tot aan Calvarië voerde en dat haar trouw aan haar Meester liet blijven tot aan haar levenseinde. In dit stuitende boek bestaan er werkelijk geen grenzen:«Mag men een verhouding met een meisje hebben», vragen de auteurs, «zelfs wanneer men heel goed weet dat het hier slechts om een pleziertje gaat of om de ervaring met vrouwen?» Zij antwoorden:«Het probleem van de wetten der zuiverheid zo te stellen, zou een echte man, een man die liefheeft, een christen, onwaardig zijn. Zou dat niet betekenen de man in een dwangbuis te steken, een ondraaglijk juk op de dwingen? Terwijl Christus toch juist is gekomen, om ons van het drukkende juk van de wet te bevrijden:”Want mijn juk is zacht, mij last is licht”(Mt. 11, 30)». Zo legt men de heiligste woorden uit om de zielen te gronde te richten! Van de H. Augustinus hebben ze maar één zin vastgehouden:«Heb lief, en doe wat je wilt!»(4)

Uit Canada heeft men mij schandelijke boeken gestuurd, die daar verschenen zijn. Daarin wordt alleen maar over sex gesproken, en dat nog wel met hoofdletters:«Seksualiteit, in het geloof beleefd», «De Opwaardering van de Seksualiteit», etc.  De afbeeldingen zijn absoluut afstotelijk. Het ziet ernaar uit, dat men in het kind met alle geweld de seksuele begeerte en de seksuele bezetenheid wil doen ontvlammen en het wil laten geloven, dat er in het leven niets anders is dan dat. Talrijke ouders hebben geprotesteerd, inspraak geëist, maar er was niets aan te doen, en dat heeft zijn reden. Op de laatste bladzijde staat te lezen dat deze catechismussen door de commissie voor de catechese officieel zijn goedgekeurd. De toestemming tot drukken werd gegeven door de voorzitter van de bisschoppelijke commissie voor het godsdienstonderricht te Quebec!

Een andere door het Canadese episcopaat goedgekeurde catechismus roept het kind op met alles te breken: met zijn ouders, met de traditie, met de maatschappij, om zo zijn persoonlijkheid te hervinden, die door al deze bindingen wordt verstikt, om zich te bevrijden van de complexen, die in hem ontstaan door de samenleving of het gezin. Degenen die dit soort raad geven, zoeken altijd bewijzen uit het evangelie en beweren, dat Christus ons deze breuk heeft voorgeleefd en zich aldus als Zoon van God heeft geopenbaard. Hij zelf wil dus dat wij hetzelfde doen.

Kan men onder verantwoordelijkheid van de bisschoppelijke autoriteit een zo aan de katholieke godsdienst tegenstrijdige opvatting aannemen? In plaats van over een breuk te spreken, zou men over bindingen moeten spreken, die wij moeten terugvinden, omdat die ons leven uitmaken. Wat is de liefde tot God anders dan een binding met God, gehoorzaamheid aan God en aan zijn geboden? De binding aan de ouders, de liefde tot de ouders zijn banden van het leven en niet van de dood. Nu echter stelt men ze aan het kind voor als iets waardoor het gedwongen en opgesloten wordt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn persoonlijkheid en waarvan het zich daarom moet bevrijden.

Neen, u mag uw kinderen niet op deze wijze te gronde laten richten. Ik zeg heel openlijk: u mag hen niet naar dit catechismusonderricht, waardoor zij het geloof verliezen, sturen!

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk VIII

  1. Pater Jean Cardonnel O.P., als zeer progressief en marxistisch bekend staande professor in de theologie. (zie ook Hs zoveel, aant, zoveel)
  2. Bekende progressieve pastoor van de kapel Saint Bernard de Montparnasse, met een grote ‘basisgemeente’.
  3. Bekende bekeerlinge en voorvechtster voor de rechten van de arbeiders. Gestorven in 1951.
  4. “Dilige et Quod Vis Fac” (in Ep. Joannis, tract. VII. 8)

*  lijst van verboden boeken.

** de vier uitersten van de mens zijn: de dood, het oordeel, de hemel of de hel.

9. De Nieuwe Theologie

Hoofdstuk IX

De verwoestingen door de catechese treden bij die generaties aan het licht die ze al moesten ondergaan. Ik had in de Ratio Studiorum(het studieschema) van mijn seminaries, zoals de H. Congregatie voor de Seminaries en Universiteiten sedert 1970 verplicht stelde, als begin van de zes jaar durende studies, één jaar spiritualiteit opgenomen. Spiritualiteit, dat wil zeggen: ascese, mystiek, meditatie- en gebedsvorming, verdieping van de begrippen deugd, bovennatuurlijke genade, tegenwoordigheid van de H. Geest…

Wij moesten zeer spoedig bescheidener worden, omdat wij hebben vastgesteld dat deze jongelui – die met de levendige wens naar ons toegekomen zijn, ware priesters te worden, die een veel dieper innerlijk leven hadden dan veel van hun tijdgenoten en die gewend waren te bidden – zelfs de grondbegrippen van ons geloof niet kenden. Men heeft hun deze nooit geleerd. Men moest hun tijdens het spiritualiteitsjaar catechismusles geven!

De ontstaansgeschiedenis van van het seminarie van Ecône heb ik al zo menigmaal verteld. Het was gepland om de toekomstige priesters in dit in het kanton Wallis, tussen Sitten en Martigny gelegen huis slechts dit eerste spiritualiteitsjaar te laten doormaken; daarna zouden zij de colleges aan de universiteit van Fribourg moeten bezoeken. Maar zeer spoedig hebben wij de stichting van een volledig seminarie in overweging genomen, omdat men er niet zeker van kon zijn echt katholiek onderwijs aan de universiteit van Fribourg te vinden.

De Kerk heeft de leerstoelen theologie, canoniek recht, liturgie en kerkelijk recht altijd als organen van haar leergezag, of tenminste van haar verkondiging, beschouwd. Het is echter een niet te bestrijden feit, dat vandaag aan alle of bijna alle katholieke universiteiten niet meer het onvervalste katholieke geloof wordt geleerd. Ik zou in het vrije Europa noch in de Verenigde Staten, noch in Zuid Amerika één enkele universiteit weten, die dit leert. Altijd zijn er enige professoren die zich veroorloven, onder het voorwendsel van theologisch onderzoek, meningen te uiten, die ons geloof tegenspreken, en dat in geen geval slechts in tweederangs kwesties.

Ik heb verder hierboven over die voorzitter van de theologische faculteit in Straatsburg gesproken, voor wie de tegenwoordigheid van Onze Heer in de Mis vergeleken kan worden met de tegenwoordigheid van Wagner bij de Festspielen in Bayreuth. Voor hem komt zelfs de Novus Ordo niet meer in aanmerking: de wereld ontwikkelt zich zo snel, dat deze dingen snel tot het verleden behoren. Hij denkt dus, dat men voor een Eucharistie zou moeten zorgen, die uit de groep zelf voortkomt. En waaruit moet die bestaan? Hij weet het zelf niet. «Maar», zo profeteert hij in zijn boek “Pensée contemporaine et expression de la foi eucharistique”(1), «de leden van de groep zullen, wanneer zij onder elkaar zijn, het gevoel van deze vereniging met Christus opwekken, die midden onder hen zal zijn, maar zeker niet onder de gedaanten van brood en wijn». Hij glimlacht over deze Eucharistie, die men een «werkzaam teken» noemt, een definitie, die alle sacramenten gemeenschappelijk hebben. «Dat is belachelijk», meent hij, «vandaag kan men zoiets niet meer zeggen; dat heeft in onze tijd geen zin meer».

De jonge studenten, die deze dingen uit de mond van hun professor horen, die bovendien nog faculteitsvoorzitter is; de jonge seminaristen die deze colleges bezoeken worden langzamerhand van de dwaling doordrongen; zij krijgen een opleiding die niet meer katholiek is. Datzelfde is het geval bij hen, die enige tijd geleden een professor in Fribourg, een dominicaan, hoorden verzekeren dat voorechtelijke betrekkingen normaal en wenselijk zouden zijn.

Mijn eigen seminaristen hebben een andere dominicaan meegemaakt, die hun leerde nieuwe canons op te stellen:«Dat is helemaal niet zou moeilijk, ik geef u enkele leidende gedachten, die u dan gemakkelijk kunt gebruiken wanneer u priester bent». Men zou nog vele andere voorbeelden kunnen aanvoeren. Smulders, van de Hogeschool voor Theologie in Amsterdam verdenkt de H. Paulus en de H. Johannes ervan, dat zij de gelovigen de valse voorstelling van Jezus als Gods Zoon ongerechtigd zouden hebben opgedrongen en wijst het dogma van de menswording van de hand. Schillebeeckx, van de universiteit van Nijmegen, uit de meest zonderlinge ideeën, zuigt de transsignificatie uit zijn duim, onderwerpt het dogma aan de door de omstandigheden van het ogenblik vereiste veranderingen en schrijft de heilsleer een sociaal en aards doel toe. Küng, in Tübingen, bracht, voor men hem een leerstoel katholieke theologie ontzegde, het mysterie van de allerheiligste Drievuldigheid, de maagdelijkheid van Maria en de sacramenten in gevaar en kenmerkte Jezus als een publieke sprookjesverteller «zonder enige theologische vorming». Schnackenburg, van de universiteit van Würzburg, beschuldigt de H. Mattheus ervan de episode “Belijdenis van Petrus”(Mt. 16, 13-19) te hebben verzonnen om het primaatschap van Petrus geloofwaardig te maken. De onlangs gestorven Rahner bagatelliseerde in zijn colleges aan de universiteit van München de traditie, loochende praktisch de mensworden, doordat hij voortdurend sprak over Onze Heer als over een «op natuurlijke manier ontvangen» mens, loochende de erfzonde en de Onbevlekte Ontvangenis en bepleitte het theologisch pluralisme.

Al deze mensen worden door de avant-garde van het neomodernisme opgehemeld. Zij worden door de pers zo doeltreffend ondersteund, dat hun theorieën in de ogen van de publieke opinie aan betekenis winnen en hun namen algemeen bekend zijn. Sindsdien wekken zij de schijn, de totale theologie te vertegenwoordigen, en versterken het inzicht, dat de leer van de Kerk veranderd zou zijn.

Zij kunnen hun verwoestende onderricht al vele jaren lang voortzetten en worden daarbij slechts af en toe door lichte sancties onderbroken. De pausen herinneren regelmatig aan de grenzen van de opdracht van de theologen. Nog kort geleden zei Johannes Paulus II:«Het is niet mogelijk, zich af te wenden of los te maken van de fundamentele punten, zoals van die, welke te beschouwen zijn als gedefinieerde dogmata, zonder gevaar te lopen de katholieke identiteit te verliezen». Schillebeeckx, Küng, pater Pohier werden berispt – de laatste wegens een boek waarin hij de lichamelijke opstanding van Christus loochende(2) – maar zij werden niet gestraft.

Zou men zich ooit hebben kunnen voorstellen, dat men zich aan roomse universiteiten, de Gregoriana daarbij inbegrepen, onder het voorwendsel van theologische research, de meest onwaarschijnlijke theorieën veroorlooft over de betrekking tussen Kerk en staat, over echtscheiding en over andere fundamentele kwesties?

Het is heel duidelijk, dat de transformatie van het H. Officie, dat door de Kerk altijd werd aangezien voor het gerechtshof in geloofszaken, deze misstanden begunstigt. Tot dan to kon iedereen, een gelovige, een priester, en al helemaal een bisschop, het H. Officie een geschrift, een periodiek, een artikel voorleggen en vragen hoe de Kerk daarover zou denken, of dit geschrift overeenstemde met de katholieke leer of niet. Een maand, of zes weken later antwoordde het H. Officie: dat is juist, dit is vals, hierbij moeten wij onderscheiden, een deel is waar, een deel is vals.

Ieder document werd op deze wijze getoetst en definitief beoordeeld. Neemt u er aanstoot aan dat op deze manier geschriften van derden voor een gerechtshof kunnen worden gebracht? Wat gebeurt er dan in de burgermaatschappij? Is er daar geen Constitutioneel Hof, om te beslissen over wat in overeenstemming is met de grondwet en wat niet? Zijn er geen gerechtshoven, waar men als privé persoon of als rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam wegens geleden rechtsschendingen in beroep kan gaan? Men kan zelfs bij een rechter aanvragen in geval van schending van de openbare zedelijkheid tussenbeide te komen, tegen een aanstootgevend affiche of een op klaarlichte dag verkochte krant waarvan de voorpagine een vergrijp tegen de goede zeden is, ofschoon in de laatste tijd in veel landen de grenzen van het toegestane aanzienlijk zijn verruimd.

Maar in de Kerk accepteert men het ingrijpen van een rechtbank niet meer. Men zou niet meer moeten vonnissen noch veroordelen. De modernisten hebben, net als de protestanten, uit het evangelie die ene zin gelicht, die hun voor hun doel geschikt leek:«Oordeelt niet!»(Mt. 7, 1) Maar zij hebben geen rekening gehouden met het feit, dat Onze Heer onmiddellijk daarop heeft gezegd:«Wacht u voor valse profeten…….Aan hun vruchten zult gij ze kennen!»(Mt. 7, 15-16). De katholiek mag de fouten van zijn broeders, hun persoonlijke handelingen, niet voorbarig veroordelen, maar Christus heeft hem de opdracht gegeven, zijn geloof te bewaren, en hoe moet hij dat doen zonder een kritische blik op datgene wat men hem laat lezen of horen? Als een mening hem twijfelachtig voorkomt, zal hij zich tot het leergezag wenden. Daartoe diende het H. Officie. Maar dit heeft zichzelf sinds de hervorming, waardoor het werd getroffen, gedefinieerd als «Bureau voor Theologische Research»(3). Het verschil is duidelijk voelbaar.

Ik herinner mij dat ik kardinaal Brown, de voormalige generaal overste van de Dominicanen, die zeer lang bij het H. Officie werkzaam was, gevraagd heb:

«Eminentie, hebt u de indruk, dat deze verandering een radicale verandering is, of slechts een oppervlakkige, niet essentiële?»

Daarop heeft hij mij geantwoord:«Oh neen! De verandering is zeer essentieel!»

Derhalve mogen wij ons niet verwonderen als men niet meer of slechts zo weinig veroordeelt, wanneer de rechtbank voor het geloof van de Kerk, tegenover theologen en al degenen die over religieuze themata schrijven, zijn ambt niet meer uitoefent. Het gevolg daarvan is, dat de dwalingen zich overal verbreiden. Zij zijn uitgegaan van de leerstoelen van de universiteiten, om binnen te dringen in de catechismussen en in de meest afgelegen pastorieën. Het gif van de ketterij grijpt uiteindelijk de gehele Kerk aan, en het hele kerkelijke leergezag bevindt zich in een zware crisis.

De meest absurde argumenteringen worden aangewend om goed met deze theologen, die dat slechts in naam zijn, te kunnen samenwerken. Daar is een zekere pater Duquoc, professor in Lyon, die door heel Frankrijk getrokken is en colleges gegeven heeft over de doelmatigheid van het tijdelijk toestaan van het priesterschap aan bepaalde gelovigen, ook aan vrouwen. Een aanzienlijk aantal katholieken heeft hier en daar geprotesteerd, een bisschop in zuid Frankrijk heeft vastbesloten stelling genomen tegen deze twijfelachtige prediker. Ook zoiets gebeurt nog vaak. In Laval echter hebben verontruste leken in het bisschoppelijk paleis het antwoord gekregen:«In dit geval is het  onze allereerste plicht in de Kerk de vrijheid van het woord te bewaren». Dat is verbluffend. Waar haalt men dit begrip van de vrijheid van het woord toch vandaan? Het is aan het kerkelijk recht volkomen vreemd. En bovendien maakt men er een absolute plicht van de bisschop van! Het leidt ertoe, de zin van de bisschoppelijke verantwoordelijkheid, die er toch uit bestaat het geloof te verdedigen en het aan de bisschop toevertrouwde volk voor ketterij te bewaren, volledig om te draaien.

Ik moet hier voorbeelden geven, die overigens afkomstig zijn uit het openbare domein. De lezer moge mij echter geloven, dat ik dit boek niet schrijf om bepaalde personen te bekritiseren. Ik neem het standpunt in, dat het H. Officie altijd heeft ingenomen. Het heeft nooit de personen in aanmerking genomen, maar slechts de werken. Een of andere theoloog heeft zich beklaagd, dat men een van zijn boeken zou hebben veroordeeld, zonder hem te horen. Maar het H. Officie veroordeelde op grond van de bewijsstukken juist precies de werken en niet de auteurs. Het oordeel luidde:«Dit boek bevat zinnen, die niet in overeenstemming zijn met de overgeleverde leer van de Kerk». En dat was alles! Waartoe teruggrijpen op degene die deze woorden had geschreven? Voor zijn intentie, voor zijn schuld is een ander tribunaal bevoegd, het Boetetribunaal(4).

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk IX

  1. Zie Hoofdstuk 3, aantekening 3.
  2. “Eigentijdse gedachte over en uitdrukking van het Eucharistisch geloof”.
  3. Pater Jacques Pohier, Quand je dis Dieu(Wanneer ik God zeg), Edition du Seuil, 1977. Duitse uitgave: Wenn ich Gott sage, Walter Verlag, Freiburg i. Br., 1980.
  4. Het H. Officie werd door Paulus VI met de apostolische constitutie ‘Regiminis Ecclesiæ Universæ’ van 15-8-1967 getransformeerd in de “Heilige Congregatie voor de Geloofsleer”.
  5. De “Sacra Pśnitentiaria”

10. De Oecumene

Hoofdstuk X

Deze verwarring van ideeën, waarbij zekere christenen zich vandaag schijnbaar prettig voelen, herbergt een voor het geloof bijzonder schadelijke tendens, die des te gevaarlijker is als zij zich onder de dekmantel van naastenliefde presenteert. Het woord, dat in 1927 op een congres in Lausanne voor de eerste maal is opgedoken, zou op zichzelf al de katholieken tot waakzaamheid moeten oproepen, als zij acht zouden slaan op de definitie die in alle woordenboeken te vinden is:«Oecumene(1): de beweging die de vereniging van alle christelijke Kerken in één enige nastreeft». Elkaar tegensprekende principes kan men niet met elkander versmelten, dat is duidelijk. Men kan  waarheid en  dwaling niet op zulk een wijze met elkaar verenigen, dat zij één zijn, zonder de dwaling aan te nemen en de waarheid geheel of gedeeltelijk te verwerpen. Daarmee veroordeelt de oecumene zichzelf.

Het woord is sinds het laatste concilie zo tot modewoord geworden, dat het ook in het profane taalgebruik is binnengedrongen. Men spreekt over universiteits-oecumene en wat al niet meer, om een voorliefde of standpuntbepaling voor veelsoortigheid, voor electivisme uit te drukken.

In het religieuze taalgebruik heeft de oecumene zich in de laatste tijd ook uitgebreid tot de niet-christelijke godsdiensten en is weldra ook in daden omgezet. Een krant uit westelijk Frankrijk toont ons met een bepaald voorbeeld de manier waarop deze ontwikkeling plaatsvindt: in een kleine parochie in de regio Cherbourg zorgt de katholieke bevolking voor islamitische arbeiders die kort geleden daar op een bouwwerk gekomen zijn. Dat is een werk van naastenliefde waarmee men hen slechts geluk kan wensen. In een volgende fase verzoeken de moslims om een locaal om daar de ramadan te vieren en de christenen bieden hun dan de kelderverdieping van hun kerk aan. Dan treedt in dit vertrek een Koranschool in werking. Na twee jaar nodigen de christenen de moslims uit Kerstmis met hun te vieren, «uitgaande van een gemeenschappelijk gebed, dat uit uittreksels van soera’s uit de Koran en verzen van het evangelie werd samengesteld». De fout begrepen naastenliefde heeft deze christenen ertoe gebracht gemene zaak te maken met de dwaling.

In Lille hebben de Dominicanen de moslims een kapel aangeboden, opdat ze daarvan een moskee kunnen maken. In Versailles heeft men in de kerken gecollecteerd voor «de aankoop van een cultusplaats voor de moslims». Twee andere kapellen werden aan hun afgestaan in Roubaix en in Marseille, evenals een kerk in Argenteuil. De katholieken worden tot apostelen van de ergste vijand van de Kerk van Christus, de Islam, en bieden Mohammed hun bijdrage aan! Er zouden in Frankrijk meer dan 400 moskeeën zijn en in veel gevallen hebben katholieken het geld voor de inrichting daarvan geschonken.

Alle godsdiensten hebben vandaag burgerrecht in de Kerk. Een Franse kardinaal celebreerde op een dag de Mis in tegenwoordigheid van Tibetaanse monniken, die men in hun ceremoniële gewaden op de eerste rij had gezet. Hij boog voor hen, terwijl een animator aankondigde:«De bonzen zullen met ons aan de Eucharistieviering deelnemen». In een kerk in Rennes werd de Boeddhacultus gecelebreerd. In Italië werden tien monniken door een boeddhist plechtig in de zen-meditatie ingeleid.

Ik zou eindeloos door kunnen gaan als ik alle voorbeelden van syncretisme die wij meemaken wilde opsommen. Verenigingen worden opgericht, bewegingen ontstaan, die altijd wel een “zoekende” geestelijke als voorzitter vinden, zoals bijvoorbeeld die groep die tot «versmelting in de liefde van alle geestelijke stromingen» wil geraken. Of men staat zulke verbazingwekkende projecten toe zoals de transformatie van de kerk van Notre Dame de la Garde(Marseille) in een monotheïstische cultusplaats voor christenen, moslims en joden; een project dat gelukkig door groepen leken werd verhinderd.

De oecumene in engere zin, dus beperkt tot de christenen, leidt tot organisatie van gemeenschappelijke Eucharistievieringen met de protestanten, zoals dat in het bijzonder in Straatsburg is gebeurd. Of de anglicanen worden in de kathedraal van Chartres uitgenodigd om een «Eucharistisch Avondmaal» te celebreren. De enige viering die niet in Chartres, noch in Straatsburg, noch in Rennes, noch in Marseille wordt toegstaan is de H. Mis naar de door de H. Pius V gecodificeerde ritus.

Welke conclusie kan de katholiek, die moet aanzien hoe de kerkelijke autoriteiten zo schandalige ceremoniën dekken, uit dit alles trekken? Dat alle godsdiensten de gelijke waarde hebben, dat hij zijn heil zeer goed ook bij de boeddhisten zou kunnen bewerken of bij de protestanten. Hij loopt gevaar zijn geloof in de H. Kerk te verliezen. Juist dat wil men hem immers in overweging geven: men wil de Kerk aan het gemene recht onderwerpen, men wil haar op hetzelfde niveau als, op één lijn met de andere godsdiensten plaatsen, men wijst het af – zelfs priesters,  seminaristen en professoren weigeren het – te zeggen dat de katholieke Kerk de enige Kerk is, dat zij de waarheid bezit, dat alleen zij in staat is de mensen door Jezus Christus het heil te brengen. Men zegt heden heel openlijk:«De Kerk is slechts een geestelijk gist in de maatschappij, juist zoals de andere godsdiensten, misschien een beetje meer dan de anderen…….». Men neemt het in het  uiterste geval, maar niet altijd, voor lief, dat haar een geringe superioriteit wordt toegestaan.

Op deze manier zou de Kerk alleen maar nuttig zijn, maar niet meer noodzakelijk. Zij zou slechts één van de middelen zijn om het heil te bewerken.

Men moet het duidelijk en niet mis te verstaan zeggen: een dergelijke opvatting spreekt het dogma over de katholieke Kerk radicaal tegen. De Kerk is de enige ark des heils. Wij mogen niet bang zijn, dat openlijk te bekrachtigen. U hebt dikwijls horen zeggen:«Buiten de Kerk geen heil», en deze woorden choqueren de contemporaine zienswijzen. Het is niet moeilijk, de mensen te laten geloven, dat dit principe niet meer geldt, dat het verouderd is; het lijkt mateloos streng.

En toch is er op dit punt niets veranderd en kan er ook niets veranderen. Onze Heer heeft niet verscheidene Kerken gesticht, Hij heeft er maar één enkele gesticht. Er bestaat slechts één enkel Kruis waardoor men zichzelf kan redden, en dit Kruis is aan de katholieke Kerk toevertrouwd, niet aan de andere ook. Christus heeft al zijn genade aan zijn Kerk gegeven, die zijn mystieke Bruid is. Geen enkele genade op de wereld, niet één enkele genade in de geschiedenis van de mensheid zal worden geschonken buiten de Kerk.

Betekent dat, dat geen enkele protestant, geen enkele moslim, geen boeddhist, geen animist, gered wordt? Neen! Zo te denken is een tweede dwaling. Zij die bij de woorden van de H. Cyprianus:«Buiten de Kerk geen heil», over intolerantie schreeuwen, verwerpen het Credo:«Ik belijd één doopsel tot vergeving der zondern»(2) en zijn onvoldoende onderricht over wat het doopsel werkelijk is. Er bestaan drie manieren om het doopsel te ontvangen: het doopsel met water, de bloeddoop(dat is het doopsel van de martelaren, die hun geloof hebben beleden terwijl zij nog catechumenen waren) en het doopsel van begeerte.

Het doopsel van begeerte kan expliciet(met nadruk uitgesproken) zijn. Dikwijls heeft en Afrika een catechumeen tot ons gezegd:«Pater, doopt u mij nu meteen, want als ik voor uw volgende bezoek stef, kom ik in de hel». Wij hebben hem geantwoord:«Neen, wanneer je geen zware zonde op je geweten hebt en als je de wens koestert gedoopt te worden, heb je de genade al in je».

Zo luidt de leer van de Kerk, die ook het impliciete(stilzwijgende) doopsel van begeerte erkent.  Zij berust op het besluit, de wil van God te willen vervullen. God kent alle zielen en weet derhalve, dat er onder protestanten, moslims, boeddhisten en onder de hele mensheid zielen bestaan, die van goede wil zijn. Zij ontvangen de genade van het doopsel, zonder het te weten, maar op werkzame wijze. Daardoor verenigen zij zich met de Kerk.

De dwaling bestaat in het geloof, dat zij zich door hun godsdienst redden. Zij redden zich ìn hun godsdienst, maar niet dóór hun godsdienst. Men redt zichzelf niet door de Islam of door het Shintoïsme. Er bestaat in de hemel geen boeddhistische Kerk; ook geen protestantse Kerk. Dat mag, als men het hoort, hard lijken, maar het is de waarheid. Niet ik heb de Kerk gesticht, Onze Heer heeft haar gesticht, de Zoon Gods, en wij priesters zijn verplicht de waarheid te zeggen.

Maar hoe groot zijn de moeilijkheden die de mensen uit de niet door het Christendom doordrongen landen moeten overwinnen om de genade van het doopsel van begeerte te verkrijgen! De dwaling is een afscherming tegen de H. Geest.  Dat is de reden waarom de Kerk altijd missionarissen naar alle landen van de aarde heeft gezonden en dat zo vele van hen daar het martyrium hebben ondergaan. Als men het heil in iedere willekeurige godsdienst zou kunnen verkrijgen, waartoe zou men dan de zeeën oversteken en zich blootstellen aan voor de gezondheid schadelijke klimaten, een hard leven, ziekte en een vroege dood? Al meteen na de marteldood van de H. Stephanus, die als eerste zijn leven heeft gegeven voor Christus en daarom op 26 december, de dag na Kerstmis, zijn feestdag heeft, hebben de apostelen zich ingescheept om de blijde boodschap te verbreiden in het Middellandse Zee-gebied. Zouden zij dat hebben gedaan als men zichzelf even goed door de cultus van Cybele(3) of door de Mysteriën van Eleusis(4) zou hebben kunnen redden? Waarom zou Onze Heer hun dan gezegd hebben:«Gaat dus heen; onderwijst alle volken»? (Mt. 28, 19) Het is ontstellend, dat bepaalde lieden vandaag eisen, dat men ieder zijn weg naar God zou moeten laten vinden naar de in zijn eigen “culturele milieu” heersende geloofsovertuigingen. Tegen een priester die kleine moslims wilde bekeren zei zijn bisschop:«Maar, maakt u er toch goede moslims van, dat zou veel beter zijn dan katholieken van hen te maken!» Men heeft mij verzekerd, en ik kan het met zekerheid zeggen, dat de monniken van Taizé voor het concilie erom hebben gevraagd hun dwalingen af te mogen zweren en katholiek te mogen worden. De bevoegde autoriteiten hebben hun toentertijd gezegd:«Neen, wacht! Na het concilie zult u de brug tussen de katholieken en de protestanten zijn».

Zij, die dit antwoord hebben gegeven dragen een zware verantwoordelijkheid voor God, want de genade komt op een bepaald ogenblik, zij komt misschien niet meer terug. Vandaag staan de goede monniken van Taizé, die zonder twijfel goede bedoelingen hebben, nog altijd buiten de Kerk en zaaien verwarring in de zielen van jonge mensen die hen komen bezoeken.

Ik heb over bekeringen gesproken: zij zijn in landen als de Verenigde Staten – waar men er ongeveer 170.000 per jaar telde – als Groot Brittannië of Holland, heel abrupt opgehouden… De missionaire geest is uitgedoofd, omdat men een slechte definitie van de Kerk heeft opgesteld en vanwege de verklaring over de godsdienstvrijheid van het concilie, waarover ik nu moet spreken.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk X

  1. De meest recente druk van de “Dikke Van Dale” zegt: a. oecumene: algemene Kerk, de éne Kerk voor de hele wereld.  b. eenheid van alle christenen of ook alle mensen of  c. de beweging die de totstandkoming daarvan nastreeft, of ook  d. alle mensen, de gehele mensenwereld als georganiseerd geheel.
  2. Onder “oecumeniciteit” staat dan nog: a. het oecumenisch zijn b. zoals Johannes XXIII haar ziet, gaat o. de grenzen van de christelijke godsdienst te buiten.
  3. De geloofsbelijdenis van het Concilie van Trente en van het Eerste Vaticaans Concilie.(Groot Gebedenboek, blz. 392)
  4. Cybele, Gr. Kybelè. Phrygische godin, behorend tot de categorie der moedergodinnen, werd beschouwd als schenkster van alle leven, heerseres over de dieren en tronend op ongenaakbare bergtoppen, zoals de Dindymon in Phrygië. Zij werd vereerd in de vorm van allerlei fetisjen, vooral in die van de meteoorsteen, die werd bewaard in Pessinus(nu Balahisar) in Galatië. Zij vormde, samen met Attis(haar partner) het middelpunt van een cultus die gedeeltelijk mysteriedienst was, waarschijnlijk afkomstig van Kreta. De Romeinen haalden de meteoorsteen in 205 v. Chr. naar Rome en noemden Cybele de Magna Mater(Grote Moeder). Voor haar werd in 191 v. Chr. een tempel op de Palatijn gebouwd. Haar priesters heetten te Rome “Galli” en gingen zich te buiten in orgiastische extase en zelfverminking. Met name in de keizertijd ging het begin van de lente te Rome gepaard met Cybelefeesten(15-27 maart). Onder keizer Claudius(voluit Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus; 10 v. Chr. – 54 na Chr.; keizer van 41-54 na Chr.) bereikte deze cultus een hoogtepunt.
  5. Eleusis – nieuw Grieks: Elevsis, stad aan de baai van Attica, 20 km ten NW van Athene. Werd in de 7de eeuw voor Chr. in de Atheense ‘polis’ opgenomen. Men bedreef er een mysteriecultus, ontstaan uit landbouwriten, ter ere van Demeter en Kore. Een hoofdmoment uit de cultus was blijkbaar het in stilte afmaaien van een korenaar, uit het aanschouwen waarvan men hoop putte op een zalig leven na de dood. Het heiligdom lag aan de voet van de Acropolis. Bij het heiligdom hoorde ook een bron, waar vrouwen en meisjes een rituele reidans uitvoerden. Omdat slechts ingewijden met zwijgplicht de plechtigheden, die in de herfst werden gevierd, mochten bijwonen, is niet bekend waaruit de geheime ceremoniën bestonden. In 395-396 na Christus werd de stad door Alarik verwoest, in de 17de eeuw teruggevonden; in 1882 begonnen systematische opgravingen die sindsdien zijn voortgezet.

11. De Godsdienstvrijheid

Hoofdstuk XI

Op het concilie heeft het schema over de godsdienstvijheid de heftigste discussies teweeggebracht. Dat is, met de invloed die de liberalen uitoefenden en de interesse die de erfvijanden van de Kerk in deze kwestie hadden, gemakkelijk te verklaren. Twintig jaren zijnd sidsdien verstreken, en nu blijkt, dat onze vrees uit de tijd van de promulgatie van deze tekst niet overdreven was; die vormt toch een verzameling begrippen, welke de traditie en de leer van juist de laatste pausen tegenspreekt. Dat bevestigt weer, dat valse of dubbelzinnig geformuleerde principes onverbiddelijk tot praktische toepassingen leiden, waardoor de met de keuze van deze principes begane dwaling duidelijk wordt. Ik zal bijvoorbeeld aantonen dat de aanvallen van de socialistische regering in Frankrijk op het katholieke onderwijs het logische gevolg zijn van de nieuwe, door het Tweede Vaticaans Concilie vastgestelde definitie van de godsdiensvrijheid.

Laten wij wat theologie bedrijven om beter te begrijpen in welke geest deze verklaring werd opgesteld. De aanvankelijke, volstrekt nieuwe argumentatie ging ervan uit, dat de vrijheid van iedere mens, de godsdienst van zijn keuze innerlijk en naar buiten te praktiseren, berust op de “waardigheid van de menselijke persoon”. Het was dus deze waardigheid, die de vrijheid grondvest, die haar bestaansrecht verleende. De mens moest, op grond van zijn waardigheid, iedere willekeurige dwaling kunnen aanhangen. Dat zou betekenen het paard achter de wagen te spannen; de dingen averechts voor te stellen. Want wie de dwaling aanhangt verliest zijn waardigheid, en men kan niets meer daarop grondvesten. Aan de andere kant is dat wat de vrijheid fundeert niet de waardigheid, maar de waarheid:«…de waarheid zal u bevrijden»(Joh. 8, 32) heeft Onze Heer gezegd.

Wat verstaat men onder waardigheid? Volgens de katholieke leer bereikt de mens die door zijn volmaaktheid, dat wil zeggen door de kennis van de waarheid en de verdienste van het goede. De mens is achting waardig naar de mate van zijn bedoeling God te gehoorzamen, en niet vanwege zijn dwalingen. Deze brengen onophoudelijk zonde voort. Toen Eva, de eerste zondares, gevallen was, zei zij:«De slang heeft mij verleid»(Gen. 3, 13). Haar en Adams zonde hebben het verlies van de waardigheid van de mens tot gevolg, waaronder wij sindsdien lijden.

Daaruit volgt, dat men de vrijheid niet met de val van de mens kan verbinden, als zou zij daarin haar oorzaak hebben. In tegendeel: het vasthouden aan de waarheid en de liefde tot God zijn de basisprincipes van de èchte godsdienstvrijheid. Men kan deze derhalve definiëren als de vrijheid God de eer te brengen die Hem toekomt en naar zijn geboden te leven.

Als u mijn bewijsvoering hebt gevolgd, dan kan de godsdienstvrijheid niet gelden voor de valse godsdiensten: zij duldt geen deling. De Kerk verkondigt, dat de dwaling in de burgermaatschappij geen rechten heeft; slechts het recht van de burger de godsdienst van Christus uit te oefenen mag door de staat worden erkend.

Zeker, voor degene die het geloof niet heeft, lijkt dat een ongehoorde aanmatiging. Maar de katholiek, die nog niet door de tijdgeest is aangestoken, vindt dat normaal en legitiem. Helaas hebben veel christenen deze feiten uit het oog verloren. Men heeft zo vaak herhaald, dat men de ideeën van anderen moet respecteren, zich in hun toestand moet verplaatsen, hun standpunten accepteren moet; men heeft zo dikwijls deze onzin verbreidt:«Ieder zijn waarheid», men heeft zo vaak de dialoog voor de kardinale deugd zonder meer uitgegeven, de dialoog, die onvermijdelijk tot concessies leidt! Ja, de christen heeft, uit misplaatste naastenliefde, gemeend zijn gesprekspartners in tegemoetkomendheid nog te moeten overtreffen, en is daarbij vaak alleen gebleven. Hij offert niet meer, zoals de martelaren, zichzelf voor de waarheid, maar hij offert de waarheid.

Anderzijds heeft de toename van laïcistische staten in het christelijke Europa de mensen aan het laïcisme gewend en hen ertoe gebracht zich ook dààr aan te passen waar dit de leer van de Kerk tegenspreekt. De leer laat zich niet aanpassen, zij is onveranderlijk, eens voor altijd gedefinieerd.

Aan de centrale voorbereidingscommissie van het concilie waren twee schemata voorgelegd; één van kardinaal Bea met de titel:«Over de godsdienstvrijheid», het andere van kardinaal Ottaviani met de titel:«Over de godsdienstige tolerantie». Het eerste omvatte veertien bladzijden, zonder de minste referentie aan vroegere beslissingen van het leergezag. Het tweede omvatte zeven bladzijden tekst en zestien bladzijden verwijzingen en bewijsplaatsen van Pius VI(1790) tot Johannes XXIII(1959).

Het schema van kardinaal Bea bevatte naar mijn mening, en naar die van een niet onbelangrijk aantal concilievaders, beweringen die niet met de waarheid van de eeuwige Kerk overeenstemden. Men kon daar bijvoorbeeld lezen:«Daarom is het feit toe te juichen, dat in onze dagen de vrijheid en de gelijkheid van de godsdiensten door talrijke naties en door de Internationale Organisatie voor de Rechten van de Mens worden geproclameerd».

Kardinaal Ottaviani behandelde zijnerzijds de kwestie zeer correct:«Evenzo als de wereldlijke macht zich gerechtigd acht de staatsburgers tegen de verleiding van de dwaling te beschermen….. kan zij ook uit zichzelf openbare uitingen van andere cultussen regelen en beperken en de staatsburgers beschermen tegen de verbreiding van valse leren, die naar het oordeel van de Kerk hun eeuwig heil in gevaar brengen».

Leo XIII zegt in Rerum Novarum(1), dat het doel van de burgerlijke maatschappij, het tijdelijke gemeenschappelijke welzijn, niet van een puur materiële orde is, maar «in eerste linie een zedelijk goed». De mensen hebben zich, met het oog op het welzijn van allen, als samenleving georganiseerd; hoe zou men het hoogste goed, het behalen van de hemelse gelukzaligheid, daarvan kunnen uitsluiten?

Er is nog een ander aspect waardoor de Kerk zich laat leiden wanneer zij de dwalende godsdiensten het burgerrecht ontzegt: de verbreiders van valse ideeën oefenen natuurlijk op de zwaksten, op de minst ontwikkelden, druk uit. Wie zal bestrijden dat de staat de plicht heeft de zwakken te beschermen? Dat is zijn voornaamste opdracht, de reden waarom de mensen zich tot een maatschappij hebben georganiseerd. De staat verdedigt zijn onderdanen tegen vijanden van buiten, hij beschut hen in het dagelijkse leven tegen aanvallen van allerlei soort, tegen dieven, moordenaars, bedriegers, en met het oog op de zedelijkheid garanderen zelfs laïcistische staten een bescherming en verbieden bijvoorbeeld het ten toon hangen van pornografische tijdschriften – ofschoon zich in dit opzicht de situatie in Frankrijk in deze laatste jaren zeer heeft verslechterd en in landen als Denemarken bijzonder slecht is. Maar in ieder geval hebben de landen met een christelijke cultuur gedurende lange tijd deze zin voor hun plichten tegenover de meest kwetsbaren, in het bijzonder tegenover de kinderen, bewaard. Het volk is in dit opzicht gevoelig gebleven en verlangt, vertegenwoordigd door de verenigingen voor het gezin, van de staat, dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen. Ofschoon niemand gedwongen is naar radio-uitzendingen te luisteren, zal men toch die verbieden die de zonde al te duidelijk voorstellen, omdat kinderen vaak een draagbare radio hebben en derhalve niet beschermd zijn. De leer van de Kerk, die overmatig streng kan lijken, is dus begrijpelijk voor de gangbare manier van denken en het gezonde mensen verstand.

Het is heden gebruikelijk iedere vorm van dwang te verwerpen en te betreuren dat deze op bepaalde tijden in de geschiedenis is uitgeoefend. Zijne Heiligheid Johannes Paulus II heeft aan deze mode toegegeven en naar aanleiding van zijn reis naar Spanje de Inquisitie veroordeeld. Maar men houdt van de Iquisitie alleen de overdrijving vast en vergeet dat de Kerk met de oprichting van het H. Officie, waarvan de preciese titel luidt:«Sanctum Officium Inquisitionis», haar opdracht als verdedigster der zielen heeft vervuld en diegenen vervolgd heeft, die hebben geprobeerd het geloof te vervalsen, en die op deze wijze een heel volk met betrekking tot hun eeuwig heil in gevaar hebben gebracht. De Inquisitie is immers ook de ketters zelf te hulp gekomen, zoals men personen te hulp komt die zichzelf in het water storten om een einde aan hun leven te maken. Zou men de redders aanklagen omdat zij op deze ongelukkigen een onverdraaglijke dwang hebben uitgeoefend? Of, een andere vergelijking: ik geloof, dat geen enkele katholiek, zelfs als hij radeloos zou zijn, op het idee zou komen een regering het verwijt te maken drugs te verbieden, omdat zij daarmee dwang uitoefent op de verslaafden.

Men kan begrijpen, dat een vader zijn kinderen het geloof voorschrijft. In de Handelingen der Apostelen ontvangt de honderdman Cornelius, door de genade aangeraakt, het doopsel «met heel zijn gezin». Evenzo heeft Clovis zich met zijn soldaten laten dopen.

De zegeningen die de katholieke godsdienst met zich meebrengt, tonen aan hoe bedrieglijk de vooringenomenheid van de naconciliaire geestelijken is, die menen zich te moeten onthouden van iedere dwang, ja zelfs van elke beïnvloeding van de “niet-gelovigen”. In Afrika, waar ik het grootste deel van mijn leven heb doorgebracht, bestreed de missie de gesels van de polygamie, de homoseksualiteit, de minachting van de vrouw, die tot slavin of tot een ding wordt, zo gauw de christelijke cultuur verdwijnt. Men weet immers hoe vernederend de positie van de vrouw, ook in de islamitische samenleving, is. Aan het recht van de waarheid zich te laten gelden en in de plaats van de valse godsdiensten te treden, valt niet te twijfelen. Nochtans staat de Kerk in de praktijk geen blinde stijfhoofdigheid voor met betrekking tot de openbare cultus van deze godsdiensten. Zij heeft altijd openlijk tot uitdrukking gebracht dat deze cultus door het openbaar gezag kan worden geduld om een groter kwaad te vermijden. Derhalve heeft kardinaal Ottaviani de voorkeur gegeven aan de benaming «religieuze tolerantie».

Als wij ons verplaatsen in de situatie van een katholieke staat, waarin de godsdienst van Christus openlijk is erkend, vermijdt deze tolerantie onlusten, die door de algemeenheid schadelijk zouden zijn. In een laïcistische maatschappij, die zich tot neutraliteit bekent, zou de wet van de Kerk natuurlijk niet worden nagevolgd. «Waartoe die dan in stand gehouden?», zult u zeggen.

Vóór alles daarom, omdat het niet om een menselijke wet gaat, die men kan opheffen of veranderen. Verder heeft het opgeven van de grondslagen van de Kerk zwaarwichtige gevolgen; verscheidene daarvan hebben wij al geconstateerd:

De verdragen tussen het Vaticaan en enkele naties, die voor de katholieke godsdienst een zeer terechte voorkeurspositie hadden ingeruimd werden herzien. Dat is het geval in Spanje en sinds kort ook in Italië, waar het godsdienstonderricht op scholen niet meer verplicht is. Hoe ver zal men nog gaan? Hebben de nieuwe wetgevers van de menselijke natuur eraan gedacht, dat ook de paus een staatshoofd is? Zal men hem ertoe brengen het Vaticaan te laïciseren om daar de oprichting toe te staan van een tempel of een moskee?

Ook de afschaffing van katholieke staten hoort hierbij. De wereld van vandaag kent protestantse staten, een anglicaanse staat, islamitische staten, marxistische staten, maar men wil niet meer, dat de katholieke staten bestaan! De katholieken moeten ook niet meer het recht hebben naar iets dergelijks toe te werken. Zij moeten verplicht zijn het godsdienstig indifferentisme van de staat in stand te houden!

Pius IX heeft dat «waanzin» genoemd, en «vrijheid tot de ondergang». Leo XIII heeft het godsdienstig indifferentisme van de staat veroordeeld. Is datgene wat toen juist was, dan niet meer waar?

Men kan niet voor de vrijheid van alle godsdienstige gemeenschappen in de menselijke samenleving instaan, zonder deze gemeenschappen tegelijk ook de morele vrijheid toe te kennen.

De Islam staat polygamie toe, de protestanten hebben, al naar gelang hun denominaties een meer of minder slappe instelling met betrekking tot de onontbindbaarheid van het huwelijk en de zwangerschapspreventie… Het criterium van goed en kwaad verdwijnt. In Europa is vruchtafdrijving alleen nog in het katholieke Ierland wettelijk verboden. Het is onmogelijk, dat de Kerk Gods deze excessen op een bepaalde wijze dekt, doordat zij het voor de godsdienstvrijheid opneemt.

Nog een andere consequentie: de vrije scholen. De staat wil niet meer dulden, dat er katholieke scholen bestaan en dat zij in de sector van het privé-onderwijs over het leeuwendeel beschikken. Zij worden, zoals men onlangs heeft gezien, op hetzelfde niveau gesteld als de door sekten gestichte scholen, en men zegt:«Als wij jullie toelaten, moeten wij ook Moon en andere gemeenschappen van deze aard toelaten, die toch zo’n slechte roep hebben». En de Kerk heeft daartegen geen argumenten meer! De socialistische regering heeft met de Verklaring over de Godsdienstvrijheid zeer handig zijn voordeel gedaan. Naar hetzelfde principe plande men, katholieke scholen te fuseren met andere scholen, onder voorwaarde dat deze het natuurrecht in acht namen! Of men stelde ze open voor kinderen van alle godsdiensten en beroemde zich er op op menige school zelfs meer kleine moslims te hebben dan kleine christenen.

Zo riskeert de Kerk, als zij in de burgerlijke maatschappij een status naar gemeenrecht voor zichzelf accepteert, tot een sekte onder andere te worden. Zij begeeft zich in gevaar onder te gaan, omdat het duidelijk is, dat de waarheid haar rechten niet aan de dwaling kan afstaan, zonder zichzelf te verloochenen.

De vrije scholen hebben in Frankrijk voor hun meetings een hymne, die weliswaar heel mooi is, waarvan de woorden echter de verfoeilijke geest verraden waarmee deze scholen zijn geïnfecteerd:«Vrijheid, jij bent de enige waarheid». De vrijheid, als absoluut goed beschouwd, is een waan. Op het religieuze toegepast, leidt zij tot een relativisme van de leer en tot praktisch indifferentisme. De radeloze katholieken moeten zich houden aan het woord van Christus, dat ik reeds geciteerd heb:«De waarheid zal u bevrijden».

0x01 graphic

Aantekening bij Hoofdstuk XI:

  1. Encycliek van 15 mei 1891 over het arbeidersvraagstuk.

12. Kameraden en Broeders

Hoofdstuk XII

Laten wij samenvatten: het gezonde christelijke gevoelen wordt door de nieuwe godsdienst bij iedere gelegenheid gekwetst. De katholiek is aan een algemene ontheiliging blootgesteld. Men heeft alles voor hem veranderd, alles gelijk gemaakt. Men maakt hem duidelijk, dat alle godsdiensten het heil brengen. De Kerk heet zonder onderscheid alle afgescheiden christenen welkom, ja, überhaupt alle gelovigen, of ze zich nou voor Boeddha of voor Krishna buigen. Men verklaart dat geestelijken en leken gelijkgerechtigde leden van het «Volk Gods» zijn, zodat leken, die voor bijzondere functies bestemd zijn, opdrachten van de geestelijken overnemen(men ziet leken die alleen uitvaarten leiden en zieken het viaticum brengen), terwijl geestelijken de taken van leken overnemen, zich als leken kleden, in de fabriek gaan werken, lid worden van vakbonden en politiek bedrijven. Het nieuwe kerkelijke recht versterkt deze opvatting nog. Het verleent de gelovigen totaal nieuwe voorrechten, doordat het het verschil tussen hen en de priesters verkleint en vernieuwingen invoert, die het als «rechten» omschrijft: lekentheologen kunnen aan katholieke universiteiten leerstoelen in de theologie verkrijgen, leken nemen deel aan de eredienst door verrichtingen die voorbehouden waren aan de dragers van zekere lagere wijdingen, en aan het beheer van bepaalde sacramenten: zij reiken de H. Communie uit en zorgen samen met de priester voor het verloop van de huwelijksceremoniën.

Men leest verder, dat de Kerk Gods in de katholieke Kerk «voorhanden» (1) is. Een verdachte formulering, want de leer van alle tijden zegt: de Kerk Gods «is» de katholieke Kerk. Wanneer men deze nieuwste formulering laat gelden, zou het erop lijken dat de protestantse en orthodoxe gemeenschappen eveneens tot de Kerk Gods behoren, wat fout is, omdat zij zich van de enige door Jezus Christus gestichte Kerk hebben afgescheiden: Credo in UNAM sanctam Ecclesiam(Ik geloof in één heilige Kerk).

Het nieuwe canonieke recht werd overhaast en verward opgesteld. Het bewijs daarvoor is, dat het, gepromulgeerd in januari 1983, reeds in november van hetzelfde jaar 114 wijzigingen ondergaan had. Ook dat brengt de christen, die gewend was zich op de kerkelijke wetgeving te kunnen beroepen als op iets vaststaands, van zijn stuk.

Als de christen als huisvader er voor wil zorgen zijn kinderen goed op te voeden, of hij nu zelf ijverig practiseert of van de sacramenten verre blijft, zullen hem teleurstellingen wachten. Veel katholieke scholen hebben de co-educatie ingevoerd, men bedrijft daar seksuele voorlichting, het godsdienstonderwijs houdt in de hogere klassen op, niet zelden zijn de leraren socialistisch, als ze al niet communistisch zijn ingesteld. Bij een affaire die in het westen van Frankrijk groot opzien baarde verdedigde zich een van deze opvoeders, wiens verwijdering door de ouders was bereikt, maar later door de leiding van het bisdom weer was aangesteld, als volgt:«Zes maanden nadat ik naar Notre Dame was teruggekeerd, wilde een verwant van een van de scholieren mij verwijderen, eenvoudig omdat ik mij aan het begin van het jaar onder alle aspecten had voorgesteld: politiek(links), sociaal, godsdienstig… Volgens zijn mening was het onduldbaar, als socialist leraar filosofie op een privé-school te zijn».

Een ander geval, dat zich in noord Frankrijk afgespeeld heeft: op een school werd door de diocesane leiding een nieuwe directeur benoemd; na enige tijd bemerkten de ouders, dat hij in een linkse vakbond werkt, dat hij een tot de lekenstand teruggebrachte en getrouwde priester is en dat zijn kinderen blijkbaar niet gedoopt zijn. Met Kerstmis organiseerde hij een feest voor scholieren en ouders, waaraan de “Secours Populaire”(de Volkshulp) deelnam, die, zoals bekend is, een communistische organisatie is. Daar vragen de katholieken van goeden wille zich toch af of het nog zin heeft er moeite voor te doen de kinderen op een privé-school onder te brengen.

In een instituut voor jonge meisjes, in het centrum van Parijs, verschijnt de godsdienstlerares op een ochtend met de aalmoezenier van de gevangenis van Fresnes(2), begeleidt door een jonge gedetineerde van achttien jaar. Zij verklaren de leerlingen dat de gevangenen zich heel eenzaam voelen, dat zij hartelijkheid, contact met de buitenwereld en correspondentie nodig hebben. Als er leerlingen zijn die correspondentievriendin willen worden kunnen zij hun naam en adres opgeven. Zij moeten er echter vooral niet met hun ouders over spreken, want die begrijpen zoiets niet; dit moet een aangelegenheid van de jeugd blijven.

Ergens anders is het een lerares die een berisping over zich afroept, ditmaal door een groep ouders, omdat zij haar leerlingen zinnen uit de catechismus en het Wees Gegroet geleerd heeft. Zij wordt door de bisschop ondersteund, wat immers volkomen normaal is, maar blijkbaar zo ongewoon, dat de brief in “La Famille Éducatrice”(3) (het gezin als opvoeder) als bijzondere gebeurtenis wordt weergegeven.

Hoe moet men daar de weg nog vinden? Toen de Franse regering besloten had een einde te maken aan de privé-school betoonde deze zich kwetsbaar, omdat zij in bijna alle gevallen hetzij op één, hetzij op verscheidene punten niet meer aan haar opdracht voldeed. Haar tegenstanders hadden vrij spel, omdat zij konden zeggen:«Wat presteren jullie in het onderwijs? Waarvoor heeft men jullie nodig? Wij doen hetzelfde; waarom twee soorten scholen?» Zeker vindt men nog geloofsreserves, en het is juist en billijk, de vele leraren met ere te gedenken, die zich van hun verantwoording bewust zijn. Maar het katholieke onderwijs toont zich tegenover de openbare school niet meer klaar en duidelijk als zodanig, doch heeft de grootste afstand van de weg, waarop de ijveraars voor het laïcisme het willen brengen, reeds afgelegd. Men heeft mij verteld, dat bij demonstraties voor de privé-school enkele groepen ergernis wekten met het lied:«Wij willen God op onze scholen». De organisatoren hadden de liederen, slogans en toespraken zoveel mogelijk geseculariseerd, om, zoals zij zeiden, niet die mensen voor het hoofd te stoten, die gekomen waren zonder bijzondere godsdienstige instelling en waaronder zich ook ongelovigen, ja, zelf socialisten bevonden.

Heet het politiek bedrijven, wanneer men het socialisme en het communisme uit onze scholen wil verwijderen? De katholiek was altijd van mening, dat de Kerk tegen deze leren was wegens het militante atheïsme waartoe deze zich openlijk bekennen. En daar heeft hij volkomen gelijk in, zowel met betrekking tot het principe alsook zijn toepassing: het atheïsme heeft een van de opvatting van de Kerk radicaal verschillend begrip van de zin van het leven, van de bestemming der volkeren en van de na te streven ontwikkeling van de maatschappij. Des te verbaasder is men, in “Le Monde” van 5 juni 1984 te lezen, dat aartsbisschop Lustiger(van Parijs) – die op vragen van dit dagblad overigens verscheidene zeer juiste gedachten uitte – het beklaagt, dat men zich in het parlement bij de stemming over de privé-school een historische kans heeft laten ontgaan. Deze kans zou, zoals hij verklaart, erin hebben bestaan, in overeenstemming met de “socialo-communisten”(4) een aantal voor de opvoeding van de kinderen aan de basis liggende waarden uit te werken.. Welke gemeenschappelijke fundamentele waarden kunnen er bestaan tussen de marxistische linkse – en de christelijke leer? Hier bestaan slechts tegenstellingen.

Maar de katholiek moet tot zijn verbazing zien, hoe de dialoog tussen de kerkelijke hiërarchie en de communisten zich intensiveert. Sovjet machthebbers en terroristen als Yasser Arafat worden in het Vaticaan ontvangen. Het concilie was hier toonaangevend, omdat het een vernieuwing van de veroordeling van het communisme afwees. Herinneren wij ons: 450 bisschoppen hebben een brief met een verzoek tot wijziging in deze zin ondertekend, omdat in de hun voorgelegde schemata geen spoor daarvan te vinden was. Zij baseerden zich daarbij op de voorgaande veroordelingen, en in het bijzonder op de verklaring van Pius XI, die het communisme als «in zijn wezen verdorven»(5) kwalificeerde en daarmee bekend maakte, dat er in deze ideologie niet zowel negatieve alsook positieve aspecten aanwezig zijn, maar dat men haar als geheel moet afwijzen. Men herinnert zich wat er toen is gebeurd: het wijzigingsverzoek is niet aan de concilievaders doorgegeven. Het secretariaat-generaal van het concilie verklaarde niet van dit verzoek in kennis te zijn gesteld. Later gaf de commissie toe dat zij het ontvangen zou hebben, maar te laat, wat niet juist was. Het was een schandaal, dat ermee eindigde, dat op bevel van de paus aan de constitutie Gaudium et Spes een daarop inspelende passage zonder bijzonder belang werd toegevoegd.

Hoevele verklaringen van bisschoppen zijn er niet, die de samenwerking met communisten, ongeacht het door dezen openlijk ten toon gespreide atheïsme, rechtvaardigen, als ze al niet zelfs daartoe aanmoedigen! «Het is niet mijn zaak», zei mgr. Matagrin(6), «het is de zaak van de christenen, die verantwoordelijke volwassenen zijn, om af te wegen, onder welke voorwaarden zij met de communisten kunnen samenwerken». Voor mgr. Delorme(7) moeten christenen «strijden voor meer gerechtigheid in de wereld, en wel gemeenschappelijk met al diegenen, die geestdriftig voor gerechtigheid en vrijheid zijn, de communisten inbegrepen». Gelijke geluiden hoort men van mgr. Poupard(8), die ertoe aanspoort «met alle mensen van goede wil op alle bouwplaatsen der gerechtigheid te werken, op welke onvermoeibaar een nieuwe wereld wordt opgebouwd». In een bisdomblad werd de grafrede voor een priester-arbeider zo geformuleerd:«Hij heeft bij de gemeenteraadsverkiezingen voor de wereld van de arbeiders partij gekozen. Hij kon geen priester voor allen zijn. Hij heeft gekozen voor hen, die de socialistische maatschappij hebben gekozen. Dat was hard voor hem. Hij heeft zich vijanden gemaakt, maar ook veel nieuwe vrienden verworven. Ons Paultje was een man die bij velen aanzien genoot». Een bisschop heeft kortgeleden zijn priesters afgeraden in hun parochies over het werk van “Kerk in Nood – Oostpriesterhulp” te spreken; hij zei:«Het komt mij voor, dat deze hulpverlening te ondubbelzinnig anticommunistisch is». Men constateert met ontsteltenis dat de uitvlucht voor dit soort samenwerking berust op de valse voorstelling, dat de communistische partij de invoering van gerechtigheid en vrijheid tot doel heeft. Wij zouden ons de woorden van Pius IX moeten herinneren:«Als de gelovigen zich om de tuin laten leiden door de voorvechters van de tegenwoordige kuiperijen, als zij toestaan, met hen voor de duivelse systemen van het socialisme en het communisme samen te zweren, dan moeten zij weten en ernstig bedenken: zij stapelen voor zichzelf en voor hun goddelijke Rechter bergen van vergelding voor de dag van toorn op; en voor nù zal er uit dit complot geen enkel tijdelijk voordeel voor het volk voortvloeien, maar een aanwassen van ellende en ongeluk»(9).

Om te erkennen hoe juist deze in 1849 – dus bijna 140 jaar geleden – uitgegane waarschuwingskreet was, volstaat het gade te slaan, wat er zich in alle landen onder communistisch juk afspeelt. De gebeurtenissen hebben de paus van de Syllabus gelijk gegeven, maar desondanks blijft het drogbeeld leven en wordt er zelfs nog sterker nadruk op gelegd. Zelfs in Polen, zo’n katholiek land, kenmerken de herders het katholieke geloof en het zieleheil niet meer als het belangrijkste, waarvoor men zich alle offers, het wegschenken van het leven daarbij inbegrepen, moet getroosten. Het belangrijkste vinden zij toch maar geen breuk met Moskou tevoorschijn te roepen. Maar juist dat maakt het Moskou mogelijk het Poolse volk in een nog omvangrijker slavernij te dringen zonder ernstige tegenstand te ontmoeten.

Pater Floridi(10) toont met alle duidelijkheid de zwakke plekken van de Vaticaanse “Ostpolitik”:

«Het is bekend, dat de door mgr. Casaroli gewijde Tsjecho-Slowaakse bisschoppen evenzo collaborateurs van het regime zijn als de van het Moskouse Patriarchaat afhankelijke bisschoppen… Paulus VI was verheugd in ieder Hongaars diocees een bisschop in te kunnen zetten, en eerde Janos Kadar, de eerste secretaris van de Hongaarse communistische partij, als de belangrijkste en meest toonaangevende bevorderaar van de normalisering van de betrekkingen tussen de H. Stoel en Hongarije. Maar de paus noemde niet de hoge prijs voor deze normalisering: de bezetting van de belangrijkste posten door «Vredespriesters»… Inderdaad waren de katholieken hoogst ontsteld, toen zij de opvolger van kardinaal Midszenty, Lásló kardinaal Lékai, hoorden beloven dat hij «de dialoog tussen katholieken en marxisten zou intensiveren». Toen Pius XI over de in diens wezen besloten liggende verdorvenheid van het communisme sprak, voegde hij er aan toe:«En men kan voor iemand, die de christelijke cultuur redden wil, de samenwerking met het communisme op geen enkel gebied toelaten»(11).

Deze breuk in het leergezag van de Kerk, die nog bij de tot nu toe opgesomde komt, dwingt ons open te zeggen, dat het Vaticaan door modernisten en mensen van deze wereld bezet is, die geloven, dat menselijke en diplomatieke listigheid voor het heil van de wereld werkzamer is dan de door de goddelijke Stichter van de Kerk ingestelde middelen.

Ik heb kardinaal Mindszenty genoemd. Juist zoals hij worden alle helden en martelaren in de strijd tegen het communisme, in het bijzonder de kardinalen Beran, Stepinac, Wyszinsky en Slipyi door de tegenwoordige Vaticaanse diplomatie als hinderlijke getuigen beschouwd, en, laten we het maar openlijk zeggen, als stille verwijten voor zover het de eerstgenoemden, reeds in de vrede des Heren ontslapenen betreft, terwijl men gelijktijdig de verheven stem van mgr. Slipyi verstikt.

Dezelfde toenadering bestaat tot de vrijmetselaars, ondanks de ondubbelzinnige verklaring van de H. Congregatie voor de Geloofsleer van 17 februari 1981(12), die in april 1980 werd voorafgegaan door een verklaring van de Duitse bisschoppenconferentie. Maar het nieuwe canonieke recht maakt er geen gewag van en stelt nadrukkelijk geen sancties vast. Voordien hebben de katholieken al ervaren, dat de vrijmetselaars van B’nai Brith in het Vaticaan werden ontvangen en dat onlangs de aartsbisschop van Parijs de grootmeester van een loge voor een onderhoud had ontvangen, terwijl tegelijk bepaalde geestelijken onophoudelijk de synagoge van Satan met de Kerk van Christus willen verzoenen. Men stelt hier, alsook elders, de christene gerust met de woorden:«De veroordeling van de sekten was misschien gisteren gegrond, maar de vrijmetselaars zijn niet meer wat ze waren». Maar laten wij hen eens gadeslaan terwijl zij aan het werk zijn. Het schandaal van de loge P-2(Propaganda Due) in Italië ligt allen nog vers in het geheugen. In Frankrijk bestaat er geen twijfel aan, dat de laïcistische wet tegen de privé-scholen op de eerste plaats het werk is van de loge van de Grand Orient(het Groot-Oosten), die verveelvoudigde druk op de presidenten van de republiek en hun leden in de regering, en in de staven van de ministeries uitoefende, opdat eindelijk het «grote eenheidssysteem van het nationale onderwijs» verwerkelijkt zou worden. Zij zijn ditmaal zelfs in alle openheid te werk gegaan. Kranten als “Le Monde” berichtten regelmatig over de door hen ondernomen stappen. Hun plan en hun strategie werden in hun tijdschriften gepubliceerd.

Moet ik daar nog aan toevoegen dat de vrijmetselarij nog altijd datgene is wat ze was? De oud-grootmeester van de Grand Orient, Jacques Mitterand, die via de radio heeft toegegeven:«Wij hebben altijd bisschoppen en priesters in onze loges gehad», legde de volgende geloofsbelijdenis af:«Als het de zonde van Lucifer is, de mens in plaats van God op het altaar te plaatsen, dan begaan sinds de Renaissance alle humanisten deze zonde». Dat was een van de tegen de vrijmetselaars in het midden gebrachte verwijten, toen ze door paus Clemens XII in 1738 voor de eerste maal werden geëxcommuniceerd(13); in 1982 zei de grootmeester Georges Marcou niets anders:«Het probleem van de mens heeft voorrang». Zijn belangrijkste zorg, toen hij werd herkozen, was de betaling van de kosten van abortus door de sociale verzekering, omdat «de economische gelijkstelling van de vrouw alleen via deze maatregel wordt bereikt».

De vrijmetselaars zijn in de Kerk binnengedrongen. In 1976 vernam men, dat degene die de ziel van de liturgiehervorming was geweest, mgr. Bugnini, vrijmetselaar was. Men kan uit deze onthulling concluderen, dat hij niet de enige was. De sluier over de grootste misleiding, waarvan priesters en leken slachtoffer waren, begon te scheuren. Men ziet met het verstrijken van de tijd duidelijker; maar dat doen ook de eeuwenoude vijanden van de Kerk. «Er is in de Kerk iets veranderd», schrijft Jacques Mitterand; «de door de paus geformuleerde antwoorden op de meest brandende kwesties, zoals het celibaat van de priesters of de geboortenregeling worden binnen de Kerk zelf hartstochtelijk bestreden. Het woord van de paus wordt door bepaalde bisschoppen, priesters en gelovigen ter discussie gesteld. Voor een vrijmetselaar ìs een mens die het dogma ter discussie stelt reeds een vrijmetselaar, zij het officieus».

Een andere vrijmetselaar, Ives Marsaudon, van de Schotse ritus, spreekt over de in de loop van het concilie bedreven oecumenisme op de volgende wijze:«De katholieken, in het bijzonder de conservatieve, zullen echter niet mogen vergeten, dat alle wegen tot God voeren, en zij zullen zich staande moeten houden temidden van deze moedige opvatting van de vrijheid der gedachten, die – men kan hier werkelijk over een revolutie spreken – uit onze vrijmetselaarsloges is voortgekomen en zich zo heerlijk over de koepel van de Sint Pieter heeft uitgestrekt».

Ik wil nog een tekst citeren, die geëigend is om deze kwestie te verhelderen en aantoont, wie bij deze door abbé Six(14) en pater Riquet(15) voorgestane toenadering overwinnaar over de ander hoopt te zijn. Het fragment stamt uit het november-decembernummer van 1968 van het vrijmetselaarstijdschrift ‘Humanisme’: «Onder de belangrijkste pijlers, die het gemakkelijkst zouden kunnen instorten, noemen wij:

  • het met onfeilbaarheid uitgeruste leergezag, dat honderd jaar geleden naar de mening van het Eerste Vaticaans Concilie, door dit concilie zelf, voor altijd werd gevestigd, dat echter nu, naar aanleiding van het verschijnen van de encycliek ‘Humanæ Vitæ’ blootgesteld was aan de stormaanvallen van de verenigde tegenstanders;
  • de werkelijke tegenwoordigheid in de Eucharistie, welke de Kerk de middeleeuwse massa had kunnen opdringen en die met het voortschrijden van intercommunie en concelebratie van katholieke priesters en protestantse pastores zal verdwijnen;
  • het sacrale karakter van de priester, dat afgeleid werd uit het sacrament van de priesterwijding, en dat zal wijken voor het karakter van de priester die voor een bepaalde tijd wordt gekozen;
  • het verschil tussen de leiders van de Kerk en de lagere clerus, omdat voortaan de beweging, zoals in iedere democratie, van de basis uit naar de top zal gaan;
  • de steeds toenemende vermindering van het ontologisch en metafysisch karakter van de sacramenten, en, heel zeker
  • het einde van de biecht, omdat de zonde in onze beschaving tot een van de allerminst met deze tijd in overeenstemming te brengen begrippen is geworden, die de strenge filosofen van de middeleeuwen, die zelf erfgenamen waren van het bijbels pessimisme, ons hebben nagelaten».

Men ziet, dat de vrijmetselaars buitengewoon in de toekomst van de Kerk geïnteresseerd zijn, echter om haar te verslinden. De katholieken moeten dat weten, ondanks het gezang der Sirenen, die hen willen doen inslapen. Al deze verwoestende krachten zijn nauw met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk. De vrijmetselarij wordt gedefinieerd als de filosofie van het liberalisme, waarvan de scherpste vorm het socialisme is. Het geheel kan men gerust samenvatten als datgene, wat Onze Heer «de poorten der hel» heeft genoemd.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XII

  1. Latijn:”subsistit”. Over dit sedert het concilie fel omstreden «verdachte» woord heeft de H. Congr. v.d. Geloofsleer in de ‘Notificazione sul volume della Chiesa’ van 11-3-1985 n.a.v. de behandeling van de «bevrijdingstheologie»(p. Leonardo Boff) ten gunste van de uitleg in de zin der traditie beslist.
  2. In Fresnes, bij Parijs, staat de grootste strafinrichting van Parijs.
  3. Tijdschrift van de “Association des parents d’élèves de l’enseignement libre – A.P.E.L.”: oudervereniging van leerlingen van privé-scholen.
  4. In 1981 met de socialistische regering van Pierre Maurois in Frankrijk aan de macht gekomen coalitie en regeringsfractie van socialisten en communisten.
  5. Encycliek ‘Divina Redemptoris’ van Pius XI tegen het communisme.
  6. Mgr. Gabriel Matagrin, bisschop van Grenoble.
  7. Mgr. Maurice Delorme, hulpbisschop van Lyon.
  8. Paul kardinaal Poupard was rector van het Institut Catholique te Parijs en is nu president van het secretariaat voor de niet-gelovigen.
  9. Toespraak ‘Quibus Quantisque Malorum’, tot het consistorie van 20 april 1849 te Gaeta.
  10. Pater Ulisse Alessio Floridi, Mosca e il Vaticano, 1977; Moscou et le Vatican, les dissidents sovietiques face en dialogue, vertaling van Y. Yoba, Edition France-Empire, Parijs 1979.
  11. Zie aant. 5.
  12. En hun verklaring van 26 nov. 1983 met dezelfde inhoud.
  13. De bul ‘In Eminenti’ van 28 april 1738.
  14. Pater Jean François Six S.J., bekend theoloog en hagiograaf.
  15. Pater Michel Riquet S.J., bekend redenaar van de Notre Dame in Parijs en publicist; onderhandelde met bisschoppelijke machtiging met de vrijmetselaarsloge.

13. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap

VRIJHEID van godsdienst

GELIJKHEID van de collega’s

BROEDERSCHAP der oecumene

Hoofdstuk XIII

Maar hoe komt het toch, dat de poorten der hel juist nu zo woest buiten zinnen geraakt zijn? De geschiedenis van de Kerk was altijd stormachtig door vervolgingen, ketterijen, conflicten met het wereldlijk gezag en op bepaalde tijden door het losbandige leven van een deel van de clerus, ja zelfs van bepaalde pausen. Ditmaal lijkt de crisis ingrijpender te zijn, want zij raakt het geloof zelf. Het modernisme, waarmee wij in botsing zijn, is geen ketterij als elke andere, maar het verzamelbekken van alle ketterijen. De vervolgingen komen niet slechts van buiten, maar ook van binnen het heiligdom. De aanstoot van een afgevallen of verdorven clerus dreigt tot  vaste regel te worden. De huurlingen, die de schapen aan de wolf uitleveren, worden aangemoedigd en met eer overladen.

Men verwijt mij menigmaal, dat ik de toestand te donker inzie, dat ik vanuit een of andere soort knorrige zelfgenoegzaamheid een misprijzende blik werp op een ontwikkeling, die in zijn geheel genomen volstrekt logisch en noodzakelijk is. Maar de paus zelf, die de ziel van het Tweede Vaticaans Concilie was, stelde meermaals de ontbinding vast waar ik met verdriet over spreek. Op 7 december 1969 zei Paulus VI:«De Kerk maakt een uur van onrust, van zelfkritiek, men zou zelfs kunnen zeggen van zelfvernietiging door, Het is een soort innerlijke revolutie, hevig en complex, als zou de Kerk er op zichzelf op los slaan».

Het jaar daarna gaf hij toe: «Op talrijke gebieden heeft het concilie ons tot nu toe geen innerlijke rust gebracht, maar eerder onrust en problemen veroorzaakt, die voor de versterking van het Rijk Gods in de Kerk en in de zielen niet bevorderlijk zijn». Toen kwam de alarmkreet van 29 juni 1972, op het feest van de H.H. Petrus en Paulus:«De rook van Satan is door een of andere scheur in de tempel Gods binnengedrongen: twijfel, onzekerheid, alles ter discussie stellen, onrust, ontevredenheid, confrontaties hebben een grote plaats ingenomen… Twijfel is in ons geweten binnengedrongen».

Wat is dat voor een scheur? Wij kunnen met zekerheid het tijdstip van zijn ontstaan aangeven: het jaar 1789, en het een naam geven: de Revolutie. De maçonnieke en anti-katholieke principes van de Franse Revolutie hebben twee eeuwen nodig gehad om in de geestelijke en gemijterde hoofden door te dringen. Vandaag is dat bereikt, zo ziet de werkelijkheid eruit; en dat is de oorzaak, waarom u, verontruste katholieken, radeloos bent. De feiten moesten ons voor ogen staan, opdat wij ze konden geloven, want wij hadden een dergelijke vermetelheid a priori voor onmogelijk gehouden, voor onverenigbaar met de natuur van de Kerk, die immers door de Geest Gods wordt bijgestaan.

In een beroemde tekst, geschreven in 1877, laat mgr. Gaume(1) de Revolutie zichzelf definiëren:«Ik ben niet datgene wat men gelooft dat ik ben. Velen spreken over mij, zeer weinige kennen mij. Ik ben niet het Carbonarisme(2), niet het oproer, noch ben ik de omwenteling van monarchie naar republiek, noch de vervanging van één dynastie door een andere, noch de voorbijgaande verstoring van de openbare orde. Ik ben niet het gehuil der Jacobieten, niet de razernij van de Montagnards(3), niet de strijd op de barricaden, niet het plunderen, niet het brandschatten, niet de massa-verdrinkingen(4). Ik ben Marat noch Robespierre, Babeuf noch Mazzini noch Kossuth. Deze mannen zijn niet ikzelf… Al deze dingen zijn mijn werken, zij zijn niet ikzelf. Deze mannen en deze gebeurtenissen zijn vergankelijk, maar ik ben duurzaam… Ik ben de haat tegen iedere ordening, die niet door de mens is gevestigd, waarin hij niet koning en God tegelijk is».

Hier heeft men de sleutel voor de wil tot “verandering” in de Kerk. Het gaat er hier om, een goddelijke instelling te vervangen door een door mensen gemaakte. De mens verdringt God. Hij overweldigt alles; alles begint en eindigt met hem, voor hem werpt men zich ter aarde.

Paulus VI definieerde deze omwenteling in zijn slotrede van het concilie op de volgende wijze:«Het laïcistische en profane humanisme is nu in zijn verschrikkelijke gestalte verschenen en heeft in zekere zin het concilie het hoofd geboden. De religie van de God die mens is geworden, zag zich geconfronteerd met de religie van de mens(want dat is zij), van de mens die zichzelf tot God heeft gemaakt». Hij voegde er meteen aan toe, dat het ondanks deze verschrikkelijke uitdaging, niet tot een anathema gekomen zou zijn. Helaas! Doordat het concilie een «grenzeloze sympathie voor de mens» aan de dag legde, heeft het zijn plicht verzaakt er met standvastigheid aan te herinneren, dat tussen deze twee houdingen geen compromis mogelijk is; ja, de toespraak bij de sluiting van het concilie leek zelfs het startsein te geven voor datgene wat wij heden iedere dag verwezenlijkt zien:«U, moderne humanisten, die met het geloof in de transcendentie van de hoogste dingen hebt gebroken, kent het concilie tenminste deze verdienste toe, en weet ons nieuwe humanisme te waarderen! Ook wij, ja, wij meer dan ieder ander, hebben de cultus van de mens!»

En daarna hoorden wij uit dezelfde mond zinnen, die dit thema verder hebben ontwikkeld:«De mensen zijn fundamenteel goed, op de rede ingesteld, op de orde en het algemeen welzijn»(Boodschap bij de Dag van de Vrede, 14 november 1970). «Het Christendom en de democratie hebben een basisprincipe gemeenschappelijk: het respect voor de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon… de integrale vooruitgang van de mens»(Manilla, 20 november 1970). Is deze parallel niet verpletterend, daar toch de democratie, dit specifiek laïcistische systeem, de waarde van de mens als vrijgekocht kind van God, het enige aspect dat hem zijn waardigheid verleent, niet ter kennis neemt? De lotsverbetering van de mens is vanuit de visie van een christen in ieder geval niet hetzelfde als vanuit het zicht van een ongelovige.

De pauselijke boodschap werd telkens wereldser. In Sydney hoorden wij op 3 december 1970 tot onze verrassing de volgende bewering:«Isolatie is niet meer veroorloofd: het uur der grote solidariteit van de mensen onder elkaar, om een verenigde en broederlijke wereldgemeenschap te vestigen, is aangebroken». Vrede tussen alle mensen, zeker, maar de katholieken erkenden de woorden van Christus niet meer:«Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u»(Joh. 14, 27). De band, die de aarde met de hemel had verbonden, scheen afgescheurd te zijn. «Wij bevinden ons toch in de democratie! Dat wil zeggen, dat het volk beveelt, dat de macht van het aantal uitgaat, van het volk, zoals het is»(Paulus VI op 1 januari 1970). Jezus echter had tegen Pilatus gezegd:«Ge zoudt niet de minste macht over Mij hebben, zo ze u niet van hogerhand was gegeven»(Joh. 19, 11). Alle macht komt van God en niet van het aantal, zelfs als de keuze van het hoofd door een kiessysteem plaatsvindt. Pilatus was de representant van een heidense natie; nochtans vermocht hij niets zonder toelating van de Vader in de hemel.

En zo dringt de democratie in de Kerk binnen. Het nieuwe canonieke recht toont, dat de macht bij het “Volk Gods” ligt. Deze tendens, de zgn. basis aan de machtsuitoefening te laten deelnemen, treft men in alle nieuw ingevoerde instellingen aan: in synodes, bisschoppenconferentie, priesterraden of raden voor de zielzorg, Romeinse commissies, nationale commissies; overeenkomstige instellingen zijn er ook binnen de kloosterorden.

En de democratisering van het leergezag! Zij is een dodelijk gevaar voor miljoenen hulpeloze en vergiftigde zielen, die de artsen niet meer te hulp komen, omdat zij de werkzaamheid heeft vernietigd, waarmee voorheen het persoonlijke leergezag van paus en bisschoppen was uitgerust. Rijst er vandaag een geloof of zeden betreffende vraag, dan wordt zij aan een veelvoud van theologische commissies voorgelegd, die nooit tot een uitspraak komen, omdat hun leden van mening en methodes verschillen. Men hoeft slechts de notulen van vergaderingen van alle niveaux te lezen om in te zien dat de collegialiteit van het leergezag een verlamming van het leergezag evenaart.

Onze Heer heeft geen collectief, maar bepaalde personen de opdracht gegeven zijn kudde te weiden; de apostelen gehoorzaamden de bevelen van de Meester, en zo was het tot in de twintigste eeuw. Men moest tot onze tijd gaan om over een Kerk te horen spreken die zich in een permanente concilietoestand zou bevinden, over een Kerk in voortdurende staat van collegialiteit. De resultaten lieten niet lang op zich wachten: alles loopt in het honderd, de gelovigen weten zich geen raad meer.

Op de democratisering van het leergezag volgt heel natuurlijk de democratisering van het bestuur, gedragen door het beroemde trefwoord “collegialiteit”, dat door de communistische, protestantse en progressieve pers in alle windrichtingen werd verbreid.

Men heeft de regering van de paus en die van de bisschoppen met behulp van een priesterraad ambtsbroederlijk gemaakt, het bestuur van de pastoor met behulp van een uit leken bestaande parochieraad, en alles is in talloze commissies, raden, werkgroepen enz. ondergebracht. Het nieuwe kerkelijke wetboek is helemaal van dit begrip doordrongen. De paus wordt hier op de eerste plaats als hoofd van het bisschoppencollege gedefinieerd. Men herkent daarin de leer die reeds in de conciliaire constitutie ‘Lumen Gentium’ werd gesuggereerd, volgens welke het bisschoppencollege, in vereniging met de paus, net als hij de hoogste macht in de Kerk bezit, en wel in de regel en permanent.

Dat is geen ongevaarlijke verandering. Deze leer van de dubbele opperste macht spreekt de leer van de praktische uitoefening van het leergezag van de Kerk tegen. Zij is tegengesteld aan  de definities van het Eerste Vaticaans Concilie en de encycliek ‘Satis Cognitum’ van paus Leo XIII(5). De paus alleen heeft de opperste macht; hij delegeert die slechts voor zover hij dat voor gepast houdt, en alleen onder buitengewone omstandigheden. Alleen de paus heeft een jurisdictie die zich over de hele wereld uitstrekt.

Wij beleven dus een beperking van de vrijheid van de paus, en precies dàt is revolutie! De feiten tonen aan, dat wij hier niet te maken hebben met een verandering zonder praktische gevolgen. Johannes Paulus II is de eerste paus, die door deze hervorming werkelijk werd getroffen. In verscheidene concrete gevallen maakte hij onder druk van een bisschoppenconferentie een beslissing ongedaan. De Nederlandse Catechismus verkreeg tenslotte toch het “Imprimatur” van de bisschop van Milaan, zonder dat de door de commissie van kardinalen geëiste veranderingen waren aangebracht. Hetzelfde is gebeurd met de Canadese Catechismus, in verband waarmee ik in Rome een toonaangevende stem hoorde zeggen:«Wat kunt u tegen een bisschoppenconferentie ondernemen?»

De door de bisschoppenconferenties gewonnen onafhankelijkheid kwam ook in Frankrijk naar voren naar aanleiding van de catechismussen. De nieuwe handboeken spreken op bijna alle punten de apostolische exhortatie ‘Catechesi Tradendæ'(6) tegen. Het ad limina bezoek van de bisschoppen van het Ile de France(Parijs en omgeving) en 1982 had voor hen tot doel, door de paus een catechese te laten bekrachtigen, die klaarblijkelijk niet zijn goedkeuring had. De toespraak van Johannes Paulus II ter afsluiting van dit bezoek vertoont alle kenmerken van een compromis, waardoor de bisschoppen met opgeheven hoofd in hun land konden terugkeren en hun verderfelijke onderneming volhardend konden voortzetten. De conferenties van kardinaal Ratzinger in Parijs en Lyon tonen duidelijk dat Rome de bisschoppen van Frankrijk voor de invoering van een nieuwe pædagogiek en een nieuwe leer geen gelijk gegeven heeft, dat echter de H. Stoel zich ertoe moest beperken een soort druk uit te oefenen in de vorm van aanbevelingen en raadgeving, in plaats van de noodzakelijke bevelen te geven om de dingen weer op het goede spoor te zetten, en, zonodig, te veroordelen, zoals de pausen dat, als behoeders van het Depositum Fidei, altijd hebben gedaan.

En de bisschop wiens jurisdictie op zodanige wijze schijnbaar werd verruimd, is zijnerzijds slachtoffer van de collegialiteit, die hem bij het bestuur van zijn diocees verlamt. Hoeveel overwegingen – en zeer verhelderende! – hebben de bisschoppen niet reeds zelf over dit onderwerp gehouden. Theoretisch kan de bisschop in talrijke gevallen tegen een votum van de bisschoppenconferentie in handelen, menigmaal zelfs tegen een meerderheid, als het votum niet de goedkeuring van de H. Stoel behoeft. Maar in de praktijk blijkt dat onmogelijk te zijn. Onmiddellijk na afloop van de vergadering worden de besluiten door de secretaris gepubliceerd. Die zijn aan alle priesters en gelovigen bekend, en de media verspreiden de kernpunten daarvan. Welke bisschop zal zich feitelijk tegen deze besluiten kunnen verzetten, zonder daarmee te tonen dat hij een andere mening is toegedaan dan de vergadering, zonder zichzelf meteen geplaatst te zien tegenover enkele revolutionaire geesten, die, tegen hem, een beroep op de vergadering zouden doen?

De bisschop is de gevangene van de collegialiteit, die slechts een adviserende organisatie zou hebben mogen vormen, een organisatie van samenwerking, maar geen organisatie met beslissingsrecht. Zelfs in de eenvoudigste dingen is hij geen baas meer in eigen huis. Toen ik kort na het concilie onze huizen visiteerde, haalde de bisschop van een Braziliaans diocees mij heel voorkomend van het station af en zei mij:«Ik kan u niet in het bisschoppelijk paleis onderbrengen, maar ik heb in het klein seminarie een woning voor u in gereedheid laten brengen».

Hij leidde mij er persoonlijk heen. In het huis heerste grote onrust, overal, in de gangen, op de trappen, zag ik jonge jongens en meisjes. «Zijn die jonge knapen seminaristen?» vroeg ik.

«Helaas niet! Gelooft u mij alstublieft, dat ik het met de aanwezigheid van al deze jongelui in mijn seminarie niet eens ben. Maar de bisschoppenconferentie heeft besloten, dat wij van nu af aan in onze huizen bijeenkomsten van de Katholieke Actie moeten houden. De mensen die u hier ziet zijn voor acht dagen hier. Wat kan ik er aan doen? Ik kan het niet anders doen dan de anderen!»

De macht, die op grond van goddelijk recht verleend werd aan afzonderlijke personen, of het nu om de paus gaat of om bisschoppen, werd in beslag genomen ten gunste van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, wiens macht steeds sterker wordt.

Nu zal men mij zeggen:«De bisschoppenconferenties zijn er niet eerst sinds vandaag: Pius X heeft deze al aan het begin van de eeuw goedgekeurd». Dat is juist, maar deze heilige paus heeft ze een definitie gegeven, die ze rechtvaardigde:«Wij zijn ervan overtuigd, dat de bisschoppelijke vergaderingen van de grootste betekenis zijn voor de instandhouding en de ontplooiïng van het Rijk Gods in alle regionen en provincies. Wanneer de bisschoppen, behoeders van het heilige, op deze wijze hun inzichten bundelen, wordt het mogelijk, dat zij niet slechts de noden van hun diocesanen beter waarnemen en de voor hen meest geschikte middelen tot heil uitkiezen, maar ook dat zij de banden die hen tot nu toe reeds één maakten, strakker aanhalen».

Het ging hier dus niet om een instelling met een, als het ware, overheidskarakter, die als zodanig beslissingen neemt die voor hun leden verplichtend zijn. Ook een congres van geleerden stelt niet de manier vast, waarop in de afzonderlijke laboratoria het wetenschappelijk onderzoek plaats moet vinden.

De huidige bisschoppenconferentie lijkt op een parlement, waarvan het uivoerende orgaan de permanente raad van het Franse episcopaat is. De bisschop lijkt meer op een prefect, of, om de nu gangbare terminologie aan te wenden, een commissaris van de republiek, dan op een door de paus met het bestuur van een diocees belaste opvolger van de apostelen.

Tijdens deze vergaderingen wordt er gestemd. De stemmingen zijn zelfs zo talrijk, dat men in Lourdes een electronisch stemsysteem moest installeren. Dat heeft onverbiddelijk de vorming van partijen tot gevolg; het ene is niet van het andere te scheiden. En partij wil zeggen splijting. Wanner de regulaire regering bij haar gewone ambtsuitoefening gebonden is aan de, haar tot advies dienende, gehouden stemmingen, wordt zij machteloos. De gemeenschap is het kind van de rekening.

De invoering van de collegialiteit heeft tot een aanzienlijke verzwakking van haar uitwerking geleid, des te meer, omdat de H. Geest door een vergadering gemakkelijker belemmerd en geminacht kan worden dan door een persoon. Wanneer verscheidene personen verantwoordelijk zijn, handelen zij, spreken zij, ook als menigeen zwijgt. Bij de vergadering beslist het getal.

Maar het getal maakt de waarheid niet uit. Het getal maakt ook de uitwerking niet uit, zoals men na twintig jaren collegiaal systeem moet constateren, en zoals men dat ook zonder deze ervaring vooruit had kunnen zien. Reeds lang geleden sprak de sprookjesverteller over «zo menig kapittel, dat op zodanige wijze voor niets is samengekomen». Was het noodzakelijk om politieke regeringsvormen te imiteren, waarbij het verkiezingsresultaat de beslissing rechtvaardigt, omdat zij geen soeverein hoofd meer hebben? De Kerk heeft het onmetelijke voordeel, te weten wat zij moet doen om het Rijk Gods te verbreiden. Haar hoofden worden benoemd. Hoeveel tijd verliest men er toch mee gemeenschappelijke verklaringen uit te werken, die nooit bevredigend zijn, omdat men ook met deze of gene mening rekening moet houden. Hoeveel onophoudelijke reizen zijn er nodig om commissie-, subcommissie-, speciale – en  voorbereidende vergaderingen te kunnen bijwonen. Mgr. Etchegaray(7) zei te Lourdes bij de sluiting van de vergadering van 1978:«Mijn hoofd loopt om!»

Het gevolg daarvan is, dat het weerstandsvermogen van de Kerk tegen het communisme, de ketterij, de zedeloosheid, aanzienlijk is afgenomen. Precies dat wilden haar tegenstanders, en derhalve hebben zij op het concilie en ook na die tijd, zo veel ondernomen om de Kerk op de weg naar de democratie te dwingen.

Als men de dingen nauwkeurig observeert ziet men, dat de Franse Revolutie krachtens haar eigen devies in de Kerk Gods is binnengedrongen: de vrijheid is de hierboven beschreven godsdienstvrijheid, die de dwaling bestaansrecht toekent. De gelijkheid is de collegialiteit met haar vernietiging van de persoonlijke autoriteit, de autoriteit van God, van de paus en van de bisschoppen – de wet van het getal. En tenslotte de broederschap: dat is de oecumene.

Met deze drie woorden is de revolutionaire ideologie van 1789 “wet en profeten” feworden. De modernisten hebben hun doel bereikt.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XIII

  1. Mgr. Jean Joseph Gaume(1802-1879), professor in de dogmatiek en generaal vicaris te Nevers, later in Reims en Montauban, religieus auteur met een omvangrijk œuvre, schreef o.a. ‘La Révolution'(de Revolutie), 12 banden.
  2. Carbonari(houtskoolbranders): Geheim politiek genootschap, vooral bestaande uit lagere geestelijken en militairen, dat vooral in Italië in de 19de eeuw een grote rol speelde in de strijd tegen de Heilige Alliantie. Evenals de vrijmetselaars kenden zij een leertijd, inwijdingseed, strenge tucht en verborgenheid der leiders. In 1814 werden de Carbonari samen met de vrijmetselaars door de paus veroordeeld. Alle onlusten in Italië van 1815-1848, speciaal de revoluties van 1820 te Napels, Turijn en Milaan werden door Carbonari geleid. In Frankrijk kwamen van 1820-1830 ook Carbonari voor, die een aantal militaire opstanden uitlokten. Lit.:G. Bourgin, La formation de l’unité italienne(1929).
  3. “La montagne”(de berg) of “les montagnards”(de berglieden) werden de radicalen(Jacobieten) genoemd in de Franse Nationale Conventie(1792-1795) naar hun plaats, boven in de zittingszaal, in tegenstelling tot “vlakte” en “moeras”(plaine-marais) voor de beneden zittende gematigden. Deze benaming kwam in 1848 weer op als “Bergpartij”.
  4. Slachtoffers van de revolutie die massaal werden verdronken door ze aan boord van schepen te brengen, die men buiten de kust, op zee tot zinken bracht.
  5. Encycliek van 29-6-1896 over de eenheid van de Kerk enz.
  6. Apostolische exhortatie van Johannes Paulus II van 16-10-1979.
  7. Roger kardinaal Etchegaray  was aartsbisschop van Marseille en voorzitter van de Franse bisschoppenconferentie, en is thans voorzitter van de pauselijke commissie “Justitia et Pax” en van de pauselijke raad “Cor Unum”.

14. Vaticanum II: het 1789 van de Kerk

Hoofdstuk XIV

Als ik de crisis van de Kerk vergelijk met de Franse Revolutie, is dat geen eenvoudige metafoor. Wij zitten helemaal op één lijn met de achttiende eeuwse filosofen en de omverwerping die hun ideeën in de wereld hebben veroorzaakt. Zij, die dit gif in de Kerk hebben binnengebracht, geven het zelf toe. Zo riep kardinaal Suenens uit:«Vaticanum II (1) is het 1789 van de Kerk», en voegde er onder andere de onverbloemde verklaringen aan toe:«Men begrijpt niets van de Franse Revolutie, of van de Russische, als men het ‘Ancien Régime'(2), waar ze een eind aan gemaakt hebben, niet kent… Evenzo laat op kerkelijk gebied een reactie zich slechts met inachtneming van de voorafgegane stand van zaken juist beoordelen». Wat vooraf gegaan is en volgens hem moest worden afgeschaft is het voortreffelijke hiërarchische gebouw met de paus, de plaatsvervanger van Jezus Christus op aarde, aan de top:«Het Tweede Vaticaans Concilie betekende het einde van een epoche; als men slechts iets meer afstand neemt, dan betekende het zelfs het einde van een serie tijdvakken, het einde van een era».

Pater Congar, een van de aanstichters van de hervormingen, drukte het anders uit:«De Kerk heeft haar octoberrevolutie vredig voltrokken». Heel bewust merkte hij op:«De verklaring over de godsdienstvrijheid drukt wezenlijk het tegengestelde van de Syllabus uit». Ik zou een hele menigte bekentenissen van deze aard kunnen citeren. Pater Gélineau, een der belangrijkste kopstukken van het “Centre national de pastorale liturgique”, liet geen enkele illusie aan hen, die in de Novus Ordo Missæ iets van de tot dan toe algemeen gebruikte ritus weliswaar verschillends, maar niets ernstig choquerends wilden zien:«De door het Tweede Vaticaans Concilie besloten hervorming heeft het teken voor dooi gegeven… Hele muren storten in… Men moet zich niet vergissen: vertalen wil niet zeggen hetzelfde met andere woorden zeggen. Het betekent de vorm veranderen. Wanneer de vormen veranderen, verandert de ritus. Als er een van de elementen wordt veranderd, wijzigt de totale zingeving zich. Men moet het zonder omhaal zeggen: de Romeinse ritus, zoals wij die hebben gekend, bestaat niet meer. Hij is vernietigd»(3).

De liberale katholieken hebben inderdaad een revolutionaire toestand veroorzaakt. In het boek van een van hun vertegenwoordigers, van de senator van het departement Doubs, M. Prelot(4), lezen wij het volgende:«Wij hebben anderhalve eeuw lang gestreden om onze opvattingen binnen de Kerk te doen doorbreken, en wij hebben ons doel niet bereikt. Eindelijk is Vaticanum II gekomen, en wij hebben getriomfeerd. Van nu af aan zijn de thesen en de principes van het liberale katholicisme door de H. Kerk definitief en officieel geaccepteerd».

Via de omweg over dit liberale katholicisme heeft de Revolutie onder de dekmantel van het pacifisme, de algemene broederschap, zich toegang verschaft. De dwalingen en de valse principes van de moderne mens zijn in de Kerk binnengedrongen en hebben, dank zij pausen die zelf liberaal waren en onder bescherming van het Tweede Vaticaans Concilie, de clerus geïnfecteerd.

Omdat nu de tijd is gekomen, bepaalde dingen duidelijk te maken, wil ik eraan herinneren, dat ik niet afwijzend stond ten opzichte van het houden van een oecumenisch concilie in het jaar 1962. Ik heb het, integendeel, zeer hoopvol begroet. Een brief die ik in 1963 aan de paters van de H. Geest heb gericht, getuigt daar vandaag nog van. Die werd in een van mijn vroegere boeken gepubliceerd(5). Ik heb daarin geschreven:«Laten wij zonder aarzelen zeggen, dat bepaalde liturgische hervormingen noodzakelijk waren, en dat het concilie op deze weg moge voortgaan». Ik heb erkend, dat een vernieuwing nodig gebleken was, om een einde te maken aan een zekere verstarring, die werd veroorzaakt, omdat er een kloof was ontstaan tussen het tot de cultusplaatsen beperkte gebed en het alledaagse leven van school, beroep en gemeenschap.

Door de paus tot lid van de centrale voorbereidende conciliecommissie benoemd, nam ik aan de werkzaamheden tijdens de twee jaren die ze duurden, met overgave en geestdrift deel. Deze centrale voorbereidingscommissie had de opdracht alle voorbereidende schemata, die van de voor hun vakgebied bevoegde commissies kwamen, te onderzoeken en te toetsen. Ik bevond mij dus op de juiste plaats om te weten wat er uitgewerkt was, wat moest worden getoetst en wat aan de concilievergadering moest worden voorgelegd. Dit werk werd met grote conscientieusheid en perfectie gedaan. Ik ben in het bezit van de 72 voorbereidende schemata; de leer van de Kerk is daarin absoluut orthodox uiteengezet, zij zijn op een bepaalde manier aan onze tijd aangepast, maar met veel maat en wijsheid.

Alles was gereed voor de aangekondigde datum en op 11 october 1962 namen de concilievaders in het schip van de basiliek van Sint Pieter te Rome plaats. Maar toen gebeurde er iets, waar de H. Stoel niet op had gerekend. Het concilie werd meteen in de eerste dagen door progressieve krachten omsingeld. Wij hebben het meegemaakt en gevoeld; en als ik zeg “wij”, bedoel ik de toenmalige meerderheid van de concilievaders.

Wij hadden de indruk, dat er iets ongewoons gebeurde, en deze indruk werd heel snel bevestigd: veertien dagen na de openingszitting was er geen enkele van de 72 schemata meer overgebleven. Alles was afgewezen, verworpen en lag in de prullenbak.

Dat heeft zich op de volgende manier afgespeeld: in de concilieverordening was voorzien, dat tweederde van de stemmen nodig was om een voorbereidend schema te verwerpen. Toen het tot stemming kwam, was zestig procent van de stemmen tegen de schemata en veertig procent vóór. De tegenstanders hadden dus niet de benodigde tweederde en het concilie zou normalerwijze op basis van deze voorbereidende werkstukken hebben moeten verlopen.

Op dit ogenblik verhief zich een machtige, zeer machtige organisatie, die door de “kardinalen van de oevers van de Rijn” was opgezet en over een perfect functionerend secretariaat beschikte. Haar vertegenwoordigers bezochten paus Johannes XXIII en zeiden hem:«Heilige Vader, het is ondraaglijk dat men ons schemata wil laten bestuderen, die niet de meerderheid hebben gekregen». En zij hebben bereikt wat ze wilden: de verrichte, kolossale arbeid is in de diepte verdwenen, daar stond de vergadering, volkomen onvoorbereid, met lege handen. Welke voorzitter van een raad van bestuur van een onderneming, hoe klein ook, zou ingaan op een vergadering zonder agenda, zonder documenten? En toch is het concilie op deze manier begonnen.

Toen kwam de affaire van de conciliecommissies die benoemd moesten worden. Een moeilijk oplosbaar probleem: stelt u zich eens voor, bisschoppen die uit alle landen van de wereld komen en zichzelf totaal zonder overgang bijeen zien in de aula. Meestentijds kenden zij elkaar helemaal niet, zij kenden van de 2400 aanwezigen drie of vier concilievaders, misschien nog een paar van horen zeggen. Hoe zouden zij hebben kunnen weten welke vaders het meest geschikt waren om te behoren tot bijvoorbeeld de commissie voor het priesterschap, voor de liturgie, voor het kerkelijk recht enz.?

Met het volste recht deed kardinaal Ottaviani allen de lijst met de leden van de voorbereidende conciliecommissies toekomen, dus van persoonlijkheden die door de H. Stoel waren uitgekozen en reeds de onderwerpen hadden uitgewerkt waarover moest worden beraadslaagd. Dat had bij de keuze kunnen helpen, zonder dat de een of andere verplichting zou hebben bestaan, en het zou zeker wenselijk zijn geweest, dat enkele van deze ervaren mannen in de commissies zitting zouden nemen.

Maar daar verhief zich een protestkreet. Ik hoef de naam van de kerkvorst(6) niet te noemen, die opstond en de volgende woorden sprak:«Hier wordt een onverdraaglijke druk op het concilie uitgeoefend, doordat men namen voorlegt. Men moet de concilievaders hun vrijheid laten! De Romeinse Curie probeert weer eens haar leden aan een baantje te helpen!»

Enigermate ontzet over deze brute interventie hief men de zitting op, en in de namiddag kondigde de secretaris, mgr. Felici af:«De H. Vader erkent, dat het misschien beter is als de bisschoppenconferenties hunnerzijds samenkomen en lijsten opstellen».

De bisschoppenconferenties waren op dit tijdstip nog in het beginstadium; zij stelden zo goed en zo kwaad als dat ging de lijsten op die men van hen verlangde, overigens zonder dat zij, zoals dat nodig geweest ware, konden samenkomen, want er werd hun slechts 24 uur tijd gelaten.

Diegenen echter, die deze kleine staatsgreep op touw hadden gezet, bezaten lijsten, die kant en klaar waren, met in verscheidene landen zorgvuldig uitgekozen personen. Zij konden de conferenties te vlug af zijn en behaalden inderdaad een grote meerderheid. Het resultaat was, dat de commissies uit leden bestonden, die voor tweederde tot de progressieve fractie behoorden, terwijl het overige eenderde deel door de paus werd benoemd.

Er kwamen tamelijk snel nieuwe schemata tevoorschijn met een van de eersten volledig verschillende richting. Ik zou graag op een goede dag zowel de eerste alsook de andere schemata publiceren, opdat men ze kan vergelijken en constateren, welke de leer van de Kerk was op de dag voor het concilie.

Wie enige ervaring met wereldlijke of geestelijke vergaderingen heeft, kan beoordelen, in welke positie de concilievaders zich hebben bevonden. Aan deze nieuwe schemata kon men wel enige wendingen, enige zinnen, met behulp van voorstellen tot verbetering, wijzigen, maar het wezenlijke daaraan kon men niet veranderen. De gevolgen zouden overeenkomstig zwaarwichtig zijn. Een van het begin af aan dubbelzinnig aangelegde tekst laat zich nooit helemaal corrigeren; hij behoudt het stempel, dat zijn opsteller hem gaf en van het denken dat hem heeft geïnspireerd. De koers van het concilie stond vanaf dit ogenblik vast.Nog een derde omstandigheid heeft ertoe bijgedragen, het concilie in liberale zin te leiden. In plaats van de tien concilievoorzitters die Johannes XXIII had benoemd, zette paus Paulus VI voor de beide laatste zittingen vier moderatoren in, die, zacht uitgedrukt, niet precies onder de gematigde kardinalen waren uitgekozen. Hun invloed op de meerderheid van de concilievaders was bepalend.

De liberalen vormden een minderheid, maar een roerige, georganiseerde, door een groep modernistische theologen gesteunde minderheid, waarbinnen zich alle namen bevonden, die sindsdien voortdurend de toon aangeven, zoals Leclerc(7), Murphy(8), Congar(9), Rahner, Küng, Schillebeeckx, Besret(10), Cardonnel(11), Chenu(12)…

Men hoeft slechts te denken aan de geweldige drukwerkproductie van het I.D.O.C.(13), het door de Duitse en de Nederlandse bisschoppenconferenties gesubsidieerde informatiecentrum, dat de concilievaders onophoudelijk drong in de door de internationale opinie verwachte zin te handelen en daarbij een soort psychose veroorzaakte, in die zin, dat men de verwachtingen van de wereld, die het hoopte mee te maken dat de Kerk zich bij haar opvattingen aansloot, niet zou mogen teleurstellen. De aanstichters van deze beweging hadden er weinig moeite mee, dringend de aanpassing van de Kerk te eisen aan de moderne mens, dat wil zeggen aan de mens die zich van alles wil bevrijden. Zij stelden de Kerk voor als verkalkt, onaangepast, machteloos, en sloegen schuldbewust op de borst van hun voorgangers. De katholieken werden als evenzo schuldig aan de vroegere scheuringen neergezet als de protestanten en de orthodoxen; zij moesten de «afgescheiden broeders» – die in Rome, waarheen zij in groten getale tot deelname aan de werkzaamheden waren uitgenodigd, aanwezig waren – om vergeving vragen.

De traditionele Kerk was schuldig vanwege haar rijkdommen en haar triomfalisme: de concilievaders voelden zich schuldig omdat zij buiten de wereld stonden en niet tot de wereld behoorden; zij kregen al een kleur vanwege hun bisschoppelijke onderscheidingstekenen; spoedig zou hun het schaamrood naar de kaken stijgen wanneer zij zich in soutane vertoonden.

Deze atmosfeer der bevrijding zou spoedig alle gebieden veroveren; de collegiale geest werd tot mantel van Noë, waarmee men de schande bedekte van het persoonlijk uitoefenen van autoriteit, die de mentaliteit van de twintigste-eeuwse mens, laten we liever zeggen de liberale mens, zozeer tegenspreekt! De vrijheid van godsdienst, de oecumene, de theologische research, de herziening van het kerkelijk recht; dat alles moest het triomfalisme smoren van een Kerk, die zichzelf verkondigde als enige ark des heils. Zoals men over “stille armen” spreekt, zo waren er ook “stille bisschoppen”, die men zodanig beïnvloedde, dat men in hen een slecht geweten verwekte. Dat is een methode, die bij alle revoluties werd gebruikt.

De effecten daarvan zijn op vele plaatsen in de conciliedocumenten te onderscheiden. Men leze in verband hiermee het begin van het schema ‘De Kerk in de wereld van vandaag’, over de veranderingen in de moderne wereld, de versnelde loop der geschiedenis, die nieuwe verhoudingen die het religieuze leven beïnvloeden, de overheersing van de natuurwetenschappen en de techniek. Moet men in deze teksten niet de uitdrukking zien van het zuiverste liberalisme?

Wij hadden een luisterrijk concilie kunnen hebben, als wij daarvoor paus Pius XII tot leraar hadden genomen. Ik geloof niet, dat er één enkele actuele kwestie in de moderne wereld bestaat, die hij niet met zijn zeer grote geleerdheid, zijn complete theologie en zijn totale heiligheid zou hebben opgelost. Hij zou daarvoor een praktisch voorgoed geldende oplossing hebben gegeven, omdat hij de dingen werkelijk vanuit het oogpunt van het geloof beschouwde.

Maar zo kòn men de dingen niet zien, zo gauw men weigerde een dogmatisch concilie te houden. Het Tweede Vaticaans Concilie is een pastoraal concilie; Johannes XXIII heeft het gezegd, Paulus VI heeft het herhaald. Tijdens het verloop van de zittingen wilden wij meer dan eens begrippen laten definiëren. Men heeft ons geantwoord:«Maar wij bedrijven hier geen dogmatisme, wij bedrijven hier geen filosofie, wij bedrijven pastoraal-theologie». Wat is vrijheid? Wat is de waardigheid van de mens? Wat is collegialiteit? Men is gedwongen de teksten tot in het oneindige te analyseren, om te weten te komen wat men daaronder moet verstaan, maar het lukt toch slechts bij benadering, omdat de gebruikte uitdrukkingen voor verschillende uitleggingen vatbaar zijn. En dat gebeurde niet uit nalatigheid of door toeval; pater Schillebeeckx heeft het toegegeven:«Wij hebben op het concilie dubbelzinnige uitdrukkingen gebruikt, en wij weten, wat wij er naderhand van zullen maken». Deze lieden wisten wat zij deden!

Alle andere concilies, die in de loop der eeuwen werden gehouden, waren dogmatisch. Alle hebben dwaalleren bestreden. En God weet hoevele dwaalleren er in onze tijd te bestrijden zijn! Een dogmatisch concilie zou hoogst noodzakelijk zijn geweest. Ik herinner mij, hoe kardinaal Wyszinsky tegen ons zei:«Maakt u toch een schema over het communisme! Als er vandaag één zwaarwichtige dwaling bestaat, die de wereld bedreigt, is het wel het communisme. Als paus Pius XI het nodig achtte een encycliek over het communisme te schrijven, zou het niettemin noodzakelijk zijn dat ook wij, zoals wij hier als plenum verenigd zijn, aan deze kwestie een schema wijden».

Het communisme, de verschrikkelijkste dwaling die ooit aan de geest van Satan is ontsproten, heeft zijn officiële, vrij toegang tot het Vaticaan. Zijn wereldrevolutie wordt op unieke wijze vergemakkelijkt door het officieel verzuimde verzet van de Kerk, ja, het vindt daar zelfs vaak steun, in weerwil van de wanhopige waarschuwingen van de kardinalen, die de kerkers van de oostbloklanden aan den lijve hebben ondergaan. De weigering van dit pastorale concilie om het communisme plechtig te veroordelen is op zichzelf al genoeg om het voor de hele geschiedenis met smaad te bedekken, als men aan de vele miljoenen martelaren en aan de in de psychiatrische klinieken met wetenschappelijke methoden van hun persoonlijkheid beroofde en als proefkonijn voor experimenten gebruikte christenen en dissidenten denkt. En het pastorale concilie heeft gezwegen! Wij hadden voor een verklaring tegen het communisme 450 handtekeningen van bisschoppen gekregen. Zij werden in een bureaulade vergeten… In zijn antwoord op onze hierop betrekking hebbende aanvragen zei de rapporteur voor de constitutie ‘Gaudium et Spes’:«Er zijn twee petities om een veroordeling van het communisme aangeboden». «Twee?», riepen wij, «het waren er meer dan 400!» «Ach, daar ben ik niet van op de hoogte». Men zocht, en men vond ze natuurlijk, maar te laat.

Ik heb dat allemaal zelf meegemaakt. Ik was het, die samen met mgr. De Proença Sigaud, aartsbisschop van Diamantina in Brazilië, de handtekeningen naar de conciliesecretaris, mgr. Felici, bracht, en ik voel mij verplicht vast te stellen, dat er dingen zijn gebeurd die waarachtig ontoelaatbaar waren; ik zeg het niet om het concilie te veroordelen, en ik realiseer mij dat zoiets tot radeloosheid van talrijke katholieken bijdraagt. Want u gelooft, dat tenslotte, ondanks alles, het concilie door de H. Geest is geïnspireerd!

Niet onvoorwaardelijk! Een pastoraal, niet dogmatisch concilie is een preek, die op zichzelf niet is uitgerust met onfeilbaarheid. Toen wij aan het einde van de zitting mgr. Felici verzochten:«Zoudt u ons niet de “aantekeningen van het concilie” kunnen geven?», antwoordde hij:«Men moet al naar gelang de schemata, ieder hoofdstuk dat reeds in het verleden onderwerp geweest is van dogmatische definities, van de overige onderscheiden. Wat de verklaringen betreft die het karakter van een vernieuwing hebben, moet men terughoudendheid betrachten».

Het Tweede Vaticaans Concilie is dus niet een concilie zoals de andere, en derhalve hebben wij het recht daarover te oordelen; natuurlijk met voorzichtigheid en behoedzaamheid. Ik accepteer van dit concilie alles wat in volledige overeenstemming is met de traditie. Het werk dat ik heb gesticht bewijst dat volledig. In het bijzonder onze seminaries beantwoorden volkomen aan de wensen van het concilie en de ratio fundamentalis van de H. Congregatie voor het Katholieke Onderwijs.

Doch men kan onmogelijk beweren, dat slechts de naconciliaire toepassing van de conciliebesluiten slecht is. Het rebelleren van de geestelijken, het bestrijden van de pauselijke autoriteit, al die extravaganties in de liturgie en de nieuwe theologie, die ontvolkte kerken zouden, zoals men het zeer onlangs heeft beweerd, niets met het concilie te maken hebben? Maar! Dat zijn toch de vruchten daarvan!

Ik begrijp, verontruste lezer, dat ik met mijn uiteenzettingen uw radeloosheid slechts vergroot. En nochtans schitterde er temidden van dit oproer een licht, dat ertoe geëigend was, de inspanningen van de wereld om aan de Kerk van Christus een einde te maken, teniet te doen: de H. Vader verkondigde op 30 juni 1968 zijn geloofsbelijdenis. Dat was een daad, die vanuit dogmatisch oogpunt belangrijker is dan het concilie.

Dit door de opvolger van Petrus ter bekrachtiging van het geloof opgestelde Credo werd met totaal ongebruikelijke plechtigheid voorgedragen. Toen de paus zich verhief om het uit te spreken, stonden ook de kardinalen op, en alle overige aanwezigen wilden hetzelfde doen, maar hij liet allen weer gaan zitten; hij wilde alleen, als plaatsvervanger van Christus, zijn Credo proclameren, en hij deed dat met de allerplechtigste bewoordingen, in de naam van de allerheiligste Drievuldigheid, ten overstaan van de gehele Kerk. Bijgevolg heeft hij een daad gesteld, die het geloof van de Kerk vastlegt.

Zo hebben wij deze troost en dit vertrouwen, te voelen, dat de H. Geest ons niet in de steek heeft gelaten. Men kan zeggen, dat de ark van het geloof, die haar ondersteuning in het Eerste Vaticaans Concilie weet, een nieuw steunpunt vindt in de geloofsbelijdenis van Paulus VI.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XIV

  1. 1789: het jaar dat de Franse Revolutie uitbrak en de Bastille, de staatsgevangenis te Parijs, werd bestormd.
  2. Ancien Régime: naam voor de sociale en politieke orde in Frankrijk vóór de Franse Revolutie. Deze aanduiding is uiteraard na 1789 ontstaan.
  3. Zie Hs,4 aant. 2 – Demain la liturgie – Ed. du Cerf.
  4. Marcel Prelot – Le libéralisme catholique, Ed. Armand Colin, 1969.
  5. Un évèque parle. Ed. Dominique Martin Morin, 1974. Dts. Ed.: Ein Bischof spricht, Mediatrix Verlag – Wenen, 1976(Blz 20)
  6. Joseph kardinaal Frings† van Keulen.
  7. Jacques Leclerc, bekend conciliedeskundige.
  8. Paul Murphy S.J., bekend conciliedeskundige.
  9. Zie Hs. VI, aant. 1.
  10. Bernard Besret, conciliedeskundige en bekend theologisch publicist; was monnik van de abdij van Boquen, werd gelaïceerd en stichtte een eigen religieuze gemeenschap; zijn werk “De commencement en commencement”(Bij het begin beginnen) us sedert 1976 bij Ed. du Seuil verschenen; zie ook Hs. XVI, aant. 2 en 4.
  11. Zie Hs. VIII, aant. 1.
  12. Pater Marie-Dominique Chenu O.P., bekend theoloog en conciliedeskundige.
  13. International Documentation on the Conciliar Church(internationale documentatie over de conciliaire Kerk).

15. De Vereniging van Kerk en Revolutie

Hoofdstuk XV

Aan de oorsprong van de Revolutie, die «de haat is tegen iedere ordening, die niet door de mens is gevestigd, waarin hij niet koning en God tegelijk is», staat de hoogmoed, die reeds de oorzaak van de zonde van Adam is geweest. De revolutie in de Kerk is met de hoogmoed van onze moderne tijd te verklaren, die zichzelf voor een nieuwe tijd houdt, een tijd waarin de mens eindelijk «vanuit zichzelf zijn waardigheid begrepen heeft», waarin het bewustzijn van zijn “zelf” zo hoog is gestegen, dat men kan spreken «over een werkelijke sociale en culturele omwenteling, die in het religieuze leven haar weerklank vindt. ….. De gang van de geschiedenis zelf ervaart een zo grote versnelling, dat de enkeling die nauwelijks meer vermag bij te houden … Kortom, de mensheid voltrekt een overgang van een meer statisch begrip van de wereldorde naar een meer dynamische en door de ontwikkeling gedragen opvatting daarvan. Het gevolg daarvan is een nieuwe, onafzienbare menigte problemen, die weer om nieuwe analyses en nieuwe syntheses vraagt». Deze door bewondering gedragen zinnen, die men naast vele andere soortgelijke in de inleiding op de constitutie ‘De Kerk in de wereld van onze tijd'(Gaudium et Spes 5, 3) kan lezen, zijn een slecht voorteken voor een terugkeer naar de geest van het evangelie. Men kan zich maar moeilijk voorstellen, hoe deze zoveel beweging en zoveel veranderingen kan doorstaan. En hoe moet men dit begrijpen:«Langzamerhand breidt zich een type geïndustrialiseerde maatschappij uit, die de opvattingen van het leven in gemeenschap van gronds af omvormt»? Dat kan slechts betekenen dat men voor zeker laat doorgaan, wat men verwezenlijkt wenst te zien: een opvatting van de maatschappij, die niets meer uitstaande heeft met de christelijke, aan de sociale doctrine van de Kerk beantwoordende opvatting. Dergelijke premissen kunnen slechts tot een nieuw evangelie leiden, tot een nieuwe godsdienst, dat aldus klinkt:

 «De gelovigen moeten daarom in de nauwste verbondenheid met de andere mensen van hun tijd leven en er moeite voor doen hun manieren van denken en voelen, zoals die in hun cultuur tot uitdrukking komen, tot in de kern te begrijpen. De kennis van de nieuwe wetenschappen en theorieën, maar ook de nieuwste uitvindingen, moeten zij verbinden met de christelijke moraal en het onderricht in de christelijke leer, opdat de zin voor het religieuze en de rechtschapenheid met de wetenschappelijke kennis en de voortdurend groeiende technische vooruitgang bij hun gelijke tred houden; zo zullen zij alles vanuit een christelijk gevoelen vermogen te beoordelen en te verklaren»(Gaudium et Spes 62, 6). Dat zijn voorwaar zonderlinge adviezen, daar toch het evangelie van ons eist verdorven leren te vermijden! En men moet niet zeggen dat men dàt op tweeërlei manieren zou kunnen begrijpen; de tegenwoordige catechese begrijpt het zoals Schillebeeckx het wilde: zij adviseert de kinderen naar de atheïsten te luisteren, omdat dezen hun veel kunnen leren, en voor het overige hebben zij redenen om niet in God te geloven, die nuttig zijn om te vernemen.

Men kan ook zeggen, dat de eerste zin van het eerste hoofdstuk(Gaudium et Spes 12, 1):«Het is bijna de eenstemmige mening van gelovigen en niet-gelovigen, dat alles op aarde op de mens als middel- en hoogtepunt moet zijn ingesteld», zich door het volgende in christelijke zin laat verklaren. Niettemin heeft deze zin echter ook op zichzelf een zin, en wel juist die, waarvan men de verwezenlijking overal in de naconciliaire Kerk ziet, in de vorm van een tot de economische en sociale ontplooiïng van de mensheid gereduceerd heil.

Mijnerzijds geloof ik, dat de gelovigen die deze zin als gemeenschappelijke basis voor een dialoog met de ongelovigen erkennen en de nieuwe theorieën met de christelijke leer verbinden, daarbij het geloof zullen verliezen, niet meer en niet minder! De gouden regel van de Kerk wordt door de hoogmoed van de mensen van onze tijd omgedraaid: men luistert niet meer naar het eeuwig levende en vruchtbare woord van Christus, maar naar dat van de wereld. Dit «aggiornamento» veroordeelt zichzelf: de wortel van de tegenwoordige wanorde ligt in deze moderne, of veeleer modernistische geest, die het Credo, de geboden Gods en die van de Kerk, de sacramenten en de christelijke moraal als enige bron van vernieuwing voor alle tijden tot aan het einde der wereld, weigert te erkennen. Verblind door de «vooruitgang van de techniek, die reeds zover gaat, dat die het aanschijn van de aarde zelf verandert, en die zich reeds aan de verovering van het heelal waagt»(Gaudium et Spes 5, 1), lijken de mannen van de Kerk – die men niet met de Kerk zelf mag verwisselen – van mening te zijn dat Onze Heer de technologische ontwikkeling van onze epoche niet vooruit kon zien en dat zijn boodschap dientengevolge niet daaraan is aangepast.

Sinds anderhalve eeuw bestaat de droom van de liberalen er uit de Kerk en de Revolutie met elkaar te verenigen. Eveneens anderhalve eeuw achtereen hebben de pausen dit liberale katholicisme veroordeeld. Onder de belangrijkste noemen wij deze documenten: de bul ‘Auctorem Fidei’ van Pius VI tegen de Synode van Pistoia(1), de encycliek ‘Mirari Vos’ van Gregorius XVI tegen Lamennais(2), de encycliek ‘Quanta Cura’ en de ‘Syllabus’ van Pius IX(3), de encycliek ‘Immortale Dei’ van Leo XIII tegen het “Nieuwe Recht”(4), de breven van de H. Pius X tegen “Le Sillon” (5) en het modernisme(5a) en in het bijzonder zijn apostolische constitutie ‘Lamentabili'(6), de encycliek ‘Divini Redemptoris’ van Pius XI tegen het communisme(7) en de encycliek ‘Humani Generis’ van paus Pius XII(8).

Alle pausen hebben het huwelijk van de Kerk met de Revolutie, dat een overspelige vereniging is, afgewezen; uit een overspelige vereniging kunnen tenslotte slechts bastaards voortkomen. De ritus van de nieuwe Mis is een bastaardritus. De sacramenten zijn bastaardsacramenten; wij weten niet meer of het sacramenten zijn die de genade overdragen, of iets dat de genade niet meer overdraagt. De priesters die van de seminaries komen zijn bastaardpriesters, zij weten niet wat zij zijn; zij weten niet, dat zij tot priester zijn gewijd om tot het altaar op te gaan, het offer van Onze Heer Jezus Christus tegenwoordig te stellen en Jezus Christus aan de zielen te schenken.

In naam der Revolutie werden de priesters naar het schavot gevoerd, werden vrouwelijke religieuzen vervolgd en vermoord. Herinnert u zich de gevangenisschepen van Nantes, die men had volgepropt met trouwe priesters om ze op volle zee tot zinken te brengen. Maar wat dìe revolutie heeft heeft aangericht is niets vergeleken met de daden van het Tweede Vaticaans Concilie, want het ware beter geweest dat de twintig- of dertigduizend priesters die hun priesterschap opgegeven en hun voor God gezworen eed gebroken hebben, tot martelaars zouden zijn geworden, het schavot zouden hebben bestegen; zo zouden zij in ieder geval hun ziel gered hebben, nu zijn zij in gevaar die te gronde te richten.

Men zegt ons, dat er onder deze arme gehuwde priesters al weer veel gescheiden zijn; vele hebben in Rome verzoeken tot annulering van hun huwelijk ingediend. Kan men dat de goede vruchten van het concilie noemen? In de Verenigde Staten hebben twintigduizend vrouwelijke kloosterlingen – hoeveel wel in de andere landen? – de eeuwige gelofte gebroken die hen met Christus verenigde, om hunnerzijds ook de haven van het huwelijk binnen te spoeden. Hadden ze het schavot bestegen, dan hadden zij tenminste getuigenis van hun geloof afgelegd. Het bloed van de martelaren is het zaad van de christenen, maar de priesters of de gewone gelovigen, die zich bij de geest van de wereld aansluiten brengen geen enkele vrucht voort. Het is de grootste overwinning van de duivel, dat hij het ondernomen heeft de Kerk te vernietigen zonder martelaren te maken.

De overspelige vereniging van de Kerk met de Revolutie vindt haar neerslag in de dialoog. Onze Heer heeft gezegd:«Gaat dus heen, onderwijst alle volken, doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest»(Mt.28, 19), maar Hij heeft niet gezegd:«Voert dialoog met hun, maar probeer niet om ze te bekeren!». Dwaling en waarheid zijn onverenigbaar; dialoog voeren met de dwaling wil zeggen, God en de duivel op gelijk niveau plaatsen. Dat zeiden de pausen altijd weer opnieuw en de gelovigen hebben het zonder meer begrepen, omdat het gezonde mensenverstand dat immers òòk zegt. Om een andere houding en een andere reactie door te drukken was het nodig de hersenen van de mensen te bewerken, en wel zo, dat men de voor verbreiding van de nieuwe leer bestemde geestelijken tot modernisten maakte. Men noemt dat omscholing; het is een proces van voorbereiding, ertoe voorbestemd het instrument om te vormen, dat God de mens tot besturing van zijn onderscheidingsvermogen heeft gegeven.

Ik was van een dergelijke procedure getuige in mijn congregatie(9), waarvan ik enige tijd generaal overste was. Ten eerste eist men van de proefpersoon dat die “de verandering erkent”. Het concilie heeft veranderingen doorgevoerd, dus moeten wij ook onszelf veranderen. Een diepgaande verandering, omdat het erom gaat, het eigen beoordelingsvermogen zo aan te passen, dat het met willekeurig gefabriceerde ideeën is gelijkgeschakeld. In een door het bureau van het aartsbisdom Parijs uitgegeven brochure ‘La foi mot à mot'(Het geloof woord voor woord) staat te lezen:«De tweede, meer delicate procesgang bestaat er in de verschillende manieren op te sporen waarop de christenen bij deze verschillende veranderingen het feit van de verandering op zichzelf waarderen. Dit onderzoek is heel belangrijk, want de tegenwoordige gevoelens van verzet bestaan veel meer in spontane en onbewuste houdingen ten aanschouwen van de verandering op zichzelf als in een verzet tegen datgene waarom het bij de eventuele verandering eigenlijk gaat. Het schijnt, dat er zich twee typische houdingen aftekenen, maar daarom mogen alle overige mogelijke tussenvormen niet verwaarloosd worden. Bij de eerste typische houding geeft men aan een bepaald aantal vernieuwingen toe, omdat men vastgesteld heeft, dat de ene na de andere het weet te winnen. Dat is bij veel christenen, bij veel katholieken, die stap voor stap toegeven, het geval.

Bij de tweede der beide houdingen stemt men in met een vernieuwing van het totaal aan vormen van het christelijke geloof op de drempel van een nog onbekend, nieuw cultuurtijdperk, wanneer men zich daarbij slechts onophoudelijk kan verzekeren van de trouw aan het geloof van de apostelen».

 Dit retorische voorbehoud beantwoordt helemaal aan de traditie van de modernisten: zij bezweren altijd weer hun orthodoxe opvattingen en stellen met een korte zin diegenen gerust, die geschrokken zijn van vooruitzichten als «de vernieuwing van het totaal aan vormen van het christelijke geloof op de drempel van een nog onbekend, nieuw cultuurtijdperk», maar het is pas echt laat, als men zich reeds aan dergelijke manipulaties heeft uitgeleverd, en het zal de hoogste tijd zijn, zich te gaan bezig houden met het geloof van de apostelen, als men zijn geloof al volledig heeft gesloopt.

Een derde procesgang wordt nodig in het geval men aan de tweede der genoemde diagnoses vasthoudt:«De christen kan er niet omheen, hier een verschrikkelijk gevaar voor het geloof te voorvoelen. Zal dit niet glad en eenvoudig verdwijnen, tegelijk met de hele problematiek die hem zover heeft gebracht? Hij verlangt dus een fundamentele zekerheid, die hem veroorlooft de eerste steriele houdingen te overwinnen».

Alle graden van verzet zijn dus van te voren berekend. Welke «fundamentele zekerheid» geeft men tenslotte aan de nieuwe bekeerling? De Heilige Geest. «De Heilige Geest is immers degene die de gelovigen in de wisselvalligheden van de geschiedenis bijstaat».

Het doel is bereikt: er is geen leergezag meer, geen dogma, geen hiërarchie, zelfs een H. Schrift als geïnspireerde en historisch zekere tekst niet meer: de christenen worden direct door de H. Geest geïnspireerd.

Daarmee stort de Kerk in. De omgeschoolde christen is aan alle invloeden prijsgegeven, ontvankelijk voor alle leuzen; men kan hem voeren waarheen men wil, en voor het geval hij een beveiliging zoekt, klampt men zich vast aan de bewering:«Het Tweede Vaticaans Concilie biedt met zekerheid talrijke aanknopingspunten voor een verandering van de problematiek».

Pius X schrijft in de encycliek ‘Pascendi’:«De naaste en onmiddellijke oorzaak (van het modernisme) berust op een ontaarding van de geest». De omscholing brengt deze perversie teweeg bij hen die voordien daarvan vrij waren. En de heilige paus citeert de volgende opmerking van zijn voorganger, Gregorius XVI, (uit de encycliek ‘Singularis Nos’ van 7 juli 1834):«Het is een beklagenswaardige aanblik te zien, hoe ver de dwaalwegen der menselijke rede voeren, zodra men aan de geest der vernieuwing toegeeft; als men tegen de waarschuwing van de apostel in voorgeeft meer te weten dan men nodig heeft te weten, en als men, te veel op zichzelf vertrouwend, gelooft, de waarheid te kunnen zoeken buiten de Kerk, die zich toch zonder de geringste schaduw van een dwaling in de waarheid bevindt».

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XV

  1. Van 28 aug. 1794, tegen de Gallicaanse en Jansenistische dwalingen.
  2. Van 15 aug. 1832.
  3. Van 8 dec. 1864 met 80 verworpen stellingen.
  4. Van 1 nov. 1885.
  5. Le Sillon(=de voor): beweging van Franse katholieken tot hervorming in democratische zin van Kerk en maatschappij. In 1893 gesticht te Parijs door vier leerlingen van de Maristen, onder wie M. Sagnier. De vereniging ontwikkelde zich tot een sociaal-politieke beweging waarvan het godsdienstig en katholiek karakter aanvechtbaar was. Sagnier verenigde in “Le plus grand Sillon” katholieken, protestanten, vrijdenkers en anderen tot een «nouveau centre d’unité morale», waarvan paus Pius X de doelstellingen verwierp. Sagnier gehoorzaamde de paus en ontbond de beweging  a.Apostolisch schrijven ‘Notre charge apostolique’ van 15 aug. 1910.
  6. Samen met de Syllabus van Pius X van 4 juli 1907 met 65 verworpen stellingen.
  7. Zie Hs. XII aant. 5.
  8. Van 12 aug. 1950, tegen «enige moderne dwalingen».
  9. De Congregatie van de paters van de Heilige Geest.

16. Het Neomodernisme of ‘Pierres Vivantes’ in Puin

Hoofdstuk XVI

In de totaal nieuw vormgegeven vocabulaire van de geestelijkheid hebben enkele woorden overleefd. Een daarvan is het woord ‘geloof’. Weliswaar wordt dit woord in de meest verschillende betekenissen gebezigd. Nu bestaat er echter een definitie van het geloof, die men niet kan veranderen. Aan deze definitie moet de katholiek zich houden, als hij van de duistere en aanmatigende praatjes, die men hem voorschotelt, niets meer kan begrijpen.

Het geloof is de instemming van het verstand met de door het Woord Gods geopenbaarde waarheid. Wij geloven in een waarheid die van buiten komt en niet op een of andere manier van onze geest uitgaat. Wij geloven in de waarheid op grond van de autoriteit Gods, die haar aan ons openbaart. Men mag haar niet ergens anders zoeken.

Niemand heeft het recht ons dit geloof te ontnemen om het door een ander te vervangen. Wij zien echter een modernistische definitie van het geloof opnieuw opduiken, die reeds Pius X tachtig jaar geleden heeft veroordeeld: volgens deze definitie zou het geloof een innerlijk gevoel zijn: de verklaring van de godsdienst, die men niet buiten de mens moet zoeken:«Zij bevindt zich dus in de mens zelf, en omdat godsdienst een levensvorm is, is zij nergens anders dan in het leven van de mens te vinden». Zij zou iets zuiver subjectiefs zijn, een zich aansluiten van de ziel bij God, die zijnerzijds voor ons verstand ontoegankelijk is – iedereen staat hier alleen voor zichzelf, ieder in zijn eigen geweten.

Het modernisme is geen nieuwe uitvinding, dat was het in 1907 al niet meer, in het jaar van de beroemde encycliek ‘Pascendi’; het is de bestendige geest van de Revolutie, die ons in onze menselijkheid wil inkerkeren en God vogelvrij wil verklaren. Zijn valse definitie zoekt uitsluitend de verbrijzeling van de autoriteit Gods en van de autoriteit van de Kerk.

Het geloof komt van buiten tot ons; wij zijn verplicht ons aan het geloof te onderwerpen. «Wie gelooft en gedoopt is, zal zalig worden; maar wie niet gelooft, zal worden veroordeeld»(Mc. 16, 16). Dat zegt Onze Heer zelf.

Toen ik in 1976 de paus bezocht verweet hij mij tot mijn grenzeloze verbazing, dat ik mijn seminaristen een tegen hem gerichte eed zou laten zweren.  Ik had het daar moeilijk mee; het werd mij maar niet duidelijk waar dit vandaan zou kunnen komen, want overduidelijk had de een of ander hem dit idee ingegeven met de bedoeling mij schade toe te brengen. Toen ging mij echter een licht op: men had de antimodernisteneed, die tot dan toe iedere priester voor zijn wijding en iedere hoogwaardigheidsbekleder bij zijn ambtsaanvaarding plechtig moest afleggen, kwaadaardig in deze zin uitgelegd. Zijne Heiligheid Paulus VI had hem zelf meer dand eens in zijn leven gezworen. Men treft in deze eed het volgende aan:

«Ik ben er vast van overtuigd en belijd oprecht, dat het geloof niet een blind religieus gevoel is dat vanuit het duister van het onderbewuste, vanuit de aandrang van het hart en de neiging van de moreel gevormde wil ontspringt, maar dat het een ware instemming is van het verstand met de van buiten ontvangen waarheid, waardoor wij op de autoriteit Gods alles voor waar aannemen wat ons door de persoonlijke God, Onze Heer en Schepper, gezegd, verklaard en geopenbaard is».

De antimodernisteneed is niet meer vereist om priester of bisschop te worden; als dat nog altijd zo zou zijn, dan zouden er nòg minder wijdingen zijn dan nu. Het begrip van het geloof is inderdaad vervalst, en veel mensen laten zich, zonder daar kwaad achter te zoeken, door de modernisten beïnvloeden. Daarom zijn zij het eens met het geloof dat alle godsdiensten tot heil leiden: als iedereen een aan zijn geweten beantwoordend geloof heeft, als het geweten het geloof voortbrengt, is er geen reden meer om aan te nemen dat het ene geloof eerder tot heil zou leiden dan het andere, als het geweten maar op God is gericht. Men leest in een document van de catechesecommissie van de Franse bisschoppen beweringen als de volgende:«De waarheid is niet iets dat we hebben ontvangen, iets kant en klaars, maar iets dat zich vormt».

De standpunten zijn totaal van elkaar verschillend. Men vertelt ons dat de mens de waarheid niet ontvangt, maar dat hij die voor zichzelf construeert. Nu weten wij echter – ons verstand zelf bevestigt het ons – dat de waarheid zichzelf niet schept, en niet wij zijn het, die de waarheid scheppen.

Maar hoe moet men zichzelf tegen deze duivelse leerstellingen weren, die de godsdienst vernietigen, daar toch deze “voorvechters van de vernieuwing” zelfs in het hart van de Kerk zijn vertegenwoordigd? Zij werden, God zij dank, sinds het begin van de eeuw op een manier ontmaskerd, die het toestaat hen gemakkelijk te herkennen. Men mag niet denken dat het hier om iets van vroeger gaat, dat slechts de kerkhistoricus interesseert:’Pascendi’ is een tekst, waarvan men zou kunnen denken dat hij voor vandaag is geschreven. Hij is buitengewoon actueel en karakteriseert deze vijanden van binnen de eigen boezem van de Kerk zelf met een frisheid die men niet genoeg kan bewonderen.

Hier zijn zij: zij werpen zich «arm aan kennis van een solide filosofie en theologie….. alle bescheidenheid terzijde schuivend… tot vernieuwers van de Kerk op… Zij… verachten iedere autoriteit, verdragen geen enkele beperking… Hun tactiek bestaat erin hun leer niet systematisch en als ordelijk geheel, maar steeds fragmentarisch en uit hun verband gerukt voor te dragen, om een schijn van veranderlijkheid en wankelmoedigheid te wekken, terwijl daarentegen hun ideeën vastliggen en nauwkeurig zijn bepaald».

«Veel in hun boeken zou een katholiek zonder zich te bedenken onderschrijven; slaat men echter de bladzijde om, zo zou men kunnen denken dat een rationalist de pen had gevoerd».

«Zo gaan zij voort op de ingeslagen weg; voort, ondanks alle berispingen en alle veroordelingen, en zij verbergen een grenzeloze vermetelheid achter een zuiver uiterlijke, onoprechte onderwerping….. Bekritiseert iemand voor zichzelf alleen een dergelijke vernieuwing, hoe monsterachtig die ook zijn mag, dan ziet hij zich geplaatst tegenover een menigte die hem in gesloten gelederen aanvalt; ontkent hij ze, dan wordt hij van onwetendheid beschuldigd; maar neemt hij ze aan en verdedigt hij ze, dan wordt hij de hemel in geprezen….. Wanneer een boek verschijnt, dat van begin tot eind volgepropt is met vernieuwingen, wordt dat met luid applaus en ademloze bewondering ontvangen; hoe driester iemand een bres in het oude slaat en de overlevering van de Kerk ondergraaft, voor des te geleerder men hem houdt; en als tenslotte een van deze auteurs door een kerkelijke veroordeling wordt getroffen, wordt hij door de hele menigte omringd, openlijk en uitbundig geprezen en bijna als martelaar voor de waarheid vereerd».

Deze beschrijving stemt zo treffend overeen met datgene wat wij vandaag voor ons zien, dat men zou kunnen denken dat ze eerst kortgeleden opgesteld zou zijn. Na de veroordeling van Hans Küng organiseerde een groep christenen in 1980 voor de dom te Keulen een “auto-da-fe”(1)  als protest tegen het besluit van de H. Stoel om aan de Zwitserse theoloog zijn missio canonica(2) te ontnemen. Er was een brandstapel opgericht, waar zij een pop en werken van Küng op wierpen, «om het verbod op moedig en eerlijk denken te symboliseren»(Le Monde). Kort tevoren hadden de sancties tegen pater Pohier(3) ander wapengekletter veroorzaakt: 300 Dominicanen en Dominicanessen richtten een protestbrief tegen deze sancties aan het publiek. Ongeveer twintig personen ondertekenden een andere tekst; de abdij van Boquen(4), de kliek van Montparnasse(5) en andere groepen avant-gardisten schoten te hulp. Het enige nieuwe in vergelijking met de beschrijving van de H. Pius X is, dat zij zich niet meer leugenachtig verstoppen achter het manteltje van de onderwerping: zij zijn zeker van hun zaak geworden, zij hebben binnen de boezem van de Kerk zoveel ondersteuning gevonden, dat zij het niet langer nodig hebben om zich te verbergen. Het modernisme is niet dood, het heeft, integendeel, vooruitgang geboekt en vertoont zich openlijk.

Laten wij verder lezen in de encycliek ‘Pascendi’:«Bij deze stand van zaken….. is het niet verwonderlijk als de modernisten katholieken, die vastbesloten voor de Kerk strijden, met de grootste wrok en bittere onwil vervolgen. Geen enkele smaad, waarmee zij hen bezwadderen, schuwen zij. Hebben de modernisten met een tegenstander te doen wiens geleerdheid en scherpzinnigheid zij vrezen, dan zwijgen zij hem als bij afspraak dood en proberen hem daardoor klein te krijgen». Dat is vandaag het geval met de opgejaagde en vervolgde priesters die aan de traditie trouw zijn, bij auteurs uit kloosters of uit de lekestand, waar de pers, die in handen van de progressieven is, nooit ook maar met een woord gewag van maakt. Ook jeugdbewegingen worden doodgezwegen omdat zij trouw blijven; hun voorbeeldige werkzaamheid, hun bedevaarten en andere dingen blijven onbekend bij het publiek, dat altijd nog door hen zou kunnen worden gesterkt.

«Als zij(de modernisten) aan geschiedschrijving doen, zo zoeken en publiceren zij, onder de schijn van objectiviteit en met nauwelijks verholen genoegen, alles wat volgens hun mening voor de Kerk, in de loop van haar geschiedenis, geschikt is om haar mee te bevuilen. Vrome volksgebruiken proberen zij met vooropgezette meningen met alle vastbeslotenheid uit de weg te ruimen. Door ouderdom eerbiedwaardige relikwieën geeft men prijs aan de bespotting. Tenslotte zijn zij regelrecht bezeten door de ijdele wens van zich te doen spreken; en dat denken zij niet te kunnen bereiken, wanneer zij zo spreken, zoals men tot nu toe altijd gesproken heeft».

Wat hun leer betreft; die berust op de weinige volgende punten, die men moeiteloos in de tegenwoordige stromingen kan herkennen:«De menselijke rede kan zich niet tot God verheffen; zij kan niet eens zover komen zijn bestaan uit de schepping te herkennen». Omdat elke van buiten komende openbaring onmogelijk is, zal de mens de bevrediging van zijn verlangen naar het goddelijke, dat hij voelt en waarvan de wortels in zijn onderbewustzijn liggen, in zichzelf zoeken. Deze behoefte aan het goddelijke wekt in de ziel een bijzonder gevoel, «dat op bepaalde wijze de mens met God verenigt». Dit is voor de modernisten het geloof. God wordt op deze manier in de ziel geschapen en daaruit bestaat de openbaring.

Van het religieuze gevoel komt men terecht in het gebied van het verstand, dat nu het dogma uitwerkt: de mens moet zijn geloof door denken bereiken; hij heeft daar behoefte aan, omdat hij begiftigd is met verstand. Hij schept formuleringen, die niet de absolute waarheid bevatten, maar beelden van de waarheid, symbolen. Deze dogmatische formuleringen zijn bijgevolg aan verandering onderhevig, zij ontwikkelen zich. «Daarmee worden voor de wezenlijke verandering van de dogmata alle poorten geopend».

Deze formuleringen zijn niet eenvoudig theologische speculaties; om werkelijk religieus te zijn moeten zij levend zijn. Het gevoel moet ze zich «op levendige wijze» eigen maken.

Men spreekt vandaag over het «geleefde geloof». «De formuleringen moeten daarom», gaat Pius X voort, «om levend te zijn en te blijven, aan de gelovige een aan zijn geloof aangepast zijn. Zou op een dag dit aangepast-zijn ophouden, zo zouden zij onmiddellijk hun oorspronkelijke inhoud verliezen. Er zou niets anders overblijven dan het te veranderen. Omdat de dogmatische formuleringen zo gevoelig en zo wankel zijn, is het niet te verwonderen, dat de modernisten ze zo geringschatten, als ze ze al niet überhaupt openlijk verachten, terwijl ze aldoor over het religieuze gevoel en over het religieuze leven spreken». In hun preken, conferenties en godsdienstonderricht maken zij jacht op «starre formuleringen».

De gelovige doet zijn persoonlijke geloofservaring op, daarop deelt hij die aan anderen door prediking mee; zo breidt de religieuze ervaring zich uit. «Als het geloof algemeen aangenomen, of, zoals men zegt, collectief is geworden», voelt men de behoefte zich in een gemeenschap te organiseren om de gemeenschappelijke schat te bewaren en te vermeerderen. Vandaar de stichting van een Kerk. «De Kerk is dus de vrucht van het collectieve bewustzijn, anders uitgedrukt, de consolidatie van het individuele bewustzijn; dit wordt afgeleid van een allereerste gelovige – voor katholieken is dat Jezus Christus».

En de geschiedenis van de Kerk wordt op de volgende manier geschreven: toen men aanvankelijk nog geloofde dat de autoriteit van de Kerk van God stamde, had men deze als in zichzelf gefundeerd opgevat. «Maar vandaag is men daarover al lang een andere mening toegedaan. Zoals de Kerk een levend uitvloeisel is van het collectieve bewustzijn, zo is ook de autoriteit een levend product van de Kerk». De macht moet dus in andere handen overgaan en van de basis komen. Het politieke bewustzijn heeft de heerschappij van het volk geschapen; evenzo moet het in de Kerk zijn:«Als de kerkelijke autoriteit in het diepst van het geweten geen conflict wil veroorzaken en aanwakkeren, moet zij zich aan de democratische vormen aanpassen».

Radeloze katholieken, u begrijpt nu, waar kardinaal Suenens en al deze schreeuwerige theologen hun ideeën vandaan hebben gehaald. De naconciliaire Kerk bevindt zich in volledige continuïteit met die, die het einde van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw in beroering heeft gebracht. U begrijpt nu ook, waarom in de catechismussen waarmee uw kinderen thuiskomen, alles begint met de eerste gemeenten die zich na het Pinksterfeest hebben gevormd, toen de discipelen, onder de indruk van de door Jezus teweeggebrachte zielsontroering, de behoefte aan het goddelijke voelden en met elkaar een «oerervaring» meemaakten. Het zal u nu duidelijk zijn, waarom in de catechismussen en preken zowat elk dogma ontbreekt, over de allerheiligste Drievuldigheid, de menswording, de verlossing, de hemelvaart van Jezus enz.  De begeleidende verklarende tekst die het Franse episcopaat voor de catechese heeft uitgewerkt, behandelt uitvoerig de vorming van groepen, die «minikerken» zijn en de Kerk van morgen opnieuw moeten opbouwen, overeenkomstig het proces dat de modernisten uit het ontstaan van de Kerk van de apostelen meenden te kunnen opmaken:«In de catechesegroepen brengen animatoren, ouders en kinderen hun levenservaring naar voren, hun diepste verlangens, godsdienstige voorstellingen en een zekere kennis van geloofszaken. Aansluitend volgt een confrontatie, die voorwaarde is voor het vinden van de waarheid, al naar gelang zij de diepste wensen van de personen in beweging brengt en ze concreet tot die onvermijdelijke veranderingen uitnodigt, die iedere aanraking met het evangelie met zich meebrengt. Tegenstand van de ziel is mogelijk. Na een breuk, een bekering, een soort dood, kan zich, door genade, de geloofsbelijdenis voltrekken».

Het zijn de bisschoppen, die deze door de H. Pius X veroordeelde modernistische tactiek in alle openbaarheid aanwenden. In § 312 van deze begeleidende, verklarende tekst is alles aanwezig. Leest u hem nog een keer aandachtig door: het door de behoefte teweeggebrachte religieuze gevoel, de diepe verlangens, de waarheid, die ontspringt aan de confrontatie van ervaringen, de verandering der dogmata, de breuk met de traditie.

Voor het modernisme ontstaan de sacramenten eveneens uit een behoefte, «want zoals men heeft gemerkt, is de nood, de behoefte, in hun systeem de grote en allesomvattende verklaring». Men moet de godsdienst iets zintuiglijk waarneembaars, lichamelijks, geven:«De sacramenten zijn (voor hen) zuivere tekens of symbolen, zij het ook met werkdadigheid uitgerust. Zij vergelijken ze met bepaalde leuzen, waarvan men in de volksmond zegt, dat ze “aangeslagen” zijn, omdat ze in staat zijn krachtige en indringende ideeën te laten uitstralen, die indruk maken en wakker schudden». Men zou ook kunnen zeggen, dat de sacramenten alleen ingesteld werden om het geloof te voeden: een door het Concilie van Trente veroordeelde stelling.

Men kan dit idee bijvoorbeeld ook bij Besret(6), die op het concilie “expert” was, terugvinden:«Het is niet het sacrament, dat de liefde Gods in de wereld brengt. Gods liefde is in alle mensen werkzaam. Het sacrament is het ogenblik van haar officiële getuigenis in de gemeenschap van discipelen… Als ik dat zeg, wil ik geenszins het werkzame aspect van de gestelde tekenen loochenen. De mens voltooit zichzelf ook, doordat hij zichzelf tot uitdrukking brengt, en dat geldt voor de sacramenten alsook voor zijn overige actie».

 En de H. Schrift? Zij is voor de modernisten «de bundeling van de in een godsdienst opgedane ervaringen». Weliswaar is het God die door deze boeken spreekt, echter de God die ìn ons is. Het zijn geïnspireerde boeken, ongeveer zoals men over poëtische inspiratie spreekt, de inspiratie gelijkgesteld met de intense behoefte van de gelovige om zijn geloof schriftelijk mede te delen. De bijbel is mensenwerk.

In ‘Pierres Vivantes’ zegt men tegen de kinderen dat Genesis een «gedicht» is, dat op een dag door gelovigen die “nagedacht” hadden, werd geschreven. Deze door de bisschoppen van Frankrijk in het godsdienstonderwijs aan alle scholen opgedrongen bundel openbaart het modernisme op bijna iedere bladzijde.

Een korte confrontatie; de H. Pius X:«Het is (voor de modernisten) een wet, dat de ontstaanstijd van de bijbelse geschriften slechts kan worden bepaald door het tijdstip van de noden waaraan de Kerk in de loop van de tijd was blootgesteld».

Pierres Vivantes:«Om deze gemeenten te helpen naar het evangelie te leven, hebben bepaalde apostelen hen brieven geschreven die men ook epistels noemt… Maar de apostelen hebben vooral mondeling verteld, wat Jezus in hun midden had gedaan en wat Hij hen had gezegd… Later hebben vier auteurs – Marcus, Mattheus, Lucas en Johannes – schriftelijk neergelegd, wat de apostelen hadden gezegd».   «Opstelling van de evangeliën: Marcus tegen het jaar 70?, Lucas tussen de jaren 80 en 90? Mattheus tussen 80 en 90? Johannes van 95 tot 100?»   «Zij hebben de gebeurtenissen uit het leven van Jezus, zijn woorden en vooral zijn dood en verrijzenis, verteld om het geloof van de gelovigen te verlichten».

De H. Pius X:«In de H. Schrift (zeggen zij) zijn er veel plaatsen die natuurwetenschappelijke of geschiedkundige problemen aanroeren en waarin duidelijke fouten te constateren zijn. Maar deze boeken behandelen geschiedenis noch natuurwetenschap, maar uitsluitend de godsdienst en de zedenleer».

Pierres Vivantes:«Het (Genesis) is een gedicht en geen natuurwetenschappelijk boek. De natuurwetenschap zegt ons dat het miljarden jaren heeft geduurd voor men leven zag ontstaan».   «De evangeliën verslaan het leven van Jezus niet op de manier waarop tegenwoordig een gebeurtenis op de radio, de televisie of in een krant wordt verslagen».

De H. Pius X:«Zij(de modernisten) aarzelen niet te beweren dat de betreffende boeken, vooral de Pentateuch(7) en de eerste drie evangeliën, door toevoegingen aan een oorspronkelijk zeer korte vertelling zijn ontstaan; het gaat daarbij om achteraf toegevoegde inlassingen, die het karakter dragen van theologische of allegorische interpretaties, of eenvoudig om overgangs- en verbindingspassages».

Pierres Vivantes:«Wat in de meeste van deze boeken staat geschreven, was eerstens mondeling van generatie op generatie verteld. Op een dag  heeft iemand het opgeschreven, om het op zijn beurt door te geven, en vaak werd dat wat hij had opgeschreven door andere mensen en voor andere mensen weer opnieuw geschreven… Het jaar 538 voor Christus, overheersing door de Perzen; de echo van haar gedachten en overleveringen worden tot boeken. Esdras bundelt tegen 400 voor Christus (verscheidene boeken) om daarvan de Wet of de Pentateuch te maken. De schriftrollen van de profeten worden opgesteld. De gedachten der wijzen worden tot verschillende meesterwerken».

Voor katholieken die zich over de in de “conciliaire Kerk” gebruikte nieuwe wijze van spreken verwonderen, is het nuttig te weten dat zij niet zo nieuw is, dat Lamennais, Fuchs, Loisy haar reeds in de vorige eeuw gebruikten, en dat deze lieden hunnerzijds niets anders hebben gedaan dan het totaal aan dwalingen bijeengaren, dat in de loop van de eeuwen in omloop was. De godsdienst van Christus is niet veranderd en zal nooit veranderen. Men moet zich niet alles laten welgevallen!

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XVI

  1. Auto-da-fe: afkondiging en voltrekking door de wereldlijke macht van een vonnis der Spaanse Inquisitie, meer bepaald een ketterverbranding; ook in figuurlijke toepassing.
  2. Missio canonica: de kerkelijke zending, door de bisschop verleend om in geloofs- en zedenleer te onderrichten.
  3. zie Hs. IX aant. 2
  4. zie Hs. XIV aant. 10
  5. zie Hs. VIII aant. 2
  6. zie Hs XIV aant. 10
  7. De vijf boeken van Mozes, die samen het eerste deel van het Oude Testament vormen, te weten Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium

17. Wat is de Traditie?

Hoofdstuk XVII

Het modernisme holt de Kerk werkelijk van binnenuit uit, vandaag zo goed als gisteren. Laten wij uit de encycliek ‘Pascendi’ nog enige passages nemen die precies beantwoorden aan wat wij meemaken. «Omdat het doel van de religieuze autoriteit puur spiritueel is moet zij zich ontdoen van deze totaal uiterlijke praal, van al die pompeuze versierselen waarmee ze zich ten toon stelt. Daarbij vergeten zij(de modernisten) dat de godsdienst, ook wanneer zij eigenlijk behoort tot de ziel, nochtans niet tot haar is beperkt, en dat de aan de autoriteit bewezen eer, die zij heeft ingesteld, terugstraalt op Jezus Christus».

 Onder druk van deze “voorvechters van vernieuwingen” heeft Paulus VI de tiara opgegeven, hebben de bisschoppen zich van hun paarse soutane en zelfs van de zwarte ontdaan, evenals van hun ring, vertonen de priesters zich in burgerkleding en meestal zelfs in opzettelijk nonchalante kledij. Zelfs de thans doorgevoerde of dringend geëiste algemene hervormingen heeft de H. Pius X reeds als «waanzinnig verlangen» van de modernistische hervormers aangeduid. U zult hen aan het volgende citaat herkennen:«Met betrekking tot de eredienst(zo willen zij) moeten de uiterlijke godsdienstoefeningen verminderd worden of moet tenminste hun toename worden vermeden….. Het bestuur van de Kerk moet democratisch worden. Voor de lagere geestelijkheid en zelfs voor leken moet een plaats in het bestuur worden ingeruimd. Het gezag moet worden gedecentraliseerd. Hervorming van de Romeinse congregaties, vóór alles van het Heilig Officie en de index….. Ook zijn er nog enige, die als napraters van hun protestantse leraren de afschaffing van het kerkelijke celibaat wensen».

U ziet dat dezelfde eisen naar voren worden gebracht, er valt hen totaal niets nieuws in. Voor het christelijke denken en de vorming van toekomstige priesters verlangden de hervormers uit de tijd van Pius X het opgeven van de scholastieke filosofie, die «in de geschiedenis van de filosofie naar de achterhaalde systemen» verbannen zou moeten worden, «opdat men de jongelui de moderne filosofie lere, de enige ware, de enige die aan onze tijd is aangepast….. en opdat de zogenaamde rationele filosofie aan de moderne theologie ten gronde gelegd worde. Evenzo zou de positieve theologie op de geschiedenis van de dogmata moeten berusten». Op dit punt hebben de modernisten bereikt wat zij wilden, en meer dan dat. In de onderwijsinstellingen die tegenwoordig de plaats van de seminaries hebben ingenomen doceert men antropologie en psycho-analyse, de H. Thomas van Aquino wordt door Marx vervangen. De principes van de thomistische filosofie worden verworpen ten gunste van onzekere systemen, die hun eigen ontoereikendheid tot verklaring van de zinvolle ordening van het universum toegeven, omdat zij zich beroepen op een filosofie van het absurde. Een revolutionair van deze nieuwste tijd, een door de intellectuelen zeer gezien priester met duistere ideeën, die het geslachtelijke tot middelpunt van alle dingen verklaarde, schuwde het niet op openbare vergaderingen te zeggen:«De hypothesen van de Ouden op natuurwetenschappelijk gebied waren stommiteiten, en op zulke stommiteiten hebben de H. Thomas en Origenes hun systemen gebaseerd». Meteen daarop gleed hij af in het absurde, toen hij het leven definieerde als «een zichzelf ontwikkelende aaneenschakeling van onverklaarbare biologische feiten». Hoe weet hij dat, wanneer het onverklaarbaar is? Hoe kan een priester, wil ik er nog aan toevoegen, de enige verklaring uitsluiten, namelijk God?

De modernisten zouden vernietigd zijn, als zij hun hersenspinsels tegen de principes van de Doctor Angelicus(1) zouden moeten verdedigen, tegen de begrippen potentie, akt, essentie, substantie, accident, ziel en lichaam enz.   Door het uitsluiten van deze begrippen maakten zij de theologie van de Kerk onbegrijpelijk en zoals in het motu proprio ‘Doctor Angelicus’ te lezen staat «is het gevolg daarvan, dat de studenten van de heilige disciplines niet eenmaal meer de betekenis van de woorden begrijpen waarmee de dogmata, die God immers heeft geopenbaard, door het leergezag worden voorgelegd». Het offensief tegen de scholastieke theologie is dus nodig, als men het dogma wil veranderen, als men de traditie wil bestrijden.

Maar wat is de traditie? Het komt mij voor dat dat woord vaak niet goed wordt begrepen; men stelt het gelijk met “de” tradities, zoals die bestaan in beroepen, in gezinnen, in het burgerlijke leven: zoals bijvoorbeeld de vlag in de nok van een huis in aanbouw als het hoogste punt is bereikt, het lint dat men bij de onthulling van een monument doorknipt. Dat is het echter niet, waarover ik spreek; traditie, dat zijn niet de gebruiken die uit het verleden werden overgenomen en uit trouw daaraan worden bewaard, ook als de redenen daarvoor niet meer duidelijk aanwijsbaar zijn. De traditie moet worden gedefinieerd als het van eeuw tot eeuw door het leergezag doorgegeven geloofsgoed. Dit geloofsgoed is het, dat ons door de openbaring is geschonken, dat wil zeggen het Woord Gods, dat aan de apostelen werd toevertrouwd en waarvan de overdracht door hun opvolgers is verzekerd.

Maar vandaag wil men iedereen “laten zoeken”, als ware ons het Credo niet gegeven, als ware Onze Heer niet gekomen om ons eens voor altijd de waarheid te brengen. Wat moet men dan vinden bij al dit gezoek? De katholieken, die men een “alles in twijfel trekken” wil opdringen, nadat men hen ertoe heeft gebracht “hun zekerheid op te geven” moeten zich het volgende in herinnering roepen: de overdracht van de schat der openbaring werd afgesloten op de dag van de dood van de laatste apostel. Zij is beëindigd; men kan er niets meer aan veranderen tot aan het einde der tijden. De openbaring is niet voor hervorming vatbaar. Het Eerste Vaticaans Concilie heeft dat uitdrukkelijk in herinnering gebracht:«De door God geopenbaarde geloofsleer werd niet, zoals een verzonnen filosofisch stelsel, voorgesteld aan intelligente mensen die het zouden moeten vervolmaken, maar zij werd als goddelijke bruidsschat toevertrouwd aan de Bruid van Christus(de Kerk), opdat deze haar trouw zou behoeden en onfeilbaar zou uitleggen»(2).

Maar, zal men zeggen, het dogma dat Maria tot Moeder Gods verklaarde, gaat toch niet verder terug dan tot het jaar 431, dat over de transsubstantiatie tot 1215, dat over de pauselijke onfeilbaarheid tot 1870 en zo verder. Is er niet toch een ontwikkeling geweest? Neen, geenszins. De in de loop van de tijd gedefinieerde dogmata lagen in de openbaring besloten: de Kerk heeft ze slechts duidelijk geformuleerd. Toen paus Pius XII het dogma over de lichamelijke ten-hemel-opneming van Maria definieerde, verklaarde hij nadrukkelijk, dat deze waarheid van de lichamelijke opneming van de allerzaligste Maagd Maria in de hemel, in de schat der openbaring lag besloten, dat zij reeds voorhanden was in de teksten die ons vóór de dood van de laatste apostel werden geopenbaard. Men kan op dit gebied niets nieuws brengen, men kan niet één enkele geloofsstelling toevoegen, maar men kan de voorhanden zijnde steeds duidelijker, mooier en verhevener uitdrukken.

Dat is zo zeker, dat het de regel vormt, die bij de beoordeling van dwalingen, die men ons dagelijks voorschotelt, en voor hun afwijzing, zonder enige concessie moet worden toegepast. Bossuet schrijft vol kracht:«Wanneer het er om gaat, de principes van de christelijke moraal en de essentiële dogmata van de Kerk te verklaren, is alles, dat niet in de traditie van alle eeuwen en in het bijzonder in de oudheid opduikt, juist om deze reden niet slechts verdacht, maar slecht en te veroordelen; en dat was het basisprincipe waarop alle kerkvaders en veel meer nog de pausen de valse leren hebben veroordeeld, omdat er voor de Kerk van Rome niets verfoeilijkers bestaat dan vernieuwingen».

Het argument dat men bij de geïntimideerde gelovigen laat gelden, is het volgende:«Jullie klampen je vast aan het verleden, jullie zijn “vroeger-isten”(3). Ga toch met je tijd mee!» Menigeen zal daardoor van zijn stuk zijn gebracht en niet weten wat te antwoorden; daarbij is het antwoord gemakkelijk: er bestaat hier geen verleden, heden of toekomst, de waarheid geldt voor alle tijden, zij is eeuwig.

Om de traditie te schokken, brengt men er op protestantse manier de H. Schrift tegen in en beweert, dat het evangelie het enige boek is dat telt. Maar de traditie is ouder dan het evangelie! Ook al werden de synoptische(4) evangeliën bij lange na niet zo laat geschreven als men probeert te laten geloven, zijn toch, voor de vier evangelisten hun geschriften hadden voltooid, verscheidene jaren verlopen; de Kerk bestond echter reeds, de Pinkstergebeurtenis had plaatsgevonden en had talrijke bekeringen tot gevolg, drieduizend al op dezelfde dag bij het verlaten van de zaal van het Avondmaal. Wat geloofde men op dit tijdstip? Hoe vond de overdracht van de openbaring plaats, tenzij via mondelinge overlevering? Men kan de traditie niet ondergeschikt maken aan de H. Schrift, en haar afwijzen kan men al helemaal niet.

Laten wij echter niet geloven, dat zij(de modernisten) daarom een onbegrensd respect hebben voor de geïnspireerde tekst. Zij bestrijden zelfs dat die in zijn totaliteit geïnspireerd is:«Wat is er geïnspireerd in de evangeliën? Alleen de waarheden die voor ons heil noodzakelijk zijn». Dientengevolge worden de wonderen, de verslagen over de kindsheid, het hele doen en laten van Onze Heer, aan het meer of minder legendarische, biografische literaire genre toegevoegd. Men heeft op het concilie wegens de woorden «alleen voor het heil noodzakelijke waarheden» geredetwist; er waren bisschoppen, die de historische geloofwaardigheid wilden beperken, hetgeen aantoont tot welke diepte de clerus door het neomodernisme is vergiftigd. De katholieken mogen zich niets laten wijsmaken: het héle evangelie is geïnspireerd; zij die het hebben geschreven stonden werkelijk met hun verstand onder invloed van de H. Geest, zodat de evangeliën in hun totaliteit het Woord Gods zijn, Verbum Dei. Het is niet toegestaan een selectie te maken en vandaag te zeggen:«Wij accepteren dit gedeelte, de andere delen wijzen wij af». Kiezen betekent volgens de etymologie in het Grieks hetzelfde als ketters zijn.

Niettemin blijft het zo, dat het de traditie is, die ons het evangelie overlevert, en ligt het op de weg van de traditie, het leergezag, ons het evangelie uit te leggen. Als wij niet iemand hebben die het voor ons interpreteert, kan het gebeuren, dat verscheidene onder ons hetzelfde woord van Christus op volkomen tegengestelde manier begrijpen.  Men komt dan terecht bij het liberum arbitrium(vrije willekeur) van de protestanten en bij de vrije inspiratie van al dat tegenwoordige charismatisme, dat ons in het pure avontuur stort.

Alle dogmatische concilies hebben de overlevering nauwkeurig uitgedrukt, hebben precies uitgedrukt wat de apostelen hebben onderwezen. Hier zijn vernieuwingen uitgesloten. Men kan de decreten van het Concilie van Trente niet meer veranderen, omdat ze onfeilbaar zijn, geschreven en uitgevaardigd via een officiële handeling van de Kerk, anders dan het Tweede Vaticaans Concilie, waarvan de stellingen niet onfeilbaar zijn, omdat de pausen hun onfeilbaarheid niet wilden laten gelden. Niemand kan u dus zeggen:«U klampt zich vast aan het verleden, u bent bij het Concilie van Trente blijven staan». Het Concilie van Trente is geen verleden tijd! De traditie is volgens haar wezen niet aan tijd gebonden en is met alle tijden en met alle plaatsen in harmonie.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XVII.

  1. H. Thomas van Aquino.
  2. Dogmatische constitutie van Pius IX over het katholieke geloof, verkondigt dit in de derde openbare zitting van 24 april 1870, hoofdstuk IV over het geloof en de rede, 2de alinea.
  3. Zie Hs. V aant.1.
  4. Synopsis=overzicht. De evangeliën van Mattheus, Marcus en Lucas zijn synoptisch, want die geven een synopsis(overzicht) van het leven van Jezus.

18. Waarachtige Gehoorzaamheid

Hoofdstuk XVIII

Overal in de Kerk heerst ongedisciplineerdheid; priestercomité’s sturen ultimatieve sommaties aan hun bisschoppen, de bisschoppen geringschatten pauselijke exhortaties, zelfs de aanbevelingen en besluiten van het concilie worden niet gerespecteerd, en toch wordt het woord “ongehoorzaamheid” nooit uitgesproken, behalve om het voor katholieken te gebruiken die trouw blijven aan de overlevering en heel simpel het geloof willen bewaren.

De gehoorzaamheid is een ernstige aangelegenheid: met het leergezag van de Kerk en in het bijzonder met de paus verenigd te blijven is een van de voorwaarden om het heil te bereiken. Wij zijn ons daarvan ten diepste bewust, en daarom is ook niemand méér met de nu regerende opvolger van de H. Petrus verbonden dan wij, juist zoals wij dat met zijn voorgangers waren: ik spreek hier namens mijzelf en namens de talrijke uit de kerken verbannen gelovigen, namens priesters die gedwongen zijn de Mis in schuren op te dragen, zoals het tijdens de Franse Revolutie het geval was, en in stad en land een eigen catechismusonderricht te organiseren.

Wij zijn trouw met de paus verbonden, als hij de volledige apostolische overlevering en de leer van al zijn voorgangers overdraagt. Juist dat beantwoordt aan de definitie van de opvolgers van Petrus: dit geloofsgoed te bewaren. Pius IX leert ons in zijn encycliek ‘Pastor Æternus'(1):«De H. Geest werd niet aan de opvolgers van Petrus beloofd om hun toe te staan, volgens zijn openbaringen, een nieuwe leer te verkondigen, maar opdat zij met zijn bijstand de door de apostelen overgeleverde openbaringen, dat wil zeggen het Depositum Fidei(de nagelaten geloofsschat), streng bewaren en getrouw uitleggen».

De autoriteit die Onze Heer aan de paus, de bisschoppen en heel algemeen aan de priesters heeft overgedragen, staat in dienst van het geloof. Bedient men zich van het recht, van de instellingen, van de autoriteit, om het katholieke geloof te vernietigen en niet meer het leven mede te delen, dan betekent dat geestelijke abortus of anticonceptie.

Derhalve zijn wij gehoorzaam en gewillig om alles aan te nemen, dat overeenstemt met ons katholieke geloof, zoals dat tweeduizend jaar werd onderwezen, maar wij wijzen alles af wat het tegenspreekt.

Want tenslotte heeft zich tijdens het pontificaat van Paulus VI voor het geweten en het geloof van alle katholieken een zeer ernstig probleem voorgedaan: hoe kan een paus, ware opvolger van Petrus en verzekerd van de H. Geest, presideren bij de diepst ingrijpende en omvangrijkste verwoesting van de Kerk, die ooit in de loop der geschiedenis, en ook nog in zo’n korte tijd, werd voltrokken – iets wat geen enkele heresiarch ooit is gelukt? Op deze vraag zal men gewis op een dag antwoord moeten geven.

In de eerste helft van de vijfde eeuw zei de H. Vincentius van Lérins – die, voor hij zich aan God toewijdde, soldaat was, en, zoals hij verklaarde «lang op de zee van de wereld heen en weer werd geslingerd tot hij zich eindelijk in de haven van het geloof geborgen wist» – het volgende over de ontwikkeling van het dogma:«Zal er in de Kerk van Christus helemaal geen vooruitgang van de godsdienst komen? Er zal zeker vooruitgang zijn, zelfs zeer belangrijke, doch een zodanige, die vooruitgang van het geloof betekent en geen verandering. Het is belangrijk, dat in de loop van de tijd in allen en in iedereen afzonderlijk, in het individu zowel als in de Kerk, het begrip, het weten, de wijsheid, rijkelijk en intensief groeien, onder voorwaarde dat dit bij volkomen gelijkblijvende geloofsstellingen en in dezelfde geest plaatsvindt». De H. Vincentius kende de botsing der ketterijen; hij geeft een gedragsregel, die ook na 1500 jaar nog altijd goed is:«Wat zal de katholieke christen dus doen wanneer een klein deel van de Kerk zich van de gemeenschap, van het algemene geloof zal afscheiden? Waar zou hij, boven het bedorven lid, anders de voorkeur aan geven dan aan het totale, gezonde lichaam? En als een nieuwe epidemie met alle kracht probeert, niet meer een klein deel van de Kerk, maar de gehele Kerk in een keer te vergiftigen? Dan zal hij er des te meer op bedacht zijn aan het van oudsher bestaande vast te houden, dat klaarblijkelijk door geen enkele leugenachtige vernieuwing meer kan worden verleid».

In de ‘Grote Litanie’ laat de Kerk ons zeggen:«Dat Gij U gewaardigt de paus en de gehele geestelijkheid in de heilige godsdienst te bewaren, wij bidden U, verhoor ons!» Daarmee wordt feitelijk gezegd dat een dergelijk ongeluk kan gebeuren.

In de Kerk bestaat er geen gerechtelijke bepaling, geen jurisdictie, die aan een christen een vermindering van zijn geloof kan opleggen. Iedere gelovige kan en moet zich, steunend op de catechismus van zijn jeugd, verzetten tegen iedereen die aan zijn geloof komt, wie het ook mag zijn. Ziet hij zich geplaatst tegenover een bevel dat zij geloof dreigt te verderven, dan is het zijn onvermijdelijke plicht, gehoorzaamheid te weigeren.

Omdat wij nu van mening zijn, dat ons geloof door de naconciliaire hervormingen en veranderingen van richting in gevaar gebracht wordt, zijn wij verplicht de gehoorzaamheid te weigeren en de overlevering te bewaren. Meer nog: wij zijn ervan overtuigd, dat wij de Kerk en de opvolger van Petrus de grootste dienst kunnen bewijzen als wij de hervormde en liberale Kerk afwijzen. Jezus Christus, de mensgeworden Zoon van God, is niet liberaal, noch hervormbaar.

Tweemaal zeiden afgezanten van de Heilige Stoel tegen mij:«Het koningschap van Onze Heer over de maatschappij is in onze tijd niet meer mogelijk, men moet het pluralisme van de godsdiensten definitief accepteren». Precies dat hebben zij mij gezegd!

Neen, deze godsdienst is niet de mijne. Ik neem deze nieuwe godsdienst niet aan. Zij is een liberale, modernistische godsdienst, die haar eigen eredienst heeft, haar eigen priesters, eigen gelovigen, eigen catechismussen, haar eigen oecumenische bijbel, gemeenschappelijk door katholieken, joden, protestanten en anglicanen vertaald, een vertaling die niemand tegen zich wil innemen en iedereen tevreden wil stellen, dat wil zeggen, heel dikwijls de uitleg van het leergezag opoffert. Wij nemen die oecumenische bijbel niet aan. Er bestaat de bijbel van God, zijn Woord, en wij hebben niet het recht dat te vermengen met het woord van de mensen.

Toen ik nog een kind was had de Kerk overal hetzelfde geloof, dezelfde sacramenten, hetzelfde Misoffer. Als men mij toen zou hebben gezegd dat dat zou veranderen zou ik het niet hebben kunnen geloven. Overal in de hele christenheid bad men tot God op dezelfde manier. De nieuwe liberale en modernistische godsdienst heeft verdeeldheid gezaaid.

Vaak zijn christenen binnen een en hetzelfde gezin door de van boven ingevoerde verwarring verdeeld. Zij gaan niet meer naar dezelfde Mis, zij lezen niet meer dezelfde boeken. Er zijn priesters die vaak niet meer weten wat zij moeten doen: òf zij gehoorzamen blindelings aan datgene wat hun superieuren hen opdwingen en verliezen in zekere zin het geloof van hun jeugd, zij breken de gelofte die zij bij hun wijding door de antimodernisteneed hebben afgelegd; òf zij plegen verzet en hebben het gevoel zich van de paus af te scheiden, die onze vader en de plaatsbekleder van Christus is. Welk een verscheurdheid in beide gevallen! Veel priesters zijn van verdriet voortijdig gestorven.

En hoeveel andere werden gedwongen hun parochies, waar ze sinds jaren hun dienstwerk hadden verricht, op te geven omdat zij aan openlijke vervolging waren blootgesteld, ofschoon hun gelovigen, aan wie men daarmee hun herder ontrukte, voor hen opkwamen! Ik heb de schokkende afscheidsbrief voor mij van zo’n priester, die hij had gericht aan de bewoners der beide parochies waarvan hij pastoor was geweest:«Tijdens het onderhoud van… heeft de bisschop mij het ultimatum gesteld de nieuwe godsdienst aan te nemen of af te wijzen; ik kon mij daar niet aan onttrekken. Om dus aan de uit mijn priesterschap voortvloeiende plichten trouw te blijven… was ik, tegen mijn wil, gedwongen afscheid te nemen… De simpele eerlijkheid en vooral mijn eer als priester verplichten mij loyaal te zijn, juist in deze zaak, waarvan de betekenis God zelf betreft(het is de Mis)… Dit bewijs van trouw en liefde moet ik God en de mensen, in het bijzonder u, geven, daarnaar zal ik op de jongste dag worden geoordeeld, zoals trouwens al diegenen aan wie dit geloofsgoed werd toevertrouwd». In het diocees Campos in Brazilië werden na het vertrek van bisschop De Castro Mayer bijna alle priesters uit de kerken verdreven, omdat zij de Mis van alle tijden, zoals die nog tot voor kort werd gevierd, niet wilden opgeven.

De verdeeldheid is zelfs van invloed op de eenvoudigste uitingen van vroomheid. In het departement Val-de-Marne liet het ordinariaat 25 katholieken, die sinds lange jaren in de privé kapel van een benoemde pastoor de rozenkrans kwamen bidden, door de politie verdrijven. In het diocees Metz liet de bisschop de communistische burgemeester tussenbeide komen om aan de verhuur van een locaal aan een groep traditionalisten een einde te maken. In Canada werden zes gelovigen door een rechtbank, die volgens de wet van dit land daartoe bevoegd is, veroordeeld, omdat zij erop stonden knielend te communiceren. De bisschop van Antigonish had hen «wegens opzettelijke verstoring van de orde en de waardigheid van een eredienst» aangeklaagd.  De «ordeverstoorders» werden door de rechter met zes maanden proeftijd onder toezicht van de reclassering naar huis gestuurd! Een bisschoppelijk verbod voor de christenen om voor God de knie te buigen! Vorig jaar eindigde de jongerenbedevaart naar Chartres met een Mis in de tuin van de kathedraal, omdat in de kathedraal zelf de Mis van Pius V verboden was. Veertien dagen later stonden haar poorten wijd open voor een concert van gewijde muziek, waarbij een voormalige Karmelietes dansjes uitvoerde.

Twee godsdiensten bieden elkander het hoofd, wij bevinden ons in een tragische situatie, wij moeten tot een besluit komen, het gaat hier echter niet om een keuze tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Wat men van ons wil, waartoe men ons nadrukkelijk uitnodigt, waarom men ons vervolgt, bestaat eruit, dat men van ons een schijngehoorzaamheid wil. Want de H. Vader kan werkelijk niet van ons verlangen dat wij ons geloof opgeven.

Wij kiezen er dus voor het geloof te bewaren, en wij kunnen ons niet vergissen, als wij ons houden aan datgene wat de Kerk ons tweeduizend jaar lang heeft geleerd. De crisis is diep en zo knap georganiseerd en gestuurd, dat men werkelijk kan geloven, dat hier de organisator geen mens is, maar Satan zelf. Want het is een meesterstuk van Satan, dat hij de katholieken zover heeft gebracht, in naam van de gehoorzaamheid en de gehele traditie ongehoorzaam te zijn. Een typisch voorbeeld levert het ‘aggiornamento’ van de kloostergemeenschappen: uit gehoorzaamheid moeten de kloosterlingen aan de wetten en constituties van hun stichters, waaraan zij bij hun professie gehoorzaamheid hebben beloofd, ongehoorzaam zijn. De gehoorzaamheid zou in dit geval uit een categorische weigering moeten bestaan. De autoriteit, zelfs de legitieme, kan geen verwerpelijke, kwade handeling bevelen. Niemand kan wie dan ook verplichten zijn kloostergelofte in eenvoudige beloften te veranderen, evenmin als ons iemand dwingen kan protestanten of modernisten te worden.

De H. Thomas van Aquino, op wie men zich altijd moet beroepen, gaat zelfs zo ver zich in de Summa Theologica af te vragen of de door Onze Heer voorgeschreven «broederlijke terechtwijzing ook tegenover hogergeplaatsten kan worden uitgesproken. Na de bespreking van alle noodzakelijke gezichtspunten antwoordt hij:«Men mag de broederlijke terechtwijzing tegenover hogergeplaatsten uitspreken, als het om het geloof gaat».

Als wij standvastiger in het geloof waren, zouden wij niet zo ver komen, helemaal zonder het te merken ketterijen aan te nemen, Aan het begin van de zestiende eeuw beleefden de Britten een avontuur van de soort, zoals wij dat nu beleven, weliswaar met het verschil, dat dit bij hun meteen met een schisma is begonnen. Voor het overige is de overeenkomst verbazend en geschikt om ons tot nadenken te bewegen.  De nieuwe godsdienst, die later de naam Anglicanisme zou aannemen, begon met het offensief tegen de Mis, de persoonlijke biecht en het kerkelijke celibaat. Ofschoon Hendrik VIII de enorme verantwoordelijkheid van de afscheiding van zijn volk van Rome op zich had genomen, wees hij toch de desbetreffende aan hem gerichte voorstellen af. Een jaar na zijn dood echter werden toch, door een decreet, het Engels voor de viering van de Mis toegestaan, processies verboden en een nieuwe ordo, de «Order of Communion» opgedwongen, waarbij het offertorium niet meer voorkomt. Om de christenen gerust te stellen verbood een ander decreet iedere soort verandering, terwijl een derde de pastoors toestond de heiligenbeelden en beelden van de Moeder Gods uit de kerken te verwijderen. Eerbiedwaardige kunstwerken werden door handelaars verkocht, precies zoals vandaag bij antiekwinkels en op de vlooienmarkt.

Slechts enkele bisschoppen wezen erop, dat de «Order of Communion» het dogma van de werkelijke tegenwoordigheid tegenspreekt, omdat het zegt, dat Onze Heer zijn lichaam en bloed slechts geestelijk schenkt. Het in de volkstaal vertaalde confiteor werd door celebrant en gelovigen tegelijk uitgesproken en diende als absolutie. De Mis werd in een maaltijd veranderd, «turning into a Communion». Maar ook de helder ziende bisschoppen namen tenslotte het nieuwe misboek aan om de vrede en de eenheid te bewaren. Met precies dezelfde motivering wil de naconciliaire Kerk ons de nieuwe ordo opdwingen. De Britse bisschoppen van de zestiende eeuw beweerden, dat de Mis een «gedachtenisviering» was! Intensieve propaganda bereikte, dat lutherse opvattingen ingang vonden in de geest van de gelovigen; predikanten moesten door de regering toegelaten zijn.

Tegelijkertijd werd de paus nog slechts de «bisschop van Rome» genoemd, hij is niet meer de vader, maar de broeder van de overige bisschoppen en, in dit geval, de broer van de koning van Engeland, die zichzelf als hoofd van de nationale Kerk had aangesteld. Het ‘Prayer Book’ van Cranmer(2) is een vermenging van de Griekse liturgie en de liturgie van Luther. Wie denkt daarbij niet aan mgr. Bugnini, die de zgn. Mis van Paulus VI samenstelde met medewerking van zes protestantse “waarnemers”, die in deze kwaliteit waren toegevoegd aan de Raad voor de Hervorming van de Liturgie(3). Het ‘Prayer Book’ begint met de woorden:«Het Avondmaal, de H. Communie, gewoonlijk Mis genoemd… », dus een anticipatie op het beruchte Artikel 7 van de ‘Institutio Generalis'(Algemene Inleiding) van het nieuwe altaarmissaal, door het Eucharistisch Congres te Lourdes in 1981 weer opgepakt:«De maaltijd van de Heer, ook Mis genoemd… ». De verwoesting van het heilige, waarover ik hierboven heb gesproken, was ook in de anglicaanse hervorming aanwezig: de woorden van de canon moesten, verplicht, hardop worden uitgesproken, zoals het bij de huidige “Eucharistievieringen” gebeurt.

Het ‘Prayer Book’ werd ook door de bisschoppen goedgekeurd, «om de innerlijke eenheid van het koninkrijk te behouden». Priesters die ook in het vervolg de “oude Mis” lazen, moesten met straffen rekening houden, die gingen van het verlies van hun inkomsten tot onmiddellijke afzetting met terugwerkende kracht, ja zelfs tot levenslange gevangenisstraf. Men moet toegeven, dat vandaag de dag de “tradionalistische” priesters niet meer in de gevangenis worden geworpen.

Het Engeland van de Tudors gleed af in de ketterij, zonder zich er helemaal van bewust te zijn, omdat het de verandering accepteerde onder het voorwendsel zich, met een herder aan de top, aan te passen aan de historisch bepaalde omstandigheden van de tijd. Vandaag is de hele christenheid in gevaar dezelfde weg te gaan. Heeft u er aan gedacht dat wij, die een zekere leeftijd hebben bereikt, weliswaar aan een geringer gevaar blootgesteld zijn; dat echter de kinderen en de jonge seminaristen de neo-protestantse begrippen, die men hen inhamert, voor iets heel normaals aanzien? Want, zij worden immers met de nieuwe catechismussen, met experimentele psychologie en – sociologie opgeleid en zonder de minste zweem van dogmatiek, moraaltheologie, kerkelijk recht en kerkgeschiedenis in een geloof opgevoed, dat niet het ware geloof is. Hoe zal de godsdienst van morgen er uit zien als wij geen verzet plegen? U zult in de verleiding zijn te zeggen:«Maar wat kunnen wij eraan doen? Het is toch een bisschop die ons dit of dat zegt. Kijkt u toch, dit document stamt immers van de commissie voor het godsdienstonderwijs of van een andere officiële commissie!»

Ja, dan blijft u bepaald niets anders over dan het geloof te verliezen. Maar u hebt niet het recht zo te reageren. De H. Paulus heeft ons gewaarschuwd:«Waarachtig, wanneer wijzelf, of zelfs een engel uit de hemel, u een ander evangelie zouden verkondigen, dan wat wij u verkondigd hebben, hij zij vervloekt!»(Gal. 1, 8)

Dat is het geheim van de waarachtige gehoorzaamheid.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XVIII.

  1. Van 18 juli 1870, het Eerste Vaticaans Concilie.
  2. Thomas Cranmer; van 1547-1553 oppermachtige aartsbisschop van Canterbury.
  3. Paus Paulus VI werd met die zes protestantse pastores, waaronder Max Thurian uit Taizé, bij de slotzitting van het concilie op 16 april 1970 gefotografeerd. Deze bekende en vaak gereproduceerde foto werd voor de eerste maal in de ‘Documentation catholique’ van 3 mei 1970 op de omslag gepubliceerd.

19. De Romeinse Sancties tegen Ecône

Hoofdstuk XIX

U behoort misschien tot diegenen, radeloze lezers, die met verdriet en angst het verloop der gebeurtenissen gadeslaan, maar die er toch voor terugdeinzen een ware Mis te bezoeken, ofschoon zij daarnaar verlangen, omdat men hen wilde wijsmaken dat deze Mis verboden is. U behoort misschien tot hen, die niet meer naar de priesters in vrijetijdskleding gaan, maar niettemin de priesters in soutane met een zeker wantrouwen beschouwen, als was hen een disciplinaire straf opgelegd. Is hij die hen heeft gewijd niet een a divinis gesuspendeerde bisschop? U bent bang zich buiten de Kerk te plaatsen. Deze angst is in principe prijzenswaardig, maar zij berust hier op foute voorstellingen. Ik wil u verklaren hoe het met deze sancties gesteld is, die men in de publiciteit heeft uitgebuit en waarover de vrijmetselaars en de marxisten in luidruchtig gejubel zijn uitgebarsten. Een kort historisch overzicht blijkt nodig te zijn om de zaak juist te begrijpen.

Toen ik als missionaris naar Gabon werd uitgezonden, benoemde mijn bisschop mij meteen tot professor aan het seminarie te Libreville; daar vormde ik zes jaar lang seminaristen, waarvan verscheidene later de genade van de bisschoppelijke waardigheid hebben ontvangen. Toen ik later zelf bisschop in Dakar was geworden hield ik het vooral voor mijn plicht naar roepingen te zoeken en jonge mannen, die de roepstem van God volgden, te vormen en naar het priesterschap te leiden. Tot mijn vreugde was het mij toegestaan hen tot priester te wijden, die later mijn opvolgers zouden worden: mgr. Thiandoum in Dakar, en evenzo mgr. Dionne, tegenwoordig bisschop van Thiés in Senegal.

Naar Europa teruggekeerd om het ambt van generaal overste van de paters van de H. Geest te aanvaarden, probeerde ik de wezenlijke waarden van de opleiding tot priester in stand te houden. Ik moet helaas zeggen dat reeds op dit tijdstip, het begin van de jaren zestig, de druk dusdanig  was en de moeilijkheden zo groot waren, dat ik het nagestreefde doel niet kon bereiken; ik kon het Franse seminarie in Rome, dat onder de competentie valt van onze congregatie, niet in de goede geest bewaren, waar het tussen 1920 en 1930, toen ik zelf daar seminarist was, nog op kon bogen. In 1968 trad ik af om niet voor de hervorming op te hoeven komen, die het generaal kapittel in een de katholieke traditie tegensprekende zin had aangebracht. Reeds voor dit tijdstip wendden zich talrijke families en priesters tot mij met de vraag naar welke opleidingsinstituten zij de jongemannen moesten sturen, die priester wilden worden. Ik moet toegeven, dat ik met betrekking hiertoe zeer besluiteloos was. Nadat ik van mijn verantwoordelijkheden was ontslagen en juist beoogde mij terug te trekken, dacht ik aan de universiteit van Fribourg in Zwitserland, die nog thomistisch georiënteerd was en geleid werd. De bisschop, mgr. Charrière, ontving mij met open armen. Ik huurde een huis en wij namen negen seminaristen op, die de colleges aan de universiteit bezochten en gedurende de overige tijd een regelrecht seminarieleven leidden. Zij lieten al spoedig blijken de wens te koesteren ook in het vervolg met elkaar te werken. Na enig nadenken vroeg ik mgr. Charrière of hij bereid zou zijn een stichtingsdecreet voor een fraterniteit te ondertekenen. Hij keurde de statuten daarvan goed en zo ontstond op 1 november 1970 de “Priesterbroederschap St. Pius X”. Daarmee waren wij in het diocees Fribourg canoniek gesticht.

Zoals u nog zult zien zijn deze details belangrijk. Een bisschop heeft canoniek het recht in zijn diocees verenigingen te stichten, die Rome reeds op grond van deze stichting erkent, en dat gaat zo ver, dat een andere bisschop – een opvolger van de eerste – die deze vereniging of fraterniteit wil opheffen, dit niet doen kan zonder zich tot Rome te wenden. Het Romeinse oppergezag beschermt datgene, wat de eerste bisschop heeft gesticht, opdat de verenigingen niet zijn blootgesteld aan een herroepbaarheid, die voor hun ontwikkeling schadelijk zou zijn.  Zo wil het kerkelijk recht dat(Canon 493)

De Priesterbroederschap St. Pius X is bijgevolg op volkomen legale wijze door Rome erkend, ofschoon zij onder diocesaan recht valt en niet onder pauselijk recht, wat niet beslist noodzakelijk is. Er zijn honderden congregaties onder diocesaan recht, die overal ter wereld huizen hebben.

 Wanneer de Kerk een stichting, een diocesane vereniging, erkent, stemt zij toe dat deze haar leden zelf vormt; is het een congregatie van religieuzen, dan accepteert zij een noviciaat, een vormingshuis. Voor ons zijn dat onze seminaries. Op 18 februari 1971 stuurde de prefect van de H. Congregatie voor de Clerus, kardinaal Wright, mij een brief, waarin hij mij verzekerde ervan overtuigd te zijn, dat de broederschap «zeer goed zou kunnen beantwoorden aan het door het concilie van deze heilige congregatie verlangde doel ten aanzien van de verdeling van de clerus in de wereld». En desondanks sprak men in november 1972 op de plenaire vergadering van het Franse episcopaat te Lourden over een «illegaal seminarie», zonder dat ook maar één der aanwezige bisschoppen, die over de rechtspositie van het seminarie van Ecône op de hoogte moesten zijn, geprotesteerd zou hebben.

Waarom beschouwde men ons als illegaal? Omdat wij de seminaristen niet de sleutel van de voordeur geven, zodat zij iedere avond naar believen zouden kunnen uitgaan; omdat wij hen niet van acht tot elf uur TV lieten kijken; omdat zij geen vrijetijdskleding dragen en omdat zij iedere morgen naar de Mis gaan in plaats van tot het eerste college in bed te blijven.

En toch zei mij kardinaal Garrone, prefect van de H. Congregatie voor het Katholieke Onderwijs, die ik indertijd ontmoette:«U valt niet direct binnen mijn competentie, en ik kan u derhalve maar één ding zeggen: houdt u zich aan de ratio fundamentalis, die ik voor de stichting van seminaries heb uitgevaardigd en waar alle seminaries aan moeten beantwoorden». De ratio fundamentalis schrijft voor, dat men in seminaries nog Latijn onderwijst en dat de studies naar de leer van de H. Thomas worden verricht. Ik heb mij veroorloofd te antwoorden:«Eminentie, wij zijn vermoedelijk de enigen die zich daaraan houden». En dat geldt vandaag nog veel sterker, ofschoon toch de ratio fundamentalis nog altijd van kracht is. Wat verwijt men ons dan?

Toen het noodzakelijk werd een regelrecht seminarie te openen en ik het huis in Ecône – een voormalig herstellingsoord van de Koorheren van de Grote St. Bernhard – had gehuurd, bezocht ik de bisschop van Sitten, mgr. Adam, die mij zijn toestemming gaf. Ik had deze stichting niet al lang van tevoren gepland, zij werd mij veeleer door de Voorzienigheid aangeboden. Ik had gezegd:«Als het werk zich wereldwijd uitbreidt, zal dat het teken zijn, dat God met ons is». Van jaar tot jaar is het aantal seminaristen gegroeid; in het jaar 1970 zijn er elf ingetreden, in 1974 waren het er veertig. Onder de vernieuwers verspreidde zich onrust: het was duidelijk, dat wij seminaristen vormden om hen te wijden en dat deze toekomstige priesters de Mis van de Kerk, de Mis van de traditie, de Mis van alle tijden, trouw zouden zijn. Men mag de reden voor de aanvallen, waaraan wij blootgesteld waren, nergens anders zoeken; men zou geen andere reden vinden. Ecône bleek voor de neomodernistische Kerk een gevaar te zijn dat het hoofd moest worden geboden eer het te laat was.

En zo verschenen op 11 november 1974, met de eerste sneeuw, twee apostolische visitatoren in het seminarie. Zij waren uitgezonden door een commissie, die door paus Paulus VI was benoemd en bestond uit de kardinalen Garrone, Wright en Tabera, welke laatste prefect was van de H. Congregatie voor de Religieuzen en de Seculiere Instituten. Zij ondervroegen tien professoren en twintig van de honderdvier aanwezige seminaristen, alsook mijzelf. Twee dagen later reisden zij weer af en lieten een onaangename indruk achter: zij hadden met de seminaristen schandalige gesprekken gevoerd, de priesterwijding van gehuwden voor normaal gehouden, zij hadden verklaard dat zij geen onveranderlijke waarheid lieten gelden en twijfel geuit aan de traditionele opvatting van de Opstanding van Onze Heer. Over het seminarie zeiden zij niets en lieten ook geen protocol achter.

Met het oog daarop publiceerde ik, diep verontwaardigd over de door hen gevoerde gesprekken, een verklaring, die met de volgende woorden begon:

«Wij hangen van ganser harte en met heel onze ziel aan het katholieke Rome, behoedster van het katholieke geloof en van de voor de instandhouding van dit geloof noodzakelijke tradities; wij zijn met hart en ziel gehecht aan het eeuwige Rome, leermeesteres der wijsheid en van de waarheid.

Wij wijzen het daarentegen af, en hebben het altijd afgewezen, het Rome van een neomodernistische en neoprotestantse tendens te volgen, die duidelijk naar voren is gekomen tijdens en na het Tweede Vaticaans Concilie en in alle hervormingen die daaruit zijn voortgekomen».

Deze taal was zeker ietwat scherp, maar zij drukte toentertijd mijn gedachten uit, die ook vandaag nog dezelfde zijn. De commissie van kardinalen heeft hierop besloten onze vernietiging op deze tekst te baseren, want zij konden zich voor hun voornemen niet beroepen op de leiding van het seminarie: de kardinalen verklaarden mij namelijk twee maanden later, dat de apostolische visitatoren bij het officiële inwinnen van hun inlichtingen een goede indruk zouden hebben gekregen.

De kardinalencommissie heeft mij op 13 februari van het volgende jaar voor een “onderhoud” naar Rome uitgenodigd, om enige punten op te helderen, en ik ben daar verschenen, zonder te vermoeden dat men mij in een valstrik lokte. Het onderhoud veranderde al vanaf het begin in een scherp verhoor zoals voor een rechtbank. Er volgde een tweede onderhoud op 3 maart en twee maanden daarop informeerde de commissie mij «met volledige instemming van Zijne Heiligheid» over de besluiten die zij had getroffen: mgr. Mamie, de nieuwe bisschop van Fribourg, werd het recht toegekend de door zijn voorganger verstrekte officiële goedkeuring van de broederschap in te trekken. Daarmee zou deze, evenals haar stichtingen, op de eerste plaats het seminarie van Ecône, haar “bestaansrecht” hebben verloren.

Zonder de ambtelijke bekendmaking van deze besluiten af te wachten, schreef mgr. Mamie mij:«Ik stel u er dus van in kennis, dat ik de door mijn voorganger gestelde rechtshandelingen en verleende vergunningen ten aanzien van de Priesterbroederschap St. Pius X intrek, in het bijzonder het stichtingsdecreet van 1 november 1970. Dit besluit treedt met onmiddellijke ingang in werking».

Als u mijn uiteenzettingen hebt gevolgd, kunt u constateren, dat deze opheffing onderhanden werd genomen door de bisschop van Fribourg en niet door de H. Stoel. Volgens canon 493 is dit een wegens gebrek aan bevoegdheid juridisch ongeldige maatregel.

Daar komt het gebrek aan toereikende gronden nog bij. Omdat volgens de uitspraak van de genoemde commissie de resultaten van de apostolische visitatie gunstig waren, kon het besluit alleen maar steunen op mijn verklaring van 21 november 1974, die door de commissie als «op alle punten onacceptabel» werd verklaard. Mijn verklaring was echter nooit voorwerp van een veroordeling door de H. Congregatie voor de Geloofsleer(het voormalige H. Officie), die alleen bevoegd is erover te oordelen of die in tegenstelling is met het katholieke geloof. Zij werd immers door drie kardinalen slechts «op alle punten onacceptabel» bevonden en wel tijdens het verloop van een bijeenkomst die officieel, evenals vroeger, als onderhoud geldt.

Het wettige bestaan van de commissie zelf werd nooit bewezen. Door welke pauselijke handeling werd zij ingesteld? Op welke datum? Voor welk forum werd de akte opgesteld? Aan wie werd die ambtelijk bekendgemaakt? Het feit, dat de Romeinse autoriteiten weigerden de stukken over te leggen, staat twijfel aan het bestaan ervan toe. «Bij gerechtelijke twijfel is de wet niet verplichtend», zegt het kerkelijke wetboek; en nog minder wanneer de competentie, ja zelfs het voorhanden zijn van een erkend overheidsorgaan twijfelachtig is. De woorden «met volledige instemming van Zijne Heiligheid» zijn juridisch ontoereikend; zij kunnen het decreet, dat de kardinalencommissie zou hebben moeten constitueren en haar volmachten zou hebben moeten omschrijven, niet vervangen.

Louter procedurefouten, die de opheffing van de broederschap nietig maken. Men mag ook niet vergeten, dat de Kerk niet een totalitaire maatschappij is van het nazistische of marxistische type, en dat het recht, zelfs wanneer het wordt gerespecteerd – wat in deze aangelegenheid juist niet het geval is – geen absoluut begrip voorstelt. Het heeft betrekking op de waarheid, op het geloof, op het leven. Het kerkelijke recht is in het leven geroepen om ons het geestelijke leven mogelijk te maken en ons zo tot het eeuwige leven te leiden. Gebruikt men deze wet om ons te hinderen daar te geraken, om in zekere mate ons geestelijke leven af te doen sterven, dan zijn wij verplicht gehoorzaamheid te weigeren, juist zoals de burgers van een land verplicht zijn de abortuswet niet te gehoorzamen.

Om op juridisch gebied te blijven: ik ben tweemaal na elkaar bij de apostolische Signatura, die zo ongeveer overeenkomt met het Hooggerechtshof(of in België: het Hof van Cassatie) bij het civiele recht, in beroep gegaan.

De kardinaal-staatssecretaris, mgr. Villot, heeft aan de hoogste rechtbank van de Kerk verboden die beroepen aan te nemen, wat een ingreep in de rechterlijke macht betekent.

20. De zogeheten Mis van de H. Pius V, de Mis van Alle Tijden

Hoofdstuk XX

Eén enkel feit zal u zeker niet hebben verrast: op geen enkel moment van de in het vorige hoofdstuk geschilderde onenigheid is sprake geweest van de Mis, ofschoon zij het kernpunt van het conflict vormt. Dit krampachtige zwijgen is een bekentenis, dat de zogeheten Ritus van Pius V juridisch toegelaten blijft.

In dit opzicht kunnen de katholieken volkomen gerust zijn: de Mis is niet verboden en kán ook niet verboden worden. De H. Pius V, die haar, om het nog eens te herhalen, niet heeft uitgevonden, maar die «het Missaal in overeenstemming heeft gebracht met de oude regel en met de riten van de heilige kerkvaders», geeft ons daarover in de door hem op 14 juli 1570 ondertekende bul ‘Quo Primum’ de volle zekerheid:

«Wij hebben besloten en verklaren, dat de oversten, bestuurders, kanunniken, kapelaans en andere priesters, van welke titel ook, of kloosterlingen van welke orde ook, er niet toe mogen worden gedwongen de Mis anders te vieren dan wij haar hebben vastgesteld, en dat zij nooit ofte nimmer door wie dan ook gedwongen of genoodzaakt mogen worden dit missaal op te geven of de voorliggende beschikking buiten werking te stellen of te veranderen, zodat de verordening veeleer voor immer volledig en onverminderd van kracht en geldig blijven zal……. Wanneer iemand zich niettemin tot zulk een vervalsing zou verstouten, dan wete hij dat hij zich daardoor het misnoegen van de Almachtige God en van zijn heilige apostelen Petrus en Paulus over zich afroept».

Als men zou aannemen, dat de paus dit voor eeuwig geldende privilege zou kunnen terugnemen, dan zou hij dit moeten doen door middel van een even plechtig document. De apostolische constitutie ‘Missale Romanum’ van 3 april 1969 staat de zogeheten Mis van Paulus VI toe. Zij bevat echter geen enkel nadrukkelijk uitgesproken verbod van de Tridentijnse(met het Concilie van Trente overeenstemmende) Mis. Dat is zo zeker dat kardinaal Ottaviani in het jaar 1971 kon zeggen:«Ik wist niet, dat de Tridentijnse Ritus afgeschaft zou zijn». Bisschop Adam van Sitten had op de plenaire vergadering van de Zwitserse bisschoppen beweerd, dat de constitutie ‘Missale Romanum’ verboden zou hebben de Mis volgens de ritus van de H. Pius V te celebreren, behalve op grond van een bijzondere toestemming. Nadat hem was gevraagd aan te geven met welke woorden dit verbod zou zijn uitgesproken, moest hij zijn bewering terugnemen.

Daaruit volgt, dat een veroordeling waarmee een priester wegens het lezen van de Tridentijnse Mis disciplinair gestraft of zelfs geëxcommuniceerd zou worden, absoluut ongeldig zou zijn. De H. Pius V heeft deze Mis voorgoed juridisch vastgesteld; een paus kan echter een dergelijke wet niet opheffen, netzomin als hij de canonisatie van een heilige ongedaan kan maken. Wij kunnen deze Mis in alle gemoedsrust lezen, en de gelovigen kunnen haar zonder het geringste angstige voorbehoud bijwonen; voor het overige moeten zij weten, dat dit het beste middel is om hun geloof te bewaren.

Dit is zo onbetwistbaar juist, dat Zijne Heiligheid Johannes Paulus II na enige jaren te hebben gezwegen over het ‘hoofdstuk’ Mis, tenslotte het aan de katholieken aangelegde dwangbuis losser gesteld heeft. De brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst van 3 oktober 1984 «staat» de ritus van de H. Pius V weer «toe» voor gelovigen die daarom verzoeken. Gewis worden er voorwaarden opgelegd, die wij niet kunnen accepteren, en anderzijds hadden wij dit indult ook helemaal niet nodig om een recht te genieten, dat ons tot het einde der tijden werd toegestaan.

Dan komen wij nu bij de suspensie a divinis die mij op 22 juli 1976 werd opgelegd. Die was een gevolg van de op 29 juli toegediende wijdingen; reeds gedurende de drie voorafgaande maanden bereikten ons uit Rome scherpe verwijten, dringende verzoeken,bevelen en bedreigingen, die van ons eisten onze werkzaamheden te staken en deze priesterwijdingen niet te verrichten. Nog tijdens de dagen die onmiddellijk aan de wijdingen vooraf gingen, hebben wij onophoudelijk boodschappen en afgezanten ontvangen. En wat hebben zij ons gezegd? Zes achtereenvolgende malen verlangden zij van mij weer normale betrekkingen met de H. Stoel tot stand te brengen, door de nieuwe ritus te accepteren en die zelf te celebreren. Men ging zover een monseigneur naar mij toe te sturen, die mij het aanbod deed met mij te concelebreren; men gaf mij een nieuw missaal in de hand en beloofde mij, dat voortaan tussen Rome en mij alles bijgelegd zou zijn als ik op 29 juni voor de totale vergadering van hen, die zouden komen om voor de nieuwe priesters te bidden, de Mis van Paulus VI zou lezen.

Dat wil echter zeggen, dat men mij niet verboden heeft die wijdingen toe te dienen, maar dat men wilde, dat zij volgens de nieuwe liturgie toegediend zouden worden. Vanaf dit ogenblik was het duidelijk, dat de reden voor dit hele, ook vandaag nog voortdurende, drama tussen Rome en Ecône het probleem van de Mis is.

In de preek van de wijdingsmis heb ik gezegd:«Misschien zal morgen wegens deze priesterwijdingen van vandaag onze veroordeling in de kranten staan, dat is zeer goed mogelijk. Ik zal waarschijnlijk een suspensie krijgen opgelegd. Deze jonge priesters zal irregulariteit(1) worden opgelegd die hen fundamenteel moet beletten de H. Mis te lezen. Dat is zeer wel mogelijk. Dan zal ik mij echter op de H. Pius V beroepen».

Menige katholiek was misschien verontrust, omdat ik deze suspensie a divinis heb afgewezen. Maar men moet hier begrijpen dat dit alles innig met elkaar verband houdt: waarom heeft men mij verboden die wijdingen uit te voeren? Omdat de broederschap opgeheven zou zijn en het seminarie derhalve gesloten zou moeten zijn.  Maar ik had immers die opheffing en die sluiting daarom niet geaccepteerd, omdat beide besluiten onwettig waren getroffen en omdat de genomen maatregelen verscheidene kerkrechtelijke  gebreken aankleefden, zowel wat vorm als wat motivering betreft(namelijk die, die de bestuurskundige juristen «misbruik van bevoegdheid» noemen, dat wil zeggen: het gebruik van bevoegdheden op een manier, die strijdig is met het doel waarvoor ze zouden moeten worden gebruikt). Ik zou alles vanaf het begin hebben moeten accepteren, maar ik heb dat niet gedaan, omdat onze veroordeling heeft plaatsgevonden zonder oordeel, zonder de mogelijkheid van een verdediging, zonder officiële waarschuwing, zonder gerechtelijk schriftuur, dat het gevorderde, de eis of conclusie bevat en zonder de mogelijkheid tot hoger beroep. Als men het eerste oordeel afwijst, is er geen enkele reden niet ook de andere af te wijzen, want de andere steunen allemaal op die eerste. De nietigheid van het eerste oordeel heeft de nietigheid van alle latere tot gevolg.

Nog een andere vraag rijst soms bij priesters en gelovigen: kan men tegenover allen gelijk hebben? Tijdens een persconferentie zei de verslaggever van ‘Le Monde’ tegen mij:«Maar tenslotte staat u alleen daar; alleen tegen de paus, alleen tegen alle bisschoppen. Is uw strijd wel zinvol?»   «Maar ik sta immers niet alleen. Ik heb de gehele traditie aan mijn zijde, de Kerk bestaat immers in tijd èn ruimte. En ik weet dat vele bisschoppen er in hun hart net zo over denken als wij. Vandaag, na de open brief aan de paus, die monseigneur Antonio de Castro Mayer(emeritus bisschop van Campos, Brazilië) samen met mij heeft ondertekend, zijn wij met ons tweeën, die zich openlijk tegen de protestantisering van de Kerk hebben verklaard. Wij hebben vele priesters aan onze zijde. En dan zijn daar nog onze seminaries, waaruit jaarlijks ongeveer 40 nieuwe priesters voortkomen, onze 250 seminaristen, onze 30 broeders, onze 60 zusters, onze 30 oblaten, de kloosters en karmels die ontstaan en zich ontwikkelen, en het grote aantal gelovigen dat naar ons toe komt».

De waarheid ontstaat daarenboven niet door het aantal, en het aantal maakt de waarheid niet uit. Zelfs wanneer ik alleen zou staan, als al mijn seminaristen mij zouden verlaten, zelfs als de totale publieke opinie mij zou opgeven, zou mij dat onverschillig zijn voor zover het mijzelf betreft. Ik houd mij aan mijn Credo, aan mijn catechismus vast, ik houd vast aan de traditie, die alle uitverkorenen in de hemel heeft geheiligd, ik wil mijn ziel redden. De publieke opinie kent men maar al te goed; zij heeft Onze Heer al veroordeeld, een paar dagen nadat zij Hem had toegejubeld. Dat is nu eenmaal Palmzondag, waarna dan Goede Vrijdag volgt. Zijne Heiligheid Paulus VI vroeg mij:«Maar maakt u zichzelf niet misschien toch in uw diepste innerlijk een zeker verwijt ten aanzien van hetgeen u doet? U verwekt in de Kerk een enorme ergernis, enorm! Zegt uw geweten u dat niet?» Ik antwoordde:«Neen, Heilige Vader, helemaal niet». Als ik mijzelf zoiets te verwijten zou hebben, zou ik er meteen mee ophouden.

Paus Johannes Paulus II heeft de tegen mij uitgesproken sanctie bevestigd noch opgeheven. Ter gelegenheid van de audiëntie die hij mij in november 1979 toestond, scheen hij na een lang gesprek tamelijk geneigd te zijn in de liturgie de vrije keus te laten, mij, kortom, datgene te laten doen waar ik vanaf het begin aanspraak op heb gemaakt: onder alle experimenten, die in de Kerk worden doorgevoerd, “het experiment van de traditie” een plaats te gunnen. Bijna scheen het moment gekomen waarop de dingen geregeld zouden worden: geen verdere boycot van de Mis, geen problemen meer. Maar kardinaal Seper, die er ook bij aanwezig was, onderkende het gevaar en riep:«Maar Heilige Vader, die zullen deze Mis op hun eigen banier schrijven». Het zware doek, dat voor een ogenblik was opgehaald, is weer gevallen. Wij moeten wachten.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XX

  1. Binnen de R.K. Kerk staat deze uitdrukking voor:«Beletsel voor het ontvangen van wijdingen of het gebruik maken van wijdingsmacht».

21. Noch Ketters noch Schismatiek

Hoofdstuk XXI

De verklaring van 21 november 1974, die het proces waarover ik heb gesproken, heeft teweeggebracht, besluit met de woorden:«Als wij aldus handelen……. zijn wij ervan overtuigd, de rooms katholieke Kerk, zowel als alle opvolgers van Petrus trouw te blijven en de trouwe rentmeesters van de geheimen van Onze Heer Jezus Christus te zijn». De Osservatore Romano heeft in zijn publicatie van de tekst van de verklaring dit gedeelte weggelaten. Sinds meer dan tien jaar doen onze tegenstanders alle moeite ons uit de gemeenschap van de Kerk te stoten, doordat zij te verstaan geven, dat wij de autoriteit van de paus niet erkennen. Het zou heel praktisch zijn ons tot sekte te bestempelen en tot schismatici te verklaren. Hoe vaak is al niet het woord schisma ten aanzien van ons gevallen!

Ik heb het herhaald en nog eens herhaald, steeds weer opnieuw: als ìemand zich van de paus afscheidt: ìk zal het niet zijn. De kwestie laat zich als volgt samenvatten: de macht van de paus in de Kerk is een hoogste macht, zij is echter niet absoluut en zonder grenzen, want zij is ondergeschikt aan de goddelijke macht, die haar uitdrukking vindt in de overlevering, in de H. Schrift en in de al door het kerkelijk leergezag gepromulgeerde definities. Inderdaad vindt de macht van de paus haar grenzen in het uiteindelijke doel waarvoor zij op aarde aan de plaatsvervanger van Christus werd verleend. Pius IX heeft dit uiteindelijke doel in de constitutie ‘Pastor Æternus’ van het Eerste Vaticaans Concilie duidelijk gedefinieerd. Ik bouw dus, wanneer ik dat zeg, niet zo’n beetje eigen theorieën op.

Blinde gehoorzaamheid is niet katholiek; niemand is van verantwoordelijkheid vrijgesteld, als hij de mensen meer gehoorzaamt dan God, doordat hij bevelen van een hogere instantie, al was het de paus, opvolgt, ofschoon blijkt dat zij de wil van God, die wij met zekerheid uit de overlevering kunnen kennen, tegenspreken. Natuurlijk zal men deze eventualiteit niet in overweging nemen als de paus aanspraak maakt op zijn onfeilbaarheid, maar dat doet hij immers slechts zelden. Het is een dwaling te geloven dat ieder woord van de paus onfeilbaar is.

 Als ik dat zeg, behoor ik echter niet tot hen, die insinueren of openlijk beweren dat Paulus VI ketters was en dat hij bijgevolg geen paus meer was. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat de meeste kardinalen – omdat zij door hem zijn benoemd –  geen kardinaal zouden zijn en dus ook geen geldige andere paus zouden hebben gekozen. Johannes Paulus I en Johannes Paulus II zouden bijgevolg niet rechtsgeldig zijn gekozen. Dat is het standpunt van hen, die men sedevacantisten noemt.

Men moet toegeven, dat paus Paulus VI het geweten van de katholieken voor een ernstig probleem heeft gesteld. Deze paus heeft de Kerk meer schade toegevoegd dan de Revolutie van 1789. Bepaalde daden, zoals de ondertekening van artikel 7 van de Institutio Generalis, evenals die van het document over de godsdienstvrijheid, zijn schandalig. Maar de vraag of een paus ketters kan zijn, is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Een niet gering aantal theologen gelooft, dat hij het kan zijn als privé leraar, maar niet als leraar van de gehele Kerk. Men zou dus moeten onderzoeken in welke mate Paulus VI in gevallen als de zojuist genoemde zijn onfeilbaarheid wilde inzetten.

Wij konden nu vaststellen, dat hij veel eerder als liberaal heeft gehandeld, als dat hij zich bij de ketterij zou hebben aangesloten. Zo gauw men hem namelijk op het gevaar waarin hij dreigde te geraken attendeerde, maakte hij de tekst tegenstrijdig, doordat hij er een formule aan toevoegde, die aan datgene wat in de tekst tot dusver werd beweerd, was tegengesteld. Men kent het beruchte voorbeeld van de inleidende nota explicativa, die hij achteraf aan de constitutie ‘Lumen Gentium’ over de collegialiteit toevoegde. Of hij stelde een voor verschillende uitleggingen vatbare formulering op, wat immers behoort tot het wezen van de liberalen, dat van nature onsamenhangend denkt.

Het liberalisme van Paulus VI, dat werd toegegeven door zijn vriend, kardinaal Daniélou, is voldoende verklaring voor de catastrofen van zijn pontificaat. De liberale katholiek is een persoonlijkheid met twee gezichten, steeds in tegenspraak verwikkeld. Hij wil katholiek blijven, maar is bezeten door de wens de wereld te behagen. Kan een paus liberaal zijn en paus blijven? De Kerk heeft de liberale katholieken altijd streng terechtgewezen, maar hen echter niet altijd geëxcommuniceerd. De sedevacantisten brengen een ander argument naar voren: is de keuze van deze pausen door de uitschakeling van kardinalen van 80 jaar en ouder en door de beide aan de conclaven voorafgegane geheime bijeenkomsten niet ongeldig? Ongeldig zou teveel gezegd zijn, maar misschien twijfelachtig. Nochtans was de na de pauskeuze eensgezinde de-facto erkenning door kardinalen en clerus van Rome genoeg om de keuze geldig te maken. Dat is de mening van de theologen.

De argumentatie van hen, die beweren dat er tegenwoordig geen paus zou zijn, zou de Kerk in een onontwarbare situatie te brengen. De kwestie van de zichtbaarheid van de Kerk is té noodzakelijk voor haar bestendigheid, dan dat God haar decennia lang zou kunnen onderbreken. Wie zou ons kunnen zeggen, waar de toekomstige paus is? Hoe zal men hem kunnen aanwijzen als er geen kardinalen meer zijn? Voor ons is dat een schismatieke geest. Onze broederschap wijst het streng van de hand, zich met een dergelijke argumentatie in te laten. Wij willen met Rome verbonden blijven, met de opvolger van Petrus, ook al wijzen wij, uit trouw aan zijn voorgangers, het liberalisme van Paulus VI af.

Het is duidelijk, dat in gevallen als dat der godsdienstvrijheid, de op grond van het nieuwe kerkelijke recht veroorloofde eucharistische gastvrijheid of collegialiteit, opgevat als bevestiging van tweeërlei opperste macht in de Kerk, iedere katholieke geestelijke en iedere gelovige de plicht heeft, weerstand te bieden en gehoorzaamheid te weigeren. Dit verzet moet openlijk zijn, wanneer het euvel openlijk is en een voorwerp van ergernis voor de zielen betekent. Daarom hebben mgr. De Castro Mayer en ik, met een beroep op de H. Thomas van Aquino, op 21 november 1983 een open brief aan paus Johannes Paulus II gezonden, om hem dringend te smeken, de hoofdoorzaken van de tragische situatie waarin de Kerk voor haar bestaan vecht, aan de kaak te stellen. Alle stappen, die wij vijtien jaar achtereen persoonlijk hebben ondernomen, zijn zonder resultaat gebleven; een verder zwijgen mòèst ons, zo geloven wij, tot medeschuldigen maken aan deze wereldwijde verwarring van de zielen.

«Heilige Vader», schreven wij, «het is dringend geboden dat deze nood een einde neemt, want de kudde raakt in de verstrooiïng en de in de steek gelaten schapen volgen de huurlingen. Wij bezweren u, omwille van het katholieke geloof en het heil van de zielen, de waarheden die tegenover deze dwalingen staan, opnieuw te bekrachtigen». Onze alarmkreet was nog heftiger uitgevallen wegens de afdwalingen, om niet te zeggen ketterijen, van het nieuwe kerkelijke recht, en vanwege de plechtigheden en toespraken naar aanleiding van de 500ste geboortedag van Luther.

Wij hebben geen antwoord ontvangen, maar wij hebben gedaan wat wij moesten doen. Wij mogen niet wanhopen, alsof het om een menselijke onderneming zou gaan. De schokken van nu zullen vergaan, zoals alle ketterijen vergaan zijn. Op een goede dag zal men tot de traditie moeten terugkeren: in de autoriteit van de paus van Rome zal wederom die volheid van macht duidelijk aan het licht moeten treden, die door de tiara wordt uitgebeeld, geloof en zeden zullen weer door een rechtbank die permanent zitting houdt beschermd moeten worden, en de bisschoppen zullen hun volledige macht en hun persoonlijk initiatief moeten terugwinnen.

Men zal onvoorwaardelijk de ware apostolische arbeid moeten bevrijden van alle hindernissen, die haar vandaag verlammen, en het wezenlijke van de boodschap overdekken; het komt erop aan de seminaries weer hun ware opdracht te geven, kloostergemeenschappen weer tot nieuw leven te wekken en de katholieke scholen en universiteiten van de laïcistische studieprogramma’s van de staat te bevrijden en zo weer te herstellen. Evenzo zal men ook organisaties van ondernemers en vakbonden ondersteunen, die vastbesloten zijn onder inachtneming van plichten en rechten van allen broederlijk samen te werken en van de sociale gesel van de staking, die niets anders is dan een koude burgeroorlog, af te zien; tenslotte zal men naar een burgerlijke wetgeving, die met de wetten van de Kerk overeenstemt, toewerken en de aanstelling van katholieke afgevaardigden moeten ondersteunen, die geleid worden door de wil, de samenleving in te stellen op een officiële erkenning van het koningschap van Onze Heer over de maatschappij.

Want wat zeggen wij tenslotte iedere dag, wanneer wij bidden? «Uw rijk kome, Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel». En in het Gloria van de Mis? «Gij alleen de Heer, Jezus Christus». Moeten wij dat zingen en meteen na het verlaten van de kerk zeggen:«Neen! Dat zijn verouderde begrippen. Onmogelijk in de wereld van vandaag eraan te denken, over het koningschap van Jezus Christus te spreken»? Stellen wij ons dus tevreden met dit gebrek aan logica? Zijn wij christenen of zijn wij het niet? De volkeren worstelen met onontwarbare moeilijkheden, in veel landen komt er maar geen einde aan de oorlog, de mensen sidderen bij de gedachte aan een mogelijke nucleaire catastrofe, men onderzoekt wat men zou kunnen doen om de economische positie te verbeteren, zodat de mensen weer aan geld komen, de werkloosheid ophoudt en de industrie weer opbloeit. Maar zelfs vanuit wetenschappelijk standpunt is het noodzakelijk dat Onze Heer regere, omdat dan de principes van liefde en de geboden Gods heersen, die evenwicht in de maatschappij scheppen en gerechtigheid en vrede brengen. Vindt u, dat het een christelijke houding is, hoop te stellen op deze of gene politicus, op deze of gene partijcoalitie en uzelf in te beelden, dat misschien op een dag een programma, dat beter is dan de andere, de problemen op zekere en definitieve wijze zal oplossen, terwijl men met opzet de “enige Heer” uitsluit, als zou Hij met menselijke aangelegenheden niets te maken hebben, als zou Hem dat niets aangaan? Wat voor een geloof hebben zij, die hun leven in twee parten delen met een ondoordringbare muur tussen hun godsdienst en hun andere – politieke, beroepsmatige enz. – bezigheden? God, die hemel en aarde heeft geschapen, zou niet in staat zijn, onze jammerlijke materiële en sociale moeilijkheden te regelen? Als u zelf reeds in de moeilijke uren van uw leven tot Hem hebt gebeden, weet u uit ervaring, dat Hij zijn kinderen, die Hem om brood vragen, geen stenen geeft.

De christelijke maatschappij-ordening staat in tegenstelling tot de marxistische theorieën, die in alle werelddelen waar zij in de praktijk werden omgezet, nooit iets anders hebben gebracht dan ellende, vernietiging van de zwaksten, dood en minachting van de mens. De christelijke maatschappij-ordening respecteert het privé eigendom, beschermt het gezin tegen alles wat het ondermijnt, bevordert het kinderrijke gezin en moedigt de vrouw aan thuis te blijven, ruimt voor privé initiatieven een legitieme autonomie in, ondersteunt de kleine en middelgrote ambachtelijke en industriële bedrijven, begunstigt de terugkeer tot de landarbeid, schat het boerenbedrijf op haar juiste waarde, staat vakverenigingen voor, staat de privé school toe en beschermt de burgers tegen iedere vorm van subversie en revolutie.

Deze christelijke ordening onderscheidt zich natuurlijk ook van het liberale, op scheiding van Kerk en staat berustende regeringssysteem, waarvan de onmacht tot crisisbeheersing steeds duidelijker wordt. Hoe zou dat hen ook mogelijk zijn, daar zij zich vrijwillig van Hem hebben afgescheiden, die «het licht der mensen» is? Hoe zouden zij de krachten van de burgers kunnen bundelen, waar zij hen toch geen ander ideaal aan te bieden hebben dan welstand en geriefelijkheid? Zij konden de illusie enige tijd overeind houden, omdat de volkeren gewoontegetrouw nog christelijk gedachtengoed hadden bewaard en hun leiders, min of meer bewust, nog enkele waarden hebben behouden. In het tijdperk van de “ter discussie stelling” verdwijnen de onbewuste betrekkingen met de wil van God. De liberale systemen zijn aan zichzelf overgeleverd en worden niet meer door een of andere hogere leidende gedachte aangedreven; zij putten zichzelf uit en zijn dan een gemakkelijke prooi voor subversieve ideologieën.

Over de christelijke maatschappij-ordening te spreken wil dus niet zeggen, zich vast te klampen aan een verleden dat eens voor altijd vervlogen zou zijn; zij is, integendeel, een uitgangspositie voor de toekomst, die u zonder angst openlijk moet verdedigen. U voert geen achterhoedegevecht, u behoort tot diegenen die weten waarom het gaat, omdat zij hun onderricht van Hem ontvangen, die gezegd heeft:«Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven». Wij zijn superieur, omdat wij de waarheid bezitten. Dat is niet onze verdienste, wij moeten ons daar niet op beroemen, maar wij moeten dienovereenkomstig handelen. De Kerk is superieur aan de dwaling, omdat zij de waarheid bezit. Het is aan haar, die waarheid met de genade Gods te verbreiden en haar niet beschaamd onder de korenmaat te zetten.

Maar nog minder mag men de waarheid met onkruid vermengen, zoals dat vandaag voortdurend gebeurt. Ik lees in de Osservatore Romano van 18 januari 1984 een door Paolo Befani ondertekend interessant artikel over de begunstiging van het socialisme door het Vaticaan. De auteur vergelijkt de toestand in midden-Amerika met die in Polen en schrijft:«De Kerk aanvaardt de toestand in Europa, maar ziet zich enerzijds geconfronteerd met de situatie van de Latijns Amerikaanse landen en de invloed die de Verenigde Staten daarop uitoefenen, en anderzijds met de positie van Polen, dat zich binnen de invloedssfeer bevindt van het Sovjet imperium.

Op deze beide grenzen stuitend, biedt de Kerk – die met het concilie de democratisch-liberale verworvenheden van de Franse Revolutie heeft geaccepteerd en zelfs nog verder is gegaan en zichzelf op haar weg voorwaarts (zie de encycliek ‘Laborem Exercens'(1) )  opwerpt als iets, dat na de Russische marxistische revolutie zal komen – zichzelf aan als oplossing voor het mislukken van het marxisme, als “sleutel” tot een post-marxistisch, democratisch, uit christelijke wortel voortkomend, op zelfbestuur berustend en niet-totalitair socialisme.

Het antwoord aan het Oosten wordt gesymboliseerd door Solidarnosc(2)(Solidariteit), die tegenover de Lenin-werf in Danzig het kruis heeft geplant. Het is de dwaling van Latijns Amerika de oplossing te zoeken in het communistische marxisme, in een socialisme uit anti-christelijke wortel».

Dat is precies het liberale illusionisme, dat tegenstrijdige woorden met elkaar verbindt en ervan is overtuigd een waarheid uit te spreken! Aan deze overspelige dromers, die bezeten zijn van het idee de Kerk met de Revolutie te verenigen, hebben wij de chaos van de christelijke wereld, die haar poorten voor het communisme opent, te danken. De H. Pius X zei van de Sillonisten:«Zij kijken begerig naar het socialisme, de ogen gefixeerd op een hersenschim». Hun opvolgers gaan er mee door. Na de christelijke democratie het christelijke socialisme! Tenslotte zullen wij bij het Christendom zonder God terechtkomen. De oplossing die moet worden gevonden betreft niet slechts de mislukking van het marxisme, maar ook het mislukken van de christelijke democratie, die niet meer bewezen hoeft te worden. Ophouden met compromissen, met verenigingen die aan de rede zijn tegengesteld! Wat hebben wij in dit troebele water te zoeken? De katholiek heeft de ware “sleutel”; het is zijn plicht, met al zijn kracht, hetzij door persoonlijke inzet in de politiek, hetzij door zijn stem, eraan te werken zijn vaderland burgemeesters, raadsleden en afgevaardigden te geven, die vastbesloten zijn de christelijke sociale orde weer te herstellen – de enige die geëigend is vrede, gerechtigheid en ware vrijheid te brengen. Er is geen andere oplossing.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XXI.

  1. Van Johannes Paulus II van 14 sept. 1981.
  2. Poolse christelijke vakbond.

22. De Gezinnen moeten zich verweren

Hoofdstuk XXII

Het is de hoogste tijd zich te verweren. Wanneer ‘Gaudium et Spes’ spreekt over het tempo van de geschiedenis, dat «zo snel verloopt, dat iedereen moeite heeft haar bij te houden», kan men dit tempo begrijpen als een onverhoeds neerstorten van de liberale maatschappij in ontbinding en chaos.  Laten wij ons ervoor hoeden dezelfde weg te gaan.

Hoe is het mogelijk dat leidende persoonlijkheden zich beroepen op de christelijke godsdienst en gelijktijdig iedere autoriteit in de gemeenschap vernietigen? Het komt er toch in tegendeel op aan het gezag, dat door de Voorzienigheid voor die beide natuurlijke gemeenschappen van goddelijk recht werd gewild, waarvan de invloed hier op aarde van de grootste betekenis is, weer te herstellen: het gezin en de burgermaatschappij. In het bijzonder het gezin heeft in deze laatste tijd de hardste klappen gekregen. De overgang tot het socialisme van landen als Frankrijk en Spanje heeft dit proces nog versneld.

De elkaar opvolgende wetten en maatregelen toonden een nauwe samenhang in hun wil, de instelling van het gezin te vernietigen: afname van het vaderlijk gezag, vergemakkelijking van echtscheiding, ontbrekend verantwoordelijkheidsbesef bij het verwekken van nieuw leven, erkenning door de overheid van vrije huwelijken, ja zelfs van homoseksuele paren, samenwonende jongeren, proefhuwelijken, vermindering van de sociale en belastingtechnische hulp voor het kinderrijke gezin… De staat zelf begint, en wel uit eigenbelang, de consequenties van de geboortendaling te ontwaren. Men vraagt zich af hoe, reeds in de nabije toekomst, de jonge generatie de ouderdomspensioenen van de gepensioneerden kan waarborgen. Maar de uitwerking op geestelijk gebied is nog wezenlijk ernstiger.

De katholieken mogen hier geen meelopers zijn; zij moeten, omdat zij immers zelf ook staatsburgers zijn, hun volle geweicht in de schaal werpen, om daar waar het nodig is de orde te herstellen. Derhalve mogen zij zich niet van de politiek afzijdig houden. Nochtans zullen zij hun grootste zorg laten uitgaan naar de opvoeding die zij hun kinderen geven.

In dit opzicht wordt de autoriteit al in de grond aangetast door hen die verklaren dat «de ouders niet de eigenaars van hun kinderen zijn», waarmee zij willen zeggen, dat hun opvoeding een zaak van de staat is, met zijn laïcistische scholen, crèches en kleuterscholen. Men verwijt de ouders de “gewetensvrijheid” van hun kinderen niet te respecteren, wanneer zij hen volgens hun eigen godsdienstige overtuigingen opvoeden.

Deze ideeën gaan terug tot de Engelse filosofen van de zeventiende eeuw, die in de mensen slechts geïsoleerde individuen wilden zien, die vanaf hun geboorte onafhankelijk, aan elkaar gelijk en aan iedere autoriteit onttrokken zijn. Wij weten dat dat fout is. Het kind krijgt alles van zijn vader en moeder, voedsel voor lichaam en geest, karaktervorming en maatschappelijke opvoeding. De ouders laten zich daarbij door leraren helpen, die, in het bewustzijn van de kinderen, aan de ouderlijke autoriteit deelhebben. Bijna het totale weten dat de opgroeiende jongere verwerft, hetzij door de ouders, hetzij door de leraren, is echter eerder iets dat aangeleerd is, iets dat ontvangen is, aangenomen weten, meer dan iets dat is afgeleid uit waarneming en ervaring. De kennis stamt voor een aanzienlijk deel van de autoriteit die haar overdraagt. De jonge lerende gelooft zijn ouders, zijn leraren, zijn boeken, en zo breidt zijn weten zich uit.

Dat geldt in nog sterkere mate voor de godsdienstige kennis, voor de praktisering van de godsdienst, voor het morele gedrag in overeenstemming met het geloof, de tradities, de gebruiken. De mensen leven in het algemeen overeenkomstig de familietraditie; men kan dat overal op aarde waarnemen. De overstap naar een andere godsdienst als die waarin men als kind is opgegroeid ondervindt ernstige hindernissen.

Deze buitengewone invloed van familie en milieu is door God gewild. Hij wilde, dat zijn weldaden allereerst door het gezin worden overgedragen; om deze reden heeft Hij aan de vader van het gezin een grote autoriteit, een immense macht over de gemeenschap van het gezin verleend, over zijn echtgenote, over zijn kinderen. Het kind wordt in zo grote zwakheid geboren, dat men daaruit al de absolute noodzaak van de bestendigheid van het huisgezin en de onverbreekbaarheid daarvan kan concluderen.

De persoonlijkheid van het kind en zijn geweten overdrijven ten koste van de autoriteit van het gezin, wil zeggen zijn ongeluk veroorzaken, het tot opstand drijven, tot minachting van de ouders, terwijl toch aan hen die hun ouders eren een lang leven is beloofd. De H. Paulus, die er aan herinnert, maakt het echter ook tot plicht van de vaders, hun kinderen niet te verbitteren, maar hen in de tucht en in de vreze des Heren op te voeden

Als men zou moeten wachten tot men de godsdienstige waarheden kan begrijpen, om te geloven en zich te bekeren, zouden er vandaag de dag slechts zeer weinig christenen zijn. Men gelooft in de godsdienstige waarheden, omdat de getuigen geloofwaardig zijn door hun heilig leven, hun onbaatzuchtigheid, hun liefde, Dan schenkt, zoals de H. Augustinus zegt, het geloof inzicht.

De rol van de ouders is moeilijk geworden. Zoals wij hebben gezien, werd de meerderheid van de privé scholen de facto laïcistisch; men onderwijst daar niet de ware godsdienst, noch de profane vakken in het licht van het geloof. De catechismussen verbreiden het modernisme. Het hectische leven verslindt de tijd, de door het beroep gegeven noodzakelijkheden ontvreemden ouders en kinderen van opa’s en oma’s, die vroeger aan de opvoeding deelhadden. De katholieken zijn niet slechts radeloos, maar ook weerloos.

Maar toch niet zo erg, dat zij niet voor het wezenlijke zouden kunnen zorgen; de genade Gods doet het overige. Wat moeten wij doen? Er zijn werkelijk katholieke scholen, al zijn ze gering in aantal. Stuurt u uw kinderen daarheen, ook als het uw begroting belast! Sticht u nieuwe scholen, zoals velen dat al hebben gedaan. Als u alleen maar scholen ter beschikking heeft, waarin het onderwijs ontaard is, laat dan van u horen, protesteer, laat niet toe dat uw kinderen door de schuld van hun opvoeders het geloof verliezen!

Leest u in het gezin de Catechismus van Trente, het is de mooiste, volmaaktste en volledigste! Leest u hem steeds opnieuw. Organiseert u “parallel godsdienstonderricht” onder geestelijke leiding van goede priesters. Wees er niet bang voor, als buiten de kerkelijke orde staande te worden beschouwd, zoals het ons vergaan is. Er zijn trouwens al talrijke van zulke onderwijsgroepen, die uw kinderen zullen opnemen.

Wijst u boeken af, die het modernistische vergif overdragen. Laat u zich voorlichten! Moedige uitgevers geven uitstekende boeken uit en herdrukken werken die door de progressieven werden vernietigd. Koopt u niet “zomaar” een bijbel; ieder christelijk gezin zou de Vulgaat moeten bezitten, die door de H. Hieronymus in de vierde eeuw in het Latijn werd vertaald en door de Kerk gecanoniseerd. Houdt u zich aan de onvervalste uitleg van de H. Schrift(1), bewaart u de ware Mis(2) en de sacramenten, zoals zij nog tot voor kort overal werden toegediend!

Vandaag is de duivel op de Kerk losgelaten; daarom gaat het tegenwoordig! Misschien beleven wij een van zijn laatste veldslagen, een generaal offensief. Hij valt op alle fronten aan, en als Onze Lieve Vrouw van Fatima gezegd heeft, dat hij op een dag tot in de hoogste kerkelijke kringen zal binnendringen, zou juist dat kunnen gebeuren. Ik beweer niets vanuit mijzelf; maar er zijn tekenen die ons op de gedachte kunnen brengen, dat er op de hoogste Romeinse sleutelposities mensen zijn, die het geloof hebben verloren.

Onder deze omstandigheden moeten dringende godsdienstige maatregelen worden genomen! Wij moeten bidden, boete doen, wij moeten, zoals de allerzaligste Maagd Maria het gevraagd heeft, de rozenkrans in het gezin bidden. De mensen beginnen, zoals men het in iedere oorlog heeft gezien, pas te bidden als de bommen vallen. En juist nu vallen ze al: wij staan toch op het punt het geloof te verliezen! Bent u er zich van bewust, dat dat veruit bedrieglijker is dan alle catastrofen waar de mensen bang voor zijn, zoals welvaartscrises of atoomoorlogen?

Een vernieuwing is noodzakelijk, maar gelooft u niet, dat wij niet ook hier op de jeugd kunnen rekenen? Niet de hele jeugd is bedorven, zoals men ons probeert wijs te maken. Velen hebben een ideaal, vele anderen hoeft men er slechts een voor ogen te stellen. Er zijn een heleboel voorbeelden van bewegingen, die met succes appeleren aan de generositeit van de jeugd. De traditiegetrouwe kloosters trekken aan, het ontbreekt niet aan roepingen van jonge seminaristen of novicen die om vorming vragen. Er is een grote opdracht te vervullen, overeenkomstig de instructies van de apostelen: Tenete traditiones… Permanete in iis quæ didicistis… (Houdt u vast aan de overlevering… Blijf trouw aan hetgeen u hebt geleerd).

De oude wereld, die voor de ondergang bestemd is, is de wereld van de abortus. Die van de traditiegetrouwe gezinnen is tegelijkertijd die van de kinderrijke gezinnen; juist hun geloof verzekert hen nakomelingschap. «Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u!» Wanneer u bewaart wat de Kerk u altijd heeft geleerd, is u de toekomst verzekerd.

0x01 graphic

Aantekeningen bij Hoofdstuk XXII.

  1. Een H. Schrift, die vóór 1958 kerkelijk werd goedgekeurd.
  2. De Tridentijnse H. Mis, zoals die in 1962 nog werd opgedragen.

23. Opbouwen – Niet Verwoesten.

Hoofdstuk XXIII

Twintig jaren zijn voorbijgegaan. Men zou hebben kunnen vermoeden, dat de reacties op de conciliaire hervormingen tot rust zouden komen, dat de katholieken het verlies van de godsdienst waarin zij opgroeiden voor lief zouden nemen, dat de heel jonge, die haar helemaal niet hebben leren kennen, met de nieuwe religie zouden instemmen. De modernisten nemen dat in ieder geval met zekerheid aan. Zij hebben zich niet overmatig verwonderd over de onrust, omdat zij aanvankelijk zeker van hun zaak waren. Mettertijd werden zij minder zeker: de veelvoudige en wezenlijke concessies aan de geest van de wereld brachten niet het verwachte resultaat, niemand wilde meer priester van de nieuwe cultus zijn, en de gelovigen gaven grotendeels de religieuze praktijk op; de Kerk, die een Kerk van de armen wilde zijn, werd een arme Kerk, zij moest haar toevlucht tot reclame nemen om het kerkgeld binnen te brengen en moest haar onroerende goederen verkopen.

Te zelfder tijd vestigde zich de trouw aan de traditie in alle christelijke landen, in het bijzonder in Frankrijk, Zwitserland, de Verenigde Staten van Amerika en in Latijns Amerika. Zelfs de uitvinder van de nieuwe Mis, mgr. Annibale Bugnini, zag zich genoodzaakt, in zijn posthuum verschenen boek(1) dit wereldwijde verzet te constateren; een verzet dat zich onophoudelijk verder ontwikkelt, organiseert en mensen aantrekt. Neen, de “traditionalistische” beweging “boet niet aan bezieling in”, zoals de progressieve journalisten van tijd tot tijd tot hun eigen geruststelling schrijven. Waar wonen zoveel mensen de Mis bij als in de St. Nicolas du Chardonnet in Parijs en waar zijn er zovéél Missen, waar is er zo veelvuldig een Lof ter ere van het H. Sacrament, waar zoveel mooie erediensten? De Priesterbroederschap St. Pius X bezit over de gehele wereld 70 huizen met tenminste telkens één priester, zij bezit kerken, zoals die in Brussel, de pas onlangs in Londen gekochte, evenals die welke haar in Marseille ter beschikking werd gesteld, zij bezit scholen en vier seminaries(2).

Karmelitessenkloosters werden geopend, die reeds nieuwe dochterhuizen stichten. De communiteiten van mannelijke en vrouwelijke kloosterlingen, die sedert ongeveer vijftien en meer jaren bestaan en die de regel van de orde waartoe zij behoren strikt navolgen, hebben roepingen te over; men moet deze vestigingen onophoudelijk vergroten of nieuwe bouwen. Ik sta altijd weer verbaasd over de edelmoedigheid van trouwe katholieken, speciaal over de Franse.

De kloosters zijn centra van uitstraling, de mensen komen in groten getale daarheen en vaak van heel ver; jonge mensen die door de bedrieglijke verleidingen van genot en “uitstappers-schap”(3) van allerlei soort in verwarring zijn, vinden daar hun weg naar Damascus. Ik zou alle plaatsen moeten noemen waar men het ware katholieke geloof bewaart en die derhalve als een magneet werken: Le Barroux, Flavigny-sur-Ozerain, La Haye-aux-Bonshommes, de Benedictinessen van Alčs, van Lamairé, de zusters van Fanjeaux, van Brignoles, van Pontcallec, communiteiten zoals die van abbé Lecareux… (4)

Ik reis veel en zie overal het ingrijpen van Christus, die zijn Kerk zegent. In Mexico heeft het gewone volk de voor de hervorming werkzame clerus, die gewonnen was voor de zogenaamde theologie van de bevrijding en die de heiligenbeelden wilde verwijderen, uit de kerken gejaagd:«Niet de beelden zullen verdwijnen, maar jullie!» De politieke verhoudingen hebben ons verhinderd een huis in Mexico te stichten; vanuit ons centrum in El Paso, aan de grens met de Verenigde Staten gelegen, stralen onze geloofsgetrouwe priesters ook naar Mexico uit. De nakomelingen van de Cristeros(5) begroeten hen met vreugde en bieden hen hun kerken aan. Ik heb daar, door de bevolking uitgenodigd, 2500 Vormsels toegediend.

In de Verenigde Staten komen jonge, kinderrijke gezinnen naar de priesters van de broederschap. In het jaar 1982 heb ik in dit land de eerste drie, helemaal in onze seminaries gevormde, priesters gewijd. De traditiegetrouwe groepen worden steeds talrijker, terwijl tegelijkertijd de parochies vervallen. Ierland, dat tegen de vernieuwingen gekant gebleven was, voert sedert 1980 zijn hervorming door; altaren werden in de rivieren gegooid of als bouwmateriaal gebruikt. Gelijktijdig vormden er zich groepen van geloofsgetrouwen in Dublin en in Belfast. In Brazilië bleef in het diocees Campos, waarover ik u al heb verteld, de bevolking nauw geschaard rond haar priesters, die door de nieuwe bisschop uit hun parochies werden verbannen; vijfduizend, ja tienduizend mensen hebben daar op straat tegen gedemonstreerd.

Het is dus de juiste weg die wij volgen; wij hebben hier het bewijs: men herkent de boom aan zijn vruchten. Wat geestelijken en leken ondanks de vervolging door de liberale clerus – waarvan Louis Veuillot(6) zei:«Er bestaat geen groter sektariër dan een liberaal» –  tot stand hebben gebracht, is bijna een wonder.

Laat u zich niet voor de gek houden, beste lezer, door het woord “traditionalist”, dat men een negatieve betekenis probeert toe te dichten. Het is in zekere zin een pleonasme, want ik zou niet weten hoe iemand katholiek zou kunnen zijn, zňnder traditionalist te zijn. Ik geloof, in dit boek uitvoerig te hebben aangetoond, dat de Kerk Traditie ěs! Wij zějn traditie. Men spreekt ook over “integralisme”. Verstaat men daaronder het respect voor de onschendbaarheid van het dogma, de catechismus, de christelijke moraal, het H. Misoffer, ja, dan zijn wij werkelijk integralisten. Maar ik zou evenmin weten hoe iemand katholiek kan zijn, die in deze zin geen integralist zou zijn.

 Men schrijft ook, dat mijn werk na mij zal verdwijnen, omdat er geen bisschop zal zijn om mijn plaats in te nemen. Ik ben van het tegendeel overtuigd, ik ben volstrekt niet verontrust. Ik kan morgen sterven, alles ligt in Gods hand. Ik weet dat er op de wereld genoeg bisschoppen te vinden zullen zijn, die onze seminaristen wijden. De ene of de andere bisschop zou, ook al zwijgt hij vandaag, van de H. Geest de moed verkrijgen om zijnerzijds op te staan. Als mijn werk uit God is, zal Hij het weten te beschermen en het het welzijn van de Kerk laten dienen. Onze Heer heeft het beloofd: de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

En daarom volhard ik onveranderlijk in mijn standpunt, en wanneer u de diepste grond van deze vasthoudendheid wilt weten, wil ik u zeggen: als Onze Heer mij in het uur van mijn dood zal vragen:«Wat heb je van je bisschopsambt terechtgebracht, wat heb je met je bisschoppelijke en priesterlijke genade gedaan?», wil ik niet uit zijn mond de verschrikkelijke woorden horen:«Jij hebt er met de anderen toe bijgedragen, de Kerk te verwoesten».

                                                                                               4 juli 1984

Aantekeningen bij Hoofdstuk XXIII

  1. Aartsbisschop Annibale Bugnini is als nuntius in Teheran gestorven. Zijn posthume werk “La Riforma Liturgica”(De liturgische hervorming), Edizioni Liturgiche, Rome, verscheen in 1983.
  2. In 1999 :141 huizen en 6 seminaries en ook enkele universiteiten, verder bejaardentehuizen, bezinningshuizen en jeugdbewegingen.
  3. Uitstappers(Duits:”Aussteiger”) zijn – meestal jonge – mensen, die vaak nogal abrupt alle beroepsmatige en maatschappelijke banden verbreken om van alle dwang van de huidige maatschappij vrij te zijn.
  4. 1999: de kapucijnen van Morgon; de redemptoristen van pater Sim, in Engeland en Frankrijk; de contemplatieve dominicanen en dominicanessen in Avrillé; de verplegende zusters van Notre Dame de Raffley; de kleine zusters van Franciscus van Assisië in Finistčre; en nog meerdere congregaties over de gehele wereld, die trouw zijn gebleven aan de Traditie.
  5. Ondanks de zwaarste vervolgingen aan het geloof trouw gebleven katholieken.
  6. Louis Veuillot†(1813-1883) was een van de belangrijkste katholieke auteurs van Frankrijk, wiens pen de H. Pius X «een snijdend zwaard en tegelijk een lichtende toorts» noemde. Als «krachtigste verdediger van de Kerk in Frankrijk» en «vurig strijder» tegen de liberalen zette hij zich gedurende het Eerste Vaticaans Concilie toonaangevend in voor het dogma van de onfeilbaarheid. Hij maakte van “L’Univers”, waarvan hij redacteur was, een blad met wereldfaam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.