1 november 1950: dogma Maria Tenhemelopneming

Op 1 november is het zeventig jaar geleden, dat Paus Pius XII in zijn hoedanigheid van Plaatsbekleder van Christus op aarde, ofwel met zijn hoogste, gezag in alle openbaarheid de volgende woorden uitsprak:

“Daarom, na telkens en telkens opnieuw onze smeekbeden tot God te hebben verheven en de Geest der waarheid te hebben aangeroepen: tot glorie van de almachtige God, die met bijzondere welwillendheid zijn gaven aan de maagd Maria heeft uitgedeeld; ter ere van zijn Zoon, de onsterfelijke Koning der eeuwen en de overwinnaar op zonde en dood; tot grotere roem
van Christus’ eerbiedwaardige moeder en tot blijdschap en jubel van heel de Kerk; op gezag van onze Heer Jezus Christus, van de zalige apostelen Petrus en Paulus en dat van onszelf: roepen wij uit, verklaren wij en definiëren wij, dat het een door God geopenbaard dogma is, dat de onbevlekte
moeder Gods altijd maagd Maria, na het voltooien van haar aardse levensbaan, met lichaam en ziel tot de hoogste hemelse glorie is opgenomen.” (“Munificentissimus Deus”, de bulle van Pius XII bij gelegenheid van deze dogmaverklaring).

Ook sprak hij het volgende gebed uit:

“O Onbevlekte Maagd, Moeder van God en Moeder der mensen, Wij geloven met al de vurigheid van ons geloof, dat Gij triomferend naar ziel en lichaam ten hemel zijt opgenomen, waar Gij tot koningin zijt uitgeroepen door al de koren der engelen en al de scharen der heiligen; en wij verenigen ons met hen om de Heer, die u boven al de andere louter geschapen wezens heeft verheven, te prijzen en te zegenen en wij bieden u aan de vurigheid van onze toewijding en onze liefde.
Wij weten, dat uw blik, welke de nederige en lijdende mensheid van Jezus op aarde moederlijk heeft gekoesterd, zich in de hemel verzadigt aan het aanschouwen van de glorievolle mensheid van de ongeschapen Wijsheid, en dat de vreugde van uw ziel in het beschouwen van de aanbiddelijke Drie-eenheid van aangezicht tot aangezicht, uw hart doet juichen van zaligmakende tederheid; en wij, arme zondaars, die door de aardse gebondenheid van ons lichaam in onze zielevlucht belemmerd worden, wij smeken u onze zinnen te zuiveren, opdat wij mogen leren reeds hier beneden God te smaken, God alleen, te midden van de verleiding van de schepselen.
Wij vertrouwen erop, dat uw barmhartige ogen neerzien op onze ellende en angsten, op onze strijd en zwakheden; dat uw lippen glimlachen bij onze vreugden en overwinningen; dat Gij Jezus van ieder van ons hoort zeggen wat Hij eens van zijn geliefde leerling zei: “Ziedaar uw zoon”; en
wij, die u aanroepen als onze moeder, wij nemen u, gelijk Johannes, als leidster, sterkte en troost gedurende ons aardse leven.
Wij bezitten de levenwekkende zekerheid, dat uw ogen, welke geweend hebben op deze aarde, door het bloed van Jezus besproeid, nog altijd gericht zijn op deze wereld ten prooi aan oorlogen, vervolgingen en onderdrukking van rechtvaardigen en zwakken;en wij, in de schaduw van dit
tranendal, verwachten uw hemels licht en van uw zoete erbarming verlichting van de nood van onze harten, de beproevingen van de Kerk en ons vaderland.
Tenslotte geloven wij, dat in de glorie waarin gij heerst, bekleed met de zon en gekroond met de sterren, gij na Jezus de vreugde en verblijding zijt van alle engelen en heiligen; en wij zien vanuit deze aarde waar wij als pelgrims doortrekken, gesterkt door het geloof in de toekomstige ver-
rijzenis, op naar u, ons leven, onze zoetheid, onze hoop; trek ons tot u met uw zo zachte stem om eens, na onze ballingschap, te tonen Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot, o goedertieren, o liefdevolle, o zoete maagd Maria.”


Hymne


O Maagd, als eerste in de tijd door God geschapen, toebereid
en voorbestemd om in uw schoot Gods Zoon te dragen, gij zijt groot.
Gij zijt de vrouw, zoals voorspeld, die eens de macht des duivels velt,
vol van genade, zoet van zin, en onbevlekt sinds het begin.
’t Leven ontvangt gij in uw schoot, ’t leven dat Adam aan de dood
verloren heeft, herstelt gij weer, ten offer geeft g’uw Zoon, uw Heer.
Omdat gij ’t loon betaald hebt, vlucht voor u de dood, hoezeer geducht,
met ziel en lichaam vaart g’omhoog, zoals uw Zoon, voor ieders oog.
Om zoveel glans en heerlijkheid is met u de natuur verblijd
haar hoogste schoonheid vindt zij nu als een geroepene in u.
O Koningin, zie op ons neer, gij triomfeert in roem en eer,
wij bidden dat g’ons bij wilt staan, de weg ten hemel wilt doen gaan.
U, Jezus, zij de heerlijkheid die uit een Maagd geboren zijt,
met Vader en met Geest tezaam, zij eeuwig lof uw grote naam.
Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.